← Nederland

ECLI:NL:RVS:2015:2793

201308141/1/R

  1. Datum uitspraak: 28 augustus 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (r.o. 6),
  3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Kinderdagverblijf De Boterbloem B.V. (hierna: het Kinderdagverblijf), gevestigd te Oirschot (r.o. 24),
  4. [appellant sub 3], wonend te Oirschot (r.o. 25),
  5. [appellant sub 4], wonend te Oirschot (r.o. 26),
  6. [appellant sub 5], gevestigd te Oost-, West- en Middelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 27),
  7. [appellant sub 6], wonend te Oost-, West- en Middelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 28),
  8. [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 7A]), wonend te Middelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 29),
  9. [appellant sub 8], wonend te Oostelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 30),
  10. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 9]), wonend te Oost-, West- en Middelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 31),
  11. [appellant sub 10], wonend te Westelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 32),
  12. [appellant sub 11], wonend te Oirschot (r.o. 33),
  13. [appellant sub 12], wonend te Oost-, West- en Middelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 34),
  14. [appellant sub 13], wonend te Oostelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 39),
  15. [appellant sub 14], wonend te Middelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 41),
  16. [appellant sub 15A] en [appellant sub 15B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 15]), wonend te Oirschot (r.o. 42),
  17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gasunie Transport Services B.V., als rechtsopvolger van de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Gasunie, gevestigd te Groningen (hierna: Gasunie) (r.o. 43),
  18. [appellant sub 17], handelend onder de naam Camping Rakelbos, wonend te Oost-, West- en Middelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 20 en 44),
  19. de stichting Stichting Behoud Erfgoed Oirschot (hierna: SBEO), gevestigd te Oirschot (r.o. 45),
  20. [appellant sub 19A] en [appellant sub 19B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 19]), wonend te Oirschot (r.o. 46),
  21. [appellant sub 20A] en [appellant sub 20B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 20]), wonend te Oirschot (r.o. 47),
  22. [appellant sub 21], handelend onder de naam Educatieve Viskwekerij de Stroom, wonend te Oirschot (r.o. 47),
  23. [appellant sub 22], wonend te Middelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 48),
  24. [appellant sub 23], wonend te Oostelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 49),
  25. [appellant sub 24], wonend te Oostelbeers, gemeente Oirschot (r.o. 50),
  26. [appellant sub 25], wonend te Oirschot (r.o. 51),
  27. [appellant sub 26], wonend te Oirschot (r.o. 52),
  28. de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie (hierna: BMF), gevestigd te Tilburg (r.o. 53),
  29. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 28], gevestigd te Oirschot (r.o. 65), appellanten, en de raad van de gemeente Oirschot, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 18 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied fase II 2013" (hierna: plan Fase II) vastgesteld. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Hierover heeft een aantal appellanten een zienswijze naar voren gebracht. Bij besluit van 16 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied fase II 2013, 2e bestuurlijke lus" (hierna: het plan) vastgesteld. Tegen dit besluit heeft het college van gedeputeerde staten beroep ingesteld, onder meer op alle plandelen waarop zijn reactieve aanwijzingsbesluit van 23 juli 2013 met betrekking tot het bestemmingsplan van 18 juni 2013 betrekking had. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 en 14 april 2015, waar het merendeel van de partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn ter zitting [derde belanghebbende A] en [derde belanghebbende B], [appellant sub 17], [derde belanghebbende C], bijgestaan door mr. J. Schoneveld, [derde belanghebbende D], bijgestaan door mr. P.M.A.C. van de Laak, advocaat te Moergestel, [derde belanghebbende E], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, vertegenwoordigd door mr. M.N.J. van der Stappen, ook als derde belanghebbenden gehoord. De Afdeling heeft de behandeling van het beroep van [appellant] afgesplitst en voortgezet onder zaak nr. 201308141/7/R
  30. Overwegingen Toetsingskader
  31. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
  32. Ten tijde van de vaststelling van plan Fase II was de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening 2012) van kracht. Ten tijde van de vaststelling van het plan was de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening 2014) van kracht. De plannen
  33. De Afdeling stelt, mede gelet op de bewoordingen van het besluit van de raad van 16 december 2014, vast dat bij dat besluit plan Fase II onder de benaming "Buitengebied fase II 2013, 2e bestuurlijke lus" in zijn geheel opnieuw, gewijzigd is vastgesteld.
  34. De Afdeling merkt het besluit van de raad van 16 december 2014 aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Verder is het besluit van 16 december 2014 op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb dienen de beroepen te worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 16 december 2014, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. De Afdeling zal bij ieder beroepschrift het plan als eerste beoordelen, en daarna en voor zover nodig, plan Fase II.
  35. Het plan voorziet, evenals plan Fase II, in een planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Oirschot. Het beroep van het college van gedeputeerde staten
  36. Zoals hiervoor is vermeld onder het procesverloop heeft het college tegen alle onderdelen van het plan beroep ingesteld waarop zijn reactieve aanwijzingsbesluit van 23 juli 2013 met betrekking tot het plan Fase II betrekking had. De gronden van het beroep van het college steunen derhalve nog mede op de bepalingen van de Verordening ruimte
  37. De percelen [locaties 1]
  38. Het college kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Wonen" met betrekking tot de percelen [locatie 1A] en [locatie 1B] te Oost-, West- en Middelbeers, voor zover de daarbij toegekende omvang van het bestemmingsvlak afwijkt van het bestemmingsvlak dat in het ontwerpplan was toegekend. Het college voert aan dat bestemmingsvlakken ten onrechte worden vergroot op gronden waarop geen bebouwing aanwezig is en die zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS). Het plan voldoet volgens hem in zoverre niet aan de eis in artikel 4.2 van de Verordening 2012 waaruit volgt dat een dergelijke ontwikkeling in de EHS slechts is toegestaan als die strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van het gebied. Dit geldt volgens het college temeer daar bij de vaststelling van het plan geen afweging is gemaakt hoe deze wijziging zich verhoudt tot de kenmerken van de EHS. Het plan is bovendien in strijd met artikel 2.2 van de Verordening 2012 waarin is bepaald dat een ruimtelijke ontwikkeling gepaard dient te gaan met een aantoonbare verbetering van het landschap, aldus het college. 7.
  39. De raad en de bewoners/eigenaren van de percelen, [bewoner A] en [bewoner B], hebben zich op het standpunt gesteld dat de begrenzing van de EHS ter plaatse geen recht doet aan het al sinds 1978 bestaande gebruik van de grond als tuinen en voor bijbehorende gebouwen en bouwwerken. Volgens de raad sluiten de bouwvlakken aan op de omliggende bouwvlakken en vormen zij daarmee ruimtelijk één geheel. Zij zijn van mening dat de bestaande natuur door de toegekende bestemming niet wordt aangetast. 7.
  40. In het plan is aan de percelen de bestemming "Wonen" toegekend. Ingevolge artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden onder andere bestemd voor woningen. Artikel 19, lid 19.2.4, bevat bepalingen voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken (bijgebouwen, aan- en uitbouwen) bij woningen. Lid 19.2.6 bevat bepalingen voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 7.
  41. Ingevolge artikel 1.1, onder 72, van de Verordening 2012 wordt onder ruimtelijke ontwikkeling verstaan: bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist. Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening 2012 bevat een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, een verantwoording van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft. In artikel 4.2, eerste lid, onder a, van de Verordening 2012 is bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de EHS strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Ingevolge het tweede lid bepaalt een bestemmingsplan, in afwijking van het eerste lid, dat de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten zolang de EHS niet is gerealiseerd. Ingevolge artikel 1, onder 1.72, van de Verordening 2014 wordt onder ruimtelijke ontwikkeling verstaan: bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor een wijziging van het planologisch regime nodig is. Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening 2014 bepaalt een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Verordening 2014 strekt een bestemmingsplan gelegen in de EHS tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Ingevolge het bepaalde onder b, van artikel 5.1, stelt een bestemmingsplan gelegen in de EHS regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken. Ingevolge het bepaalde onder c, van artikel 5.1, bepaalt een bestemmingsplan gelegen in de EHS dat zolang de EHS niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten. 7.
  42. In het voorheen ter plaatse vigerende bestemmingsplan Buitengebied 2010 van 29 september 2010 (hierna: plan Fase I) was aan de gronden waarop het beroep ziet de bestemming "Natuur" toegekend. Ingevolge artikel 13, lid 13.1.1, van de planregels, waren deze gronden onder meer bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden van niet beboste gronden en heidevelden. Ingevolge lid 13.2.1 respectievelijk lid 13.2.2 mochten op deze gronden geen gebouwen worden gebouwd en golden voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximale bouwhoogten. Ingevolge lid 13.4 gold voor het uitvoeren van een aantal werken een aanlegvergunningvereiste. 7.
  43. De Afdeling stelt vast dat het huidige gebruik van het in geding zijnde gedeelte van de tuinen en de daarop staande bebouwing niet in overeenstemming is met de bestemming "Natuur". Het plan voorziet ten aanzien van de gronden waarop het beroep betrekking heeft dan ook in een ruimtelijke ontwikkeling in de zin van bovengenoemde artikelen van de Verordening 2012 en de Verordening
  44. In de toelichting bij het plan heeft de raad niet verantwoord of en op welke wijze de gegeven gebruiksmogelijkheden gepaard zullen gaan met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de kwaliteit van onder meer het landschap. Het feit dat sprake is van bestaand feitelijk gebruik, betekent niet dat een verantwoording ter zake van bovengenoemde punten in de plantoelichting achterwege kan blijven. Voor de gronden waarop het beroep betrekking heeft, voorziet het plan immers in planologisch nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de bestemming "Wonen" voor de gedeelten in kwestie van de percelen [locatie 1A] en [locatie 1B] in strijd is met artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening 2012 en artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening 2014, voor zover bij de vaststelling daarvan is afgeweken van het ontwerpplan. 7.
  45. Niet in geschil is dat de gronden waarop het beroep ziet in de EHS liggen. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre tevens in strijd is met artikel 4.2, eerste lid, onder a, van de Verordening 2012 en artikel 5.1, eerste lid, onder a en c, van de Verordening
  46. Voor zover de raad meent dat het plan op grond van evengenoemde artikelen dient te voorzien in een voortzetting van het bestaande gebruik, overweegt de Afdeling het volgende. Blijkens de toelichting op de Verordening 2012 bevat het tweede lid een generieke bepaling ter bescherming van gevestigde belangen en rechten: hetgeen is geregeld in op het moment van inwerkingtreding van de Verordening 2012 geldende bestemmingsplannen, dient te worden geëerbiedigd. Volgens de toelichting mogen er echter geen nieuwe ontwikkelingen worden geschapen door middel van een herziening van een bestemmingsplan. Gelet op de toelichting op artikel 5.1 van de Verordening 2014 (p. 32) is op dit punt geen wijziging beoogd. Niet is gebleken van vergunningen voor het realiseren van bebouwing op de respectieve gedeelten van de gronden. Artikel 4.2, tweede lid, van de Verordening 2012 en artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Verordening 2014, zien, gelet op het vorenstaande, slechts op de bescherming van bestaande legale bebouwing en bestaand legaal gebruik. Voor zover de bezwaren van de raad zich richten tegen de begrenzing van de EHS, heeft het college terecht gewezen op de procedure die in de Verordeningen is opgenomen voor herbegrenzing. 7.
  47. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan strijdt met artikel 2.2, eerste lid, en artikel 4.2, eerste lid, onder a, van de Verordening 2012 en het daarmee corresponderende artikel 5.1, eerste lid, onder a en c, van de Verordening 2014, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" dat ziet op de percelen [locatie 1A] en [locatie 1B] te Oost-, West- en Middelbeers, voor zover daarbij is afgeweken van het ontwerpplan. Het betoog slaagt. Het perceel [locatie 2] te Oirschot
  48. Het college kan zich niet verenigen met de aanduiding ten behoeve van de uitloop voor paarden voor een perceel nabij de locatie [locatie 2] te Oirschot, omdat deze gronden liggen in de EHS. Het plan voldoet volgens het college in zoverre niet aan artikel 4.2 van de Verordening 2012, omdat de uitloop voor paarden niet strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van het gebied. Dit geldt volgens het college temeer daar bij de vaststelling van het plan geen afweging is gemaakt hoe deze wijziging zich verhoudt tot de kenmerken van de EHS. Volgens het college is onduidelijk wat de uitloop voor paarden inhoudt, welke voorzieningen getroffen kunnen worden en wat de effecten van de uitloop zijn op de natuurwaarden. 8.
  49. De raad staat op het standpunt dat voldoende gewaarborgd is dat de aanwezige ecologische waarden worden beschermd, nu ter plaatse niet mag worden gebouwd en het perceel de bestemming "Natuur" blijft houden. De raad betoogt voorts dat deze bestemming ook onder het vorige bestemmingsplan op deze gronden rustte en dat het college zich daartegen destijds niet heeft gekeerd. Van een wijziging van beleid of regelgeving die tot een ander standpunt van het college zou hebben kunnen leiden, is geen sprake geweest, aldus de raad. 8.
  50. [derde belanghebbende A] en [derde belanghebbende B], eigenaren/gebruikers van de stal en de gronden, hebben naar voren gebracht dat de stal met bouwvergunning is opgericht, dat van een vrije uitloop van de paarden geen sprake is omdat het terrein omheind is en dat het vanuit de stal kunnen laten lopen en grazen van de paarden noodzakelijk is. 8.
  51. Voor de aan de orde zijnde bepalingen uit de Verordening 2012 en de Verordening 2014, wordt verwezen naar 7.
  52. 8.
  53. Aan de gronden in kwestie is in het plan de bestemming "Natuur" toegekend en, voor zover hier van belang, de aanduidingen "specifieke vorm van natuur - paardenstal" en "specifieke vorm van natuur - uitloop paarden". De gronden hebben een oppervlakte van enkele hectaren. 8.
  54. Ingevolge artikel 14, lid 14.1, onder a, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Natuur" onder meer bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden van beboste en niet-beboste gronden en heidevelden. Ingevolge lid 14.1, onder i, is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van natuur - paardenstal" tevens een paardenstal met uitloopgebied toegestaan. 8.
  55. Niet in geschil is dat het hier gaat om met hekwerken afgeschermde weidegrond in de EHS, waarop al tientallen jaren paarden grazen. 8.
  56. Volgens het deskundigenbericht is niet uitgesloten dat bij een nagenoeg jaarrond gebruik van dit gedeelte van de EHS als uitloopgebied, door een in beginsel niet gelimiteerd aantal paarden, natuurwaarden verloren zullen gaan. Mede gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre in strijd is met artikel 4.2, eerste lid, onder a, van de Verordening 2012 en artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Verordening
  57. Voor zover de raad betoogt dat het gebruik van de gronden voor de uitloop van paarden ook al onder het vorige planologische regime was toegestaan en het plan op grond van artikel 4.2, tweede lid, van de Verordening 2012 en artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Verordening 2014 dient te voorzien in een voortzetting van het bestaande gebruik, overweegt de Afdeling dat de gronden in plan Fase I niet als uitloopgebied voor paarden gebruikt mochten worden. Ingevolge artikel 13, lid 13.1.1 van de planregels van dat plan hadden de gronden de bestemming "Natuur" en waren deze bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden van niet-beboste gronden en heidevelden, alsmede voor agrarisch medegebruik in de vorm van natuurbeheer of extensief recreatief medegebruik. Van dat gebruik is hier echter geen sprake. Zoals hiervoor is overwogen in 7.6, zien artikel 4.2, tweede lid, van de Verordening 2012 en artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Verordening 2014 slechts op de bescherming van bestaande legale bebouwing en bestaand legaal gebruik. Voor zover de bezwaren van de raad zich richten tegen de begrenzing van de EHS, heeft het college terecht gewezen op de procedure die in de Verordeningen is opgenomen voor herbegrenzing. 8.
  58. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan strijdt met artikel 4.2, eerste lid, onder a, van de Verordening 2012 en het daarmee corresponderende artikel 5.1, eerste lid, onder a en c, van de Verordening 2014, voor zover het betreft artikel 14, lid 14.1, onder i, voor zover het betreft de woorden "met uitloopgebied". Het betoog slaagt. Wijzigingsbevoegdheden ten behoeve van vergroting en vormverandering van agrarische bouwvlakken in de EHS
  59. Het college betoogt dat artikel 5, lid 5.7.4, lid 5.7.5 en lid 5.7.6 van de planregels, voor gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" ten onrechte vergroting en vormverandering van agrarische bouwvlakken in de EHS mogelijk maakt. Dit is volgens het college in strijd met artikel 4.2 van de Verordening 2012, nu in de planregels niet is verzekerd dat deze ontwikkelingen strekken tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de EHS. In beginsel kan iedere vergroting of vormverandering van bouwvlakken leiden tot aantasting van de EHS. Het is aan de provincie om te bepalen of daar in een concreet geval wel of geen sprake van zal zijn. Daartoe dient in alle gevallen waarin in de EHS ruimtelijke ontwikkelingen worden overwogen, een procedure tot herbegrenzing van de EHS te worden gevolgd, aldus het college. 9.
  60. De raad heeft naar voren gebracht dat bij de planvaststelling als uitgangspunt is gehanteerd dat de EHS niet mag worden aangetast. Met de in het plan opgenomen mogelijkheid om onder voorwaarden uitbreiding of vormverandering van bouwvlakken voor grondgebonden agrarische bedrijven toe te staan, is beoogd medewerking te kunnen verlenen aan initiatieven waarbij sprake is van ruimtelijke kwaliteitsverbetering, bijvoorbeeld door sloop, of de aanplant van groen, aldus de raad. De bescherming van de EHS is volgens de raad ook overigens voldoende gewaarborgd in de planregels, waaronder ook artikel 5, lid 5.7.1, onder n. 9.
  61. Voor de aan de orde zijnde bepalingen uit de Verordening 2012 en de Verordening 2014, wordt verwezen naar 7.
  62. 9.
  63. In artikel 5, lid 5.7.1, onder n, van de algemene voorwaarden voor wijziging is bepaald dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheden geen aantasting mag plaatsvinden van de ecologische waarden en kenmerken van EHS. Ingevolge lid 5.7.4 van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om, onder specifieke voorwaarden, het plan te wijzigen ten behoeve van vergroting van agrarische bouwvlakken op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden". (…) Ingevolge lid 5.7.5 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om onder specifieke voorwaarden het plan te wijzigen ten behoeve van de vormverandering en/of vergroting van het bouwvlak intensieve veehouderij. Ingevolge lid 5.7.6 is het college van burgemeester en wethouders voorts bevoegd om onder specifieke voorwaarden het plan te wijzigen ten behoeve van de vergroting van het bouwvlak voor het oprichten van permanente teeltondersteunende voorzieningen. Voor de hier aan de orde zijnde bepalingen uit de Verordening 2012 en de Verordening 2014 wordt verwezen naar 7.
  64. 9.
  65. De plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" liggen voor een klein gedeelte in het in de Verordeningen aangewezen agrarisch gebied en vallen voor het overige samen met de in de Verordeningen aangewezen groenblauwe mantel en de EHS. 9.
  66. Het standpunt van de raad dat uitbreiding en vormverandering van de bouwvlakken van agrarische bedrijven in de EHS kan leiden tot kwaliteitsverbetering en dat in de planregels toereikende voorwaarden zijn opgenomen ter bescherming van de EHS, gaat eraan voorbij dat nieuwe ontwikkelingen in de EHS niet zijn toegelaten. 9.
  67. Gelet hierop heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het plan wat betreft artikel 5, lid 5.7.4, lid 5.7.5 en lid 5.7.6, van de planregels strijdt met artikel 4.2, eerste lid, onder a, van de Verordening 2012 en het daarmee corresponderende artikel 5.1, eerste lid, onder a en c, van de Verordening 2014, voor zover die planregels zien op gronden binnen de EHS. Het betoog slaagt. De oprichting van teeltondersteunende kassen in de EHS en groenblauwe mantel
  68. Het beroep van het college keert zich voorts tegen de planregels waarmee de realisering van kassen mogelijk wordt gemaakt op agrarische gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" die zijn gelegen in de groenblauwe mantel of de EHS. Volgens het college ontstaat door deze planregels strijd met de bepaling in artikel 6.4, tweede lid, van de Verordening 2012, waarin limitatief is opgesomd waarin een bestemmingsplan met betrekking tot gronden in de groenblauwe mantel kan voorzien. Ook ontstaat volgens het college strijd met de bepaling in artikel 6.4, dat een ontwikkeling gepaard moet gaan met een versterking van de onderkende waarden in het gebied. De planregels zijn volgens het college tevens in strijd met de eis in artikel 4.2 van de Verordening 2012 dat ruimtelijke ontwikkelingen dienen te strekken tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de EHS. 10.
  69. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat op een agrarisch bouwvlak bedrijfsgebouwen en voorzieningen rechtstreeks zijn toegestaan en dat het niet ruimtelijk relevant is of bebouwing op een bouwvlak uit kassen of andersoortige gebouwen bestaat. De mogelijkheid tot het bouwen van kassen op bestaande agrarische bouwvlakken moet volgens de raad dan ook binnen de groenblauwe mantel en de EHS kunnen worden geboden. 10.
  70. De Afdeling overweegt dat het college in zijn beroepschrift voor de onderbouwing daarvan verwijst naar het reactieve aanwijzingsbesluit van het college van 23 juli 2013 met betrekking tot het plan Fase II. In de desbetreffende aanwijzingen 5.2 en 6.2 worden evenwel slechts gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" genoemd. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het beroep van het college slechts ziet op de planregels met betrekking tot gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", zijnde in dit geval artikel 5, lid 5.2.3 van de planregels. 10.
  71. Ingevolge artikel 5, lid 5.2.3, onder a, van de planregels gelden voor het bouwen van kassen de volgende bepalingen:
  72. Kassen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw".
  73. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m.
  74. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m.
  75. De afstand tot woningen van derden mag niet minder bedragen dan 50 m. Ingevolge lid 5.2.3, onder b, gelden voor het bouwen van teeltondersteunende kassen (hierna: tok) de volgende bepalingen:
  76. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m.
  77. De bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan 5.000 m².
  78. De afstand tot woningen van derden mag niet minder bedragen dan 50 m. 10.
  79. Ingevolge artikel 1.1, onder 62, van de Verordening 2012 wordt onder permanente teeltondersteunende voorzieningen (hierna: tov) verstaan: tov die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas. Voor de aan de orde zijnde bepalingen uit de Verordening 2012 en de Verordening 2014, wordt deels verwezen naar 7.
  80. Artikel 6.4 van de Verordening 2012 luidt als volgt:
  81. Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel: a. bepaalt dat nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf niet is toegestaan; b. kan bepalen dat hervestiging van en omschakeling naar een grondgebonden agrarisch bedrijf zijn toegestaan; c. kan voorzien in een uitbreiding van een grondgebonden agrarisch bedrijf mits uit de toelichting blijkt dat deze uitbreiding noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering en deze uitbreiding een positieve bijdrage levert aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken; d. bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf worden geconcentreerd in een bouwblok.
  82. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid kan binnen het bouwblok voorzien in: a. de bouw of de uitvoering van permanente tov; b. een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk
  83. Ingevolge artikel 1, onder 1.61, van de Verordening 2014 wordt onder permanente tov hetzelfde verstaan als in de Verordening
  84. In artikel 6.2, tweede lid, respectievelijk artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Verordening 2014 zijn - voor zover hier van belang - overeenkomstige bepalingen opgenomen. 10.
  85. Zoals hiervoor is overwogen in 9.4 liggen de plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" voor een klein gedeelte in het in de Verordeningen aangewezen agrarisch gebied en vallen deze voor het overige samen met de in de Verordeningen aangewezen groenblauwe mantel en de EHS. 10.
  86. Gezien het bepaalde in artikel 6.4, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 1.1, onder 62, van de Verordening 2012, en de daarmee corresponderende bepalingen uit de Verordening 2014 mogen op gronden die zijn aangewezen als groenblauwe mantel geen kassen worden opgericht, omdat kassen zijn uitgesloten van de begripsomschrijving van permanente tov die in de groenblauwe mantel zijn toegestaan. Het bestemmingsplan maakt gezien het bepaalde in artikel 5, lid 5.2.3 van de planregels echter op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" die in de groenblauwe mantel liggen kassen mogelijk. 10.
  87. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan wat betreft artikel 5, lid 5.2.3, onder b, voor zover daarmee tok in de groenblauwe mantel zijn toegestaan onder meer in strijd is met artikel 6.4, tweede lid, van de Verordening 2012 en het daarmee corresponderende artikel 6.2, tweede lid, van de Verordening
  88. Ook kan niet worden ingezien hoe artikel 5, lid 5.2.3, onder b, voor zover daarmee de oprichting van tok in de EHS mogelijk wordt gemaakt, kan strekken tot het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de EHS. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling derhalve tevens terecht op het standpunt gesteld dat het plan wat betreft artikel 5, lid 5.2.3, onder b, in zoverre tevens strijdt met artikel 4.2, eerste lid, onder a, van de Verordening 2012 en het daarmee corresponderende artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Verordening
  89. Het betoog slaagt. Wijzigingsbevoegdheden ten behoeve van hergebruik van agrarische bouwvlakken voor een agrarisch verwant bedrijf of een agrarisch-technisch hulpbedrijf op gronden met de bestemming "Agrarisch" of "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" in de groenblauwe mantel.
  90. Het college voert voorts aan dat in artikel 3, lid 3.7.8, en artikel 4, lid 4.7.8, van de planregels ten onrechte hergebruik van agrarische bouwvlakken voor een agrarisch verwant bedrijf of een agrarisch-technisch hulpbedrijf in de groenblauwe mantel mogelijk wordt gemaakt, zonder dat is bepaald dat de beoogde ontwikkeling niet mag leiden tot een bedrijf van milieucategorie 3 of hoger en een bouwvlak van meer dan 5.000 m². Het college acht dit in strijd met artikel 11.6 van de Verordening
  91. De bepaling in artikel 3, lid 3.7.8, onder j, dat indien de locatie is gelegen in de groenblauwe mantel de omschakeling gepaard dient te gaan met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en maatschappelijke waarden doet daaraan volgens het college niet af. Voorts kent artikel 11.7 van de Verordening 2012 weliswaar van artikel 11.6 afwijkende regels voor een agrarisch verwant bedrijf of een agrarisch-technisch hulpbedrijf, maar deze regels zijn niet van toepassing in de groenblauwe mantel, aldus het college. 11.
  92. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de bescherming van de groenblauwe mantel voldoende is gewaarborgd in de planregels. Door de mogelijkheid van omschakeling van agrarische bedrijven in de groenblauwe mantel naar een agrarisch verwant bedrijf of een agrarisch-technisch hulpbedrijf kan volgens de raad juist de gewenste kwaliteitsverbetering worden bereikt, door de sloop van overtollige bebouwing, de realisering van landschappelijke inpassing en eventuele bijdragen aan het landschapsfonds. 11.
  93. Ingevolge artikel 11.6, eerste lid, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, onder daar genoemde voorwaarden voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, anders dan bepaald in de artikelen 11.1 tot en met 11.5, mits: a. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m², en c. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot milieucategorie 3 of hoger. Ingevolge artikel 11.7, eerste lid, kan in afwijking van de voorwaarden in artikel 11.6, eerste lid onder a en c, een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in een VAB-vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf, een agrarisch verwant bedrijf of een bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het opwekken van duurzame energie door middel van biomassavergisting mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 1,5 hectare. Ingevolge artikel 6.10, eerste lid, van de Verordening 2014, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel voorzien in vestiging van een niet-agrarische functie (-), mits: a. de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 5.000 m² bedraagt; (-) d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger. 11.
  94. Ingevolge artikel 3, lid 3.7.8, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Bedrijf" ten behoeve van hergebruik van het agrarische bouwvlak voor een agrarisch-verwant bedrijf of een agrarisch-technisch hulpbedrijf. Deze wijzigingsbevoegdheid en het daarmee overeenstemmende artikel 4, lid 4.7.8, bevatten geen voorwaarden als bedoeld in artikel 11.6, eerste lid, onder a en c, van de Verordening respectievelijk artikel 6.10, eerste lid, onder a en d, van de Verordening
  95. 11.
  96. De plandelen met de bestemming "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" liggen deels in het in de Verordeningen aangewezen agrarisch gebied en deels in de daarin aangewezen groenblauwe mantel. 11.
  97. De Afdeling stelt vast dat de Verordening 2014 - evenmin als de Verordening 2012 - een regeling bevat waarbij van genoemde omvangseis en milieucategorie kan worden afgeweken ten behoeve van de vestiging van agrarisch technische - en agrarisch verwante bedrijven in de groenblauwe mantel. Het plan voorziet bij wijzigingsbevoegdheid in de mogelijkheid om de bestemming "Agrarisch - Agrarisch met Landschapswaarden" te wijzigen in de bestemming "Bedrijf" ten behoeve van omschakeling van agrarische bedrijven in agrarisch-verwant bedrijf of een agrarisch-technisch hulpbedrijf. Een zodanige ontwikkeling moet worden aangemerkt als een niet-agrarische ontwikkeling als bedoeld in de artikelen 11.6 en 11.7 van de Verordening
  98. Nu in het plan niet is verzekerd dat toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.7.8 niet zal leiden tot het ontstaan van bedrijven van milieucategorie 3 of hoger en/of tot bouwvlakken van meer dan 5000 m² in de groenblauwe mantel, is sprake van strijd met artikel 11.6, eerste lid, onder a en c, van de Verordening
  99. Vast staat voorts dat de afwijkende regels in artikel 11.7 van de Verordening 2012 voor agrarisch-verwante bedrijven en agrarisch-technische hulpbedrijven niet van toepassing zijn op gronden in de groenblauwe mantel, zodat de daarin aangegeven uitzondering op artikel 11.6 hier niet aan de orde is. Het standpunt van de raad dat de bestemmingswijziging zal leiden tot minder bebouwing, meer groen en mogelijke bijdragen aan het landschapsfonds en dat daarin de kwaliteitsverbetering ligt, doet aan het voorgaande niet af. Daarbij wordt overwogen dat de raad geen ruimte had om af te wijken van de Verordening. 11.
  100. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan wat betreft artikel 3, lid 3.7.8, en artikel 4, lid 4.7.8, van de planregels, voor zover die zien op gronden binnen de groenblauwe mantel, strijdt met artikel 11.6, eerste lid, onder a en c, van de Verordening 2012 en het daarmee corresponderende artikel 6.10, eerste lid, onder a en d, van de Verordening
  101. Het betoog slaagt. Wijzigingsbevoegdheden ten behoeve van hergebruik van agrarische bouwvlakken voor een agrarisch verwant bedrijf of een agrarisch-technisch hulpbedrijf en een niet-agrarisch ambachtelijk bedrijf met betrekking tot gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" in de EHS
  102. Het college betoogt dat het plan binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maakt die zich niet verhouden met de aanwezige EHS. Het college acht dit in strijd met artikel 4.2 van de Verordening
  103. De bepaling in artikel 5, lid 5.7.1, onder n, van de planregels, dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheden geen aantasting mag plaatsvinden van de ecologische waarden en kenmerken van de EHS doet daaraan volgens het college niet af. Artikel 11.6 en 11.7 van de Verordening 2012 bieden hier voorts evenmin uitkomst, aldus het college, omdat die artikelen niet van toepassing zijn op de EHS. Indien in de EHS ruimtelijke ontwikkelingen worden overwogen dient volgens het college een procedure tot herbegrenzing van de EHS te worden gevolgd. 12.
  104. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de bescherming van de EHS voldoende is gewaarborgd in de planregels. Door de mogelijkheid van omschakeling van agrarische bedrijven in de EHS naar een agrarisch-verwant, een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een niet-agrarisch bedrijf kan volgens de raad juist de gewenste kwaliteitsverbetering worden bereikt, door de sloop van overtollige bebouwing of de aanplant van groen. Het beleid van de provincie leidt ertoe dat de economische waarde van vrijkomende agrarische locaties binnen de EHS vermindert doordat de hergebruikmogelijkheden beperkt worden gehouden. Nu niet waarschijnlijk is dat alle vrijkomende locaties binnen de EHS gesaneerd zullen worden, is een goede combinatie van hergebruiksmogelijkheden en sanering van vrijkomende locaties vereist, aldus de raad. 12.
  105. In lid 5.7.1, onder n, van de planregels is bepaald dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheden geen aantasting mag plaatsvinden van de ecologische waarden en kenmerken van EHS. Ingevolge artikel 5, lid 5.7.8, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om onder specifieke voorwaarden de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" te wijzigen in de bestemming "Bedrijf" ten behoeve van hergebruik van het agrarische bouwvlak voor een agrarisch-verwant bedrijf of een agrarisch-technisch hulpbedrijf. Ingevolge artikel 5, lid 5.7.9 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om, onder specifieke voorwaarden de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" te wijzigen in de bestemming "Bedrijf" ten behoeve van hergebruik van het agrarische bouwvlak voor een niet-agrarisch bedrijf. 12.
  106. Voor de hier aan de orde zijnde bepalingen uit de Verordening 2012 en de Verordening 2014 wordt hier verwezen naar 7.3 en 11.
  107. 12.
  108. Zoals hiervoor is overwogen, onder meer in 9.4, liggen de plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" voor een klein gedeelte in het in de Verordening aangewezen agrarisch gebied en vallen deze voor het overige samen met de in de Verordeningen aangewezen groenblauwe mantel en de EHS. 12.
  109. Het standpunt van de raad dat omschakeling van de bouwvlakken van agrarische bedrijven in de EHS kan leiden tot kwaliteitsverbetering en dat in de planregels toereikende voorwaarden zijn opgenomen ter bescherming van de EHS, gaat eraan voorbij dat nieuwe ontwikkelingen in de EHS niet zijn toegelaten. 12.
  110. Gelet hierop heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het plan wat betreft artikel 5, lid 5.7.8 en lid 5.7.9 van de planregels strijdt met artikel 4.2, eerste lid, onder a, van de Verordening 2012 en het daarmee corresponderende artikel 5.1, eerste lid, onder a en c, van de Verordening 2014, voor zover die planregels zien op gronden binnen de EHS. Het betoog slaagt. Omgevingsvergunningstelsel ten behoeve van een nevenactiviteit in de vorm van een agrarisch verwant bedrijf of een agrarisch-technisch hulpbedrijf en niet-agrarisch ambachtelijk bedrijf met betrekking tot gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" in de EHS
  111. Het college betoogt dat in het plan ten onrechte op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" via een omgevingsvergunningstelsel nevenactiviteiten in de vorm van een agrarisch verwant bedrijf of een agrarisch-technisch hulpbedrijf en niet-agrarisch ambachtelijk bedrijf mogelijk worden gemaakt in de EHS. Volgens het college is dit in strijd met artikel 4.2 van de Verordening 2012, dat ruimtelijke ontwikkelingen dienen te strekken tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Het college acht deze mogelijkheid voorts in strijd met artikel 11.6 en 11.7 van de Verordening 2012, nu de daarin opgenomen regels voor niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen en daarvan afwijkende regels voor agrarisch-technisch hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven niet van toepassing zijn op de EHS. 13.
  112. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het college ten onrechte geen onderscheid maakt tussen hoofd- en nevenactiviteiten in de EHS. Met het toestaan van bepaalde nevenactiviteiten kan volgens de raad een belangrijke bijdrage geleverd worden aan de positief bestemde hoofdactiviteit op een bouwvlak. Voor sommige bedrijven hangt het voortbestaan af van deze activiteiten, aldus de raad. 13.
  113. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder z, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor het behoud van de volgende landschaps- natuur-, hydrologische - en cultuurhistorische waarden:
  114. kenmerkende landschapswaarden ter plaatse van de aanduiding "aardkundig waardevol gebied", "reliëf", "akkercomplex 1", "akkercomplex 2" en "waardevol landschapselement";
  115. de hydrologische waarden in de vorm van de aanwezige oppervlakte- en grondwateren; (-). Lid 5.4.1 bevat bepalingen omtrent met de bestemming strijdig gebruik op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" . Ingevolge lid 5.5.1, onder j, van de algemene voorwaarden voor afwijken van het plan mag ten gevolge van toepassing van de afwijkingsbevoegdheid geen aantasting plaatsvinden van de ecologische waarden en kenmerken van de EHS. Ingevolge lid 5.5.6 kan het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" onder specifieke voorwaarden een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 5.1 en sub 5.4.1 en nevenactiviteiten in de vorm van een agrarisch-verwant bedrijf of een agrarisch-technisch hulpbedrijf op een agrarisch bouwvlak toestaan, zoals opgenomen in bijlage 1 "Indicatieve lijst nevenfuncties en gebruiksfunctie" bij deze regels dan wel een daarmee vergelijkbare vorm van agrarisch-verwante of agrarisch-technische bedrijvigheid. Ingevolge lid 5.5.7 kan het college van burgemeester en wethouders onder specifieke voorwaarden een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 5.1 en sub 5.4.1 en nevenactiviteiten in de vorm van een ambachtelijk bedrijf, zoals opgenomen in bijlage 1 "Indicatieve lijst nevenfuncties en gebruiksfuncties" bij deze regels dan wel een vergelijkbaar ambachtelijk bedrijf toestaan, binnen de aanduiding "bebouwingsconcentratie 1" en "bebouwingsconcentratie 2" op een agrarisch bouwvlak toestaan. 13.
  116. Voor de hier aan de orde zijnde bepalingen uit de Verordening 2012 en de Verordening 2014 wordt hier verwezen naar 7.3 en 11.
  117. 13.
  118. Zoals hiervoor is overwogen, onder meer in 9.4, liggen de plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" voor een klein gedeelte in het in de Verordeningen aangewezen agrarisch gebied en vallen deze voor het overige samen met de in de Verordeningen aangewezen groenblauwe mantel en de EHS. 13.
  119. Het standpunt van de raad dat agrarische bedrijven voldoende ruimte moet worden geboden en dat in de planregels toereikende voorwaarden zijn opgenomen ter voorkoming van onevenredige aantasting van de waarden en kenmerken van de EHS, gaat eraan voorbij dat nieuwe ontwikkelingen in de EHS niet zijn toegelaten. Gelet hierop heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het plan wat betreft artikel 5, lid 5.5.6, en lid 5.5.7, van de planregels voor zover die zien op gronden binnen de EHS strijdt met artikel 4.2, eerste lid, onder a, en artikel 11.6 van de Verordening 2012 en de daarmee corresponderende bepalingen van de Verordening
  120. Het betoog slaagt. Wijzigingsbevoegdheden ten behoeve van vergroting van de bouwblokken van glastuinbouwbedrijven in de groenblauwe mantel
  121. Het college voert aan dat het plan in strijd met artikel 10.4 van de Verordening 2012 de mogelijkheid biedt om de bouwblokken van glastuinbouwbedrijven aan de [locatie 3] te Oost-, West-, en Middelbeers en de [locatie 4] te Oirschot in de groenblauwe mantel te vergroten. Hierdoor worden de waarden in de groenblauwe mantel onvoldoende beschermd, aldus het college. 14.
  122. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat medewerking moet kunnen worden verleend aan uitbreiding van de bedrijven als sprake is van voldoende kwaliteitsverbetering. Hiermee kunnen duurzame ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, zoals de oprichting van gebouwen en voorzieningen voor energie, afvalwater en grondstoffen, voor waterbassins en warmtekrachtkoppeling, en worden tevens de provinciale belangen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het doorvoeren van kwaliteitsverbeteringen in het buitengebied gediend, aldus de raad. Met betrekking tot de percelen aan de [locatie 4] heeft de raad nog naar voren gebracht het onredelijk te achten dat de groenblauwe mantel aangrenzend aan de bouwvlakken van de bedrijven aan de Spoordonkseweg is gelegd, omdat daardoor elke uitbreiding van die bedrijven onmogelijk is geworden. 14.
  123. Ingevolge artikel 10.4, eerste lid, van de Verordening 2012 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied, niet zijnde een mogelijk doorgroeigebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, dat uitbreiding van glastuinbouwbedrijven is toegestaan tot ten hoogste 3 ha netto glas, mits uit de toelichting blijkt dat deze uitbreiding noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van de Verordening 2014 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel dat uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf niet zijn toegestaan. 14.
  124. Ingevolge artikel 4, lid 4.7.4, onder a, sub 3, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om voor gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" het plan te wijzigen ten behoeve van vergroting van een agrarisch bouwvlak, onder voorwaarde dat de mogelijkheid voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid afhankelijk is van de aard en ligging van het agrarisch bedrijf en met dien verstande dat de oppervlakte van het bouwvlak van een glastuinbouwbedrijf niet meer mag bedragen dan 4 ha, waarvan de netto glasopstand niet meer mag bedragen dan 3 ha. Ingevolge artikel 5, lid 5.7.4, onder a, sub 3, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om voor gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" het plan te wijzigen ten behoeve van vergroting van een agrarisch bouwvlak, onder voorwaarde dat de mogelijkheid voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid afhankelijk is van de aard en ligging van het agrarisch bedrijf en met dien verstande dat de oppervlakte van het bouwvlak van een glastuinbouwbedrijf niet meer mag bedragen dan het bestaande oppervlak van het agrarisch bouwvlak vermeerderd met 15% tot een maximum van 4 ha, waarvan de netto glasopstand niet meer mag bedragen dan 3 ha. 14.
  125. In het plan zijn aan het perceel aan de [locatie 3] de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden", de dubbelbestemming "Waterstaat - Natte natuurparel", de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" en de functieaanduiding "glastuinbouw" toegekend. Aan de percelen aan de [locatie 4] zijn respectievelijk de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" en de functieaanduiding "glastuinbouw" toegekend. 14.
  126. De plandelen met de bestemming "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" liggen binnen een gebied dat in de Verordeningen deels als agrarisch gebied en deels als groenblauwe mantel is aangemerkt. 14.
  127. Vast staat dat het glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 3] in de groenblauwe mantel ligt en dat de percelen aan de Spoordonkseweg met enkele zijden aan de groenblauwe mantel grenzen. 14.
  128. Niet in geschil is dat uitbreiding van de drie bedrijven in de groenblauwe mantel zou kunnen plaatsvinden. 14.
  129. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre strijdt met artikel 10.4 van de Verordening 2012, dat inhoudt dat uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in de groenblauwe mantel niet is toegestaan. De Afdeling overweegt daarbij dat uit de toelichting op de Verordening 2012 (p. 66) volgt dat gronden die in die Verordening zijn aangewezen als groenblauwe mantel niet (tevens) kunnen zijn gelegen ter plaatse van in die Verordening als agrarisch gebied aangeduide gronden. De mogelijkheid die artikel 10.4 van de Verordening 2012 biedt voor uitbreiding van glastuinbouwbedrijven, nu die is beperkt tot bedrijven in agrarisch gebied, ziet mitsdien niet op gronden in de groenblauwe mantel. Het college heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat het plan ter zake tevens strijdt met het met artikel 10.4 van de Verordening 2012 corresponderende artikel 6.5, eerste lid, van de Verordening
  130. Uit het voorgaande volgt dat de raad geen ruimte had om af te wijken van de Verordeningen en daarom geen mogelijkheid had om in strijd daarmee het door hem wenselijk geachte maatwerk te leveren. Met betrekking tot de begrenzing van de groenblauwe mantel ter plaatse heeft het college ter zitting naar voren gebracht dat deze doelbewust op de locatie is aangebracht waar deze nu ligt, waarbij zeer waarschijnlijk een uitzondering is gemaakt voor de twee bestaande bedrijven. Voor zover de bezwaren van de raad zich richten tegen de begrenzing van de groenblauwe mantel, wordt gewezen op de procedure die in de Verordeningen is opgenomen voor herbegrenzing. Het betoog slaagt. Paardenbakken, schuilgelegenheden voor vee en kleinschalige erfvoorzieningen buiten het bouwblok
  131. Het college betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in de mogelijkheid van niet-hobbymatige paardenbakken en schuilgelegenheden voor vee en van tijdelijke kleinschalige erfvoorzieningen buiten het bouwvlak. Dit is volgens het college in strijd met artikel 1.1, onder 19, van de Verordening 2012, waarin een bouwblok wordt omschreven als een "aaneengesloten terrein waarbinnen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere voorzieningen ten behoeve van eenzelfde bestemming worden geconcentreerd". Hieruit blijkt volgens het college dat alle bouwwerken binnen een bouwblok moeten worden geconcentreerd. In verband hiermee is het plan volgens het college tevens in strijd met artikel 6.4, eerste lid, onder d, artikel 6.5, onder e, artikel 8.3, eerste lid, onder d, artikel 8.4, artikel 9.2, artikel 9.3 en artikel 9.4 van de Verordening
  132. Voorts is volgens het college sprake van strijd met het in artikel 2.1, tweede lid, onder a, vervatte beginsel van zorgvuldig ruimtegebruik en is niet voldaan aan de eis in artikel 2.2, dat een ruimtelijke ontwikkeling gepaard dient te gaan met een aantoonbare verbetering van het landschap. Ook voorziet het plan niet in bepalingen ter bescherming en versterking van de specifieke waarden van de groenblauwe mantel en van de EHS, aldus het college. 15.
  133. De raad staat op het standpunt dat met het toestaan van paardenbakken buiten het bouwvlak, grenzend daaraan, zuinig ruimtegebruik wordt bevorderd, aangezien daarmee wordt voorkomen dat bouwvlakken moeten worden vergroot. Volgens de raad worden met deze regeling enerzijds de provinciale belangen gewaarborgd en wordt anderzijds tevens op een redelijke manier aan de belangen van eigenaren tegemoetgekomen. De raad stelt voorts dat verrommeling van het landschap door de bouw van schuilhutten in voldoende mate wordt tegengegaan door de gestelde voorwaarden ter beperking daarvan. Bovendien was dezelfde regeling volgens de raad opgenomen in plan Fase I en heeft het college zich daartegen destijds niet verzet. Met de regeling wordt voldaan aan artikel 2.1, tweede lid, en paragraaf 2.2 van de toelichting van de Verordening
  134. De raad stelt voorts dat de planregeling met betrekking tot de tijdelijke voorzieningen ten behoeve van agrarische bedrijven is opgenomen ten behoeve van het streven naar flexibiliteit. De raad heeft ten slotte aangevoerd dat de Verordening 2014 ruimere mogelijkheden ter zake van genoemde voorzieningen biedt. 15.
  135. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.7, van de planregels, dat ziet op gronden met de bestemming "Agrarisch", zijn buiten het bouwvlak uitsluitend de hierna genoemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan, waarbij de volgende bepalingen gelden: (-) e. Paardenbakken:
  136. Een paardenbak mag alleen buiten het bouwvlak worden gerealiseerd, als aangetoond is dat binnen het bouwvlak geen ruimte is.
  137. De bouwhoogte van een omheining van een paardenbak mag niet meer bedragen dan 1,5 m.
  138. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 1.200 m², met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte van paardenbakken binnen en buiten het bouwvlak niet meer mag bedragen dan 1.200 m².
  139. Een paardenbak mag uitsluitend direct grenzend aan het bouwvlak worden gerealiseerd.
  140. Indien de paardenbak wordt gesitueerd naast de openbare weg, wordt de paardenbak op een afstand van minimaal 3 m achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning gerealiseerd.
  141. De afstand tot woningen van derden mag niet minder bedragen dan 25 m.
  142. Lichtmasten bij een paardenbak zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bebouwingsconcentraties.
  143. De bouwhoogte van lichtmasten bij een paardenbak mag niet meer bedragen dan 3 m. (-) g. Schuilgelegenheden voor vee:
  144. Schuilgelegenheden zijn niet toegestaan ter plaatse van de aanduidingen "akkercomplex 1" en "akkercomplex 2".
  145. De oppervlakte van het bij de schuilgelegenheid behorende perceel mag niet minder bedragen dan 1,0 ha.
  146. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 2,5 m.
  147. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4 m.
  148. De bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan 20 m².
  149. De afstand tot de perceelsgrens van derden mag niet minder bedragen dan 30 m.
  150. De schuilgelegenheid dient voor 1/6 deel van de wand open te zijn en open te blijven.
  151. De schuilgelegenheid dient gesitueerd te worden op minimaal 30 m ten opzichte van de rand van een bouwvlak van derden en binnen 25 m vanaf de bosrand, houtsingel of houtwal óf binnen 100 m van een openbare weg. (-) j. Tijdelijke kleinschalige erfvoorzieningen:
  152. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
  153. De gezamenlijke oppervlakte van de tijdelijke kleinschalige erfvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 500 m².
  154. De afstand van een tijdelijke kleinschalige erfvoorziening tot het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 25 m.
  155. De instandhoudingsperiode van een tijdelijke kleinschalige erfvoorziening mag niet meer bedragen dan 9 maanden. (-). In artikel 4, lid 4.2.7, onder e, f en h, en artikel 5, lid 5.2.7, onder c en f, is een vergelijkbare regeling opgenomen voor gronden met de respectieve bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", met dien verstande dat voor de gronden met laatstgenoemde bestemming in lid 5.3.2 voor het realiseren van schuilgelegenheden voor vee een omgevingsvergunning is vereist. In artikel 5, lid 5.5.1, is bepaald dat, in het geval het college van burgemeester en wethouders gebruik maakt van de bevoegdheid tot afwijken van de gebruiksregels het daarbij onder meer de volgende overwegingen betrekt: c. er wordt geen afbreuk gedaan aan nabijgelegen omgevingswaarden. d. er wordt voorzien in een landschappelijke inpassing via een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd beplantingsplan. e. er vindt geen aantasting plaats van de ecologische waarden en kenmerken van de EHS. 15.
  156. Ingevolge artikel 1.1, onder 19, van de Verordening 2012, wordt onder bouwblok verstaan: een aaneengesloten terrein, waarbinnen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van eenzelfde bestemming worden geconcentreerd. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, draagt een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. De toelichting bij dat plan bevat daaromtrent een verantwoording. Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, onder a, houdt het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval in dat ingeval van vestiging van een ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald. In artikel 2.2, eerste lid, is bepaald dat een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, een verantwoording bevat van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft. Ingevolge artikel 6.4, eerste lid, onder d, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf worden geconcentreerd in een bouwblok. Ingevolge artikel 8.3, eerste lid, onder d, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf worden geconcentreerd in een bouwblok. Artikel 6.5 en artikel 8.4 stellen regels voor de maximale omvang van overige niet-grondgebonden agrarische bedrijven in onderscheidenlijk de groenblauwe mantel en agrarisch gebied. De artikelen 9.2, 9.3 en 9.4 betreffen onderscheidenlijk de maximale omvang van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden. 15.
  157. Ingevolge artikel 1, onder 1.20 van de Verordening 2014 wordt onder bouwperceel verstaan: aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan. Ingevolge artikel 1, onder 1.21, wordt onder bouwvlak verstaan: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge het planologisch regiem gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. Ingevolge artikel 6.14, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de kernrandzone, dan wel een gebied dat gezien de ligging en het feitelijk gebruik gerekend kan worden tot de kernrandzone, binnen de groenblauwe mantel voorzien in de nieuwvestiging of uitbreiding van voorzieningen voor veldsporten, volkstuinen, schuilhutten en andere kleinschalige vrije-tijdsvoorzieningen mits: a. de beoogde ontwikkeling slechts kleinschalige bebouwing met zich brengt; b. het bestemmingsplan borgt dat de voorziening inclusief de toegelaten bebouwing, kleinschalig blijft; c. er sprake is van een beperkte publieksaantrekkende werking; d. de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Ingevolge het tweede lid is artikel 3.1, tweede lid, onder a, (verbod nieuwvestiging), niet van toepassing op een kleinschalige voorziening als bedoeld in het eerste lid. Ingevolge artikel 7.16, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de kernrandzone, dan wel een gebied dat gezien de ligging en het feitelijk gebruik gerekend kan worden tot de kernrandzone, in gemengd landelijk gebied voorzien in de nieuwvestiging of uitbreiding van voorzieningen voor veldsporten, volkstuinen, schuilhutten en andere kleinschalige vrije-tijdsvoorzieningen mits: a. de beoogde ontwikkeling slechts kleinschalige bebouwing met zich brengt; b. het bestemmingsplan borgt dat de voorziening inclusief de toegelaten bebouwing, kleinschalig blijft; c. er sprake is van een beperkte publieksaantrekkende werking. Ingevolge het tweede lid is artikel 3.1, tweede lid, onder a, (verbod nieuwvestiging), niet van toepassing op een kleinschalige voorziening als bedoeld in het eerste lid. 15.
  158. De raad heeft er terecht op gewezen dat de Verordening 2014 een ruimer begrip bouwperceel hanteert dan het begrip bouwblok in de Verordening
  159. Onder bouwperceel wordt in de Verordening 2014 verstaan een aaneengesloten vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan. Overwogen wordt dat - wat van bedoelde verruiming ook zij - aan de toepassing daarvan in de Verordening 2014, onder meer in artikel 6.14 en artikel 7.16, stringente voorwaarden zijn verbonden, waaronder de eis dat de gebieden in kwestie moeten zijn gelegen in een kernrandzone of gebied dat daartoe gezien de ligging en het feitelijk gebruik gerekend kan worden. Ingevolge artikel 6.14 en artikel 7.16 van de Verordening 2014 zijn voorts respectievelijk in de groenblauwe mantel en gemengd landelijk gebied uitsluitend bepaalde kleinschalige voorzieningen voor hobbymatige activiteiten toegestaan. Weliswaar kan het daarbij volgens de toelichting op en de tekst van de artikelen van de Verordening 2014 mede gaan om schuilhutten, maar die mogelijkheid is uitdrukkelijk niet bedoeld voor voorzieningen ten behoeve van agrarische bedrijven. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft het college overigens geen bezwaren tegen paardenbakken met een hobbymatig karakter buiten het bouwvlak. In artikel 3, lid 3.2.7, onder e, g en j, artikel 4, lid 4.2.7, onder e, f en h, en artikel 5, lid 5.2.7, onder c en f, van de planregels zijn de hiervoor genoemde beperkingen niet opgenomen. Het college staat dan ook terecht op het standpunt het plan ter zake meer toestaat dan in de Verordening 2012 en de Verordening 2014 mogelijk is gemaakt. Hetgeen de raad naar voren heeft gebracht omtrent artikel 2.1 van de Verordening 2012 behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer. De stelling van de raad dat de regeling voor het oprichten van schuilgelegenheden is overgenomen uit het voorheen geldende plan leidt niet tot een ander oordeel. Aan een geldend bestemmingsplan kunnen geen blijvende rechten worden ontleend. Provinciale staten kunnen immers op enig moment op grond van gewijzigde planologische inzichten besluiten tot het vaststellen van stringentere regelgeving. 15.
  160. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan wat betreft artikel 3, lid 3.2.7, onder e, g en j, artikel 4, lid 4.2.7, onder e, f en h, en artikel 5, lid 5.2.7, onder c en f, van de planregels, strijdt met artikel 1.1, onder 19, artikel 6.4, eerste lid, onder d, en artikel 8.3, eerste lid, onder d, van de Verordening 2012 en het hiermee corresponderende artikel 1, onder 1.20 en 1.21, artikel 6.14 en artikel 7.16 van de Verordening
  161. Het betoog slaagt. Begripsartikel grondgebonden bedrijven in artikel 1, onder 66, van de planregels
  162. Het college betoogt dat in het plan aan artikel 1.66 van de planregels ten onrechte melkveehouderijen zijn toegevoegd aan de definitie van grondgebonden bedrijven. Hierdoor zijn ten onrechte alle melkveehouderijen als grondgebonden aangemerkt, terwijl zich in de praktijk ook gevallen kunnen voordoen waarin een melkveehouderij als een intensieve veehouderij moeten worden aangemerkt, aldus het college. 16.
  163. Ingevolge artikel 1.66 van de planregels van het plan wordt onder een grondgebonden bedrijf verstaan: een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt-, en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant. 16.
  164. Gelet op het feit dat in deze definitiebepaling melkveehouderijen niet worden genoemd, mist het betoog van het college dat melkveehouderijen in het plan zonder uitzondering onder grondgebonden bedrijven zijn gebracht, feitelijke grondslag. Planregels met betrekking tot middels een omgevingsvergunning mogelijk maken van huisvesting in bedrijfsgebouwen van personen in het kader van stages dan wel sociale en/of maatschappelijke reïntegratie
  165. Het college kan zich niet verenigen met het plan voor zover dat voorziet in huisvesting van personen in het kader van stages dan wel sociale en/of maatschappelijke reïntegratie in agrarische bedrijfsgebouwen. Het plan is volgens het college op dit punt in strijd met artikel 11.1, eerste lid, onder b, van de Verordening 2012, dat in de weg staat aan zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen. Anders dan de raad stelt, wordt zelfstandige bewoning door de planregels onvoldoende beperkt, omdat niet is bepaald dat slechts tijdelijke bewoning is toegestaan, de eis van de noodzaak van bewoning ontbreekt en weliswaar sprake is van een maximaal toegestane oppervlakte maar alle kenmerkende woonvoorzieningen afzonderlijk zijn toegestaan, aldus het college. 17.
  166. De raad staat op het standpunt dat het plan voldoende regels stelt om permanente en/of zelfstandige bewoning te voorkomen. Volgens de raad is er geen wezenlijk verschil met de situatie van afhankelijke bewoning als genoemd in de toelichting bij artikel 11.1 van de Verordening
  167. De enkele vrees voor zelfstandige bewoning acht de raad geen reden om de huisvesting niet toe te staan, omdat dit een handhavingskwestie is, waartoe gemeentelijk handhavingsbeleid bestaat. 17.
  168. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a, van de planregels, zijn gronden met de bestemming "Agrarisch" onder meer bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met uitzondering van intensieve veehouderij, geiten- en schapenhouderij en glastuinbouw. Ingevolge lid 3.4.1 wordt onder gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en/of opstallen voor: e. het gebruik voor woondoeleinden en/of zorgdoeleinden met uitzondering van de toegestane bedrijfswoningen; n. het gebruiken of laten gebruiken van een bedrijfswoning als burger/plattelandswoning. Ingevolge lid 3.4.2 valt onder strijdig gebruik met het bepaalde in de subleden 3.4.1 en 3.5.4 het gebruik van gebouwen, kampeermiddelen, trekkershutten, bed & breakfast-voorzieningen, vakantiewoningen/-appartementen, groepsaccomodaties/kampeerboerderijen en kleinschalig kamperen/minicamping voor permanente bewoning. Ingevolge lid 3.5.9, kan het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 omtrent met de bestemming strijdig gebruik en toestaan dat bedrijfsgebouwen worden gebruikt voor huisvesting van personen in het kader van stages dan wel sociale en/of maatschappelijke reïntegratie, met dien verstande dat: a. de huisvesting binnen de bestaande bebouwing wordt opgericht; b. de huisvesting een maximale gezamenlijke oppervlakte heeft van 20 m² per persoon, inclusief de bijbehorende voorzieningen zoals sanitair, keuken en wasruimte, waarbij maximaal 3 personen worden gehuisvest. Artikel 4, lid 4.5.9 en artikel 5, lid 5.5.9, bevatten een identieke regeling voor gronden met de respectieve bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden". Ingevolge artikel 1, lid 149, wordt onder woning verstaan: een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. Ingevolge lid 75 wordt onder huishouden verstaan: persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan; bedrijfsmatige kamerverhuur en huisvesting van tijdelijke werknemers wordt daaronder niet begrepen. 17.
  169. Ingevolge artikel 11.1 van de Verordening 2012 stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, regels ter voorkoming van: a. (-) b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen. 17.
  170. Ingevolge artikel 6.7, eerste lid, onder b, van de Verordening 2014 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel dat: a. (-); b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Artikel 7.7, eerste lid, onder b, bevat dezelfde regeling als artikel 6.7, eerste lid, onder b, voor bestemmingsplannen in gemengd landelijk gebied. 17.
  171. De raad heeft ter zitting nader toegelicht dat met de regeling is beoogd een logiesfunctie te creëren, bestaande uit permanente huisvesting door wisselende personen. De Afdeling overweegt dat de mogelijkheden die in de planregels worden geboden ruimer zijn, nu daarbij voorzieningen zoals sanitair, keuken en wasruimte, zijn toegestaan. Hierdoor is het ontstaan van zelfstandige woonfuncties mogelijk. Het betoog van de raad dat de planregeling op dit punt geen wezenlijk andere regeling in het leven heeft geroepen dan die blijkens de toelichting op artikel 11.1, eerste lid, onder b, van de Verordening 2012 met afhankelijke bewoning wordt aangeduid, kan niet worden gevolgd. In die toelichting staat immers dat de regeling ertoe strekt dat voorkomen wordt dat zelfstandige woningen ontstaan die als afzonderlijke woonfuncties op de markt aangeboden kunnen worden. 17.
  172. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan wat betreft artikel 3, lid 3.5.9, artikel 4, lid 4.5.9 en artikel 5, lid 5.5.9, van de planregels strijdt met artikel 11.1, eerste lid, onder b, van de Verordening 2012 en het daarmee corresponderende artikel 6.7, eerste lid, onder b, en artikel 7.7, eerste lid, onder b, van de Verordening
  173. Het betoog slaagt. Mestverwerking als nevenactiviteit
  174. Het college kan zich niet verenigen met artikel 3, lid 3.5.10, en artikel 4, lid 4.5.10, van de planregels, waarmee op gronden met de bestemming " Agrarisch" en "Agrarisch met waarden- Landschapswaarden" mestverwerking als nevenactiviteit is toegestaan. Het college voert daartoe aan dat mestverwerking moet worden beschouwd als een niet-agrarische activiteit, die in milieucategorie 3 of hoger valt. Het is volgens het college in strijd met artikel 11.6, eerste lid, onder c, van de Verordening 2012, om op gronden buiten bestaand stedelijk gebied een niet-agrarische activiteit in milieucategorie 3 of hoger mogelijk te maken. Dit hoofdstuk ziet ook op niet-agrarische ontwikkelingen binnen agrarische bouwblokken, aldus het college. [derde belanghebbende C], die woont aan [locatie 5], kan zich niet verenigen met de in het plan mogelijk gemaakte mestverwerking op het naburige perceel van [buurman] aan [locatie 6]. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat verwerking van bedrijven van derden een industriële activiteit is, die niet in agrarisch gebied past en stelt hiervan grote overlast te vrezen. 18.
  175. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat ruimtelijk geen verschil bestaat tussen mestverwerking van het eigen bedrijf en kleinschalige mestverwerking voor derden. Er is volgens de raad veel vraag naar kleinschalige mestverwerking voor derden. Dit kan een bijdrage leveren aan het oplossen van de mestproblematiek. De kleinschaligheid van de mestverwerking is bovendien in het plan in voldoende mate gewaarborgd, aldus de raad. 18.
  176. Artikel 3, lid 3.1, van de planregels bevat de bestemmingsomschrijving van de voor "Agrarisch" aangewezen gronden. Ingevolge lid 3.5.10 van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.1 en kleinschalige mestverwerking toestaan, met dien verstande dat: a. kleinschalige mestverwerking is niet toegestaan ter plaatse van gebieden met de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" en "reconstructiewetzone - iv nee"; b. kleinschalige mestverwerking is toegestaan voor het behandelen van dierlijke mest van het eigen bedrijf en/of enkele bedrijven uit de directe omgeving binnen een straal van 5 km van het betreffende bedrijf; c. de bebouwing maximaal 150 m² bedraagt en de opslagcapaciteit maximaal 800 m² / 1.600 m³; d. de totale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 1.000 m²; e. de maximale bouwhoogte van de installatie niet meer mag bedragen dan 12 m. In artikel 4, lid 4.5.10, van de planregels is een identieke regeling opgenomen voor gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden". 18.
  177. Ingevolge artikel 11.6, eerste lid, onder c, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, anders dan bepaald in de artikelen 11.1 tot en met 11.5 mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger. Ingevolge artikel 1.1, onder 54, wordt onder milieucategorie verstaan: milieucategorie zoals omschreven in de VNG-brochure

(2009). 18.
  1. Ingevolge artikel 6.10, eerste lid, onder d, van de Verordening 2014 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 6.7 tot en met artikel 6.9 mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger. Ingevolge artikel 7.10, eerste lid, onder d, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 7.7 tot en met artikel 7.9 mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger. De omschrijving van het begrip milieucategorie in artikel 1, onder 1.55, van de Verordening 2014 is voorts identiek aan artikel 1.1, onder 54, van de Verordening
  2. 18.
  3. Ter zitting is door [buurman], die op het perceel [locatie 7], ten westen van de kern Oirschot, een rundvee-, schapen- en paardenhouderij exploiteert, naar voren gebracht dat de door hem voorgenomen mestverwerking voor derden kleinschalig is en uitsluitend zal bestaan uit indikking door wateronttrekking en niet uit vergisting en dat slechts het te verwachten verkeer van en naar zijn bedrijf ruimtelijk relevant is. Nu daartoe geschikte wegen beschikbaar zijn en voorts in de aan hem verleende milieuvergunning strikte voorwaarden ten aanzien van de mestverwerking zijn opgenomen, heeft het college mestverwerking op zijn bedrijf volgens Van Heerebeek ten onrechte ontoelaatbaar geacht. 18.
  4. Niet in geschil is dat het verwerken van mest voor derden moet worden aangemerkt als een niet-agrarische ontwikkeling als bedoeld in de artikelen van hoofdstuk 11 van de Verordening 2012 en een niet-agrarische functie als bedoeld in artikel 6.10 en 7.10 van de Verordening 2014 en dat die ontwikkelingen en functies alleen zijn toegestaan als dit uitdrukkelijk in die artikelen is bepaald en onder de daar aangegeven voorwaarden. Volgens de VNG-brochure behoort een installatie voor mestverwerking tot categorie 3.
  5. 18.
  6. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre strijdt met artikel 11.6, eerste lid, onder c, van de Verordening 2012 en het daarmee corresponderende artikel 6.10, eerste lid, onder d, en artikel 7.10, eerste lid, onder d, van de Verordening
  7. Hetgeen de raad en Van Heerebeek naar voren hebben gebracht omtrent het ontbreken van een verschil tussen mestverwerking van het eigen bedrijf en kleinschalige mestverwerking voor derden, de vraag naar kleinschalige mestverwerking voor derden en de garantie in de planregels van kleinschaligheid van de toegestane mestverwerking, kan hieraan niet afdoen. Het betoog slaagt. Het perceel tussen de Meierijsebaan en de Vinkendonken te Oirschot ([appellant sub 19])
  8. Het college kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur-en landschapswaarden" die in het plan is toegekend aan een strook grond met bomen op het perceel tussen de Meierijsebaan en de Vinkendonken te Oirschot. Het college betoogt dat het gaat om een perceel dat is opgenomen in de EHS met als beheertype: "N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos", dit in tegenstelling tot omringende gronden die beschreven zijn als "nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting)". Volgens het college is ter plaatse minstens 20 jaar bos aanwezig, al voordat de EHS werd vastgesteld. De bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" is volgens het college dan ook in strijd met artikel 5.1 van de Verordening
  9. 19.
  10. In het plan is aan het perceel van [appellant sub 19] tussen de Vinkendonken en de Meierijsebaan, waarop de strook bomen staat, de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur-en landschapswaarden toegekend. Het plan is op dit punt door de raad aangepast ten opzichte van plan Fase II, naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 19] tegen de in plan Fase II aan de strook bomen toegekende bestemming "Natuur". De raad heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat, gelet op het gebruik van het perceel, geen sprake is van gerealiseerde EHS. Met de wijziging van de bestemming van de strook bomen van "Natuur" naar "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" is het bestaande gebruik positief bestemd, aldus de raad. 19.
  11. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor: a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf met uitzondering van intensieve veehouderij, geiten- en schapenhouderij en glastuinbouw. Ingevolge artikel 14, lid 14.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuur-, landschappelijke, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden van beboste gronden en niet-beboste gronden en heidevelden. 19.
  12. Uit het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting blijkt dat het perceel al jaren als agrarisch perceel in gebruik is en dat de runderen van [appellant sub 19] ook al sinds jaar en dag onder de bomen grazen. 19.
  13. In artikel 5.1, eerste lid, van de Verordening 2014 is bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de EHS: a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden; b. regels stelt ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en daarbij rekening houdt met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken; c. bepaalt dat zolang de EHS niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten. 19.
  14. Het college heeft ter zitting verklaard dat de strook grond met bomen een natuurtype bos betreft, dat al meer dan 20 jaar bestaat en dat, zoals hiervoor is weergegeven, met een bepaald EHS-beheertype is gekarakteriseerd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het hier aldus om gerealiseerde EHS gaat en dat het plan niet voldoet aan de eisen van artikel 5.1, eerste lid, onder a en b, van de Verordening
  15. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan wat betreft de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" voor zover die ziet op de strook grond met bomen op het perceel tussen de Meierijsebaan en de Vinkendonken strijdt met artikel 5.1, eerste lid, onder a en b, van de Verordening
  16. Het betoog slaagt. Het perceel [locatie 8] te Westelbeers ([appellant sub 17]/Camping Rakelbos)
  17. Het college kan zich niet vinden in de planregeling voor het kampeerterrein Camping Rakelbos te Westelbeers. Het betoogt dat noch in het plan, noch anderszins is verzekerd dat de 30 recreatiewoningen op het terrein bedrijfsmatig beheerd zullen worden. Dit is volgens het college in strijd met artikel 7.13, tweede lid, van de Verordening
  18. 20.
  19. De raad heeft zich met de exploitant van het terrein, [appellant sub 17], op het standpunt gesteld dat de eis van bedrijfsmatig beheer overbodig is, onder meer omdat permanente bewoning van de recreatiewoningen ingevolge de planregels niet is toegestaan. 20.
  20. Het perceel [locatie 8] heeft de bestemming "Recreatie" en onder meer de aanduiding "kampeerterrein". Ingevolge artikel 1, lid 1.45, van de planregels wordt in de planregels onder chalet verstaan: een verplaatsbare, niet aan de grond verankerde woning, welke qua verschijningsvorm is afgeleid van een woonwagen, die uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot recreatief logies-, dag-, of nachtverblijf van één of meer personen. Ingevolge lid 1.82 wordt in de planregels onder kampeerplaats verstaan: standplaats voor één of een aantal bij elkaar behorende kampeermiddelen (één kampeermiddel en één bijtent). Ingevolge lid 1.122 wordt in de planregels onder recreatiewoning verstaan: een gebouw bestemd voor verblijfsrecreatie ten dienste van een huishouden dat zijn hoofdverblijf elders heeft. Ingevolge artikel 15, lid 15.1, zijn de voor "Recreatie" aangewezen gronden bestemd voor: a. verblijfsrecreatieve en dagrecreatieve voorzieningen, ter plaatse aangeduid zoals hierna opgenomen in de tabel 'Staat van recreatieve voorzieningen': - ter plaatse van de aanduiding "kampeerterrein" een kampeerterrein voor het perceel [locatie 8] met een maximale toegestane oppervlakte in bebouwing van 3.325 m²; (…); c. stacaravans en chalets zijn niet toegestaan, met dien verstande dat stacaravans en chalets die aanwezig zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan mogen worden gehandhaafd en vervangen; (…). Ingevolge lid 15.2, onder 15.2.2, gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen ten behoeve van de recreatieve voorzieningen de volgende bepalingen: (…); d. ter plaatse van de aanduiding "kampeerterrein" gelden de volgende aanvullende bepalingen: (…);
  21. het kampeerterrein aan de [locatie 8] mag maximaal 610 kampeerplaatsen omvatten, waarbij maximaal 30 recreatiewoningen zijn toegestaan, met een maximale oppervlakte van 70 m2 per recreatiewoning; (…). 20.
  22. Ingevolge artikel 7.13 van de Verordening 2014 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied, in afwijking van het verbod in artikel 7.10, eerste lid, onder a, voorzien in vestiging van een recreatiebedrijf. Ingevolge het tweede lid moet, in het geval dat het bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid de bouw van recreatiewoningen op een verblijfsrecreatief terrein mogelijk maakt, zijn gewaarborgd dat deze woningen bedrijfsmatig worden beheerd. Ingevolge artikel 1, onder 1.64, van de Verordening 2014 wordt onder recreatiebedrijf verstaan: aaneengesloten terrein ten behoeve van de bedrijfsmatige uitoefening van diensten op het gebied van dag- of verblijfsrecreatie, met de daarbij behorende voorzieningen. 20.
  23. Onder verwijzing naar de uitspraak van 12 september 2001 in zaak nr. 200001986/1 (AB 2002, 60) overweegt de Afdeling dat een verbod op niet-bedrijfsmatige exploitatie, waarmee wordt beoogd zeker te stellen dat een recreatiepark bedrijfsmatig wordt beheerd, een ruimtelijk relevante beperking van het toegestane gebruik is. De omstandigheid dat tevens een verbod op permanente bewoning geldt, doet hier niet aan af. Het verbod op permanente bewoning strekt er toe permanente bewoning te voorkomen en tegen te gaan en heeft daarmee een ander oogmerk dan het verbod op niet-bedrijfsmatige exploitatie. Het oogmerk van bedrijfsmatige exploitatie is dat de recreatieobjecten aan wisselende personen worden verhuurd. Het voorgaande kan anders zijn als het recreatieobjecten betreft die eigendom zijn van natuurlijke personen die een kavel huren van de grondeigenaar en die hun recreatieobjecten niet of nauwelijks aan derden verhuren. De Afdeling verwijst hiervoor naar de uitspraak van 15 april 2015, zaak nr. 201402065/1/R
  24. Dat de in die uitspraak bedoelde situatie hier aan de orde is, is aangetoond noch gebleken. 20.
  25. Gelet op het voorgaande heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat de bestemming "Recreatie" met betrekking tot het perceel [locatie 8] strijdt met artikel 7.13, tweede lid, van de Verordening 2014, voor zover in artikel 15 niet is bepaald dat de 30 recreatiewoningen bedrijfsmatig moeten worden beheerd. Het betoog slaagt. Conclusie ten aanzien van het beroep van het college van gedeputeerde staten
  26. In hetgeen is overwogen onder overweging 7 tot en met 15 en 17 tot en met 20 ziet de Afdeling in hetgeen het college heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het plan is genomen in strijd met de daar aangegeven bepalingen uit de Verordening, voor zover het plan betreft: a. het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de percelen [locatie 1A] en [locatie 1B] te Oost-, West- en Middelbeers, voor zover daarbij is afgeweken van het ontwerpplan (overweging 7); b. artikel 14, lid 14.1, onder i, van de planregels voor zover het betreft de woorden "met uitloopgebied" met betrekking tot de locatie nabij [locatie 2] te Oirschot (overweging 8); c. artikel 5, lid 5.7.4, lid 5.7.5 en lid 5.7.6, van de planregels, voor zover die zien op gronden binnen de EHS (overweging 9); d. artikel 5, lid 5.2.3, onder b, van de planregels, voor zover dat ziet op gronden binnen de EHS en de groenblauwe mantel (overweging 10) e. artikel 3, lid 3.7.8, en artikel 4, lid 4.7.8, van de planregels, voor zover die zien op gronden binnen de groenblauwe mantel (overweging 11); f. artikel 5, lid 5.7.8 en lid 5.7.9, van de planregels, voor zover die zien op gronden binnen de EHS (overweging 12); g. artikel 5, lid 5.5.6 en lid 5.5.7 van de planregels voor zover die zien op gronden binnen de EHS (overweging 13); h. artikel 4, lid 4.7.4, onder a, sub 3, en artikel 5, lid 5.7.4, onder a, sub 3, van de planregels voor zover die zien op gronden binnen de groenblauwe mantel (overweging 14); i. artikel 3, lid 3.2.7, onder e, g en j, artikel 4, lid 4.2.7, onder e, f en h, en artikel 5, lid 5.2.7, onder c en f van de planregels, voor zover de daarin gegeven mogelijkheden toegepast kunnen worden in gebieden die niet zijn gelegen in de kernrandzone of gebieden die gezien de ligging en het feitelijk gebruik tot de kernrandzone gerekend kunnen worden (overweging 15); j. artikel 3, lid 3.5.9, artikel 4, lid 4.5.9 en artikel 5, lid 5.5.9 van de planregels (overweging 17); k. artikel 3, lid 3.5.10, en artikel 4, lid 4.5.10 van de planregels (overweging 18); l. de bestemming "Recreatie" met betrekking tot het perceel [locatie 8], wat betreft het niet opnemen in artikel 15 van de planregels van de eis dat de 30 recreatiewoningen op het perceel [locatie 8] bedrijfsmatig moeten worden beheerd (overweging 20).
  27. Gelet op wat is overwogen onder 19.5 ziet de Afdeling in hetgeen het college heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het plan is genomen in strijd met de daar aangegeven bepalingen uit de Verordening 2014, voor zover het het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" voor de strook grond met bomen op het perceel tussen de Meierijsebaan en de Vinkendonken betreft. 22.
  28. Door de vernietiging van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" wordt in zoverre teruggevallen op de planregeling voor dit perceel in plan Fase II. Gelet op hetgeen is overwogen in 19.5 is het beroep van [appellant sub 19] tegen dat plan ongegrond.
  29. Het beroep van het college tegen het besluit tot vaststelling van het plan is gegrond, zodat dat besluit in zoverre moet worden vernietigd. 23.
  30. Wat betreft de onder overweging 21 genoemde planonderdelen wordt niet teruggevallen op plan Fase II. Wat de overige door het college bestreden planonderdelen betreft wordt het plan met deze uitspraak onherroepelijk. Hieruit volgt dat plan Fase II geen betekenis meer heeft ten aanzien van deze planonderdelen. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang, wordt het beroep van het college tegen het besluit tot vaststelling van plan Fase II niet-ontvankelijk verklaard. Zoals uit overweging 16 voortvloeit, is het plan eveneens onherroepelijk wat betreft artikel 1, onder 66, van de planregels, waartegen het college zich richt. Hieruit volgt dat plan Fase II ook geen betekenis meer heeft ten aanzien van dit planonderdeel. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang, wordt het beroep van het college tegen het besluit tot vaststelling van plan Fase II ook op dit punt niet-ontvankelijk verklaard. 23.
  31. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. Het beroep van het Kinderdagverblijf
  32. Het Kinderdagverblijf betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" voor het perceel [locatie 9] te Oirschot ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover de schuur waarin de kinderopvang plaatsvindt en de bij het terrein horende weide niet daarbinnen is gesitueerd. 24.
  33. De raad heeft onder meer naar aanleiding van het beroep van het Kinderdagverblijf het plan gewijzigd vastgesteld, waarbij het bestemmingsvlak met de bestemming "Maatschappelijk" voor het perceel [locatie 9] is vergroot ten opzichte van het bestemmingsvlak dat was opgenomen in plan Fase II. Het Kinderdagverblijf heeft tegen het nieuwe besluit geen zienswijze ingediend en geen gronden aangevoerd. De Afdeling leidt hieruit af dat het Kinderdagverblijf tegen het plan geen bezwaar heeft. Dit brengt mee dat het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit tot vaststelling van het plan ongegrond is. 24.
  34. Het plan wordt met deze uitspraak onherroepelijk wat betreft voornoemd planonderdeel waartegen het Kinderdagverblijf zich richt. Hieruit volgt dat plan Fase II geen betekenis meer heeft ten aanzien van dit planonderdeel, dat met het plan is gewijzigd. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang, wordt het beroep van het Kinderdagverblijf tegen het besluit tot vaststelling van plan Fase II niet-ontvankelijk verklaard. 24.
  35. Nu het plan onder meer naar aanleiding van het beroep van het Kinderdagverblijf is aangepast, ziet de Afdeling aanleiding de raad te gelasten het betaalde griffierecht aan het Kinderdagverblijf te vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. Het beroep van [appellant sub 3]
  36. [appellant sub 3] richt zich tegen de omvang van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" voor zijn perceel [locatie 10] te Oirschot. Daartoe voert hij aan dat hetzelfde bestemmingsvlak zoals dat was opgenomen in het bestemmingsplan uit 2000 in het plan zou worden opgenomen, hetgeen niet is gebeurd. 25.
  37. De raad heeft het plan gewijzigd vastgesteld, waarbij het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 10] is vergroot ten opzichte van het bestemmingsvlak dat was opgenomen in plan Fase II. Het plan is daarmee onder meer naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 3] aangepast op de, zoals [appellant sub 3] in zijn zienswijze heeft bevestigd, door hem gewenste wijze. De raad is met het plan derhalve geheel tegemoetgekomen aan het beroep van [appellant sub 3]. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft [appellant sub 3] geen belang bij een beroep tegen het plan en is geen beroep van rechtswege ontstaan. 25.
  38. Het plan wordt met deze uitspraak onherroepelijk wat betreft voornoemd planonderdeel waartegen [appellant sub 3] zich richt. Hieruit volgt dat plan Fase II geen betekenis meer heeft ten aanzien van dit planonderdeel dat met het plan is gewijzigd. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang, wordt het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit tot vaststelling van plan Fase II niet-ontvankelijk verklaard. 25.
  39. Nu het plan onder meer naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 3] is aangepast, ziet de Afdeling aanleiding de raad te gelasten het betaalde griffierecht aan [appellant sub 3] te vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. Het beroep van [appellant sub 4]
  40. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 26.
  41. [appellant sub 4] richt zich tegen het plan, voor zover daarin onvoldoende bescherming wordt geboden aan de aanwezige cultuurhistorische waarden. Hij woont in de kern van Oirschot en op een minimale afstand van ongeveer 460 m van het plangebied. Om als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon getroffen te worden in een hem persoonlijk aangaand, kenmerkend belang dat hem onderscheidt van anderen. [appellant sub 4] heeft niet anders dan als incidentele gebruiker van de openbare wegen in de omgeving zicht op het plangebied. Naar het oordeel van de Afdeling onderscheidt hij zich daarmee niet van vele andere inwoners van Oirschot en heeft hij derhalve geen hem persoonlijk aangaand kenmerkend belang als in de wet bedoeld. Voorts heeft [appellant sub 4] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks de afstand van zijn woning tot het plangebied een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende. De conclusie is dat [appellant sub 4] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het van rechtswege ontstane beroep is niet-ontvankelijk. 26.
  42. Het plan wordt met deze uitspraak onherroepelijk wat betreft de planonderdelen waartegen [appellant sub 4] zich richt. Hieruit volgt dat plan Fase II geen betekenis meer heeft ten aanzien van deze planonderdelen. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang, wordt het beroep van [appellant sub 4] tegen het besluit tot vaststelling van plan Fase II eveneens niet-ontvankelijk verklaard. 26.
  43. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 5]
  44. [appellant sub 5] richt zich tegen de begrenzing van het bouwvlak voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" voor haar perceel [locatie 11] te Oostelbeers. Daartoe voert zij aan dat een deel van de bestaande legale landbouwloods en de voorzieningen ten behoeve van het agrarisch bedrijf, zoals de spuitplaats en sleufsilo’s, ten onrechte buiten het bouwvlak staan. 27.
  45. De Afdeling stelt vast dat het bouwvlak binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" voor het perceel [locatie 11] in het plan is vergroot ten opzichte van het bouwvlak in plan Fase II. Het plan is daarmee onder meer naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 5] aangepast op de, zoals [appellant sub 5] ter zitting heeft bevestigd, door haar gewenste wijze. De raad is met het plan derhalve geheel tegemoetgekomen aan het beroep van [appellant sub 5]. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft [appellant sub 5] derhalve geen belang bij een beroep tegen het plan en is geen beroep van rechtswege ontstaan. 27.
  46. Het plan wordt met deze uitspraak onherroepelijk wat betreft voornoemd planonderdeel. Hieruit volgt dat plan Fase II geen betekenis meer heeft ten aanzien van dit planonderdeel dat met het plan is gewijzigd. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang, wordt het beroep van [appellant sub 5] tegen het besluit tot vaststelling van plan Fase II niet-ontvankelijk verklaard. 27.
  47. Nu het plan onder meer naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 5] is aangepast op de door haar gewenste wijze, ziet de Afdeling in de omstandigheden van het geval aanleiding de raad op navolgende wijze te veroordelen in de proceskosten van [appellant sub 5]. Tevens ziet de Afdeling aanleiding de raad te gelasten het betaalde griffierecht aan [appellant sub 5] te vergoeden. Het beroep van [appellant sub 6]
  48. [appellant sub 6], die een gecombineerd veeteeltbedrijf exploiteert aan de [locatie 12] te Oost-, West- en Middelbeers, kan zich niet verenigen met de dubbelbestemmingen "Waterstaat - Natte natuurparel" en "Waarde - Archeologie 4" die aan de gronden van zijn huiskavel ten noordwesten van de Franse Baan zijn toegekend, noch met de dubbelbestemming "Waterstaat - Natte natuurparel" die is toegekend aan zijn perceel aan de Meierijsebaan. [appellant sub 6] kan zich bovendien niet vinden in de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 5" die is gelegd op drie percelen aan de Hoolkot. Hij vreest dat de genoemde dubbelbestemmingen beperkingen zullen opleveren voor zijn bedrijfsvoering. 28.
  49. De raad heeft naar voren gebracht dat aan gronden die door de provincie zijn aangemerkt als een onderdeel van een natte natuurparel of attentiegebied EHS door gemeenten in bestemmingsplannen de dubbelbestemming "Waterstaat - Natte natuurparel" moet worden toegekend. Volgens de raad wordt hiermee enerzijds verdroging voorkomen, maar blijft reguliere grondbewerking mogelijk, zodat de belangen van agrariërs niet onevenredig worden geschaad. De archeologische dubbelbestemmingen zijn volgens de raad gebaseerd op de gemeentelijk Erfgoedkaart, die in samenwerking met het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (hierna: SRE) tot stand is gekomen. Gezien de in de planregels van de omgevingsvergunningplicht vrijgestelde bewerkingsdiepte en oppervlakten wordt de agrarische bedrijfsvoering volgens de raad niet onevenredig belemmerd. 28.
  50. In het plan heeft de raad aan de gronden van [appellant sub 6] ten noordwesten van de Franse Baan, de zogenoemde huiskavel, de bestemming "Agrarisch" toegekend. Aan ongeveer 12 ha van de huiskavel is de dubbelbestemming "Waarde - Natte natuurparel" toegekend, waarvan ongeveer 4,5 ha tevens de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" heeft gekregen. Volgens het deskundigenbericht zijn de gronden van de huiskavel in gebruik als weidegrond en voor de teelt van maïs. Dubbelbestemming natte natuurparel 28.
  51. [appellant sub 6] betoogt dat hij door de dubbelbestemming "Waterstaat - Natte natuurparel" met betrekking tot zijn gronden aan de Franse Baan wordt geconfronteerd met een stelsel voor omgevingsvergunningen bij het uitvoeren van werkzaamheden die tot de normale bedrijfsvoering horen, dat dit een veel strikter systeem is dan het voorheen geldende regime en dat onvoldoende duidelijk uit het plan blijkt wat daarvan de reden is. 28.
  52. Ingevolge artikel 29, lid 29.1 van de planregels zijn de gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Natte natuurparel", behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor onder meer het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situering binnen de natte natuurparels met bijbehorende beschermingszones en het verbeteren van de condities voor de natuurwaarden. Ingevolge lid 29.4.1 is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college van burgemeester en wethouders de in het artikellid omschreven werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren. Het betreft hier het ontgronden, vergraven en afgraven van gronden, het ophogen van gronden, het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen, het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen en het aanbrengen van drainage, het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainage of bronbemaling en het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. Ingevolge lid 29.4.2 is het in lid 29.4.1 gestelde verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. waarvan het ruimtebeslag minder is dan 250 m²; b. welke het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen; c. die op het moment van de inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende vergunning; d. die worden uitgevoerd binnen een bouwvlak of bestemmingsvlak waar gebouwen zijn toegestaan. Ingevolge artikel 1, onder 106, wordt onder normaal onderhoud verstaan: het normale onderhoud van agrarische gronden, bossen, groenelementen/landschapselementen en natuurterreinen, zoals het beweiden en maaien van graslanden, het ploegen, eggen en inzaaien van akkers, het schonen van sloten en greppels, alsmede het reguliere onderhoud van bossen, groenelementen/landschapselementen en natuurterreinen, waaronder het kappen van bomen ter uitvoering van een goedgekeurd beheersplan. Ingevolge lid 29.4.3 kan de in lid 29.4.1 genoemde vergunning slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in lid 29.1 genoemde waarden van het gebied en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende kan worden tegemoet gekomen. Alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, wordt advies gevraagd aan de waterbeheerder. 28.
  53. Ingevolge artikel 12.1, eerste lid, van de Verordening 2014 wijst een bestemmingsplan dat is gelegen in een attentiegebied EHS geen bestemmingen aan of stelt geen regels vast die fysieke ingrepen mogelijk maken met een negatief effect op de waterhuishouding van de hierbinnen gelegen EHS. Ingevolge het tweede lid stelt een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid regels ten aanzien van: a. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 cm beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet; b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage; c. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; d. het buiten een agrarisch bouwblok aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m², anders dan een bouwwerk. Ingevolge het derde lid bepaalt een bestemmingsplan, als bedoeld in het eerste lid, dat bij het toepassen van de regels, bedoeld in het tweede lid, onder a tot en met d, het betrokken waterschapsbestuur wordt gehoord. Ingevolge het vierde lid bepaalt een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, dat de regels, bedoeld in het tweede lid, niet van toepassing zijn op werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud. In artikel 6.1, eerste lid, van de Verordening 2014 is bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel: a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheidene gebieden; b. regels stelt ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Ingevolge het tweede lid bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording over de wijze waarop de nodige kennis over de aanwezige ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken is vergaard. 28.
  54. De Afdeling stelt vast dat de raad voor de percelen aan de Franse Baan, voor zover aangewezen als attentiegebied EHS, de bijbehorende regels in acht diende te nemen. Om hieraan te voldoen heeft de raad aan het perceel de dubbelbestemming "Waterstaat - Natte natuurparel" toegekend en in artikel 29 van de planregels het vereiste van een omgevingsvergunning opgenomen voor de in dat artikel genoemde werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden, waaronder werkzaamheden met betrekking tot het op peil houden van de waterstand. De Afdeling acht deze invulling van de algemene regels niet onjuist. Daarbij is van belang dat het plan, gelet op artikel 29, lid 29.4.2, aanhef en onder b, van de planregels, geen belemmering vormt voor het gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden, nu dat gebruik en het daarvoor benodigde normale beheer en onderhoud van de gronden ingevolge die bepaling is uitgezonderd van de omgevingsvergunningplicht. Gelet hierop heeft [appellant sub 6] niet aannemelijk gemaakt dat de toekenning van de dubbelbestemming "Waterstaat - Natte natuurparel" tot een onevenredige belemmering van zijn bedrijfsvoering leidt. Het betoog faalt. 28.
  55. Het voorgaande geldt eveneens voor de dubbelbestemming "Waterstaat - Natte natuurparel" die in het plan is toegekend aan de gronden van [appellant sub 6] aan de Meierijsebaan. De Afdeling ziet, anders dan [appellant sub 6], geen grond voor het oordeel dat met het plan met betrekking tot genoemde gronden geen recht zou zijn gedaan aan het in de tussenuitspraak van de Afdeling van 26 september 2012, in zaak nr. 201011920/1/T1/R3 opgenomen standpunt van de raad. Zoals in genoemde tussenuitspraak is neergelegd hield dit standpunt van de raad destijds in dat de regels voor de dubbelbestemming voor de natte natuurparel een te grote beperking opleverden voor het bestaande agrarische gebruik van de gronden en dienden te worden gewijzigd. Hieraan is in het plan voldaan nu daaraan minder stringente planregels zijn verbonden dan in het in de tussenuitspraak van de Afdeling van 26 september 2012 aan de orde zijnde plan Fase I waren opgenomen. Het betoog faalt. Archeologie 28.
  56. Met betrekking tot de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 4" en "Waarde - Archeologie 5" voert [appellant sub 6] aan dat een omgevingsvergunningstelsel niet kan worden voorgeschreven op basis van de enkele verwachting dat zich archeologische waarden in de grond bevinden. Naar zijn mening is het de taak van de gemeente om dit vast te stellen. In zijn percelen zijn volgens hem bovendien geen archeologische waarden te verwachten, te minder omdat de gronden in het kader van een ruilverkaveling diep zijn geroerd. 28.
  57. Ingevolge artikel 25, lid 25.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Archeologie 4" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden. Ingevolge lid 25.3.1 is het verboden op de gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie 4" zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren, over een oppervlakte van 500 m² en groter: a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, waaronder begrepen het aanleggen van drainage, dieper dan 0,5 m onder maaiveld; b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waarbij de stobben worden verwijderd; c. het ophogen en egaliseren van gronden; d. het verlagen van het waterpeil; e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; f. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren; g. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies. Ingevolge lid 25.3.2 is het in lid 25.3.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd inclusief het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige. Ingevolge lid 25.3.3, onder a, kan de in lid 25.3.1 genoemde omgevingsvergunning slechts worden verleend, indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:
  58. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al dan niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  59. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  60. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. Voorts is in lid 25.3.3 het volgende bepaald: b. Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de onder a genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd. c. Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd. d. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld sub 25.3.1 kan het advies inwinnen bij een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. In artikel 26, lid 26.3.1 tot en met lid 26.3.3, is met betrekking tot de voor "Waarde - Archeologie 5" aangewezen gronden een vrijwel identieke regeling opgenomen, met dit verschil dat deze regels betrekking hebben op het uitvoeren of laten uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden over een oppervlakte van 2.500 m² of groter. 28.
  61. Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 9 december 2009, in zaak nr. 200801932/1, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988 op het gemeentebestuur de plicht rust zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete regels voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn. 28.
  62. Volgens de plantoelichting op pagina 32 en 33 en het verweerschrift van de raad is door het SRE onderzoek gedaan naar locaties binnen Oirschot waar archeologische waarden kunnen worden verwacht. Dit archeologisch onderzoek heeft geresulteerd in de gemeentelijke Archeologische verwachtingen- en waardenkaart die is vastgesteld in 2011 en heeft vertaling gevonden in het plan. Door [appellant sub 6] is niet aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad zich hier bij de vaststelling van het plan niet op heeft mogen baseren. [appellant sub 6] heeft de stelling van de raad dat de toekenning van de bestemming archeologie categorie 4 en 5 ter plaatse van zijn gronden in overeenstemming is met de gemeentelijke waardenkaart niet betwist. Voorts heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Hij heeft zijn stelling dat de gronden ter plaatse dieper zijn geroerd dan 0,5 meter onvoldoende onderbouwd. Gelet op het voorgaande is de noodzaak tot het bestemmen van een gedeelte van de gronden van [appellant sub 6] als "Waarde - Archeologie 4" en "Waarde - Archeologie 5" voldoende gemotiveerd. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid deze dubbelbestemmingen heeft kunnen toekennen. De Afdeling neemt hierbij tevens in aanmerking dat ingevolge artikel 25, lid 25.3.3, onder c, van de planregels voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden geen archeologisch rapport hoeft te worden overgelegd als de archeologische waarde van de betrokken gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag in andere informatie afdoende is vastgesteld. Ook dit betoog faalt. 28.
  63. Gelet op het voorgaande is het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 6] ongegrond. 28.
  64. Het plan is onherroepelijk wat betreft voornoemde planonderdelen waartegen [appellant sub 6] zich richt. Hieruit volgt dat het plan Fase II geen betekenis meer heeft ten aanzien van deze planonderdelen. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang, wordt het beroep van [appellant sub 6] tegen het besluit tot vaststelling van plan Fase II niet-ontvankelijk verklaard. 28.
  65. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 7A]
  66. [appellant sub 7A] betoogt dat de raad aan het plandeel met de bestemming "Natuur" ter plaatse van de bestaande veldschuur ten westen van de beek Groote Beerze ten onrechte niet de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - veldschuur" heeft toegekend. Daartoe voert hij aan dat voor het bouwwerk geen bouwvergunning is verleend, omdat dit voor de inwerkingtreding van de toenmalige Woningwet ook niet nodig was. [appellant sub 7A] is bereid de veldschuur te slopen, maar dan wenst hij deze wel terug te bouwen op de gronden aangrenzend aan het bouwvlak met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 13] te Middelbeers. Het bouwvlak en de daarop betrekking hebbende planregels ten behoeve van de bouw van deze schuur dienen in dat geval te worden gewijzigd, omdat de maximale toegestane oppervlakte van bouwwerken op dat perceel volledig is benut. 29.
  67. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de veldschuur geen bouwvergunning is verleend, die wel vereist was. Bij een woning in het buitengebied is een oppervlakte van maximaal 120 m² aan bijgebouwen toegestaan, tenzij een grotere oppervlakte legaal aanwezig is. Het past niet in het beleid om deze schuur op het perceel [locatie 13] te laten herbouwen. 29.
  68. Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder a, van de oude Woningwet 1901 was het verboden zonder schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders een woning of een ander gebouw te bouwen. 29.
  69. De veldschuur staat op een perceel met de bestemming "Natuur". Hieraan is niet de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - veldschuur" toegekend. Het perceel [locatie 13] heeft de bestemming "Wonen" en de aanduiding "bouwvlak". Ingevolge artikel 14, lid 14.1, aanhef en onder j, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduid

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.