(2005)acht woningen mogelijk zijn gemaakt, die naast elkaar in zuidelijke richting bijna haaks op de Broeksestraat staan. [appelant] woont aan de [locatie 3] in de directe omgeving van deze woningen. Zowel in het vorige plan als het voorliggende plan zijn de woningen mogelijk gemaakt met de bestemming "Wonen" en een bouwvlak. Aan de westzijde van de bouwvlakken ligt een smalle strook met de bestemming "Tuin" en daarnaast een bredere strook met de bestemming "Verkeer". Ten zuiden van deze woonbestemming is een rechthoek met de bestemming "Verkeer" opgenomen ter grootte van ongeveer 3000 m². In dit plan is het meest zuidelijke perceel met de bestemming "Wonen" met een omvang van ongeveer 1000 m² ten behoeve van een negende woning gesplitst. Deze woning komt op ongeveer 35 m in het verlengde van het perceel van [appelant] te staan. Tussen het perceel van [appelant] en het perceel met de voorziene negende woning bevinden zich twee tuinen van voornoemde acht woningen. De woning van [appelant] staat op ongeveer 75 m van het voorziene bouwvlak van de negende woning. 2.
- Voor zover [appelant] betoogt dat in de plantoelichting een onjuistheid staat over de locatie van de woning, waarin dit plan voorziet, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat de plantoelichting, die overigens geen juridisch bindend onderdeel is van een bestemmingsplan, dusdanige onjuistheden of onvolkomenheden bevat dat om die reden reeds geoordeeld dient te worden dat geen goede belangenafweging heeft plaatsgevonden en de raad hierom het bestemmingsplan niet in zoverre heeft kunnen vaststellen. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit de verbeelding eenduidig volgt dat naast de achtste woning, waarin het vorige plan voorzag, een bouwvlak is opgenomen. Volgens de planregels is binnen een bouwvlak één woning toegestaan, tenzij op de verbeelding anders is aangegeven. Het betoog faalt. 2.
- De beleidsnota, die al ten tijde van het vorige plan gold, is ook voor dit plan gehanteerd. Volgens dat beleid mag bebouwing alleen plaatsvinden binnen de bebouwingscontour en is de huidige locatie van het voorliggende plangebied volgens de kaart "potentiële woningbouwlocaties", die als bijlage bij de beleidsnota is gevoegd, als locatie aangeduid die direct te benutten is voor woningbouw. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat in zoverre aan dit beleid wordt voldaan. Verder heeft de raad ter zitting toegelicht dat voor de ontsluiting voor een bestaande weg is gekozen, die voorheen als ontsluiting van de ter plaatse aanwezige agrarische gronden diende, en is er wat betreft de kamstructuur voor gekozen deze haaks op de Broeksestraat te situeren. Wat betreft de keuze voor de situering van de negende woning naast de achtste woning heeft de raad ter zitting toegelicht dat hierbij een rol heeft gespeeld dat het evenemententerrein, waarin het zuidelijke vlak met de bestemming "Verkeer" voorziet, reeds in het vorige plan in deze omvang was opgenomen en dat het niet wenselijk is deze bestemming te verkleinen. De raad heeft dan ook in redelijkheid van belang geacht dat met de huidige locatie van de negende woning niet verder het landschap in wordt gebouwd dan reeds mogelijk was op grond van het voorgaande plan. Bovendien kon van doorzicht van de Broeksestraat naar het buitengebied ter plaatse reeds niet meer gesproken worden vanwege de bestaande bebouwing. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de beleidsnota zich tegen de huidige locatie niet verzet en dat de raad in redelijkheid voor deze locatie voor de negende woning heeft kunnen kiezen. Het betoog faalt. 2.
- Verder overweegt de Afdeling dat, nog daargelaten dat er geen recht bestaat op blijvend vrij uitzicht, er gelet op de reeds aanwezige bebouwing in de tuin van [appelant] van een vrij uitzicht nu al niet kan worden gesproken. Verder wordt de privacy gelet op de afstand tussen het perceel en de woning van [appelant] enerzijds en het voorziene bouwvlak anderzijds niet onaanvaardbaar aangetast. De raad heeft in redelijkheid aan het belang bij vaststelling van het plan een zwaarder gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van [appelant] bij voorkoming van de aantasting van het woon- en leefklimaat. Dat de Afdeling in haar uitspraak van 2 april 2008 van belang heeft geacht dat de tuinen ten dele grenzen aan de tuin van [appelant] leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent immers niet dat elke toename van het aantal woningen vanuit het oogpunt van het woon- en leefklimaat zonder meer onaanvaardbaar zou zijn. Bovendien grenzen nog steeds de tuinen van twee woningen aan de tuin van [appelant]. Het betoog faalt. 2.
- Over het betoog van [appelant] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat [appelant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat niet in het verlengde van het perceel van [appelant] gebouwd zou worden. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het betoog faalt. 2.
- Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. 2.
- Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant. [appelant] voert bezwaren aan met betrekking tot de milieuzonering van twee bedrijven in de directe omgeving van het bestreden plandeel. Hij vreest dat de voorziene negende woning deze bedrijven in hun bedrijfsvoering zal beperken, nu niet aan de richtafstanden, zoals die volgen uit de VNG-brochure, is voldaan. Vaststaat dat [appelant] geen eigenaar van deze twee bedrijven is. Ook anderszins heeft [appelant] niet aannemelijk gemaakt dat er een relatie is tussen deze bedrijven en [appelant]. De afstandsnormen uit de VNG-brochure hebben dan ook in relatie tot deze bedrijven niet de strekking het belang van [appelant] te beschermen. Het voorgaande leidt ertoe dat de Afdeling deze beroepsgrond buiten beschouwing zal laten, nu artikel 8:69a van de Awb er aan in de weg staat dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd. 2.
- Voor zover [appelant] zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appelant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.
- Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 8:69a van de Awb aan een vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, griffier. w.g. Van Ettekoven w.g. Pikart-van den Berg lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2015 45-661.