(1)in plaats van de factor "zeer licht" (0,25) bij de toekenning van de omvang van de vergoeding in de proceskosten te worden gehanteerd, aldus [appellant]. Voorts betoogt hij dat de staatssecretaris bij de toekenning van de proceskostenvergoeding ten onrechte is uitgegaan van de forfaitaire tarieven van voor 1 januari
- Nu het besluit op bezwaar is genomen na 1 januari 2013, had deze vergoeding op € 472,00 moeten worden vastgesteld, aldus [appellant]. 6.
- Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), zoals dat luidde ten tijde van het besluit op bezwaar, kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, worden de kosten bedoeld in artikel 1, onderdeel a, vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief. Ingevolge de eerste volzin van de bijlage bij het Bpb wordt het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig de in de bijlage opgenomen lijst (A) en die punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt (B) en met de toepasselijke wegingsfactoren (C). Ingevolge onderdeel B2, onder 2, van de bijlage bij het Bpb bedraagt de waarde per punt € 472,
- Ingevolge onderdeel C1 is de wegingsfactor van een zeer lichte zaak 0,25 en van een gemiddelde zaak
- 6.
- Met ingang van 1 januari 2013 is in werking getreden het Besluit van 20 december 2012 tot wijziging van het Bpb in verband met indexering van de bedragen en toevoeging van enkele proceshandelingen (Stb. 2012, 683). Deze wijziging heeft onmiddellijke werking voor uitspraken die na 1 januari 2013 worden gedaan. Gelet hierop is de staatssecretaris ten onrechte in het besluit van 7 januari 2013 uitgegaan van een puntwaarde van € 437,
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 24 november 2010 in zaak nr. 201002518/1/H3) behoort de behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure in beginsel tot de categorie ‘gemiddeld’, tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Van dergelijke redenen is in deze zaak niet gebleken. Derhalve heeft de staatssecretaris ten onrechte niet wegingsfactor 1 toegepast (vergelijk de uitspraak van 13 maart 2013 in zaak nr. 201205413/1/A3). Het betoog slaagt.
- Het beroep is gegrond. Het besluit van 7 januari 2013 dient te worden vernietigd, voor zover de staatssecretaris de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar heeft vastgesteld op € 109,
- De Afdeling veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00, zijnde de puntwaarde per 1 januari 2015 (Regeling van de minister van 12 december 2014, Stcrt. 2014, 37105).
- Nu [appellant] over het zaaksoverzicht beschikt en zijn betoog over de hoogte van het forfaitaire bedrag en de wegingsfactor daarvan slaagt, heeft hij geen belang bij een bespreking van zijn betoog dat de staatssecretaris hem ten onrechte niet heeft gehoord.
- De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 november 2013 in zaak nr. 13/1113; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 7 januari 2013, kenmerk CJIB nr. 160893329, voor zover de staatssecretaris de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar heeft vastgesteld op € 109,25; V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 490,00 (zegge: vierhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VII. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 399,00 (zegge: driehonderdnegenennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, griffier. w.g. Troostwijk w.g. Zegveld lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2015 43-816.