← Nederland

ECLI:NL:RVS:2015:2545

201403715/1/V

  1. Datum uitspraak: 31 juli 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 28 april 2014 in zaak nr. 14/5980 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 10 maart 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 28 april 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I.M. Hidding, advocaat te Nieuw-Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen
  2. De vreemdeling heeft eerder een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die bij besluit van 24 april 2012 is afgewezen. Het besluit van 10 maart 2014 is, voor zover daarin de aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen, van gelijke strekking als voormeld besluit.
  3. Bij uitspraak van 20 juli 2015 in zaak nr. 201400247/1/V2 heeft de Afdeling het hoger beroep van de vreemdeling tegen een uitspraak van de rechtbank, waarbij zij het door de vreemdeling tegen het besluit van 24 april 2012 ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard, gegrond verklaard en die uitspraak en dat besluit vernietigd. Omdat de staatssecretaris bij het nieuw te nemen besluit moet uitgaan van de feiten en omstandigheden zoals die zich op dat moment voordoen, heeft de vreemdeling in zoverre geen belang bij voorliggend hoger beroep. Aangezien het uitgevaardigde inreisverbod onlosmakelijk is verbonden met het vernietigde besluit van 24 april 2012, dient de staatssecretaris zich in het nieuw te nemen besluit opnieuw uit te laten over dit inreisverbod. De vreemdeling kan dat standpunt desgewenst in die procedure laten toetsen en heeft derhalve ook in zoverre geen belang in deze procedure.
  4. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
  5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier. w.g. Lubberdink w.g. Van Loon voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2015 284-802.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.