(2012), paragraaf 3.4.2; www.ctivd.nl) betoogt hij dat historische gegevens die niet relevant zijn voor enig lopend onderzoek, in beginsel geen staatsgeheim zijn. 2.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 december 2011 in zaak nr. 201102677/1/H3), is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. 2.
- De minister heeft aan de in bezwaar gehandhaafde besluiten van 16 januari en 6 februari 2013 ten grondslag gelegd dat geen uitspraken worden gedaan over de vraag of actuele gegevens bij de MIVD worden verwerkt, nu dit inzicht geeft in het actuele kennisniveau van de MIVD, hetgeen ten koste gaat van de nationale veiligheid. Voor zover de verzoeken betrekking hebben op niet-actuele gegevens heeft de minister verklaard dat bij het archiefonderzoek geen niet-actuele gegevens zijn aangetroffen. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft de minister toegelicht dat de archivaris de onderwerpen op de inventarislijsten bekijkt en dat het verzoek voorts is uitgezet bij de operationele afdelingen waar in de systemen en archieven is gezocht naar de verzochte gegevens. Bij dit archiefonderzoek zijn volgens de minister geen gegevens aangetroffen die gelet op de taakuitvoering van de MIVD niet of niet langer als actueel kunnen worden beschouwd en derhalve voor verstrekking in aanmerking komen. In dat verband heeft de minister het meest recente openbare jaarverslag van de MIVD aan [appellant] toegezonden waarin hij kan lezen met welke actuele zaken de MIVD zich bezighoudt. 2.
- Hetgeen [appellant] in hoger beroep aanvoert biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank de minister ten onrechte in dit standpunt is gevolgd. De Afdeling acht de mededeling van de minister dat geen niet-actuele gegevens zijn aangetroffen niet ongeloofwaardig. [appellant] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Het betoog faalt.
- [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat de minister een dwangsom wegens het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar aan hem heeft toegekend. Daartoe voert hij aan dat de zaakskenmerken die de minister in het dwangsombesluit heeft genoemd niet overeenkomen met de zaakskenmerken in deze zaak. Voor zover de minister wel een dwangsom heeft toegekend, had de rechtbank het beroep tegen het niet-tijdig vaststellen ervan gegrond moeten verklaren, omdat ten tijde van het instellen van beroep nog geen dwangsombesluit was genomen, aldus [appellant]. 3.
- De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat uit de door de minister overgelegde stukken, waaronder een betalingsoverzicht, volgt dat de minister bij besluit van 1 oktober 2013 een dwangsom van € 370,00 aan [appellant] heeft toegekend wegens het niet-tijdig beslissen op het door hem tegen de besluiten van 16 januari en 6 februari 2013 gemaakte bezwaar. De omstandigheid dat het dwangsombesluit is genomen nadat [appellant] beroep had ingesteld tegen het besluit van 8 augustus 2013 brengt niet met zich dat de rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren. Het betoog faalt.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier. De voorzitteris verhinderd de uitspraak te ondertekenen. w.g. Beerse griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2015 382-818.