(400). Uit de stukken blijkt dat het in het luchthavenbesluit vastgestelde beperkingengebied gelijk is aan het beperkingengebied uit de omzettingsregeling. In het luchthavenbesluit zijn evenals in de omzettingsregeling grenswaarden voor het geluid als bedoeld in artikel 8.44, eerste lid, onder a, van de Wet luchtvaart opgenomen. De handhavingspunten HHP 09 en HHP 27 op de baankoppen zijn niet gewijzigd. In het luchthavenbesluit zijn voor die handhavingspunten grenswaarden gesteld van onderscheidenlijk 57,0 en 56,4 dB(A) Lden binnen de daglichtperiode en 43,8 en 45,3 dB(A) Lden buiten de daglichtperiode. In de omzettingsregeling waren voor de handhavingspunten grenswaarden vastgesteld van onderscheidenlijk 56,2 en 55,5 dB(A) Lden. In het luchthavenbesluit is de beperking opgenomen dat de luchthaven open is binnen de daglichtperiode van 09.00 tot 20.00 uur. De omzettingsregel stelde geen beperking aan het gebruik van de luchthaven in de daglichtperiode. Voorts zijn in het luchthavenbesluit in vergelijking met de omzettingsregeling de nieuwe handhavingspunten HHP 01 en HHP 02 ten westen van de luchthaven opgenomen. Voor deze handhavingspunten gelden geluidgrenswaarden van onderscheidenlijk 46,5 en 47,4 dB(A) Lden binnen de daglichtperiode en 33,2 en 34,7 dB(A) Lden buiten de daglichtperiode. De Afdeling stelt vast dat de grenswaarden in het luchthavenbesluit in vergelijking met de omzettingsregeling zo beperkt zijn dat ze niet of nauwelijks waarneembaar zijn voor het menselijk oor. Van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu is geen sprake. Gelet op het vorenstaande hebben provinciale staten terecht geoordeeld dat er geen m.e.r.-beoordelingsplicht is. [appellant sub 1] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die twijfel oproepen over het standpunt van provinciale staten, dat het op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling is uitgesloten dat het luchthavenbesluit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Gelet hierop hebben provinciale staten terecht geen aanleiding hoeven zien om gelet op artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Besluit m.e.r. toch een MER te maken. Het betoog faalt.
- [appellant sub 1] betoogt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, omdat provinciale staten de vliegroutes hebben gewijzigd met het oog op de recreatieve ontwikkeling ten noorden van camping De Witte Raaf. 6.
- Zoals hiervoor is overwogen voorziet het Luchthavenbesluit niet in wijziging van vliegroutes. Provinciale staten hebben het luchthavenbesluit op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het betoog faalt.
- [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat het in de aanvraag van Zeeland Airport B.V. opgenomen uitgangspunt om de start- en landingsbaan te verharden ten onrechte niet in het luchthavenbesluit is vastgelegd. Volgens [appellant sub 1] is artikel 3 van het luchthavenbesluit te vrijblijvend. 7.
- Ingevolge artikel 3 van het luchthavenbesluit is op de luchthaven een verharde start- en landingsbaan gelegen met een lengte van 1000 m en een breedte van maximaal 30 m in de geografische richting 088°-268°. 7.
- Zowel in de aanvraag van 30 maart 2013 als in bijlage C bij de aanvraag wordt de verharding van de start- en landingsbaan als één van de wijzigingen genoemd. Voorts wordt ook in de m.e.r.-beoordelingsnotitie van Zeeland Airport B.V. uitgegaan van verharding van de start- en landingsbaan. Gelet op het voorgaande is de aangevraagde situatie vastgelegd in artikel 3 van het luchthavenbesluit. Het besluit is voldoende rechtszeker op dit punt. De betogen falen.
- [appellant sub 3] betoogt dat de voorziene, beperkte toename van het aantal vliegbewegingen niettemin een toename van de luchtverontreiniging tot gevolg heeft. Hij vreest voor nadelige gevolgen voor het in de omgeving van de luchthaven gelegen natura 2000-gebied. 8.
- Provinciale staten hebben verwezen naar het concept beheersplan "Veerse Meer" waarin is aangegeven dat het huidige vliegverkeer en de autonome ontwikkeling daarvan geen negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van het natura 2000-gebied "Veerse Meer". 8.
- Zoals hiervoor is overwogen, voorziet het luchthavenbesluit niet in een toename van het aantal vliegbewegingen of in wijziging van vliegroutes. Wat betreft eventuele gevolgen van luchtverontreiniging voor het in de omgeving gelegen Natura 2000-gebied "Veerse Meer" heeft [appellant sub 3] zijn standpunt niet onderbouwd. In hetgeen [appellant sub 3] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel, dat provinciale staten onvoldoende rekening hebben gehouden met het aspect luchtverontreiniging. Het betoog faalt.
- De beroepen zijn ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier. w.g. Van Diepenbeek w.g. Melse voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2015 191.