(1999)met inachtneming van de akoestische modelregels van de DCMR. Daarbij is gebruik gemaakt van de VDI richtlijn 3770 (april 2002) 'Characteristic noise emission values of sound sources. Facilities for recreational and sporting activities'. In het onderzoek is voor het berekenen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van het stemgeluid per bewoner en begeleider uitgegaan van een bronvermogen voor het equivalente geluidniveau van 75 dB(A), welk vermogen wordt gehanteerd voor spreken met luide stem. Volgens DCMR zijn de bewoners slechts in beperkte mate in staat tot spreken of het voortbrengen van geluiden, waardoor spreken luider zal zijn dan tijdens een normaal gesprek. In het rapport van DCMR is vermeld dat voor de bepaling van het maximale geluidniveau tijdens luid spreken bij gebrek aan een kengetal daarvoor, gebruik is gemaakt van het in de VDR richtlijn vermelde equivalente geluidniveau van schreeuwen, namelijk 100 dB(A), hetgeen volgens DCMR zeer waarschijnlijk een overschatting is. De juistheid van het gebruik van de VDI richtlijn en een bronvermogen van 75 dB(A) bij de berekening van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau is door de Bewonersgroep Hollandseweg niet bestreden. Gelet op de door Vliex overgelegde tabel 'bronvermogens, menselijk geluid VDI-richtlijn 3770' is voorts niet in geschil dat in de VDI richtlijn geen kengetal is opgenomen voor het maximaal geluidvermogen bij spreken met luide stem. Volgens DCMR is in het rapport, bij gebrek aan een kengetal, uitgegaan van een bronniveau van 100 dB(A) voor het maximale geluidniveau. Deze waarde is volgens DCMR gelijk aan het bronvermogen voor het equivalente geluidniveau voor roepen zeer luid, plus
- De VDI richtlijn gaat volgens DCMR voor de meeste stemniveaus voor het bronvermogen van het maximale geluidniveau uit van een waarde van het equivalente geluidniveau plus
- De gebruikte waarde van 100 dB(A) acht DCMR, gezien de situatie, dan ook een realistisch niveau. Geen grond bestaat voor het oordeel dat DCMR in dit geval niet heeft kunnen uitgaan van 100 dB(A). De enkele vaststelling dat, zoals in het rapport van Vliex is vermeld, volgens de VDI richtlijn het maximaal geluidvermogen bij schreeuwen 103 dB(A) is en bij luid schreeuwen 108 dB(A), is hiervoor niet voldoende. Voor zover in het rapport van Vliex is vermeld dat DCMR niet heeft berekend wat de geluidbelasting van de woonzorgvoorziening is aan de noordwestzijde van het perceel wordt overwogen dat de aldaar gelegen gronden een agrarische bestemming hebben en direct ten noordwesten van het perceel geen woningen zijn gesitueerd, zodat geen aanleiding de geluidsbelasting daar te berekenen. Wat betreft het door Vliex uitgevoerde akoestisch onderzoek wordt tot slot als volgt overwogen. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen onderzoek te (laten) verrichten naar de geluidbelasting vanwege het stemgeluid van de bewoners van de woonzorgvoorziening en alsnog te motiveren dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, zo nodig onder het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning. Dit onderzoek heeft DCMR verricht. Het onderzoek van Vliex, waarbij alle geluidbronnen op het perceel, waaronder het geluid dat de hanen maken, zijn betrokken, biedt daarom geen grondslag voor het oordeel dat het college het onderzoek van DCMR niet aan zijn standpunt ten grondslag heeft kunnen leggen. 4.
- Gelet op het voorgaande worden in hetgeen de Bewonersgroep Hollandseweg heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan de juistheid van het rapport van DCMR en bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in zijn brief van 8 juni 2015, nader aangevuld bij brieven van 25 juni 2015 en 4 augustus 2015, niet in redelijkheid op basis van dat rapport op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat de woonzorgvoorziening inpasbaar is in zijn omgeving.
- Het hoger beroep is, gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de Bewonersgroep Hollandseweg tegen het besluit van 30 september 2014 gegrond verklaren. Dit besluit komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de door het college bij brief van 8 juni 2015, aangevuld bij brieven van 25 juni 2015 en 4 augustus 2015, zal de Afdeling de rechtsgevolgen van het besluit van 30 september 2014 in stand laten.
- Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2007 in zaak nr. 200607722/1 (www.raadvanstate.nl) wordt in dit verband nog overwogen dat voor het door de Bewonersgroep Hollandseweg op eigen naam ingediende beroepschrift geen vergoeding kan worden toegekend, ook al is het beroepschrift met behulp van mr. H.H. Harberink opgesteld. Artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) biedt niet de mogelijkheid tot het toekennen van een vergoeding voor andere werkzaamheden dan de in de bijlage van het Bpb opgesomde proceshandelingen. De kosten van rechtsbijstand, bestaande uit het bijstaan bij het opstellen van processtukken die door de betrokkene zelf, op eigen naam, worden ingediend, kunnen derhalve niet worden vergoed op grond van de genoemde bepaling. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 28 november 2014 in zaak nrs. 14/8018 en 14/7866; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans gemeente Nissewaard van 30 september 2014, kenmerk V12-0113; V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven; VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bernisse, thans gemeente Nissewaard, aan de Bewonersgroep Hollandseweg het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 411,00 (zegge: vierhonderdelf euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier. w.g. Michiels w.g. Pieters lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015