(1997), the law dictated that the deported non-Turkish population was not allowed to settle in villages." Verder heeft hij aangevoerd dat hij geen kennis had van de onwettigheid van de bevelen en dat de door hem uitgevoerde taken geen aanleiding geven voor de conclusie dat deze bevelen onmiskenbaar onwettig waren. 7.
- De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet heeft voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 33 van het Statuut, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wettelijk verplicht was het bevel op te volgen, geen kennis had van het feit dat het bevel onwettig was én dat het bevel niet onmiskenbaar onwettig was. 7.
- Uit de door de vreemdeling aangehaalde passage uit de Research note volgt niet dat de misdrijven waarmee hij in verband is gebracht op bevel zijn gepleegd en hij wettelijk verplicht was deze op te volgen. Hieruit volgt slechts dat de wet voorschreef dat gedeporteerde niet-Turkse burgers zich niet in steden mochten vestigen. Reeds hierom is, zoals de staatssecretaris terecht heeft aangevoerd, niet voldaan aan de cumulatieve vereisten van artikel 33 van het Statuut, zodat de beroepsgrond faalt.
- De vreemdeling heeft daarnaast tegen het hem uitgevaardigde inreisverbod aangevoerd dat dit in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Daartoe betoogt hij dat de staatssecretaris geen rekening heeft gehouden met zijn door artikel 8 van het EVRM beschermde privéleven. In dat verband voert hij aan dat hij al enkele jaren een bedrijf heeft in Nederland en derhalve economisch zelfstandig is, maar dat hij niet eerder een verblijfsvergunning asiel heeft aangevraagd omdat hij niet wilde dat de Turkse autoriteiten achter zijn verblijfplaats zouden komen. 8.
- Ingevolge artikel 8 van het EVRM heeft, voor zover thans van belang, een ieder recht op respect voor zijn privéleven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. 8.
- Niet in geschil is dat de vreemdeling heeft verklaard dat hij in 2002 Nederland is ingereisd en sinds 2006 meerdere malen een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft ingediend teneinde hier te lande 'arbeid als zelfstandige' te kunnen verrichten. Deze aanvragen zijn afgewezen. De vreemdeling heeft derhalve nimmer rechtmatig verblijf in Nederland gehad en heeft nimmer beschikt over een verblijfstitel die hem feitelijk tot het uitoefenen van privéleven in staat stelde. Voorts zijn de door de vreemdeling naar voren gebrachte feiten niet zodanig bijzonder dat op grond daarvan uit het recht op respect voor het privéleven van de vreemdeling de verplichting voor de staatssecretaris voortvloeit om af te zien van het uitvaardigen van het inreisverbod. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schending van het recht op eerbiediging van het privéleven, bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De enkele stelling van de vreemdeling dat hij niet eerder een verblijfsvergunning heeft aangevraagd omdat hij niet wilde dat de Turkse autoriteiten achter zijn verblijfplaats zouden komen, leidt niet tot een ander oordeel nu dit voor zijn rekening en risico komt. De beroepsgrond faalt.
- Voorts heeft de vreemdeling tegen het hem uitgevaardigde inreisverbod aangevoerd dat dit in strijd is met artikel 6.5, tweede lid, onder g, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000). Daartoe voert hij aan dat hij al geruime tijd in Nederland verblijft en als zelfstandige werkt en dat bovendien geen rekening is gehouden met het feit dat hij door zijn grensdetentie en de tegenwerping van artikel 1(F) niet aan zijn betaalverplichtingen die voortvloeien uit die werkzaamheden heeft kunnen voldoen. 9.
- Ingevolge artikel 6.5, tweede lid, aanhef en onder g, van het Vb 2000, wordt tegen een vreemdeling geen inreisverbod uitgevaardigd indien deze in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie, of niet wordt uitgezet om reden dat diens uitzetting in strijd zou zijn met de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1964, 217), het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70) of genoemd Besluit nr. 1/
- Ingevolge het vierde lid kan van het eerste tot en met derde lid worden afgeweken ingeval de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. 9.
- Nu uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris de vreemdeling terecht artikel 1(F) heeft tegengeworpen en zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat grond bestaat om de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 31, eerste lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 af te wijzen, faalt de beroepsgrond reeds hierom.
- Het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 februari 2015 in zaak nr. 14/3475; III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, niet-ontvankelijk; IV. verklaart het in die zaak ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, griffier. w.g. Troostwijk w.g. Nienhuis voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2015 466-759.