(3)bij de planregels gevoegde "Landschappelijke inpassingsplan". Zij betogen dat stroken aan de randen van het plangebied weliswaar bestemd zijn voor de landschappelijke inpassing, maar dat de inpassing van het initiatief ten onrechte niet dwingend is voorgeschreven in de planregels. 10.
- Volgens de raad is de beoogde voorwaardelijke verplichting ondeugdelijk vastgelegd in het VG01-bestand. Uit het vaststellingsbesluit volgt evenwel dat de raad heeft besloten dat de gronden niet in gebruik mogen worden genomen zolang de landschappelijke inpassing van de plantenkwekerij niet is uitgevoerd. Het VG03-bestand is in overeenstemming gebracht met het vaststellingsbesluit, door op de verbeelding aan het gehele plangebied de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing" toe te kennen, aldus de raad. 10.
- In het plan, zoals dat beschikbaar is gesteld met het VG03-bestand, is aan het (gehele) plangebied de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder c, van de planregels dient ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing" de landschappelijke inpassing van het niet grondgebonden bedrijf plaats te vinden in de vorm van groenvoorzieningen met een visueel afschermende functie, zoals hagen en gebiedseigen bomen, een en ander overeenkomstig het inrichtingsplan zoals weergegeven in bijlage 3 behorende bij de regels en overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, lid 3.5.
- Ingevolge lid 3.5.5 is het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van het niet grondgebonden agrarische bedrijf ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing" conform de bestemming "Agrarisch - Niet grondgebonden" alleen toegestaan als de landschappelijke inpassing zoals bedoeld in artikel 3, lid 3.1 onder c, conform het inrichtingsplan zoals opgenomen in de bijlagen bij dit plan, is uitgevoerd en/of in stand wordt gehouden. In het ontwerpplan rustte de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing" alleen op stroken langs de westelijke, noordelijke en een deel van de oostelijke grens van het plangebied. 10.
- De Afdeling is van oordeel dat uit het vaststellingsbesluit inclusief de bijbehorende "Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen", niet valt af te leiden dat de raad heeft besloten de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing" toe te kennen aan het gehele plangebied. Gelet hierop is het VG03-bestand anders dan de raad meent, niet in overeenstemming met het vaststellingsbesluit, zodat ook ten aanzien van dit besluitonderdeel sprake is van een rechtsonzekere situatie. Het betoog slaagt. 10.
- Gelet op het hiervoor gegeven oordeel behoeft het betoog van [appellant] en anderen dat de beoogde landschappelijke inpassing niet voldoet aan het beleid als vastgelegd in het "Landschapsplan Klavertje 4" en dat de nadelige ruimtelijke gevolgen van de plantenkwekerij niet in voldoende mate worden beperkt, geen bespreking. Overige beroepsgronden
- [appellant] en anderen betogen dat het plan niet in overeenstemming is met de "Structuurvisie Klavertje 4-gebied", vastgesteld door de raad op 26 juni 2012 (hierna: Structuurvisie). De gronden van het plangebied zijn in de Structuurvisie aangemerkt als "Agrarisch Landschap". De Structuurvisie verzet zich tegen de vestiging van niet-grondgebonden agrarische bedrijven op deze gronden. De raad heeft volgens [appellant] en anderen de afwijking van het beleid niet deugdelijk gemotiveerd, nu de ruimtelijke gevolgen van containerteelt niet gelijkgesteld kunnen worden met de gevolgen van teelt in de open grond. Bovendien geldt dat, ook indien zou worden aangenomen dat de twee vormen van grondgebruik vergelijkbare ruimtelijke effecten hebben, dit niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die een afwijking van de Structuurvisie rechtvaardigt, aldus [appellant] en anderen. 11.
- Volgens de raad is het plangebied gelegen in het zogeheten "Klavertje 4-gebied". Voor dit gebied geldt het specifieke beleidskader als vastgelegd in de Structuurvisie. Het plan is getoetst aan de Structuurvisie en voldoet daar niet aan. Volgens de raad wordt de voorziene plantenkwekerij weliswaar aangemerkt als een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, maar de verschillen tussen containerteelt en de teelt van planten in de volle grond zijn gering, zodat een afwijking van de Structuurvisie gerechtvaardigd is. 11.
- Het plangebied wordt in de Structuurvisie aangemerkt als "Agrarisch Landschap". Blijkens hoofdstuk 7 van de Structuurvisie is het beleid voor deze gronden gericht op het behoud van de agrarische productiegronden, de ontwikkeling van grondgebonden agrarisch gebruik en de verbetering van de landschapskwaliteit en de milieusituatie. In tabel 7.5 is het beleid voor deze gronden nader geconcretiseerd. Deze tabel wordt hieronder weergegeven. 11.
- Niet in geschil is dat de Structuurvisie zich verzet tegen nieuwvestiging van niet-grondgebonden agrarische bedrijven in het plangebied. In tabel 7.5 van de Structuurvisie is concreet en zonder voorbehoud vastgelegd dat nieuwvestiging van niet-grondgebonden agrarische bedrijven op gronden die in de Structuurvisie zijn aangewezen als "agrarisch landschap" niet is toegelaten, tenzij het gebied is aangewezen als concentratiegebied (hetgeen voor het plangebied niet geldt). Ook elders in de Structuurvisie, in het bijzonder in paragraaf 7, wordt dit beleid niet genuanceerd, in de zin dat de raad alsnog medewerking kan verlenen aan nieuwvestiging van niet-grondgebonden agrarische bedrijven op genoemde gronden. Anders dan de raad stelt is de Afdeling van oordeel dat de gestelde omstandigheid dat de ruimtelijke gevolgen van containerteelt niet wezenlijk verschillen van de teelt van gewassen in de volle grond, wat daar ook van zij, niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die afwijking van het in de Structuurvisie vastgelegde beleid rechtvaardigt. Hiertoe is van belang dat in de Structuurvisie specifieke gebieden zijn aangewezen voor de nieuwvestiging van niet-grondgebonden agrarische bedrijven. De Afdeling verwijst in dit verband naar paragraaf 6.2.3 van de Structuurvisie, waarin staat dat "klaver 7 op de korte tot middellange termijn ruimte biedt aan boomteelt- en containerteeltbedrijven". Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het plan is vastgesteld in strijd met het beleid als vastgelegd in de Structuurvisie. Het betoog slaagt. 11.
- Gelet op het hiervoor gegeven oordeel behoeft het betoog van [appellant] en anderen dat het plan niet leidt tot kwaliteitswinst voor de omgeving geen bespreking.
- [appellant] en anderen betogen dat de maximale goot- en nokhoogte van het voorziene bedrijfsgebouw van onderscheidenlijk 7,5 en 11 m te groot zijn. Als gevolg hiervan wordt de openheid van het landschap aangetast. 12.
- De raad stelt dat hij heeft aangesloten bij de plansystematiek voor het buitengebied. De standaard goot- en nokhoogte voor bedrijfsgebouwen in het bestemmingsplan "Buitengebied", vastgesteld door de raad op 5 februari 2013, bedraagt 7,5 m en 11 m. Ook de Structuurvisie gaat hiervan uit. In dit geval bestond geen aanleiding om hiervan af te wijken, aldus de raad. 12.
- De Afdeling is van oordeel dat de raad de toegelaten hoogten voor bedrijfsbebouwing bij de plantenkwekerij niet enkel kan motiveren door een beroep te doen op de generieke planregeling als vastgelegd in het bestemmingsplan "Buitengebied". De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt dat zijn besluit in zoverre berust op een nadere belangenafweging, waarbij het belang van initiatiefnemer bij het kunnen beschikken over een bedrijfsgebouw met een nok- en bouwhoogte van onderscheidenlijk 7,5 m en 11 m is afgewogen tegen het belang van [appellant] en anderen bij het voorkomen van een aantasting van het agrarisch landschap, dat deel uitmaakt van hun directe woon- en leefomgeving. Hierbij is van belang dat het beleid voor het plangebied, als vastgelegd in de Structuurvisie, onder meer gericht is op het versterken van de landschapswaarden. Het betoog slaagt.
- [appellant] en anderen betogen dat de beoogde plantenkwekerij van initiatiefnemer niet kan worden aangemerkt als een volwaardig agrarisch bedrijf, althans dat de raad niet heeft aangetoond dat sprake zal zijn van een volwaardige agrarische activiteit. Uit het bedrijfsplan, dat ten grondslag is gelegd aan het plan, volgt enkel dat de beoogde plantenkwekerij een bedrijfseconomische omvang heeft van meer dan 70 NGE. Uit het bedrijfsplan valt evenwel niet op te maken dat de beoogde plantenkwekerij een volwaardig agrarisch bedrijf is, waarvan de continuïteit is gegarandeerd. [appellant] en anderen hebben een tegenrapport van DLV Plant overgelegd van 17 februari 2015, waaruit volgt dat het bedrijfsplan van initiatiefnemer onjuist, althans onvolledig is. In het tegenrapport wordt volgens [appellant] en anderen aangetoond dat de investeringen voor alsook de kosten van de exploitatie van de plantenkwekerij te laag zijn ingeschat. [appellant] en anderen betogen verder dat in het bedrijfsplan ten onechte wordt geconcludeerd dat in de toekomst, ten behoeve van de uitbreiding van het agrarische bedrijf, twee percelen in de directe nabijheid van het plangebied kunnen worden verworven. Zij hebben hiertoe een verklaring overgelegd van de huidige eigenaar van een van de twee percelen, waarin deze verklaart dat hij niet bereid is zijn gronden te verkopen of te verpachten ten behoeve van de uitbreiding van de voorziene plantentkwekerij. 13.
- Volgens de raad volgt uit het bedrijfsplan dat ten grondslag is gelegd aan het plan dat de beoogde plantenkwekerij van initiatiefnemer kan worden aangemerkt als een volwaardig agrarisch bedrijf. De plantenkwekerij heeft een bedrijfseconomische omvang van ongeveer 90 NGE. Bovendien volgt uit de berekeningen dat initiatiefnemer met de plantenkwekerij voldoende inkomsten kan genereren, zodat sprake is van een in bedrijfseconomisch opzicht levensvatbaar bedrijf, waarvan de continuïteit is gewaarborgd. Voor een nadere toelichting verwijst de raad naar de stukken die gezamenlijk het bedrijfsplan vormen, waaronder de in opdracht van initiatiefnemer opgestelde aanvulling op het bedrijfsplan van [belanghebbende] van 30 oktober 2012 (hierna: "aanvullend bedrijfsplan"). 13.
- In het aanvullend bedrijfsplan is berekend dat de beoogde plantenkwekerij een bedrijfseconomische omvang heeft van bijna 90 NGE. Daarnaast is in het aanvullend bedrijfsplan een overzicht opgenomen van de kosten en opbrengsten van de exploitatie van de plantenkwekerij. Berekend is dat bij een privé onttrekking van € 25.000 per jaar in 2017 een nettoresultaat (marge) van ruim € 12.000 resteert, hetgeen ongeveer 5 procent van de omzet bedraagt. Wat betreft de begroting van het aantal arbeidsuren wordt uitgegaan van een inzet van 2.500 uur per jaar door de ondernemer zelf. Het overige deel van de benodigde arbeid wordt verricht door personeel dat niet in vaste dienst is, zoals (buitenlandse) seizoensarbeiders en schoolgaande jongeren. [appellant] en anderen hebben in het kader van de door hen naar voren gebrachte zienswijze tegen het ontwerpplan, het aanvullend bedrijfsplan bestreden door een tegenrapport in te brengen. Dit rapport van 29 mei 2013 is opgesteld door DLV Plant. Hierin wordt onder meer de berekening van de kosten van de plantenkwekerij, in het bijzonder de arbeidskosten, bestreden. Gemotiveerd wordt dat bepaalde kosten ten onrechte niet zijn betrokken in de berekening en dat de arbeidskosten van de exploitatie te laag zijn begroot. Hiertoe wordt onder meer aangevoerd dat in de maanden februari tot en met mei verhoudingsgewijs veel arbeid dient te worden verricht en dat in deze periode een tekort is aan laagbetaalde arbeidskrachten, zodat de bedragen waarmee is gerekend in het aanvullend bedrijfsplan (onder meer € 10 per/uur voor schoolgaande jongeren) te laag zijn. Voorts wordt gesteld dat de begrote privé onttrekking van € 25.000 erg laag is, ook gezien de arbeidsinzet van de ondernemer van 2.500 uur op jaarbasis. Bij brief van 27 augustus 2013 heeft [belanghebbende] gereageerd op het tegenrapport van DLV Plant van 29 mei
- De raad heeft naar aanleiding van dit tegenrapport extern advies ingewonnen bij het bureau Van der Schoot. In het rapport van Van der Schoot van 9 oktober 2013 wordt geconcludeerd dat in het aanvullende bedrijfsplan van [belanghebbende] onvoldoende inzichtelijk wordt gemaakt dat de beoogde plantenkwekerij kan worden aangemerkt als een volwaardig agrarisch bedrijf. De raad heeft initiatiefnemer verzocht te reageren op het rapport van Van der Schoot. Initiatiefnemer heeft aan dit verzoek voldaan door middel van een brief van [belanghebbende] van 28 oktober
- De raad heeft naar aanleiding van deze brief aanvullende vragen gesteld aan initiatiefnemer, welke zijn beantwoord in de brief van [belanghebbende] van 4 maart
- De raad heeft vervolgens aan de hand van de hem beschikbare stukken de conclusie getrokken dat de volwaardigheid van de beoogde plantenkwekerij is aangetoond en heeft het plan vastgesteld. [appellant] en anderen hebben na het vaststellen van het plan opnieuw een tegenrapport laten opstellen door DLV Plant. Dit rapport, van 17 februari 2015, hebben zij ten grondslag gelegd aan de motivering van hun betoog dat de volwaardigheid van de plantenkwekerij niet is aangetoond. In dit rapport worden gedeeltelijk dezelfde of vergelijkbare argumenten aangevoerd als in het (eerste) tegenrapport van 29 mei
- 13.
- Voor zover [appellant] en anderen hebben betoogd dat de raad voor de berekening van de bedrijfseconomische omvang van de plantenkwekerij ten onrechte heeft aangesloten bij de rekenmodule van het Landbouw Economisch Instituut (LEI), omdat deze betrekking heeft op de teelt (van planten) in de volle grond, overweegt de Afdeling dat zij dit betoog niet nader hebben onderbouwd. Zij hebben niet gemotiveerd welke wezenlijke verschillen bestaan tussen containerteelt en teelt in de volle grond wat betreft de opbrengsten van de twee teeltmethodes. Reeds hierom faalt dit betoog. 13.
- Uit de brief van [belanghebbende] van 4 maart 2014 blijkt dat in het bedrijfsplan voor het berekenen van het aantal benodigde arbeidsuren en de overige kosten van de exploitatie rekening is gehouden met de omstandigheid dat de partner van initiatiefnemer een eigen bedrijf exploiteert, genaamd "ADREM". Dit bedrijf produceert in hoofzaak verschillende typen hekwerken. In deze brief wordt toegelicht dat vanwege de inzet van middelen van ADREM de kosten van de plantenkwekerij lager uitvallen en dat er schaalvoordelen zijn. ADREM beschikt over machines en werktuigen (onder meer graaf- en grondverzetmachines, bestratingsapparatuur, transportmiddelen en kleine gereedschappen). Hierdoor kunnen wat betreft de oprichting van de plantenkwekerij werkzaamheden in eigen beheer worden uitgevoerd. Personeelsleden van het bedrijf ADREM kunnen flexibel worden ingezet op de plantenkwekerij. Ook de administratieve verplichtingen, waaronder personeelsbeheer, voorraadbeheer, de in- en verkoopboekhouding, kunnen efficiënt en goedkoop worden verwerkt binnen de huidige structuur van ADREM. Voorts kan de plantenkwekerij via ADREM plantenmateriaal en kweekbenodigdheden tegen gunstige condities financieren en seizoenskredieten aantrekken, aldus de brief van [belanghebbende] van 4 maart
- 13.
- Hoewel in het kader van het onderzoek naar de volwaardigheid en de levensvatbaarheid van een agrarisch bedrijf betekenis kan toekomen aan omstandigheden die gerelateerd zijn aan de persoon van de initiatiefnemer, is de Afdeling van oordeel dat de raad ten onrechte belang heeft toegekend aan het feit dat de partner van initiatiefnemer een eigen bedrijf exploiteert, hetgeen tot gevolg heeft dat de bedrijfsvoering van initiatiefnemer wordt gefaciliteerd op een wijze die zich in de regel niet voor zal doen bij een willekeurige andere exploitant van een agrarisch bedrijf. Nu de raad bij de berekening van de kosten van de bedrijfsvoering van de plantenkwekerij niet heeft geabstraheerd van de inzet van middelen van ADREM, is niet aangetoond dat uit een plantenkwekerij ter plaatse ook zonder (financiële) steun van een derde een volwaardig inkomen is te genereren voor de initiatiefnemer. De Afdeling wijst in dit verband tevens op de omstandigheid dat in de brief van [belanghebbende] van 27 augustus 2013 staat dat de initiatiefnemer naast de begrote privé-onttrekking van € 25.000 uit de plantenkwekerij, ook andere inkomsten heeft. Dit wordt niet nader toegelicht. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het verrichte onderzoek naar de volwaardigheid van het initiatief niet deugdelijk is, zodat de raad op grond van het bedrijfsplan niet de conclusie heeft kunnen trekken dat de beoogde plantenkwekerij als een volwaardig agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt. Het besluit is in zoverre niet voorbereid met de daartoe vereiste zorgvuldigheid. Het betoog slaagt. 13.
- Gelet op het hiervoor gegeven oordeel ziet de Afdeling geen aanleiding voor de bespreking van het betoog van [appellant] en anderen dat de raad er ten onrechte van uitgaat dat een toekomstige uitbreiding van de plantenkwekerij mogelijk is na verwerving van nabijgelegen agrarische percelen. Conclusie
- Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Het besluit van 8 juli 2014 wordt vernietigd. Proceskosten
- De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Peel en Maas van 8 juli 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Nieuw agrarisch bedrijf aan de Sevenumsedijk te Maasbree"; III. veroordeelt de raad van de gemeente Peel en Maas tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.523,28 (zegge: vijftienhonderddrieëntwintig euro en achtentwintig cent), waarvan een bedrag van € 980,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; IV. gelast dat de raad van de gemeente Peel en Maas aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen. Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier. w.g. Kranenburg w.g. Milosavljević voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2015 739.