(1)(thans artikel 174) van het EG-milieubeleid bevorderen van: - behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu; - bescherming van de gezondheid van de mens; - behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen; - het nemen van maatregelen om het hoofd te bieden aan lokale, regionale of mondiale milieuproblemen; - het voorzien in stoffelijke belangen van de leden, door in het kader van haar onderneming overeenkomsten, anders dan van verzekering, met hen te sluiten. Dit doel is mede gericht op het behartigen van algemene belangen als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb. De belangen die verband houden met een agrarisch bedrijf, zoals het verlagen van het aantal agrarische bedrijven, behoren tot de belangen die de MOB blijkens haar statutaire doelstelling behartigt.Het beroep is in zoverre ontvankelijk. 13.
- De raad betwist dat op de aangegeven locaties geen agrarische bedrijven meer geëxploiteerd worden, omdat hij is afgegaan op de geldende milieuvergunningen dan wel omgevingsvergunningen voor milieu. Bedrijven zonder een dergelijke vergunning of een bedrijfsomvang van onder 10 Nge hebben een passende herbestemming gekregen. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat het plan de omschakeling van een agrarisch bedrijf zonder vee naar een agrarisch bedrijf met vee niet toestaat. 13.
- De raad heeft in een nader stuk onweersproken toegelicht dat op 10 van de 23 genoemde percelen een agrarisch bedrijf gevestigd is of dat concrete plannen bestaan om weer een agrarisch bedrijf te starten. Voor één locatie is een procedure in gang gezet voor een herziening van het bestemmingsplan. Op één andere genoemde locatie wordt geen agrarisch bedrijf meer geëxploiteerd en is alleen een klein gebouw aanwezig dat onder het overgangsrecht valt. Weliswaar zijn op 11 van de resterende locaties geen agrarische bedrijven meer gevestigd, maar dat betekent volgens de raad niet dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en dat een andere bestemming had moeten worden toegekend. Het uitgangspunt in dit plan is dat de bestaande bestemmingen gehandhaafd blijven, tenzij er andere beleidsmatige inzichten zijn, dan wel feitelijke informatie bekend is die ertoe noopt dat een andere bestemming dient te worden toegekend. Daar is volgens de raad geen sprake van. De raad acht de agrarische bestemmingen voor deze locaties nog steeds wenselijk en sluit niet uit dat nieuwe agrarische bedrijven zich op deze locaties zullen vestigen. Voor de gevallen waarin het gebruik afwijkt van de agrarische bestemming is het gemeentebestuur voornemens handhavend op te treden. Verder is het gemeentebestuur voornemens in 2016 beleid op te stellen inzake het omzetten van voormalige agrarische bedrijfswoningen in plattelandswoningen of burgerwoningen. De Afdeling acht voorgaande standpunten niet onredelijk en ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestaande agrarische bestemmingen heeft kunnen handhaven. Het betoog faalt. Onderscheid tussen grondgebonden en intensieve veehouderijen
- MOB en anderen betogen dat het plan ten onrechte onvoldoende onderscheid maakt tussen een intensieve veehouderij en een grondgebonden melkveehouderij. Het begrip grondgebonden melkveehouderij is niet nader verklaard. De verwijzing in de toelichting naar de "Handreiking Verordening Ruimte en Grondgebonden Melkrundveehouderij" van 2 mei 2011, opgesteld door IGO adviescommissie Landbouw en Milieu (hierna: de handreiking), of de begripsomschrijving uit de Verordening 2012 volstaan niet. 14.
- De raad stelt zich op het standpunt dat in dit plan alleen een onderscheid wordt gemaakt tussen een intensieve veehouderij en een grondgebonden agrarisch bedrijf, welke definities voldoende rechtszeker zijn. 14.
- Ingevolge artikel 1, lid 1.64, van de planregels wordt onder een grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Ingevolge lid 1.74 wordt onder een intensieve veehouderij verstaan een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf gericht op het houden van dieren, zoals een rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen. 14.
- De Afdeling stelt vast dat de definitie van een grondgebonden agrarisch bedrijf overeenkomt met de definitie uit de Verordening 2012 en dat de definitie van een intensieve veehouderij nagenoeg overeenkomt met de definitie uit de Verordening
- De Afdeling ziet in hetgeen MOB en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de definities onvoldoende duidelijk zijn. Verder wordt in paragraaf 5.1.2 van de plantoelichting voor het onderscheid tussen grondgebonden agrarische bedrijven en intensieve veehouderijen verwezen naar de handreiking. Hierin is ingegaan op het onderscheid tussen deze twee soorten agrarische bedrijven. Teneinde uniformiteit te bewerkstelligen in de beoordeling van gemeentebesturen of een veehouderij grondgebonden is, is in de handreiking een systematiek neergelegd. Bij deze beoordeling zijn onder meer de omvang van het bouwvlak en het aantal koeien bepalend. Verder worden in de handreiking enkele uitzonderingen beschreven. De Afdeling acht het niet onredelijk dat de raad voor een verdere beoordeling van het onderscheid bij deze handreiking aansluit. Voor een definitie in dit plan van een grondgebonden melkveehouderij, naast een grondgebonden agrarisch bedrijf, heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien. Het betoog faalt. Uitbreiding van gebruik en bebouwing voor veehouderijen
- MOB en anderen betogen dat de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.3.3, van de planregels ruimer is dan in het vorige plan en ten onrechte geen beperking voor pluimveestallen bevat. Hierdoor laat deze bevoegdheid toe dat meer dieren worden gehouden. Dit is in strijd met de gedachte dat in bepaalde zones uitbreiding van veehouderij niet is toegestaan. Voorts betogen MOB en anderen dat artikel 3, lid 3.4.1, van de planregels een zinloze regeling is. Volgens MOB en anderen dient het plan de herbouw van een nieuwe stal in bepaalde gebieden te voorkomen. 15.
- Volgens de raad voorziet dit plan niet in ruimere bouwmogelijkheden dan het vorige plan wat de bouwhoogte betreft. Voor een hogere bouw- en goothoogte is als voorwaarde gesteld dat deze noodzakelijk dient te zijn. Vergroting van bebouwing voor intensieve veehouderijen in een gebied dat is aangeduid als "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2", is bovendien niet toegestaan, aldus de raad. Verder stelt de raad dat artikel 3, lid 3.2.2, onder g en h en artikel 4, lid 4.2.2, onder g en h, van de planregels de bouw van nieuwe stallen tegengaan. 15.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.4.1, van de planregels wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan: a. het gebruiken of laten gebruiken van meer dan één bouwlaag van een gebouw voor het houden van dieren; b. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van nevenactiviteiten, behoudens het bepaalde in lid 3.
- Ingevolge artikel 4, lid 4.3.3, kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.2, sub a en b, voor het bouwen van bedrijfsgebouwen met een hogere goot- en/of bouwhoogte, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de goothoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt niet meer dan 6,5 m; b. de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen, uitgezonderd kassen, bedraagt niet meer dan12 m; c. er is sprake van een volwaardig agrarisch bedrijf; d. de hogere bouw- en/of goothoogte is noodzakelijk in het kader van een doelmatige en duurzame agrarische bedrijfsvoering of -ontwikkeling; e. de hogere bouw- en/of goothoogte is vanuit stedenbouwkundig, cultuurhistorisch en landschappelijk oogpunt aanvaardbaar; f. er is vooraf advies ingewonnen bij de AAB over het bepaalde onder c en d. 15.
- In het vorige plan "Landelijk Gebied" golden voor agrarische bebouwing de volgende regels. Ingevolge artikel 25, derde lid, onder a, van de voorschriften kan aan de navolgende genoemde bijzondere vormen van agrarische bebouwing slechts medewerking worden verleend door middel van vrijstelling indien:
- dat uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering of — ontwikkeling noodzakelijk of wenselijk is;
- daardoor de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of aardkundige waarden volgens de waardenkaarten ter plaatse en in de directe omgeving niet onevenredig worden aangetast;
- een goede landschappelijke inpassing, op basis van een uitvoerbaar erfinrichtingsplan, verzekerd is/blijft;
- voldaan wordt aan de overige voorwaarden, die bij de desbetreffende onderwerpen in navolgende derde leden, onder b t/m h van dit artikel worden genoemd. Ingevolge het bepaalde onder c gelden bij het verlenen van vrijstelling voor de bouw van hogere bedrijfsgebouwen en kassen binnen de bestemming "Agrarische bedrijven" aanvullend op de voorwaarden genoemd in het derde lid, onder a, de volgende voorwaarden:
- De bouw dient nodig te zijn als onderdeel van een doelmatige en duurzame bedrijfsvoering ter plaatse; (..)
- De hoogte van bedrijfsgebouwen, anders dan kassen, mag niet meer gaan bedragen dan 12 m;
- De goothoogte van kassen, uitsluitend bij met "G" aangeduide glastuinbouwbedrijven, mag niet meer gaan bedragen dan 6,5 m;
- De waarden van de omringende bestemmingen en detailbestemmingen, met name ook in cultuurhistorisch en/of visueel-ruimtelijk opzicht, mogen niet onevenredig worden belast;
- Er dient vooraf advies te worden ingewonnen van een terzake deskundige commissie/instantie over tenminste de voorwaarden zoals genoemd in het derde lid, onder a, sub 1 en het derde lid, onder c, sub
- 15.
- De Afdeling stelt vast dat de afwijkingsbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 4, lid 4.3.3, van de planregels in vergelijking met het vorige plan geen hogere goot- en bouwhoogte mogelijk maakt. Ook de voorwaarden waaronder een hogere goot- en bouwhoogte kan worden toegestaan komen nagenoeg overeen met die in het vorige plan. Verder heeft de raad ter zitting onweersproken toegelicht dat de bouw van een hogere stal voor pluimvee niet snel noodzakelijk zal worden geacht. Voor zover MOB en anderen stellen dat artikel 3, lid 3.4.1, van de planregels de bouw van nieuwe stallen onvoldoende tegen gaat omdat dit artikellid alleen ziet op gebruik en niet op bouwen en dat het daarmee een zinloze regeling bevat betekent dat nog niet dat de planregel vernietigd dient te worden. Met artikel 3, lid 3.2.2, onder g en h en artikel 4, lid 4.2.2, onder g en h van de planregels wordt naar het oordeel van de Afdeling voorkomen dat bebouwing voor intensieve veehouderijen op gronden met de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" en "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" kan worden vergroot. Met deze bepaling wordt, anders dan MOB en anderen veronderstellen, eveneens voorkomen dat nieuwe bebouwing voor intensieve veehouderijen kan worden opgericht. Voor het opnemen van een verdere beperking voor het houden van pluimvee heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien. Het betoog faalt. Het beroep van [appellante sub 6] Dorshout 31 te Veghel
- [appellante sub 6], die op het perceel [locatie 5] te Veghel woont, betoogt dat de raad ten onrechte aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel Dorshout 31 geen aanduiding "intensieve veehouderij" heeft toegekend. Hierdoor is de varkenshouderij wegbestemd. 16.
- De raad heeft in het verweerschrift erkend dat het agrarisch bedrijf op het perceel Dorshout 31 als een intensieve veehouderij moet worden aangemerkt en dat het perceel ten onrechte geen aanduiding "intensieve veehouderij" heeft gekregen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt. 16.
- In hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel Dorshout 31 geen aanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De beroepen van [appellant sub 7] en [appellante sub 8] [locatie 6] te Veghel
- [appellante sub 8] aan de [locatie 6] betoogt dat de raad ten onrechte de bouwmogelijkheden voor het plandeel met de bestemming "Recreatie" van haar perceel heeft beperkt. Daartoe voert zij aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de raad aan haar geen reactie heeft gevraagd naar aanleiding van de zienswijze die omwonenden naar voren hebben gebracht en naar aanleiding waarvan de raad het plandeel gewijzigd heeft vastgesteld. Verder stelt zij dat de raad in artikel 18, lid 18.2.1, aanhef en onder e, van de planregels de maximale omvang van de bouwwerken buiten het bouwvlak ten onrechte heeft beperkt tot 50 m². Thans zijn er 54 standplaatsen en zijn er sanitaire voorzieningen aanwezig in een gebouw dat een oppervlakte van 55 m² heeft. Hoewel deze omvang nu volstaat, is [appellante sub 8] van plan om binnen afzienbare tijd uit te breiden naar 90 standplaatsen, waarvoor eerder vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is verleend. Daarbij bestaat de wens om nieuwe sanitaire voorzieningen dichter bij de standplaatsen en derhalve buiten het bouwvlak te realiseren. Een bouwwerk met een oppervlakte van 50 m² volstaat dan niet. [appellant sub 7], die in de directe omgeving van de camping woont, betoogt dat de raad ten onrechte de gebruiksmogelijkheden van het plandeel met de bestemming "Recreatie" voor het perceel [locatie 6] niet heeft beperkt. Daartoe voert hij aan dat het gebruik ten onrechte in de planregels niet is beperkt tot extensief recreatief gebruik, zoals destijds met de vrijstelling was beoogd. Dit is ook van belang om de afwijkingsbevoegdheid in artikel 18, lid 18.5.1 en de wijzigingsbevoegdheid in artikel 18, lid 18.6.1 van de planregels af te kunnen bakenen. Volgens [appellant sub 7] heeft de raad zijn zienswijze op dit onderdeel onvoldoende weerlegd. Verder vreest [appellant sub 7] voor overlast van de op het perceel toegestane horeca. Het plan voorkomt zelfstandige horeca niet, nu de bistro voor een ieder is geopend en niet alleen voor campinggasten. Volgens [appellant sub 7] legt het gemeentebestuur de planregeling anders uit dan hij is bedoeld. Voorts ziet [appellant sub 7] in het toestaan van ondersteunende horeca een ongeoorloofde uitbreiding, nu het plan al een bistro mogelijk maakt. Over de bebouwing die het plan buiten het bouwvlak mogelijk maakt, betoogt [appellant sub 7] dat in het plan onvoldoende is vastgelegd dat die bebouwing alleen ten behoeve van de camping opgericht mag worden. 17.
- De raad stelt zich ten aanzien van het beroep van [appellante sub 8] op het standpunt dat hij alleen op de hoogte is van de plannen om bouwwerken van minder dan 50 m² te realiseren, waaronder een fietsenstalling en een dierennachthok. Sanitaire voorzieningen zijn reeds voorzien binnen het bouwvlak. De raad heeft bij het bepalen van de omvang van bouwwerken buiten het bouwvlak aangesloten bij de algemene regeling zoals bijvoorbeeld de bestemming "Sport", waarmee verstening van het buitengebied wordt tegengegaan. Verder stelt de raad dat voldoende duidelijk is ten behoeve van welk gebruik de bebouwing buiten het bouwvlak opgericht mag worden. De raad stelt zich ten aanzien van het beroep van [appellant sub 7] op het standpunt dat door het aantal standplaatsen te maximeren op 90 het extensieve karakter tot uitdrukking is gebracht. In de beantwoording van de zienswijze is hierop afdoende ingegaan, aldus de raad. Over de horeca in de vorm van een bistro betoogt de raad dat het opnemen van een beperking voor de openingstijden in de avond voor alleen campinggasten niet ruimtelijk relevant is. Het toegankelijk zijn van de bistro voor anderen dan campinggasten betekent nog niet dat er sprake is van een zelfstandige volwaardige horecagelegenheid. De raad ziet in de in het plan opgenomen voorwaarden voldoende gewaarborgd dat de bistro verband houdt met de camping. Wat betreft de ondersteunende horeca stelt de raad dat deze uitsluitend bedoeld is voor campinggasten. 17.
- Bij besluit van 29 juni 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders een vrijstelling en een bouwvergunning eerste fase verleend voor het verbouwen van een ligboxenstal ten behoeve van de omvorming van een agrarisch bedrijf naar een extensief recreatief bedrijf op het perceel [locatie 6] te Veghel. Hiermee is voorzien in het veranderen van een voormalige ligboxenstal ten behoeve van het gebruik van dat bouwwerk en de bijbehorende terreinen als camping met bistro. Bij de omvang van de camping is uitgegaan van 90 standplaatsen. Het projectgebied heeft een omvang van 4,2 ha. De bistro is kleinschalig en laagdrempelig en is bedoeld voor zowel campinggasten als andere gasten, aldus de ruimtelijke onderbouwing behorende bij die vrijstelling. De raad heeft beoogd deze ontwikkeling in dit plan op te nemen. 17.
- In dit plan is aan het perceel de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - 3" toegekend. Het perceel heeft een bouwvlak, waarbinnen maximaal 804 m² aan bebouwing is toegestaan. Voorts is aan de gronden binnen het bouwvlak de aanduiding "horeca" toegekend. Het bestaande gebouw met sanitaire voorzieningen van 55 m² staat binnen het bouwvlak. Ingevolge artikel 18, lid 18.1, aanhef, van de planregels zijn de voor "Recreatie" aangewezen gronden bestemd voor: - a. aanhef en onder 3, de uitoefening van een recreatief bedrijf, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - 3", uitsluitend een camping met maximaal 90 standplaatsen en dagrecreatieve activiteiten zijn toegestaan; - c. horeca in de vorm van een bistro uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "horeca", waarbij het bepaalde in lid 18.4.1 van toepassing is; - d. ondersteunende horeca, waarbij het bepaalde in lid 18.4.2 van toepassing is. Ingevolge lid 18.2.1, aanhef en onder d, geldt voor het bouwen dat de bebouwde oppervlakte, exclusief de oppervlakte van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, binnen het bouwvlak niet meer mag bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum oppervlakte". Ingevolge lid 18.2.1, aanhef en onder e, geldt voor het bouwen dat de bebouwde oppervlakte buiten het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 150 m², met dien verstande dat de oppervlakte per bouwwerk niet meer mag bedragen dan 50 m². Ingevolge lid 18.4.1, is binnen deze bestemming ter plaatse van de aanduiding "horeca" een bistro toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de bistro bevat maximaal 30 tafels; b. de bistro is, behoudens incidentele festiviteiten, in het kampeerseizoen gesloten om 23.00 uur en buiten het kampeerseizoen gesloten om 19.00 uur; c. in de bistro vinden maximaal vier incidentele festiviteiten per jaar plaats. Ingevolge lid 18.4.2 is binnen deze bestemming ondersteunende horeca toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de openingstijden van de horeca-activiteit zijn gelijk aan de openingstijden van de hoofdactiviteit, met dien verstande dat alleen horeca-activiteiten in de dagperiode zijn toegestaan; b. de toegang tot de horeca-activiteit is uitsluitend via de toegang van de hoofdfunctie, er is dus geen aparte ingang; c. voor de horeca-activiteit mag geen aparte reclame worden gemaakt; d. het verhuren of het ter beschikking stellen aan derden voor feesten en partijen is niet toegestaan; e. maximaal 30% van de bestaande bedrijfsbebouwing is in gebruik ten behoeve van ondersteunende horeca, met dien verstande dat een absoluut maximum geldt van 100 m². 17.
- Vast staat dat de raad naar aanleiding van de door [appellant sub 7] naar voren gebrachte zienswijze het plan gewijzigd heeft vastgesteld in die zin dat aan artikel 18, lid 18.2.1, aanhef en onder e, van de planregels de voorwaarde is toegevoegd dat een bouwwerk buiten het bouwvlak niet groter mag zijn dan 50 m². Voorts is niet in geschil dat de raad deze wijziging niet aan [appellante sub 8] heeft voorgelegd alvorens het plan vast te stellen. De procedure van afdeling 3.4 van de Awb kent geen verplichting om bij het voornemen een plan gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan vast te stellen nog een reactiemogelijkheid te bieden. Evenmin heeft [appellante sub 8] omstandigheden aangedragen, waardoor een dergelijke mogelijkheid uit het oogpunt van zorgvuldigheid had moeten worden geboden. Het betoog faalt. 17.
- [appellante sub 8] wil het aantal standplaatsen op termijn uitbreiden naar het aantal zoals was voorzien in de verleende vrijstelling. Het plan voorziet hierin en maakt 90 standplaatsen mogelijk. De plannen van [appellante sub 8] om een nieuw gebouw voor sanitaire voorzieningen te bouwen buiten het bouwvlak was niet betrokken bij de in 2010 verleende vrijstelling. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. De raad stelt dat hij niet op de hoogte was van dit plan van [appellante sub 8]. Daartoe heeft de raad alle door [appellante sub 8] bij hem ingediende aanvragen om omgevingsvergunningen voor bouwen in deze procedure overgelegd. Hieruit volgt dat [appellante sub 8] aanvragen heeft ingediend voor de bouw van een zwembad, overkapte afwasplaats, fietsenstalling, een nachthok voor dieren en privé-sanitair ten behoeve van acht standplaatsen van 16 m², die volgens de bijgevoegde tekening binnen het bouwvlak is gesitueerd. [appellante sub 8] heeft niet nader onderbouwd dat zij bij de raad kenbaar heeft gemaakt plannen te hebben voor een gebouw van meer dan 50 m² buiten het bouwvlak. Gelet op het voorgaande concludeert de Afdeling dat er geen sprake is van een concreet plan, waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. De raad heeft voor de toegestane maximale oppervlakte aangesloten bij de gebruikelijke regeling voor bijgebouwen buiten het bouwvlak in het buitengebied. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Verder heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat niet geconcentreerde bebouwing zoveel mogelijk wordt tegen gegaan. Het betoog faalt. 17.
- In artikel 18, lid 18.1, aanhef en onder a, sub 3, van de planregels staat dat de camping niet meer dan 90 standplaatsen mag omvatten. Dit is in overeenstemming met het met de vrijstelling voorziene gebruik. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat met het opnemen van 90 standplaatsen het gebruik voldoende is beperkt. Verder stelt de Afdeling vast dat de raad op dit betoog in de nota van zienswijzen ingegaan, zodat het betoog van [appellant sub 7] op dit onderdeel niet wordt onderschreven. Het betoog faalt. 17.
- In de uitspraak van 30 november 2011, in zaak nr. 201104957/1/H1, heeft de Afdeling over het besluit van het college van 29 juni 2010 geoordeeld. In de uitspraak is overwogen dat een akoestisch rapport is opgesteld waarin de geluidemissie van de camping en de bistro is onderzocht. Uit dit rapport volgt dat het project niet leidt tot een uit een oogpunt van geluidhinder onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het besluit bevatte echter geen beperking met betrekking tot de omvang van de horeca-activiteiten. De Afdeling heeft geoordeeld dat het college ter onderbouwing van de vrijstelling, wat de reikwijdte van het gebruik ten behoeve van de bistro betreft, niet heeft kunnen verwijzen naar de weergave van de representatieve bedrijfssituatie in het akoestisch rapport, omdat in het besluit van ruimere openingstijden is uitgegaan dan in het aan het besluit ten grondslag gelegde akoestisch rapport. Gelet hierop heeft de Afdeling het besluit in strijd met de rechtszekerheid geacht. De Afdeling heeft het hoger beroep gegrond verklaard, het besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat aan het besluit ten aanzien van het gebruik ten behoeve van de bistro de beperkende voorschriften worden verbonden dat de bistro maximaal 30 tafels bevat, de bistro, behoudens incidentele festiviteiten, in het kampeerseizoen gesloten is om 23.00 uur en buiten het kampeerseizoen gesloten is om 19.00 uur en in de bistro maximaal vier incidentele festiviteiten per jaar plaatsvinden. De uitspraak is in zoverre in plaats getreden van het vernietigde besluit. De Afdeling stelt vast dat voornoemde beperkende voorschriften in dit plan zijn opgenomen. [appellant sub 7] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het toegestane gebruik onevenredige overlast geeft. Verder heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding gezien nog nadere beperkingen te stellen. Voor zover [appellant sub 7] betoogt dat de planregels door het gemeentebestuur onjuist worden uitgelegd in de handhavingsprocedure, overweegt de Afdeling dat die procedure hier niet ter toetsing voorligt. Het betoog faalt. 17.
- Over de ondersteunende horeca heeft de raad ter zitting toegelicht dat op dit moment alleen horeca-activiteiten in de bistro plaatsvinden. Desondanks acht de raad ondersteunende horeca, waarbij bijvoorbeeld gedacht moet worden aan de verkoop van ijsjes bij de camping, niet onwenselijk nu het om onderschikt gebruik gaat. De raad stelt dat onaanvaardbare hinder hiervan niet te verwachten is. De Afdeling acht deze standpunten niet onredelijk. Het betoog faalt. 17.
- Voor zover [appellant sub 7] betoogt dat de bebouwing buiten het bouwvlak in relatie moet staan met het recreatieve gebruik overweegt de Afdeling dat dit uit de systematiek van de planregels over de bestemming "Recreatie" volgt. Het betoog faalt. Bestuurlijke lus
- De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van de geschillen aanleiding de raad op te dragen om binnen 18 weken na verzending van deze uitspraak de gebreken, genoemd in 8.2, 8.4, 12.4 en 16.1, in het bestreden besluit te herstellen. De raad dient daartoe: a. met inachtneming van overwegingen 8.2 en 8.4 de zienswijze van [appellant sub 1] te behandelen en alsnog de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2" die aan het perceel [locatie 1] is toegekend, toereikend te motiveren dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling voor dat perceel; b. met inachtneming van overweging 12.4 voor het perceel [locatie 4] te Erp een goothoogte op te nemen in overeenstemming met de vergunning voor het bouwwerk; c. met inachtneming van overweging 16.1 voor perceel Dorshout 31 een zodanige planregeling vast te stellen dat de bestaande intensieve veehouderij als zodanig wordt bestemd. De raad dient de Afdeling en de betrokken partijen de uitkomst van de uitvoering van de voormelde opdracht mede te delen. Bij de voorbereiding van het te nemen besluit hoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Het besluit tot wijziging van het plan dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt en te worden medegedeeld. Conclusie en proceskosten
- In hetgeen [appellant sub 1], [appellante sub 4] en [appellante sub 6] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de in 18 genoemde plandelen is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en de rechtszekerheid. De beroepen zijn gegrond. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellante sub 2], [appellant sub 3], MOB en anderen, voor zover ontvankelijk, [appellant sub 7] en [appellante sub 8] ongegrond.
- Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 4] en [appellante sub 6] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht. Ten aanzien van de beroepen van [appellante sub 2], [appellant sub 3], MOB en anderen, [appellant sub 7] en [appellante sub 8] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A en anderen, voor zover het is ingesteld door natuurlijke personen en voor zover zij zich richten tegen de in 13 genoemde plandelen met de bestemming "Agrarisch" of "Agrarisch met waarden", niet-ontvankelijk; II. draagt de raad van de gemeente Veghel in de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 4] en [appellante sub 6] op: - om binnen 18 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen in 18 is overwogen het besluit van 19 december 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied" te herstellen; - de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen; - een wijziging van het besluit op de wettelijk voorschreven wijze bekend te maken en mede te delen; III. treft de voorlopige voorziening dat voor het perceel [locatie 4] te Erp een goothoogte van 5,95 m voor de in 12.4 genoemde stal geldt tot het tijdstip dat het gebrek is hersteld als bedoeld onder II; IV. verklaart de beroepen van [appellante sub 2], [appellant sub 3], de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A en anderen, voor zover ontvankelijk, [appellant sub 7A] en [appellante sub 7B] en [appellante sub 8] ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Mercker, griffier. w.g. Kranenburg w.g. Mercker Voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2015 661.