(1)of the Penal Code Ahmadis are forbidden from calling their places of worship mosques, no formal restrictions on establishing places of worship exist. In practice, however, local authorities often refuse Ahmadis permission to build places of worship, and existing ones are at times closed, destroyed, desecrated or illegally expropriated. In addition, Ahmadis have been barred from holding public conferences since
- Their publications are banned from public sale, and the publishing houses are sometimes closed down and their staff harassed. […] In light of the foregoing, UNHCR considers that members of the Ahmadi community, including those targeted by Islamic extremist elements or charged with criminal offences under the blasphemy or anti- Ahmadi provisions, are likely to be in need of international refugee protection on account of their religion, depending on the individual circumstances of the case." 2.
- Het rapport van het UK Home Office vermeldt, voor zover thans van belang, het volgende: "As confirmed in the country guidance Case of MN and others (paragraph 119ii), it is, and has long been, possible in general for Ahmadis to practice their faith on a restricted basis either in private or in community with other Ahmadis, without infringing domestic Pakistan law. However, the legislation that restricts the way in which Ahmadis are able to openly practice their faith not only prohibits preaching and other forms of proselytising but also in practice restricts other elements of manifesting one's religious beliefs, such as holding open discourse about religion with non-Ahmadis, even where this does not amount to proselytising. […] Sanctions include a fine and imprisonment and - if blasphemy is found - there is a risk of the death penalty. To date, this has not been carried out. However, there is a risk of lengthy incarceration if the penalty is imposed. […] There is clear evidence that the legislation is used by non-state actors to threaten and harass Ahmadis. […] Ahmadis are also subject to attacks by non-state actors from sectors of the majority Sunni Muslim population. […]. If an Ahmadi is able to demonstrate that it is of particular importance to their religious identity to practice and manifest their faith openly in Pakistan in defiance of the restrictions in the Pakistan Penal Code, they are likely to be in need of protection." 2.
- Uit de overgelegde stukken leidt de Afdeling af dat de Pakistaanse autoriteiten de vrijheid van godsdienst voor ahmadi's beperken. Ahmadi's worden volgens de Pakistaanse grondwet niet als moslims beschouwd en de blasfemiewetgeving, met name de zogenoemde anti-ahmadi bepalingen, perkt de religieuze vrijheid van ahmadi's verder in. Zo is het een ahmadi verboden zich een moslim te noemen, zijn geloof als islam te betitelen en zijn geloof te prediken of te verspreiden. De autoriteiten beperken - vaak onder druk van radicale moslimleiders - in de praktijk de vrijheid van godsdienst voor ahmadi's, door het hun moeilijk te maken om nieuwe gebedshuizen te bouwen en bijeen te komen in moskeeën en/of particuliere huizen. Het komt voor dat gebedshuizen door de autoriteiten worden gesloten. Mede als gevolg van de blasfemiewetgeving krijgen ahmadi's te maken met maatschappelijke intolerantie, ontvoeringen, gedwongen bekeringen en religieus gemotiveerd geweld. De autoriteiten zijn vaak niet in staat of bereid om bescherming te bieden tegen deze aanvallen van veelal extremistische moslimorganisaties. Door de staatssecretaris is ter zitting erkend dat de situatie in Pakistan voor ahmadi's zorgwekkend is en dat ahmadi's die zich publiekelijk als zodanig manifesteren zich aan grote risico's blootstellen. Uit de stukken volgt echter ook dat ahmadi's in Pakistan hun geloof kunnen belijden en uitoefenen, zij het binnen de in dit land geldende grenzen. Zij hebben gedrukte media, eigen instellingen en organisaties en zij kunnen bijeenkomen in eigen gebedshuizen. Weliswaar wordt de blasfemiewetgeving misbruikt en is het aantal beschuldigingen van blasfemie tegen ahmadi's toegenomen ten opzichte van het vorige ambtsbericht, maar het aantal beschuldigingen tegen ahmadi's, afgezet tegen de omvang van de ahmadi-gemeenschap in Pakistan, is betrekkelijk gering. Dat ahmadi's in Pakistan als groep worden vervolgd, kan daarom niet uit de overgelegde stukken worden afgeleid. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat iedere ahmadi in Pakistan louter vanwege het zijn van ahmadi een gegronde vrees heeft voor vervolging. 2.
- De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens de wijze waarop hij aan zijn geloofsovertuiging invulling heeft gegeven, dan wel zal geven bij terugkeer in Pakistan, te vrezen heeft voor vervolging. De vreemdeling heeft verklaard dat hij bij terugkeer in Pakistan dezelfde activiteiten zal verrichten als voor zijn vertrek. Aangezien de vreemdeling bij die eerdere activiteiten geen belemmeringen heeft ondervonden, zal hij, aldus de rechtbank, ook bij terugkeer zijn geloof binnen de wettelijke kaders kunnen belijden en uitoefenen. Voorts kan volgens de rechtbank uit de verklaringen van de vreemdeling niet worden afgeleid dat het voor hem bijzonder belangrijk is zich moslim te noemen en zijn geloof met de islam te vereenzelvigen. 2.
- Uit de enkele omstandigheid dat de vreemdeling voor zijn vertrek uit Pakistan geen belemmeringen heeft ondervonden bij zijn geloofsactiviteiten, kan niet worden afgeleid dat hij ook bij terugkeer niet te vrezen heeft voor vervolging. Uit de verklaringen van de vreemdeling kan immers worden afgeleid dat hij zich in het verleden wegens de blasfemiewetgeving juist heeft onthouden van bepaalde religieuze handelingen en zich dus terughoudend heeft opgesteld. Voorts lijkt uit de verklaringen te volgen dat het voor hem van belang is deze geloofsuitingen na terugkeer wel te kunnen verrichten. Zo heeft hij tijdens het nader gehoor uitdrukkelijk verklaard dat hij onder andere uit Pakistan is vertrokken omdat hij wegens de blasfemiewetgeving niet in alle openheid volgens zijn geloof kan leven, zijn gebedsplaats geen moskee mag noemen en geen handelingen kan verrichten waaruit andere Pakistanen zouden kunnen afleiden dat hij zich als moslim manifesteert. De staatssecretaris heeft ter zitting bij de Afdeling niet kunnen verduidelijken uit welke verklaringen van de vreemdeling hij heeft afgeleid dat het voor de vreemdeling niet van bijzonder belang is zijn geloof te belijden op een wijze die hem, zoals hiervoor is overwogen, zou blootstellen aan vervolging. Dit klemt temeer, nu de staatssecretaris heeft erkend dat het voor een ahmadi gevaarlijk is zich in Pakistan publiekelijk als zodanig te manifesteren. Gelet hierop heeft de staatssecretaris niet deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling niet te vrezen heeft voor vervolging wegens de wijze waarop hij bij terugkeer in Pakistan uiting wil geven aan zijn geloofsovertuiging. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens zijn individuele feiten en omstandigheden te vrezen heeft voor vervolging. 2.
- De grief slaagt.
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 16 januari 2012, aangevuld bij besluit van 10 september 2013, alsnog gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.
- De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 9 april 2014 in zaak nr. 12/1814; III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 16 januari 2012, aangevuld bij besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 september 2013, V-nummer [nummer]; V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.940,00 (zegge: tweeduizend negenhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier. w.g. Lubberdink w.g. Van Loon voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2015 284/572-802.