← Nederland

ECLI:NL:RVS:2015:345

201401736/1/R

  1. Datum uitspraak: 11 februari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:
  2. appellant sub 1], wonend te Kampen,
  3. [ appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], beiden wonend te Kampen, (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 2]),
  4. [ appellant sub 3A] en [appellante sub 3B], beiden wonend te Kamperveen, gemeente Kampen (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 3]),
  5. [ appellante sub 4], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], gevestigd te Kampen,
  6. de stichting Stichting Werkgroep Zwartendijk, gevestigd te Kampen,
  7. de vereniging Vereniging voor Natuurstudie en bescherming IJsseldelta, gevestigd te Kampen,
  8. [ appellant sub 7] en anderen, allen wonend te Dronten, en
  9. de minister van Infrastructuur en Milieu,
  10. de staatssecretaris van Economische Zaken,
  11. het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college van Overijssel),
  12. het college van gedeputeerde staten van Flevoland (hierna: het college van Flevoland),
  13. de raad van de gemeente Kampen (hierna: de raad van Kampen),
  14. de raad van de gemeente Dronten, (hierna: de raad van Dronten),
  15. het dagelijks bestuur van het Waterschap Groot Salland,
  16. het college van burgemeester en wethouders van Kampen, verweerders. Procesverloop Bij besluit van 12 december 2013, kenmerk RWS-2013/63083, heeft de minister het projectplan "Projectplan Waterwet Inrichting IJsseldelta-Zuid (Reevediep)" vastgesteld (hierna: projectplan). Ter uitvoering van het projectplan zijn onder meer de hieronder genoemde besluiten genomen. Bij onderscheidenlijke besluiten van 13 januari 2014 en 15 januari 2014 hebben de colleges van Overijssel en Flevoland goedkeuring verleend aan het projectplan "Waterkeringen IJsseldelta-Zuid". Bij besluit van 12 december 2013 heeft de raad van Kampen het bestemmingsplan "IJsseldelta-Zuid" (hierna: plan Kampen) vastgesteld. Bij besluit van 12 december 2013 heeft de raad van Kampen het exploitatieplan "Dorp Reeve, bestemmingsplan IJsseldelta-Zuid" vastgesteld. Bij besluit van 19 december 2013 heeft de raad van Dronten het bestemmingsplan "IJsseldelta-Zuid - Dronten

(8090)" (hierna: plan Dronten) vastgesteld. Bij besluit van 16 december 2013 heeft de staatssecretaris ontheffing verleend als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw). Bij besluit van 19 december 2013 heeft de staatssecretaris vergunning verleend op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998). Bij besluit van 5 december 2013 heeft het college van Flevoland vergunning verleend op grond van de Nbw
  1. Bij besluit van 12 december 2013 heeft het college van Overijssel vergunning verleend op grond van de Nbw
  2. Tegen het projectplan en de uitvoeringsbesluiten hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], de Maatschap, de Stichting, de Vereniging en [appellant sub 7] en anderen beroep ingesteld. Verweerders hebben een verweerschrift ingediend. [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 7] en anderen hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2014, waar [appellant sub 7] en anderen, in de persoon van [appellant sub 7], bijgestaan door [gemachtigden], [appellant sub 2], in de persoon van [appellant sub 2A], de Stichting, vertegenwoordigd door drs. B.F. Zeven, de Maatschap, vertegenwoordigd door mr. J.T. Fuller, advocaat te Zwolle, de Vereniging, vertegenwoordigd door H.T.W. Haukema, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Aerts, mr. R.D. Reinders, mr. L. van der Meulen, allen advocaat te Den Haag, ing. J. Vosselman, ir. P. Nijhout, M.A. Schipper, ing. R. Jager, ir. M. Steenvoorden, ing. L. Bruinsma, R. Provoost, W. de Jong, P. Bakker, T. van Hattum, R. van Leeuwen, ing. J. Verheij, J. Buskens, A. Otten, N. Bolt en J. van Duin, zijn verschenen. Overwegingen
  3. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.
  4. De bestreden besluiten zijn gecoördineerd voorbereid met toepassing van de artikelen 3.30, eerste lid, onder b, en 3.33, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). De besluiten zijn vervolgens gelijktijdig bekendgemaakt. Ingevolge artikel 8:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, is de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd te oordelen over geschillen waarop de artikelen 3.30, eerste lid, onder b, en 3.33, eerste lid, onder a, van de Wro, van toepassing zijn.
  5. Het projectplan strekt ter uitvoering van de Planologische Kernbeslissing "Ruimte voor de Rivier" (hierna: PKB). Het projectplan en de uitvoeringsbesluiten voorzien in de aanleg en inrichting van een hoogwatergeul - het Reevediep ook wel aangeduid als bypass - ten zuiden van Kampen. De hoogwatergeul verbindt de IJssel, via het Vossemeer en het Drontermeer, met het IJsselmeer. Bij hoogwater op de IJssel wordt via de hoogwatergeul extra water afgevoerd naar het IJsselmeer, hetgeen leidt tot een verlaging van de waterstand van de IJssel. Ten noorden en ten zuiden van de hoogwatergeul wordt een nieuw natuurgebied ontwikkeld, zodat een ecologische verbinding ontstaat tussen de uiterwaarden van de IJssel en de Veluwerandmeren. Het plan Kampen voorziet ten zuiden en ten westen van Kampen in een nieuwe woonwijk, het zogeheten dorp Reeve, met 1.300 woningen en maximaal 1.100 ligplaatsen voor (plezier)vaartuigen. Ook maakt het plan Kampen de uitbreiding mogelijk van het recreatiegebied Roggebot. De bijbehorende jachthaven wordt uitgebreid met 125 ligplaatsen voor pleziervaartuigen. Het plan Dronten voorziet onder meer in de vervanging van de Roggebotsluis en de aanpassing van de infrastructuur direct ten westen daarvan. Het beroep van [appellant sub 1]
  6. [ appellant sub 1] betoogt dat de realisatie van de hoogwatergeul leidt tot een hogere waterstand in de nabijheid van zijn perceel [locatie 1] in Kampen. Vooral bij extreme weersomstandigheden is zijn woonboerderij onvoldoende beschermd tegen overstroming van de Ketelpolder. Het risico hierop kan worden tegengegaan door het verhogen van de dijken van de Ketelpolder, zoals dat gedaan is bij Kampereiland. Dat het risico op een overstroming reëel is volgt uit de omstandigheid dat een recent gerealiseerde transformatorstation in het gebied is geplaatst op een terp, aldus [appellant sub 1]. 4.
  7. De minister stelt dat uit onderzoek naar de hydraulische effecten van de hoogwatergeul blijkt dat de kans op overstroming van de Ketelpolder niet wijzigt ten opzichte van de bestaande situatie. Voor de Ketelpolder is de situatie op het IJsselmeer maatgevend. In geval van een zeer zware storm is overstroming van de Ketelpolder mogelijk. Dit betreft een autonome omstandigheid, het project IJsseldelta-Zuid heeft hier geen invloed op. Voor de waterstand in het IJsselmeer maakt het niet uit of aanvoer via één tak of twee takken (IJssel en Reevediep) plaatsvindt. Het door [appellant sub 1] genoemde transformatorstation is niet geplaatst door of vanwege een overheid, maar door de netbeheerder Enexis, aldus de minister. 4.
  8. De resultaten van het onderzoek naar de hydraulische effecten van het project zijn vastgelegd in het rapport "Hydraulica en Veiligheid, Planstudie IJsseldelta-Zuid" van 17 augustus 2012 (hierna: Rapport hydraulische effecten). Uit figuur 9.
  9. van dit rapport volgt dat bij een zeer zware storm op het IJsselmeer de waterstand ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] (rivierkilometer 1002,5) stijgt met ongeveer 3 m. Uit de figuur volgt verder dat een hoog wateraanbod in de IJssel geringe gevolgen heeft voor de Ketelpolder, het waterpeil ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] stijgt in dat geval met ongeveer 1 m. In het Rapport hydraulische effecten wordt geconcludeerd dat voor de kans op een overstroming van het gebied tussen de rivierkilometers 999 en 1005, daaronder begrepen de Ketelpolder, de situatie op het IJsselmeer bepalend is. Het gedeelte van de IJssel benedenstrooms van Kampen wordt daarom aangemerkt als "stormgedomineerd". In figuur 9.
  10. van het Rapport hydraulische effecten zijn de gevolgen van de eerste fase van het project voor de waterstand van de IJssel inzichtelijk gemaakt. Geconcludeerd wordt dat de hoogwatergeul nauwelijks tot geen effecten heeft voor de waterstand in geval van een zeer zware storm op het IJsselmeer. In de figuur is dit weergegeven door middel van de blauwe lijn. De hoogwatergeul draagt bij aan de verlaging van de waterstand bij uitzonderlijk hoogwater op de IJssel. Ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] leidt de eerste fase van het project tot een gering gunstig effect. Het waterpeil wordt met een aantal centimeter verlaagd. Dit is in figuur 9.2 weergegeven door middel van de groene lijn. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de minister de conclusie heeft kunnen trekken dat het projectplan niet leidt tot een verhoging van het waterpeil en daarmee tot een hoger overstromingsrisico ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1]. De door [appellant sub 1] gestelde situatie bij Kampereiland doet niet af aan de conclusie uit het Rapport hydraulische effecten. Het ophogen van de dijken bij Kampereiland betreft een zelfstandig project dat geen onderdeel is van het projectplan. Het betoog faalt.
  11. Nu de minister de conclusie heeft kunnen trekken dat het projectplan geen gevolgen heeft voor de overstromingsfrequentie van de Ketelpolder, is de Afdeling van oordeel dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen noodzaak bestaat om in het kader van het projectplan de dijken ter plaatse te verhogen. Het betoog faalt.
  12. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2]
  13. [ appellant sub 2] betoogt dat de hoogwatergeul leidt tot een aantasting van de natuurwaarden van zijn perceel kadastraal bekend gemeente IJsselmuiden, sectie F, nummer 92 (hierna: perceel F92). Het perceel maakt deel uit van het natuurgebied "De Enk". Ter plaatse is een (vis)kolk gesitueerd. Het plan Kampen heeft tot gevolg dat een deel van de kolk, waarin onder meer palingen en karpers voorkomen, verloren gaat. Andere delen van het perceel komen onder water te staan, waardoor het gebied ongeschikt wordt voor een aantal ter plaatse voorkomende diersoorten waaronder de waterspitsmuis. De aantasting van de natuurwaarden dient te worden gecompenseerd, aldus [appellant sub 2]. 7.
  14. De staatssecretaris stelt dat als gevolg van de realisatie van het dijktracé alleen het zuidwestelijke deel van de kolk verdwijnt. Het gaat om een verlies van ongeveer 0,3 ha. Het resterende deel van de kolk blijft intact en wordt onderdeel van het natuurgebied binnen het Reevediep, met een omvang van ruim 300 ha. De gronden van [appellant sub 2] maken volgens de staatssecretaris geen deel uit van een Natura 2000-gebied, zodat in zoverre de Nbw 1998 niet aan de orde is. Wel is ten behoeve van het projectplan een Ffw-ontheffing verleend, vanwege de gevolgen van de hoogwatergeul voor het leefgebied van een aantal beschermde diersoorten. [appellant sub 2] heeft deze ontheffing niet inhoudelijk bestreden, aldus de staatssecretaris. 7.
  15. Ingevolge artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren. Ingevolge artikel 75, derde lid, kan de minister ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens artikel
  16. 7.
  17. De gronden van [appellant sub 2] hebben niet de status van een Natura 2000-gebied. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 2] aldus dat de staatssecretaris naar zijn oordeel ten onrechte de Ffw-ontheffing heeft verleend, omdat het projectplan leidt tot sterfte en/of tot de aantasting van de ter plaatse aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen van de door [appellant sub 2] genoemde diersoorten. De Afdeling stelt vast dat de Ffw-ontheffing is verleend vanwege de gevolgen van het projectplan voor de vaste rust- en verblijfplaatsen van een aantal beschermde diersoorten. Uit de Ffw-ontheffing volgt dat het projectplan kan leiden tot overstroming van het leefgebied van de waterspitsmuis. In de voorschriften 8 tot en met 12 bij de Ffw-ontheffing is vastgelegd dat nieuw leefgebied van de waterspitsmuis gereed en in gebruik dient te zijn, alvorens handelingen worden verricht die kunnen leiden tot aantasting van het bestaande leefgebied binnen het natuurgebied De Enk. Met deze voorschriften wordt beoogd te voorkomen dat het projectplan afbreuk doet aan een gunstige staat van instandhouding van de waterspitsmuis. [appellant sub 2] heeft niet gesteld dat de voorgeschreven maatregelen niet effectief zouden zijn. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris de Ffw-ontheffing ten behoeve van de waterspitsmuis ten onrechte heeft verleend. 7.
  18. [appellant sub 2] heeft zijn betoog dat het projectplan ernstige gevolgen heeft voor de overige door hem genoemde diersoorten niet nader onderbouwd. Reeds hierom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat ten opzichte van de andere diersoorten - voor zover deze worden beschermd krachtens de Ffw - een overtreding van de verbodsbepalingen van de Ffw aan de orde is. Het betoog faalt.
  19. [ appellant sub 2] betoogt dat hij ernstig wordt benadeeld door het plan Kampen, nu zijn perceel F92 nodig is voor de realisatie van de hoogwatergeul en de beoogde natuurontwikkeling. De raad van Kampen heeft volgens [appellant sub 2] onvoldoende onderzocht of een aanpassing van het tracé van de hoogwatergeul mogelijk is, zodat hij zijn gronden kan behouden. In andere gevallen is het tracé aangepast naar aanleiding van de reacties van gebruikers en eigenaren van gronden. [appellant sub 2] betoogt verder dat het perceel F92 onder meer wordt gebruikt voor natuurbeheer. De inspanningen die [appellant sub 2] in het kader van het natuurbeheer de afgelopen decennia heeft geleverd dienen te worden gecompenseerd. 8.
  20. Een wijziging van het tracé is volgens de raad van Kampen geen reële mogelijkheid omdat dit leidt tot een verlies van ongeveer 3,5 ha van het natuurgebied De Enk. Het vastgestelde tracé leidt slechts tot een verlies van ongeveer 0,3 ha. De raad van Kampen stelt verder dat voor de realisatie van het project de Staat eigenaar dient te worden van de gronden van [appellant sub 2]. Thans wordt onderhandeld over de mogelijkheid van een grondruil. In geval geen minnelijke overeenstemming wordt bereikt zal [appellant sub 2] worden onteigend. Met het oog hierop is de bestuursrechtelijke onteigeningsprocedure reeds in gang gezet. Bij een eventuele onteigening heeft [appellant sub 2] recht op volledige schadeloosstelling, aldus de raad van Kampen. 8.
  21. Over de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met de gevallen waarin het tracé van de hoogwatergeul is aangepast op verzoek van eigenaren en gebruikers van gronden in het projectplangebied wordt overwogen dat de raad van Kampen zich op het standpunt heeft gesteld dat deze gevallen niet vergelijkbaar zijn met het aan de orde zijnde geval omdat in andere gevallen geen zwaarwegende ruimtelijke bezwaren bestonden tegen de gewenste aanpassing van het tracé. Verder is van belang dat deze verzoeken om aanpassing zijn gedaan in 2006 en 2007, in het kader van de inspraakfase van het project. In die fase waren de mogelijkheden het traject aan te passen ruimer dan thans het geval is. Een eventuele aanpassing van het tracé van de hoogwatergeul ter plaatse van het perceel van [appellant sub 2] vereist verdere aanpassingen aan het tracé en/of andere onderdelen van het project, hetgeen in een laat stadium van de procedure onevenredig bezwarend is. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad van Kampen zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 2] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt. 8.
  22. De Afdeling is van oordeel dat de raad van Kampen in redelijkheid het belang van de realisatie van de hoogwatergeul en de ontwikkeling van nieuwe natuur zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van [appellant sub 2] bij behoud van zijn perceel. Wat betreft de financiële compensatie voor het verlies van de gronden overweegt de Afdeling dat, indien geen overeenstemming wordt bereikt over een grondruil of de verkoop van de gronden, [appellant sub 2] in het kader van de onteigeningsprocedure schadeloos gesteld zal worden. De aard en omvang van de schadeloosstelling dienen zo nodig in de onteigeningsprocedure aan de orde te komen. Het betoog faalt.
  23. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 3]
  24. [ appellant sub 3] heeft zijn beroepsgrond dat de beoogde dijkverlegging in de nabijheid van zijn perceel [locatie 2] tot gevolg heeft dat zijn gronden versneld zullen eroderen, ingetrokken. Ontvankelijkheid
  25. [ appellant sub 3] betoogt dat in het plan Kampen ten onrechte is voorzien in een wijzigingsbevoegdheid voor de gronden ten noordwesten van zijn perceel [locatie 2]. Met toepassing van deze bevoegdheid kan de bestemming ter plaatse worden gewijzigd, waarbij een maximale bouwhoogte voor gebouwen van 15 m mogelijk is. Een dergelijke bouwhoogte tast het landelijke karakter van de omgeving aan, aldus [appellant sub 3]. 11.
  26. Aan de gronden ten noordwesten van het perceel van [appellant sub 3] is in het plan Kampen de bestemming "Verkeer" toegekend, met de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 2". Ingevolge artikel 14, lid 14.5.2, van de planregels, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen door de bestemming "Verkeer" ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 2" om te zetten naar de bestemming "Gemengd", met inachtneming van de volgende voorwaarden: […]. c.de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 15 m; […]. 11.
  27. De afstand van het perceel van [appellant sub 3] tot de gronden met de bestemming "Verkeer", met de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 2", bedraagt ongeveer 420 m. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling die door de bestreden aanduiding mogelijk wordt gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden planonderdeel betrokken belang te kunnen aannemen. [appellant sub 3] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het bestreden planonderdeel zou worden geraakt. De conclusie is dat [appellant sub 3] geen belanghebbende is bij het bestreden planonderdeel als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het beroep van [appellant sub 3] is niet-ontvankelijk. De beroepen van de Maatschap, de Stichting, de Vereniging en [appellant sub 7] en anderen Het dorp Reeve, de jachthaven en de klimaatdijk
  28. De Maatschap, de Stichting, de Vereniging en [appellant sub 7] en anderen betogen dat niet is aangetoond dat een actuele regionale behoefte bestaat aan de 1.300 woningen in het dorp Reeve. De Stichting voert hiertoe aan dat aan het woningbouwprogramma van de gemeente Kampen tot 2013 de Primos bevolkingsprognose van het bureau AFB ten grondslag lag. Dit prognosemodel ligt ten grondslag aan het plan Kampen. De Primos-prognose gaat uit van een groei van het aantal inwoners van Kampen tot 60.000 in
  29. Volgens de Stichting en de Vereniging is dit aantal niet realistisch. Vanaf 2013 hanteert de gemeente Kampen het zogeheten Pearl-model van het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS). Volgens de prognose van het CBS bedraagt in 2030 het aantal inwoners van de gemeente Kampen 52.
  30. De bestaande plancapaciteit, het dorp Reeve niet meegerekend, bedraagt meer dan 2.000 woningen. Dit aantal is reeds voldoende om te voorzien in de regionale behoefte aan woningen. Volgens de Stichting blijkt uit een recente uitspraak van een wethouder dat thans geen behoefte bestaat aan de in totaal 3.300 woningen die op grond van reeds vastgestelde bestemmingsplannen, waaronder het plan Kampen, gerealiseerd zullen worden. Bij het vaststellen van het plan Kampen is ten onrechte geen rekening gehouden met de reeds bestaande plancapaciteit. De Stichting en de Vereniging betogen verder dat ook in kwalitatief opzicht geen behoefte bestaat aan de woningen in het dorp Reeve. Vanwege onder meer de vergrijzing en de groei van het aantal één- en tweepersoonshuishoudens bestaat geen behoefte aan de betrekkelijk omvangrijke woningen in het hogere prijssegment, waarin het plan Kampen voorziet. Uit prognoses van het CBS volgt dat in de regio alleen het aantal ouderen (65-plussers) toeneemt. Het aantal inwoners jonger dan 65 jaar blijft gelijk of neemt af. Voor zover een actuele regionale behoefte bestaat aan de voorziene woningen, dan bestaan daarvoor meer geschikte locaties dan het buitengebied van Kampen, aldus de Stichting en de Vereniging. De Vereniging betoogt tevens dat evenmin behoefte bestaat aan de voorziene 1.100 ligplaatsen voor (plezier)vaartuigen in het dorp Reeve. 12.
  31. De raad van Kampen stelt dat de zogeheten Pearl-prognose van het CBS alleen betrekking heeft op de autonome bevolkingsgroei van een gemeente. De Primos-prognose houdt daarnaast tevens rekening met externe ontwikkelingen, zoals de bovenregionale vraag naar woningen. De ambitie om te groeien tot het aantal van 60.000 inwoners in 2030 en om binnen deze periode 6.000 woningen toe te voegen aan de woningvoorraad is gesteld in de "Structuurvisie Kampen 2030" (hierna: Structuurvisie), vastgesteld door de raad op 28 mei
  32. Voor de berekening van de woningbehoefte is gebruik gemaakt van de Primos-prognose uit 2005, in 2006 bewerkt door het bureau Companen. Volgens de raad gaan de Pearl-prognose en de latere Primos-prognoses uit van een lagere omvang van de bevolking in 2030, dan waarvan uit is gegaan bij het vaststellen van het plan Kampen. Dit laat onverlet dat de Primos-prognose uit 2013 en de Pearl-prognose uit 2013 elkaar nauwelijks ontwijken wat betreft de groei van het aantal huishoudens. Beide prognoses gaan uit van een groei van het aantal huishoudens van nog geen 21.000 in 2015 tot ongeveer 23.500 in
  33. De bestaande plancapaciteit van Kampen, het dorp Reeve niet meegerekend, bedraagt ongeveer 3.300 woningen. Dit aantal is nodig voor de opvang van de eigen bevolkingsgroei. Van de voorziene 1.300 woningen op de locatie Reeve worden 1.100 woningen gebouwd voor de (boven)regionale vraag. Volgens de raad van Kampen is de (boven)regionale behoefte aan de woningen in het dorp Reeve inzichtelijk gemaakt in het rapport "Potentieonderzoek Reeve" uit 2013 (hierna: rapport Potentieonderzoek). In de plantoelichting wordt hiernaar verwezen. 12.
  34. Aan de gronden in het centrale deel van het plangebied van het plan Kampen, direct ten noorden van de hoogwatergeul, is de bestemming "Woongebied" toegekend. Binnen dit gebied worden door middel van aanduidingen drie deelgebieden onderscheiden. De toegekende aanduidingen zijn: "gebied1 - Haven", "gebied2 - Kreek" en "gebied3 - Dijk". Ingevolge artikel 19, lid 19.1.1, van de planregels zijn de als "Woongebied" aangewezen gronden bestemd voor: a. wonen […]; […]; j. botenhuizen ten behoeve van op aangrenzende gronden gelegen woningen; […]; met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven, terreinen, wegen, paden, parkeervoorzieningen, sanitaire voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van het onderhoud en beheer, aanlegplaatsen, ligplaatsen, bruggen, duikers, kaden en groenvoorzieningen. Ingevolge lid 19.3.1, bedraagt het aantal woningen binnen de bestemmingen "Woongebied" maximaal 1.300, waarvan maximaal 208 gestapelde woningen, met dien verstande dat: a. ter plaatse van de aanduiding "gebied1 - Haven" het aantal woningen maximaal 700 bedraagt, waarvan maximaal 125 gestapelde woningen; b. ter plaatse van de aanduiding "gebied2 - Kreek" het aantal woningen maximaal 435 bedraagt, waarbij geldt dat gestapelde woningen niet zijn toegestaan; c. ter plaatse van de aanduiding "gebied3 - Dijk" het aantal woningen maximaal 250 bedraagt, waarvan maximaal 125 gestapelde woningen. 12.
  35. Aan de gronden direct ten westen van de gronden met de bestemming "Woongebied" is de bestemming "Recreatie - 2" toegekend. Aan de gronden direct ten zuiden hiervan is de bestemming "Water" toegekend, met de aanduidingen "jachthaven" en "maximum aantal ligplaatsen: 250". Op deze gronden voorziet het plan Kampen in een jachthaven ten behoeve van het dorp Reeve. Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de planregels zijn de voor "Recreatie - 2" aangewezen gronden bestemd voor: a. watersportactiviteiten; b. een jachthaven; c. horeca tot en met categorie 2; met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven, terreinen, wegen, paden, parkeervoorzieningen, sanitaire voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van het onderhoud en beheer, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen. Ingevolge artikel 16, lid 16.1, onder k, zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor een jachthaven ter plaatse van de aanduiding "jachthaven" met bijbehorende ligplaatsen. Ingevolge lid 16.3 mag, voor zover de aanduiding "maximum aantal ligplaatsen" is opgenomen, het aantal ligplaatsen niet meer bedragen dan ter plaatse is aangegeven. 12.
  36. [appellant sub 7] en anderen zijn bewoners van de percelen [locatie 3], [locatie 4], [locatie 5] en [locatie 6], direct ten westen van de Roggebotsluis in Dronten. De beroepsgrond van [appellant sub 7] en anderen dat de raad de actuele regionale behoefte aan de voorziene woningen in het dorp Reeve niet inzichtelijk heeft gemaakt is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Woongebied" voor het gebied waarop het dorp Reeve is geprojecteerd. De afstand van de percelen van [appellant sub 7] en anderen tot dit gebied bedraagt ongeveer 2,2 km. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden planonderdeel betrokken belang te kunnen aannemen. [appellant sub 7] en anderen hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. De conclusie is dat [appellant sub 7] en anderen in zoverre geen belanghebbende zijn bij het bestreden planonderdeel als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep van [appellant sub 7] en anderen tegen het plandeel met de bestemming "Woongebied" voor het gebied waarop het dorp Reeve is geprojecteerd, is niet-ontvankelijk. 12.
  37. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden: a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. 12.
  38. In paragraaf 4.6.1 van de toelichting van het plan Kampen staat dat in het dorp Reeve maximaal 1.300 woningen worden gebouwd. Hiervan zijn 1.100 woningen bedoeld voor de (boven)regionale woningmarkt in een hoogwaardig watermilieu en 200 woningen voor de woningbehoefte van Kampen zelf. Samen met de andere woningbouwlocaties in Kampen bedraagt de totale nieuwbouwcapaciteit in Kampen tot 2030, ruim 4452 woningen. Dit komt neer op een plancapaciteit van meer dan 230 woningen per jaar. Er is een herijking gaande, waarbij gekozen is voor het Pearl-model. Uitgaande van dit model zijn 180 woningen per jaar nodig om te voorzien in de behoefte. Naast de behoefte die gebaseerd is op de gemeentelijke plancapaciteit, is in 2013 een behoefteonderzoek uitgevoerd naar de potentie van het woningbouwprogramma in het dorp Reeve. Om de woningbehoefte te kunnen bepalen is binnen de regio bekeken in hoeverre men bereid is te verhuizen binnen een termijn van vijf jaar en een termijn van tien jaar alsmede in hoeverre er interesse bestaat in een koopwoning, vrije sector huurwoning of kavel in het dorp Reeve. Uit het onderzoek blijkt dat voldoende behoefte bestaat aan het aantal en type in Reeve geplande woningen en appartementen, aldus de toelichting van het plan Kampen. 12.
  39. De Afdeling is van oordeel dat uit de toelichting van het plan Kampen niet valt af te leiden dat de woningen in het dorp Reeve voorzien in een actuele regionale behoefte. De toelichting bevat geen gegevens over de ontwikkeling van de (boven)regionale behoefte aan woningen binnen de planperiode. De verwijzing naar de Structuurvisie, waarin staat dat Kampen de ambitie heeft om in de periode tot 2030 de gemeentelijke woningvoorraad uit te breiden met 6.000 woningen, toont evenmin aan dat de woningen in het dorp Reeve voorzien in een actuele regionale behoefte. De conclusie dat de ruimtelijke reservering ten behoeve van de voorziene stedelijke ontwikkeling verantwoord is, kan alleen worden getrokken aan de hand van objectieve gegevens over de ontwikkeling van de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling. De behoefte dient te worden afgewogen tegen het bestaande aanbod. In dit verband is van belang dat in paragraaf 2.4.10 van de plantoelichting staat dat in september 2012 gestart is met de herijking van het woningbouwprogramma. Besloten is om gebruik te maken van de Pearl-prognose. Deze prognose gaat uit van een toename van het aantal huishoudens met 3.074 tussen 2013 en
  40. De voorheen gehanteerde Primos-prognose gaat uit van een toename van 3.580 huishoudens. De beschikbare plancapaciteit voor Kampen, met inbegrip van de woningen voor de (boven)regionale vraag die met het plan Kampen mogelijk worden gemaakt, bedraagt 4.452 woningen in
  41. Deze gegevens uit de toelichting van het plan Kampen zijn naar het oordeel van de Afdeling niet verenigbaar met de stelling van de raad van Kampen dat behoefte bestaat aan 6.000 nieuwe woningen tot 2030, waarvan 1.100 woningen voor de (boven) regionale behoefte. Desverzocht was de raad van Kampen ter zitting niet in staat inzichtelijk te maken hoe de beleidsambitie van de gemeente zich verhoudt tot de in de toelichting gepresenteerde cijfers. De Afdeling is verder van oordeel dat in het rapport Potentieonderzoek evenmin inzichtelijk wordt gemaakt dat een (boven)regionale behoefte bestaat aan de voorziene woningen. Het rapport Potentieonderzoek berust op een verrichte internetenquête. Aan de hand van de resultaten van de enquête zijn conclusies getrokken over de "regionale aantrekkelijkheid" van het dorp Reeve. Geconcludeerd wordt dat binnen 5 jaar ruim 5.000 huishoudens uit de regio bereid zijn te verhuizen naar het dorp Reeve. De actuele regionale behoefte kan niet enkel op basis van dergelijk onderzoek inzichtelijk worden gemaakt. Het rapport Potentieonderzoek bevat geen objectieve - cijfermatige - gegevens over regionale demografische ontwikkelingen en de ontwikkeling van de regionale woningvoorraad. Voor zover de raad voor het inzichtelijk maken van de actuele regionale behoefte aan de voorziene woningen een beroep doet op de brief van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 28 maart 2013, waarin de "regionale woningbouwopgave" is bevestigd, overweegt de Afdeling als volgt. Uit deze brief volgt dat de afspraken over de regionale woningbouwopgave gemaakt zijn in 2000 en bevestigd zijn in
  42. Daargelaten de vraag of de gemaakte afspraken als actueel kunnen worden aangemerkt, wordt in deze brief niet inzichtelijk gemaakt op grond van welke gegevens over de ontwikkeling van de regionale woningbehoefte de afspraken zijn gemaakt. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de raad van Kampen de actuele regionale behoefte aan de 1.300 woningen in het dorp Reeve niet inzichtelijk heeft gemaakt. Het plan Kampen is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. De betogen slagen. 12.
  43. In de plantoelichting staat dat de jachthaven aan de buitendijkse zijde, in het Reevediep, aangelegd wordt voor een deel van de bewoners van het dorp Reeve. Gelet op deze samenhang tussen de woningen en de jachthaven direct ten westen van het dorp Reeve, is de Afdeling van oordeel dat de behoefte aan de jachthaven en de bijbehorende ligplaatsen voor (plezier)vaartuigen evenmin inzichtelijk is gemaakt. Het betoog van de Vereniging slaagt.
  44. De Stichting betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in een zogeheten klimaatdijk in het zuiden en het westen van het dorp Reeve. Zij voert hiertoe aan dat pas in 2016 besloten zal worden of de woonwijk daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Het is de bedoeling dat de klimaatdijk reeds daarvoor is aangelegd. In het geval de ontwikkeling van het dorp Reeve niet doorgaat zal de 150 m brede klimaatdijk zonder noodzaak zijn aangelegd. Dit leidt tot een onnodige aantasting van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden. Ook leidt de klimaatdijk tot verstoring van de ter plaatse foeragerende weidevogels. Voor de veiligheid ter plaatse volstaat een traditionele dijk, die minder breed is dan de klimaatdijk, aldus de Stichting. 13.
  45. De raad van Kampen stelt dat de gevolgen van de voorziene klimaatdijk voor het cultuurlandschap niet ernstiger zijn dan de gevolgen van een traditionele dijk. Ook wat betreft de gevolgen voor weidevogels bestaan geen noemenswaardige verschillen tussen de twee typen dijken, aldus de raad van Kampen. 13.
  46. Aan het zuidelijke deel van de gronden met de bestemming "Woongebied" is tevens de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" toegekend. Op deze gronden is de klimaatdijk voorzien. Ingevolge artikel 25, lid 25.1, van de planregels zijn de voor "Waterstaat - Waterkering" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. waterkeringen, alsmede de aanleg, het onderhoud en de verbetering van waterkeringen; b. voet- en fietspaden; c. onderhoudspaden en kwelsloten. 13.
  47. Niet in geschil is dat een dijk langs de hoogwatergeul noodzakelijk is met het oog op de waterveiligheid in het algemeen, en dat in zoverre de klimaatdijk niet enkel dient ter bescherming van het dorp Reeve. Uit het alternatievenonderzoek, dat verricht is in het kader van de milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.), volgt dat de gevolgen van een klimaatdijk voor de cultuurhistorische waarden niet verschillen van de gevolgen van een traditionele dijk. Uit tabel 3.1, bezien in samenhang met de tabel in hoofdstuk 10, paragraaf 10.3.1, bij het rapport "IJsseldelta-Zuid, Besluit-Milieueffectrapportage" van november 2009 (hierna: rapport Besluit-Mer) volgt dat alle onderzochte alternatieven leiden tot een negatief tot een sterk negatief effect op het cultuurlandschap. Alternatief 4.5 gaat uit van een traditionele dijk, waarbij het dorp Reeve geheel binnendijks wordt gerealiseerd. In het rapport Besluit-Mer wordt geconcludeerd dat de cultuurhistorisch waardevolle grootschalige strokenverkaveling in alle alternatieven in grote mate verloren gaat door de realisatie van dijken, woningen en de hoogwatergeul. De Stichting heeft deze conclusie niet bestreden. De Stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat de klimaatdijk leidt tot aanmerkelijk meer ernstige gevolgen voor weidevogels dan een traditionele dijk. De enkele omstandigheid dat een klimaatdijk breder en hoger is dan een traditionele dijk is daartoe onvoldoende. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene klimaatdijk niet leidt tot een grotere aantasting van het cultuurlandschap en het foerageergebied van weidevogels dan een traditionele dijk. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid kunnen voorzien in een klimaatdijk ten zuiden en ten westen van het dorp Reeve, ook indien het dorp Reeve niet of gewijzigd wordt gerealiseerd. Het betoog faalt. Het beroep van de Maatschap voor het overige
  48. Ter zitting heeft de Maatschap haar beroepsgronden tegen de aanleg van een tijdelijk gronddepot en een rietmoeras, in de nabijheid van haar agrarische gronden, ingetrokken.
  49. De Maatschap betoogt dat de raad van Kampen niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de voorziene dijk ten westen van de Buitendijksweg en de uitbreiding van het recreatiegebied Roggebot noodzakelijk zijn, gelet ook op het belang van de Maatschap bij een ongestoorde voortzetting van haar agrarische activiteiten. De Maatschap exploiteert een melkveehouderij, Haar totale bedrijfsareaal bedraagt ongeveer 39 ha. Voor de realisatie van de dijk en de uitbreiding van het recreatiegebied Roggebot wordt ongeveer 19 ha van de door de Maatschap gepachte gronden onttrokken aan de agrarische bedrijfsvoering. Volgens de Maatschap is een dijk ter plaatse niet noodzakelijk voor de waterveiligheid. Ook is het mogelijk het tracé van de dijk enigszins aan te passen, waardoor de Maatschap een deel van haar gronden kan behouden. De Maatschap betoogt verder dat de door haar geleden vermogensschade niet voldoende wordt gecompenseerd. Gelet op de gevolgen van het projectplan dienen verweerders een volledige bedrijfsverplaatsing van de Maatschap te faciliteren. 15.
  50. De raad van Kampen stelt dat voor de aanleg van een dijk ongeveer 2,7 ha grond van de Maatschap nodig is. Een ander tracé voor de dijk is vanuit landschappelijk oogpunt ongewenst. Bovendien heeft de door de Maatschap voorgestane verschuiving van de dijk in westelijke richting tot gevolg dat de beoogde uitbreiding van het recreatiegebied Roggebot geen (volledige) doorgang kan vinden. Aan de Maatschap is een aanbod tot grondruil gedaan in combinatie met een aanvullende financiële compensatie vanwege de mindere kwaliteit van de aangeboden ruilgronden. De kosten van een volledige bedrijfsverplaatsing bedragen ongeveer € 1 miljoen, terwijl de noodzaak daarvoor ontbreekt, aldus de raad van Kampen. 15.
  51. In artikel 7:377, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), is bepaald dat, indien de verpachter het verpachte of een gedeelte daarvan wil bestemmen voor niet tot de landbouw betrekkelijke doeleinden, en die bestemming in overeenstemming is met het algemeen belang, de rechter op vordering van de verpachter de pachtovereenkomst geheel of ten dele ontbindt met ingang van een bij de uitspraak te bepalen dag. De voorgenomen bestemming wordt geacht in overeenstemming met het algemeen belang te zijn, indien zij in overeenstemming is met een onherroepelijk bestemmingsplan. Ingevolge het derde lid geldt dat indien de rechter de pachtovereenkomst op grond van het eerste lid ontbindt, hij de verpachter veroordeelt de pachter schadeloos te stellen over de tijd, welke de pachter bij niet-ontbinding ingevolge de pachtovereenkomst nog op het gepachte had kunnen blijven. 15.
  52. In de plantoelichting staat dat de versterking van de recreatieve structuur een belangrijke doelstelling is van het plan Kampen. Voor de uitvoering van het Reevediep wordt de Roggebotsluis in de tweede fase gesloopt en vervangen door een nieuwe brug met een doorvaarhoogte van 7 m en een doorstroomopening met een breedte van 100 m. Daarmee komt het huidige recreatiegebied Roggebot in open verbinding met het Vossemeer/Ketelmeer en in de invloedssfeer van noordwesterwinden te liggen. Het gevolg is dat het bestaande recreatiegebied opgehoogd of beschermd moet worden, ter behoud van de huidige overstromingssituatie van het huidige buitendijks gelegen recreatiegebied. Voor dit gebied geldt geen formele waterveiligheidsnorm wegens de buitendijkse ligging. In fase 1 van de aanleg van het Reevediep wordt de nieuwe dijk langs de hoogwatergeul veel oostelijker aangelegd dan de huidige C-kering die over de huidige camping loopt. De buitendijks gelegen grond tussen deze nieuwe dijk en het huidige recreatiegebied Roggebot ligt in het Reevediep. Vanuit de integrale gebiedsontwikkeling IJsseldelta-Zuid bestaat de wens de recreatiemogelijkheden rondom Kampen te versterken. Op dit extra buitendijks gelegen gebied is de bestemming "Recreatie" gelegd. In totaal is de omvang van het recreatiegebied verdubbeld en de mogelijkheid wordt geboden het aantal ligplaatsen voor de jachthaven uit te breiden met 125, aldus de toelichting van het plan Kampen. In de reactienota "Gebiedsontwikkeling IJsseldelta-Zuid" van december 2013, wordt in reactie op de zienswijze van de Maatschap gesteld dat de aanleg van de dijk ten westen van de Buitendijksweg nodig is om het vastgestelde overstromingsrisico voor Kampen (1/2000 per jaar) te borgen. De huidige 1,60 m hoge strandwal, die om de camping Roggebot loopt, is daarvoor ontoereikend. 15.
  53. Uit de toelichting van het plan Kampen volgt weliswaar dat voor het buitendijkse gebied geen formele waterveiligheidsnorm geldt, maar de dijk is volgens de reactienota "Gebiedsontwikkeling IJsseldelta-Zuid" van december 2013 nodig om het vastgestelde overstromingsrisico voor Kampen te borgen. De huidige 1,6 m hoge strandwal, die om de camping Roggebot loopt, is daartoe onvoldoende. In hetgeen de Maatschap heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de dijk ten westen van de Buitendijksweg nodig is voor het borgen van de waterveiligheid. Het betoog faalt. 15.
  54. De Maatschap heeft niet nader onderbouwd waarom de exploitatie van het recreatieterrein Roggebot leidt tot beperkingen van haar agrarische bedrijfsvoering. Wat betreft het betoog van de Maatschap dat de aan haar aangeboden compensatiemaatregelen niet toereikend zijn, overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat de gemeente Kampen eigenaar is van de door de Maatschap gepachte gronden. Het staat vast dat aan de Maatschap alternatieve gronden zijn aangeboden, in de directe nabijheid van haar huiskavel, in samenhang met een aanvullende financiële compensatie vanwege de lagere kwaliteit van deze gronden. Als partijen geen overeenstemming bereiken over de afkoop van het pachtrecht, voorziet de wet in artikel 7:377 van het BW in de mogelijkheid de pachtovereenkomst zonder medewerking van de pachter te beëindigen. De aard en omvang van de financiële compensatie komt aan de orde in het kader van de eventuele procedure ter beëindiging van de pachtovereenkomst. Voor zover nodig bestaat derhalve voor de Maatschap in dat kader de mogelijkheid haar aanspraken, voor zover rechtens aanwezig, geldend te maken. 15.
  55. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de Afdeling van oordeel is dat de raad van Kampen in redelijkheid het belang bij de realisatie van de dijk en de uitbreiding van het recreatiegebied Roggebot zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van de Maatschap bij een ongestoorde voortzetting van haar agrarische bedrijfsvoering. Het betoog faalt.
  56. De Maatschap betoogt dat het gebruik van de Buitendijksweg als sluiproute van en naar het dorp Reeve leidt tot problemen met de verkeersafwikkeling en tot ernstige geluidhinder ter plaatse van haar perceel. De geluidhinder leidt tot een verminderde melkafgifte van haar vee, aldus de Maatschap. 16.
  57. Volgens de raad van Kampen volgt uit het verrichte verkeersonderzoek dat het project niet zal leiden tot een overbelasting van de Buitendijksweg. Uit akoestisch onderzoek volgt dat de geluidbelasting op de gevel van de woning van de Maatschap ruimschoots beneden de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) blijft. 16.
  58. De resultaten van het onderzoek naar de gevolgen van de ontwikkeling van het dorp Reeve voor de verkeersafwikkeling zijn vastgelegd in het rapport "Verkeerskundige analyse ontsluiting Het Reeve" van Goudappel Coffeng van 15 juli
  59. Hierin staat dat de Buitendijksweg in de bestaande situatie enkel dient ter ontsluiting van een aantal woningen. Na realisatie van het dorp Reeve neemt de verkeersintensiteit op deze weg toe met maximaal 50 motorvoertuigen per etmaal. Deze intensiteit is gering en leidt niet tot problemen met de verkeersafwikkeling. In hetgeen de Maatschap heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad van Kampen zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het projectplan niet zal leiden tot ernstige problemen met de verkeersafwikkeling op de Buitendijksweg. Het betoog faalt. 16.
  60. De raad van Kampen heeft onderzoek laten verrichten naar de gevolgen van de gewijzigde verkeerstromen vanwege de ontwikkeling van het dorp Reeve voor de geluidbelasting langs wegen binnen het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport "Geluideffecten naar aanleiding van gewijzigde uitgangspunten bestemmingsplan IJsseldelta-Zuid" van Goudappel Coffeng van 7 oktober
  61. Hierin zijn onder meer de gevolgen van het project voor de geluidbelasting bij woningen aan de Buitendijksweg inzichtelijk gemaakt. De geluidbelasting aan de gevel van de woning van de Maatschap bedraagt 34 dB. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad van Kampen zich terecht op het standpunt gesteld dat ter plaatse van de woning van de Maatschap de ingevolge de Wgh geldende voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. De Maatschap heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij een geluidbelasting van 34 dB gevreesd dient te worden voor ernstige gevolgen voor de melkafgifte van het vee. Het betoog faalt.
  62. De Maatschap betoogt dat het plan Kampen leidt tot afname van landbouwareaal dat als foerageergebied voor zwanen en ganzen dient. Als gevolg hiervan zullen deze vogels foerageren op de gronden van de Maatschap. De schade die daardoor wordt veroorzaakt wordt ten onrechte niet gecompenseerd. 17.
  63. Volgens de raad leidt het plan Kampen tot een gering verlies van foerageergebied van zwanen en ganzen. Er blijft voldoende foerageergebied over. De gronden van de Maatschap zullen in zoverre niet wezenlijk anders worden belast dan in de bestaande situatie. Bovendien is in het kader van het project de schaderegeling "Beleidsregel schadevergoeding Ruimte voor de Rivier" vastgesteld. Onder omstandigheden bestaat recht op een tegemoetkoming of de vergoeding van schade, aldus de raad van Kampen. 17.
  64. De Afdeling is van oordeel dat de Maatschap niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ernstige schade zal lijden vanwege een afname van foerageergebied van zwanen en ganzen. Bij dit oordeel is van belang dat de raad van Kampen onweersproken heeft gesteld dat vanwege het plan Kampen weliswaar 500 ha bestaande landbouwgrond verloren gaat, maar dat het totaal beschikbare areaal potentieel foerageergebied ongeveer 20.000 ha bedraagt. De raad van Kampen heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat kan worden verwacht dat de vogels zich binnen het beschikbare areaal zullen verspreiden, zodat de gronden van de Maatschap in zoverre niet ernstig zullen worden getroffen. Het betoog faalt.
  65. De Maatschap betoogt dat het plan Kampen leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De passende beoordeling, die ten grondslag is gelegd aan het plan Kampen, is niet deugdelijk nu daarin geen rekening wordt gehouden met de belangen van de Maatschap. 18.
  66. De Maatschap heeft haar betoog niet nader onderbouwd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan Kampen zal leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden in de nabijheid van haar gronden. De omstandigheid dat in de passende beoordeling geen rekening is gehouden met de belangen van de Maatschap doet geen afbreuk aan de deugdelijkheid daarvan, omdat in een passende beoordeling uitsluitend de gevolgen worden getoetst van een project voor de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden. Het betoog faalt. 18.
  67. Bij het hiervoor gegeven oordeel laat de Afdeling in het midden of het betoog van de Maatschap dat de passende beoordeling ondeugdelijk is had kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, gelet op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb.
  68. Wat betreft het betoog van de Maatschap dat zij beperkt zal worden in haar bedrijfsvoering vanwege de uitbreiding van het Natura 2000-gebied "Veluwerandmeren", overweegt de Afdeling als volgt. Het plan Kampen voorziet in de bestemming "Natuur" voor een deel van de gronden direct ten zuiden van het recreatiegebied Roggebot. Ten behoeve van de aanwijzing van deze gronden als Natura 2000-gebied heeft de staatssecretaris op 28 mei 2013 een ontwerpbesluit ter inzage gelegd, strekkende tot wijziging van het besluit van 16 februari 2010 waarmee het gebied Veluwerandmeren is aangewezen als Natura 2000-gebied. Voor zover de Maatschap vreest voor de gevolgen van de uitbreiding van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren voor haar bedrijfsvoering dient zij in de desbetreffende procedure in rechte op te komen. Het projectplan zelf laat de begrenzing van het Natura 2000-gebied "Veluwerandmeren" ongemoeid. Het betoog faalt.
  69. Wat betreft het betoog van de Maatschap dat de ontwikkeling van nieuwe natuur binnen het projectplangebied leidt tot een ernstige toename van dierziekten, overweegt de Afdeling dat de bestrijding van besmettelijke dierziekten haar regeling primair in andere wetgeving vindt. De Maatschap heeft niet nader gemotiveerd waarom de ontwikkeling van nieuwe natuur onaanvaardbare besmettingsrisico’s tot gevolg heeft. Een enkele verwijzing naar het rapport "Verkenning van de steekmuggen- en knuttenproblematiek bij klimaatverandering en vernatting" van Alterra Wageningen UR van 2009 is daartoe niet voldoende. Het betoog faalt.
  70. De Maatschap betoogt dat het plan Kampen leidt tot een ernstige aantasting van het agrarisch klimaat van het gebied. Zij voert hiertoe aan dat het plan Kampen voorziet in de uitbreiding van de natuur- en recreatiefunctie in een gebied dat overwegend in gebruik is voor agrarische doeleinden. De Maatschap voert verder aan dat de ontwikkeling van nieuwe natuur ten westen van haar gronden leidt tot verspreiding van onkruid. Volgens haar is regulier onderhoud onvoldoende voor het tegengaan van de verspreiding van onkruid. Verder vreest de Maatschap voor ernstige overlast door ongedierte, vanwege de gevolgen van het project voor vogelsoorten die zich primair met ongedierte voeden. 21.
  71. De raad van Kampen stelt dat de omstandigheid dat in het plangebied wordt voorzien in een uitbreiding van de natuur- en recreatiefunctie onverlet laat dat in de polder Dronten voldoende landbouwareaal beschikbaar blijft voor agrarische doeleinden. Het is niet waarschijnlijk dat het plan Kampen leidt tot ernstige overlast vanwege de verspreiding van onkruid en een toename van ongedierte. Mocht de Maatschap niettemin schade lijden, dan kan deze schade worden vergoed op grond van de vastgestelde schaderegeling, aldus de raad van Kampen. 21.
  72. De raad van Kampen heeft toegelicht dat het verschralingsbeheer van natuurgebieden gericht is op de ontwikkeling van doorwortelde graszoden op de dijken en dat onkruid, zoals distels, op deze gronden sporadisch voorkomt. De verspreiding van onkruid wordt volgens de raad van Kampen verder tegengegaan door de omstandigheid dat de natte ruigtes in natuurgebieden door dijken ruimtelijk gescheiden worden van de nabijgelegen landbouwgronden. In hetgeen de Maatschap heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad van Kampen zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan Kampen niet zal leiden tot ernstige overlast vanwege de verspreiding van onkruid. Het betoog faalt. 21.
  73. In de Ffw-ontheffing zijn voorschriften vastgelegd, waarmee wordt beoogd te voorkomen dat het projectplan afbreuk doet aan een gunstige staat van instandhouding van een aantal (roof)vogelsoorten. De Maatschap heeft de Ffw-ontheffing niet gemotiveerd bestreden. Zij heeft in het bijzonder niet gesteld dat de voorgestane maatregelen niet effectief zouden zijn. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het projectplan leidt tot een afname van beschermde vogelsoorten, meer in het bijzonder de buizerd, kerk-, rans- en steenuil. In hetgeen de Maatschap heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad van Kampen zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan Kampen niet leidt tot overlast door ongedierte. Het betoog faalt.
  74. De Maatschap betoogt dat het projectplan, wat betreft de voorziene hoogwatergeul, financieel niet uitvoerbaar is. Zij voert hiertoe aan dat de PKB in het verleden meermalen is gewijzigd. 22.
  75. In het niet nader onderbouwde betoog van de Maatschap ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet uitvoerbaar is. Hierbij is van belang dat de minister en de raad van Kampen onweersproken hebben gesteld dat de PKB in het verleden één maal is gewijzigd, vanwege de negatieve effecten op beschermde natuur en op de drinkwatervoorziening. De aanleg van de hoogwatergeul wordt gefinancierd door het Rijk en de provincie Overijssel. De minister en de raad van Kampen hebben toegelicht dat het benodigde budget reeds ter beschikking is gesteld of gereserveerd. Het betoog faalt. Het beroep van de Stichting voor het overige
  76. De Stichting betoogt dat de realisatie van de hoogwatergeul, anders dan wordt beoogd, zal leiden tot een groter overstromingsgevaar voor Kampen en omgeving. Volgens de Stichting heeft de realisatie van de hoogwatergeul tot gevolg dat bij een eventuele dijkdoorbraak Kampen sneller onder water loopt, hetgeen leidt tot meer schade en slachtoffers. De raad van Kampen heeft ten onrechte geen evacuatieplan opgesteld. De Stichting betoogt dat de hoogwatergeul leidt tot een verlaging van de grondwaterstand en tot overlast vanwege de gevolgen van kwelwater voor een deel van het plangebied van het plan Kampen. 23.
  77. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant. 23.
  78. Blijkens artikel 3 van de statuten van de Stichting heeft zij tot doel "het voorkomen dat op het grondgebied van de gemeente Kampen ten westen van de rijksweg N50 woningbouw, industrie en haventerreinen worden ontwikkeld teneinde dit gebied als natuur- en cultuurlandschap te behouden, en voorts al hetgeen met één en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords." 23.
  79. Het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb staat er aan in de weg dat een rechtspersoon, die in rechte opkomt voor een algemeen belang, zich met vrucht kan beroepen op de schending van rechtsnormen die kennelijk niet strekken tot de bescherming van de algemene belangen die zij krachtens haar statutaire doelstelling in het bijzonder behartigt. Dit betekent dat het betoog van de Stichting dat het plan Kampen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat de realisatie van de hoogwatergeul leidt tot een toename van het overstromingsrisico van de stad Kampen en omgeving en dat ten onrechte geen evacuatieplan is opgesteld, niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De met dit betoog ingeroepen norm strekt tot bescherming van de fysieke veiligheid van Kampen en omgeving. Dit betreft geen belang van het tegengaan van de ontwikkeling van woningbouw, industrie en haventerreinen ter bescherming van de natuur- en cultuurlandschappelijke waarden van Kampen. Gelet hierop ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking van dit betoog van de Stichting. Het betoog van de Stichting dat de hoogwatergeul leidt tot overlast vanwege de gevolgen van kwelwater voor een deel van het plangebied kan, gelet op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb, evenmin leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Dit betoog van de Stichting ziet naar het oordeel van de Afdeling evenmin op een algemeen belang dat de Stichting blijkens haar statutaire doelstelling in het bijzonder behartigt. Gelet hierop ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking van dit betoog.
  80. De Stichting betoogt dat geen behoefte bestaat aan de hoogwatergeul. Zij voert hiertoe aan dat tussen 2001 en 2006 in Kampen een stadswaterkering is gerealiseerd, waardoor de aanleg van de hoogwatergeul overbodig is. Ook kan de waterveiligheid van de polder Dronten worden geborgd door het plaatsen van pompen op de Afsluitdijk, aldus de Stichting. 24.
  81. De minister heeft toegelicht dat de hoogwatergeul niet enkel tot doel heeft de waterveiligheid van Kampen te garanderen. Met het projectplan, dat deel uitmaakt van een reeks van maatregelen, wordt een bijdrage geleverd aan het veiligheidsniveau van het gehele rivierengebied rond de Rijntakken. De minister heeft verder onweerspoken gesteld dat door het plaatsen van waterpompen op de Afsluitdijk water uit het IJsselmeer kan worden afgevoerd. Met deze maatregel kan de beoogde daling van de waterstand van de IJssel niet worden bereikt. De Afdeling is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat behoefte bestaat aan de hoogwatergeul. Het betoog faalt. 24.
  82. Bij het hiervoor gegeven oordeel laat de Afdeling in het midden of het betoog van de Stichting dat geen behoefte bestaat aan de hoogwatergeul had kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, gelet op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb. Het beroep van de Vereniging voor het overige Het beroep tegen het plan Kampen
  83. De Vereniging betoogt dat de voorziene hoogwatergeul het risico op overstroming van de polder Dronten vergroot. 25.
  84. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de statuten van de Vereniging omvat haar werkgebied "de IJsseldelta, genomen in de ruimste zin, en aanpalende gebieden als daar ontwikkelingen plaatsvinden die van invloed zijn op de IJsseldelta." In artikel 2.a. staat dat de Vereniging tot doel heeft "de bevordering van natuurstudie, natuurbescherming, natuurontwikkeling en natuurbeleving, alles in de meest ruime zin". 25.
  85. Met het betoog dat het plan Kampen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat de hoogwatergeul leidt tot een groter overstromingsgevaar, beoogt de Vereniging op te komen tegen de gevolgen van het bestreden besluit voor de fysieke veiligheid van Kampen en omgeving. Dit belang stemt niet overeen met het algemeen belang dat de Vereniging krachtens haar doelstellingen en blijkens haar feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigt. Dit betoog van de Stichting kan, gelet op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Gelet hierop ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking daarvan.
  86. De Vereniging betoogt dat het plan Kampen ten onrechte voorziet in bebouwing van de Zwartendijk. Het plan maakt onder meer een congrescentrum mogelijk tussen de N50 en de Zwartendijk. Dit leidt tot een ernstige aantasting van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke en archeologische waarden, aldus de Vereniging. 26.
  87. De raad van Kampen stelt dat het plan Kampen niet voorziet in ontwikkelingen binnen een zone van ongeveer 200 m aan weerszijden van de Zwartendijk, behoudens een geringe vergroting van de verharde oppervlakte van het perceel Slaper
  88. Het congrescentrum wordt niet gerealiseerd in de nabijheid van de Zwartendijk, maar op een afstand van ongeveer 400 m ten oosten daarvan, aldus de raad van Kampen. 26.
  89. Aan een deel van de gronden tussen de N50 en de Zwartendijk is in het plan kampen de bestemming "Gemengd - 2" toegekend. Aan de gronden direct ten westen hiervan is de bestemming "Natuur" toegekend. 26.
  90. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, onder e, van de planregels, zijn de voor "Gemengd - 2" aangewezen gronden bestemd voor een congrescentrum. Ingevolge artikel 10, lid
  91. 1, onder a, zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor het behoud, herstel en/of de ontwikkeling en versterking van de op deze gronden voorkomende en/of nieuwe landschappelijke, ecologische en natuurwaarden. 26.
  92. De Vereniging heeft haar betoog dat het plan Kampen voorziet in de bebouwing van de Zwartendijk en het gebied in de directe nabijheid daarvan niet geconcretiseerd, behoudens het door haar genoemde congrescentrum. De afstand tussen de gronden met de bestemming "Gemengd - 2" en de ten westen daarvan gelegen Zwartendijk bedraagt ongeveer 300 m. De Vereniging heeft niet nader gemotiveerd waarom, gelet ook op deze afstand en de omstandigheid dat het plan voorziet in een afschermende natuurbestemming direct ten westen van de gronden met de bestemming "Gemengd - 2", het voorziene congrescentrum leidt tot een aantasting van de cultuurhistorische, landschappelijke en archeologische waarden van de Zwartendijk. Het betoog faalt.
  93. De Vereniging betoogt dat geen behoefte bestaat aan de uitbreiding van de jachthaven bij de Roggebotsluis met 125 ligplaatsen. De behoefte aan extra ligplaatsen is niet eerder gesignaleerd. Ook in het in 2001 vastgestelde "Integrale Inrichtingsplan Veluwerandmeren IIVR" wordt daar niets over opgemerkt, aldus de Vereniging. 27.
  94. Zoals de Afdeling hiervoor in 15.3 heeft overwogen, wordt met het plan Kampen mede beoogd de recreatiefunctie van het plangebied te versterken. De raad heeft toegelicht dat de jachthaven gesitueerd is binnen een voor recreanten aantrekkelijk gebied, in de nabijheid van het IJsselmeer. In hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat behoefte bestaat aan een uitbreiding van de jachthaven bij de Roggebotsluis met 125 ligplaatsen. Het betoog faalt.
  95. De Vereniging betoogt dat de realisatie van de hoogwatergeul leidt tot een aantasting van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS), langs de IJssel en de Veluwerandmeren. De aantasting van de EHS wordt volgens haar onvoldoende gecompenseerd. 28.
  96. De raad van Kampen stelt dat het plan Kampen per saldo leidt tot een versterking van de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS. De omvang van de EHS neemt toe met 300 ha. Ook in kwalitatief opzicht krijgt de EHS een impuls, omdat de hoogwatergeul een ecologische schakel zal vormen tussen de Nbw-gebieden Uiterwaarden IJssel en de Veluwerandmeren, aldus de raad van Kampen. 28.
  97. De gevolgen van het plan Kampen voor de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS in Overijssel en Flevoland worden beschreven en verantwoord in het rapport "Toets EHS & compensatieplan weidevogels Planstudie IJsseldelta-Zuid" van 17 augustus 2012 (hierna: rapport EHS). In dit rapport wordt geconcludeerd dat het plan Kampen per saldo leidt tot een versterking van de wezenlijke waarden en kenmerken, de robuustheid, het areaal, de samenhang en de ruimtelijke kwaliteit van de EHS. Het projectplan voldoet aan alle eisen die door de provincies Flevoland en Overijssel aan de toepassing van de zogeheten saldobenadering worden gesteld, waardoor geen sprake is van een compensatieplicht, aldus het rapport EHS. De Vereniging heeft het rapport EHS niet inhoudelijk bestreden. In hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad van Kampen zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de hoogwatergeul niet leidt tot een aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS. Het betoog faalt. Het beroep tegen de Ffw-ontheffing
  98. De Vereniging betoogt dat de Ffw-ontheffing ten onrechte is verleend. De realisatie van de hoogwatergeul en de ontwikkeling van het dorp Reeve leiden tot een ernstige aantasting van het leefgebied van de kleine modderkruiper, de grote modderkruiper, de bittervoorn, de dwergspitsmuis en de meervleermuis. Wat betreft de strikt beschermde diersoorten - de waterspitsmuis en de meervleermuis - is ten onrechte een beroep gedaan op de ontheffingsgrond "dwingende redenen van groot openbaar belang", omdat met de ontwikkeling van het dorp Reeve een dergelijk belang niet wordt gediend, aldus de Vereniging. 29.
  99. De staatssecretaris stelt dat het plan Kampen, wat betreft vleermuizen niet leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Ffw, zodat in zoverre geen ontheffing vereist is. Voor de overige door de Vereniging genoemde diersoorten is ontheffing verleend. Aan de Ffw-ontheffing liggen volgens de staatssecretaris twee belangen ten grondslag. Voor de hoogwatergeul als zodanig is een beroep gedaan op de ontheffingsgrond "de volksgezondheid of openbare veiligheid". De ontheffingsgrondslag ten behoeve van de overige ontwikkelingen - het dorp Reeve inbegrepen - betreft "de uitvoering van werkzaamheden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling", aldus de staatssecretaris. 29.
  100. Ingevolge artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren. Ingevolge artikel 75, derde lid, kan de minister ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens artikel 11 bepaalde verboden. Ingevolge het vijfde lid worden vrijstellingen en ontheffingen tenzij uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties noodzaakt tot het verlenen van vrijstelling of ontheffing om andere redenen, slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder c, wordt, onverminderd het vijfde lid, voor soorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, voor soorten vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beschermde inheemse dier- of plantensoorten vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen. 29.
  101. Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten zijn als andere belangen als bedoeld in artikel 75, vijfde lid, onderdeel c, van de wet aangewezen: […]; d. de volksgezondheid of openbare veiligheid; e. dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten; […]; j. de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling. Ingevolge artikel 2c, eerste lid, aanhef en onder a, kan met betrekking tot de diersoorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, van de artikelen 9 tot en met 12 van de wet slechts ontheffing worden verleend ten behoeve van de belangen, genoemd in het derde lid van artikel 2, onderdelen a, b, c, d, e of f. 29.
  102. De Ffw-ontheffing heeft onder meer betrekking op de kleine modderkruiper, de grote modderkruiper, de bittervoorn en de waterspitsmuis. De Ffw-ontheffing heeft geen betrekking op de meervleermuis, omdat de realisatie van de hoogwatergeul en de ontwikkeling van het dorp Reeve niet leiden tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Ffw ten opzichte van deze soort. De Vereniging heeft haar stelling dat het gebied waarop het dorp Reeve is geprojecteerd belangrijk foerageergebied is van de meervleermuis niet nader onderbouwd, daargelaten de omstandigheid dat artikel 11 van de Ffw in beginsel alleen bescherming biedt aan nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen. De staatssecretaris heeft terecht geoordeeld dat het plan Kampen in zoverre geen strijd met de Ffw tot gevolg heeft. In de Ffw-ontheffing staat dat de kleine modderkruiper, de grote modderkruiper en de bittervoorn in het plangebied zijn aangetroffen. Door het uitvoeren van graaf- en dempingswerkzaamheden worden voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soorten beschadigd, vernield en verstoord. Uit de Ffw-ontheffing volgt dat ondanks het nemen van mitigerende maatregelen een overtreding van artikel 11 van de Ffw niet kan worden voorkomen. De conclusie is evenwel dat de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar komt, omdat genoemde soorten relatief veel voorkomen binnen het plangebied en omdat na de realisatie van de hoogwatergeul het leefgebied van de soorten in omvang toeneemt. De Vereniging heeft deze conclusie niet gemotiveerd bestreden. Zoals de Afdeling hiervoor in 7.3 heeft overwogen staat in de Ffw-ontheffing dat de waterspitsmuis is aangetroffen in het natuurgebied de Enk. Op deze gronden is de hoogwatergeul voorzien. De Vereniging heeft geen gegevens overgelegd die een begin van bewijs leveren dat het gebied waarop het dorp Reeve is geprojecteerd leefgebied is van de waterspitsmuis. De Vereniging heeft verder niet bestreden dat de hoogwatergeul gerealiseerd wordt in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid en dat in zoverre sprake is van een wettelijke ontheffingsgrond, die kan worden ingeroepen in geval de overtreding van de verbodsbepalingen van de Ffw betrekking heeft op een soort die is opgenomen in bijlage IV van de Habitatrichtlijn (de strikt beschermde soorten). In hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris de Ffw-ontheffing ten behoeve van de kleine modderkruiper, de grote modderkruiper, de bittervoorn en de waterspitsmuis ten onrechte heeft verleend. Het betoog faalt. Het beroep tegen de Nbw-vergunningen Onjuistheden passende beoordeling in het algemeen
  103. De Vereniging betoogt dat de passende beoordeling "Passende beoordeling planstudie IJsseldelta-Zuid" van 20 maart 2013 (hierna: passende beoordeling) gebrekkig en onvolledig is, omdat daarin een onjuiste methodiek wordt gehanteerd. Zij betoogt dat bij de beoordeling van de gevolgen voor beschermde soorten en habitats ten onrechte geen rekening is gehouden met de tijdelijke gevolgen van het projectplan. De Vereniging betoogt verder dat in de passende beoordeling, bij de vraag of het project afbreuk doet aan een gunstige staat van instandhouding van de betrokken soorten en habitats, ten onrechte de gevolgen van mitigerende maatregelen zijn betrokken. 30.
  104. In de passende beoordeling worden de gevolgen van het projectplan voor de betrokken Natura 2000-gebieden beschreven en verantwoord. Aan de betrokken gebieden zijn afzonderlijke hoofdstukken gewijd. Voor iedere ontwikkeling worden de tijdelijke en permanente gevolgen voor beschermde soorten en habitats beschreven. Vervolgens wordt per soort of habitat een eindconclusie getrokken over de integrale gevolgen van het project voor de staat van instandhouding van een soort of habitat binnen het betrokken Natura 2000-gebied. Uit het voorgaande volgt dat het betoog van de Vereniging dat in de passende beoordeling geen rekening wordt gehouden met de tijdelijke gevolgen van het projectplan onjuist is. Het betoog faalt. 30.
  105. Bij de beantwoording van de vraag of een project of andere handeling significante negatieve effecten kan hebben voor het betrokken Natura 2000-gebied, dienen de eventueel te nemen mitigerende maatregelen buiten beschouwing te blijven. De gevolgen van het project of andere handelingen dienen op zichzelf te worden bezien. Indien significante gevolgen voor het betrokken Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten dient een passende beoordeling gemaakt te worden. Een vergunning voor het project kan alleen worden verleend indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. Anders dan de Vereniging betoogt mogen de in het kader van het project vastgestelde mitigerende maatregelen waarmee wordt beoogd de eventuele schadelijke gevolgen van het project te voorkomen of te verminderen worden betrokken in de passende beoordeling. Het betoog faalt. Gevolgen voor de Veluwerandmeren en het Vossemeer en Ketelmeer
  106. De Vereniging betoogt dat de Nbw-vergunningen van de staatssecretaris en het college van Flevoland ten onrechte zijn verleend. Volgens haar wordt in de passende beoordeling ten onrechte geconcludeerd dat het plan Kampen geen afbreuk doet aan een gunstige staat van instandhouding van beschermde vogelsoorten. De Vereniging voert aan dat de realisatie van de hoogwatergeul en de aanleg van de Reevedam in het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren leiden tot een verlies van foerageergebied van de niet-broedvogelsoorten kleine zwaan, grote zilverreiger, pijlstaart, slobeend en krakeend. Het plan Kampen leidt verder tot het verlies van slaapplaatsen van de kleine zwaan en de grote zilverreiger, aldus de Vereniging. 31.
  107. De staatssecretaris stelt dat in de passende beoordeling de gevolgen van de realisatie van de hoogwatergeul en de aanleg van de Reevedam op beschermde niet-broedvogelsoorten zijn onderzocht. De aantasting van het foerageergebied van de door de Vereniging genoemde soorten is marginaal. De hoogwatergeul en de Reevedam leiden weliswaar tot verlies van bestaande rust- en slaapplaatsen van de kleine zwaan en de grote zilverreiger, maar binnen het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren zijn voldoende alternatieve rust- en slaapplaatsen beschikbaar. De gunstige staat van instandhouding van deze niet-broedvogelsoorten komt niet in gevaar, aldus de staatssecretaris. 31.
  108. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw is het verboden zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten. Ingevolge artikel 19f, eerste lid, maakt de initiatiefnemer voor projecten waarover het college van gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, neemt, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of handelingen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van het eerste lid van artikel 19f, een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 19d slechts worden verleend indien het college van gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast. Ingevolge artikel 19i zijn in de gevallen waarin de minister bevoegd is te besluiten op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, de artikelen 19e, 19f, 19g en 19h van overeenkomstige toepassing. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied. Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. Ingevolge het derde lid, gelezen in samenhang met artikel 19g, mag het plan alleen dan worden vastgesteld indien het bestuursorgaan uit de passende beoordeling de zekerheid heeft verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast. 31.
  109. Het gebied Veluwerandmeren is aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van de Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L103; hierna: Vogelrichtlijn). Het gebied is tevens aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; hierna: Habitatrichtlijn). De instandhoudingdoelstellingen van het gebied hebben onder meer betrekking op de broedvogelsoorten roerdomp (A021) en grote karekiet (A298). Uit het aanwijzingsbesluit volgt dat voor deze broedvogelsoorten als doelstelling is opgenomen de uitbreiding van de omvang en kwaliteit van het leefgebied. De instandhoudingsdoelstellingen hebben tevens betrekking op een aantal niet-broedvogelsoorten. Dit betreft onder meer de kleine zwaan (A037), grote zilverreiger (A027), krakeend (A051), pijlstaart (A054) en slobeend (A056). Voor deze soorten geldt als doelstelling het behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied. Verder geldt een instandhoudingsdoelstelling voor de meervleermuis (H1380). Hiervoor geldt als doelstelling het behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied. 31.
  110. In de passende beoordeling staat dat door de aanleg van de Reevedam het foerageergebied van de waterplanten- en planktonetende niet-broedvogelsoorten kleine zwaan, pijlstaart, slobeend en krakeend afneemt met 9,3 ha. Dit betreft 0,15% van het totale areaal van het foerageergebied van deze soorten binnen het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. Gelet op de draagkracht van het gebied blijft volgens de passende beoordeling voor alle genoemde soorten ruim voldoende foerageergebied beschikbaar. Uit tabel 6.4 van de passende beoordeling volgt dat de omvang van de populatie van de soorten kleine zwaan, pijlstaart en krakeend de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied aanmerkelijk overschrijdt. Alleen voor de slobeend ligt de omvang van de populatie onder de doelstelling van 50 vogels. Dit wordt echter niet veroorzaakt door een gebrek aan foerageergebied, aldus de passende beoordeling. In de passende beoordeling staat verder dat de aanleg van de Reevedam geen gevolgen heeft voor het foerageergebied van de grote zilverreiger, een visetende soort, binnen het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. Het gebied is voornamelijk van belang vanwege de aanwezigheid van slaapplaatsen van de soort. De grote zilverreiger overnacht onder meer op het eiland Reeve en op een klein eiland ten zuiden daarvan, de zogeheten Gelderse sluis. Als gevolg van de aanleg van de Reevedam gaat de slaapplaats Gelderse Sluis teniet. In het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren zijn minimaal tien andere slaapplaatsen van de grote zilverreiger bekend. In het seizoen 2012/2013 zijn in totaal 232 grote zilverreigers geteld, verdeeld over acht slaapplaatsen. De gunstige staat van instandhouding van de grote zilverreiger is niet in geding, aldus de passende beoordeling. De Vereniging heeft de passende beoordeling in zoverre niet gemotiveerd bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad van Kampen en de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat de realisatie van de hoogwatergeul en de aanleg van de Reevedam geen afbreuk doen aan de instandhoudingsdoelstellingen van de niet-broedvogelsoorten kleine zwaan, grote zilverreiger, pijlstaart, slobeend en krakeend. Het betoog faalt.
  111. De Vereniging betoogt dat de realisatie van de hoogwatergeul en de aanleg van de Reevedam leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren, vanwege het verlies van leef- en broedgebied van de broedvogelsoorten roerdomp en grote karekiet. Volgens de Vereniging is in dit verband de aanleg van een nieuw rietmoeras in het plangebied van het plan Kampen ten onrechte aangemerkt als een mitigerende maatregel. Met de aanleg van het nieuwe rietmoeras wordt niet voorkomen dat het bestaande leef- en broedgebied verloren gaat, maar wordt beoogd dit verlies naderhand te compenseren. Het duurt drie tot vijf jaar voordat rietmoeras een functioneel stadium heeft bereikt, zodat het nieuwe rietmoeras niet geschikt is als leef- en broedgebied op het moment dat een aanvang wordt genomen met de realisatie van de hoogwatergeul en de aanleg van de Reevedam, aldus de Vereniging. 32.
  112. De staatssecretaris stelt dat het rietmoeras van belang is als leef- en broedgebied van de roerdomp en de grote karekiet. Voor het rietmoeras als zodanig geldt geen instandhoudingsdoelstelling. De realisatie van de hoogwatergeul en de aanleg van de Reevedam leiden tot een verlies van 4,1 ha rietmoeras. Een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied vanwege een afname van het leef- en broedgebied van de roerdomp en de grote karekiet wordt voorkomen door de realisatie van een nieuw rietmoeras met een omvang van 8 ha, dat functioneel dient te zijn alvorens het bestaande rietmoeras wordt aangetast. In de Nbw-vergunning is vastgelegd dat het nieuwe rietmoeras tijdig functioneel dient te zijn, aldus de staatssecretaris. 32.
  113. Het staat vast dat als gevolg van de aanleg van de Reevedam 1,7 ha rietmoeras permanent verdwijnt. De ontsluiting van de hoogwatergeul op het Drontermeer leidt tot een permanent verlies van 2,4 ha. Het totale verlies van leefgebied van de roerdomp en de grote karekiet vanwege de aanleg van de Reevedam en de realisatie van de hoogwatergeul bedraagt derhalve 4,1 ha. In de passende beoordeling staat dat het met genoemde vogelsoorten niet goed gaat, gelet op de negatieve trend en de omstandigheid dat de instandhoudingsdoelstelling niet wordt gehaald. Bij de inrichting van het projectplangebied wordt hiermee rekening gehouden. Het plan Kampen voorziet in een gefaseerde ontwikkeling van ruim 42 ha nieuw rietmoeras, tussen het recreatiegebied bij de Roggebotsluis en de Hanzelijn. In de passende beoordeling staat dat het eerste deel van het nieuwe rietmoeras, met een omvang van 8 ha, gerealiseerd wordt aan het begin van
  114. Voordat een aanvang wordt genomen met de werkzaamheden die leiden tot een aantasting van het bestaande rietmoeras dient het vervangende rietmoeras functioneel te zijn. Dit heeft volgens de passende beoordeling tot gevolg dat de draagkracht van het Natura 2000-gebied voor genoemde broedvogelsoorten per saldo gelijk blijft of toeneemt. 32.
  115. De Afdeling zal het betoog van de Vereniging dat de aanleg van het nieuwe rietmoeras niet kan worden aangemerkt als een mitigerende maatregel beoordelen in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van 15 mei 2014, C-521/12, Briels (www.curia.europa.eu), waarin het Hof van Justitie als volgt heeft overwogen (punt 27-29): "
  116. Een overeenkomstig artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn uitgevoerde beoordeling mag dus geen leemten vertonen en moet volledige, precieze en definitieve constateringen en conclusies bevatten die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van de geplande werkzaamheden voor het betrokken beschermde gebied kunnen wegnemen (zie in die zin arrest Sweetman e.a., EU:C:2013:220, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
  117. Bijgevolg verlangt het voorzorgsbeginsel van de bevoegde nationale instantie dat zij bij de toepassing van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn de gevolgen van het project voor het betrokken Natura 2000-gebied beoordeelt in het perspectief van de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied, rekening houdend met de in dit project vastgestelde beschermingsmaatregelen waarmee wordt beoogd de eventuele schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit dit project voortvloeien, te voorkomen of te verminderen, teneinde ervoor te zorgen dat het betrokken project de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet aantast.
  118. De beschermingsmaatregelen die in een project worden opgenomen om de schadelijke gevolgen van dit project voor een Natura 2000-gebied te compenseren, kunnen daarentegen bij de door artikel 6, lid 3, opgelegde beoordeling van de gevolgen van dit project niet in aanmerking worden genomen." 32.
  119. Uit de passende beoordeling volgt dat de realisatie van de hoogwatergeul en de aanleg van de Reevedam, zonder het treffen van de beoogde mitigerende maatregel in de vorm van nieuw rietmoeras, leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied vanwege de aantasting van het broed- en leefgebied van de roerdomp en de grote karekiet. De Afdeling is van oordeel dat de in het plan Kampen voorziene ontwikkeling van nieuw rietmoeras ten noorden van de Hanzelijn niet gericht is op het voorkomen of verminderen van de schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit het project voortvloeien, reeds omdat de aantasting van het bestaande broed- en leefgebied plaatsvindt binnen het Natura 2000-gebied, terwijl de beoogde beschermingsmaatregel betrekking heeft op gronden buiten het Natura 2000-gebied. Gelet hierop kan het nieuwe rietmoeras, in het licht van voornoemd arrest van het Hof van Justitie van 15 mei 2014, niet worden aangemerkt als een mitigerende maatregel. Het betoog slaagt. 32.
  120. Gelet op het hiervoor gegeven oordeel behoeft de vraag of in de Nbw-vergunning van de staatssecretaris deugdelijk is vastgelegd dat het nieuwe rietmoeras, met een omvang van 8 ha, gereed en functioneel dient te zijn alvorens een aanvang wordt genomen met de werkzaamheden die zullen leiden tot een verlies van het bestaande leef- en broedgebied van de roerdomp en de grote karekiet, geen bespreking.
  121. De Vereniging betoogt dat het plan Kampen afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van de meervleermuis, vanwege het verlies van foerageergebied. Een eventuele toename van het foerageergebied van de meervleermuis, vanwege de realisatie van de hoogwatergeul is ten onrechte aangemerkt als een mitigerende maatregel. Het betreft een vorm van compensatie, aldus de Vereniging. 33.
  122. In de passende beoordeling staat dat de aanleg van de Reevedam leidt tot een marginale aantasting van het foerageergebied van de meervleermuis. Het aangetaste areaal bedraagt 0,005% van de totale wateroppervlakte van de Veluwerandmeren. Dit heeft geen gevolgen voor de meervleermuis. De Vereniging heeft deze conclusie uit de passende beoordeling niet bestreden. In de passende beoordeling staat dat de hoogwatergeul, vanwege een toename van de wateroppervlakte en de begroeide oevers een bijdrage levert aan het foerageergebied van de meervleermuis. Naar het oordeel van de Afdeling is de toename van de omvang van het foerageergebied, wat daar verder ook van zij, niet van belang voor de verleende Nbw-vergunning, nu het plan Kampen niet leidt tot gevolgen voor de meervleermuis die gemitigeerd of gecompenseerd dienen te worden. Het betoog faalt.
  123. De Vereniging betoogt dat de toename van de recreatievaart op het Vossemeer en het Drontermeer vanwege de uitbreiding van de jachthaven bij Roggebot met 125 ligplaatsen, leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Veluwerandmeren en Vossemeer en Ketelmeer. De toename van de recreatievaart leidt tot een beperking van de migratiemogelijkheden van vogelsoorten bij en in de nabijheid van de Roggebot. Het gaat om de broedvogelsoorten roerdomp en grote karekiet en de niet-broedvogelsoorten grote zilverreiger, kleine zwaan, pijlstaart, purperreiger en snor. In de Nbw-vergunning van het college van Flevoland is ten onrechte niet voorzien in een recreatievrije zone, met het oog op het tegengaan van de beperking van de migratiemogelijkheden. De Vereniging betoogt dat het vervangen van de bestaande brug over het Vossemeer leidt tot een verdere beperking van de migratiemogelijkheden van (broed)vogelsoorten, vanwege een toegenomen wachttijd voor schepen en motorvoertuigen. Dit kan worden voorkomen door ter plaatse een tunnel aan te leggen in plaats van een brug, aldus de Vereniging. 34.
  124. Volgens het college van Flevoland volgt uit de passende beoordeling dat de uitbreiding van de jachthaven bij de Roggebotsluis weliswaar leidt tot een toename van het aantal vaarbewegingen, maar dat vanwege de hoogwatergeul tevens een alternatieve vaarroute ontstaat tussen de IJssel en de Veluwerandmeren, waarbij het noordelijke deel van het Drontermeer en het Vossemeer worden omzeild. Het aantal passages door de Roggebotsluis neemt daarom per saldo niet toe. In de Nbw-vergunning van het college van Flevoland is vastgelegd dat in het Vossemeer en het Drontermeer monitoring wordt uitgevoerd naar de gevolgen van een toename van de diffuse recreatie van kleine vaartuigen. Wanneer uit monitoring blijkt dat de vogels ernstig worden verstoord, wordt een recreatievrije zone in het Vossemeer ingesteld, aldus het college van Flevoland. Het college van Flevoland stelt verder dat de N307 in de huidige situatie via een klepbrug over de Roggebotsluis loopt. De brug heeft een doorvaarthoogte van 4,5 m. In het recreatieseizoen zorgt de geringe doorvaarthoogte voor veel stremming op de N
  125. De nieuwe brug heeft een doorvaarthoogte van 7 m. De meeste boten en schepen kunnen onder deze brug doorvaren. De nieuwe brug heeft bovendien een aanmerkelijk grotere doorvaartopening, hetgeen leidt tot een verdere afname van de wachttijden. Uit de passende beoordeling volgt dat de nieuwe brug geen ernstige gevolgen heeft voor de migratiemogelijkheden van (broed)vogelsoorten. 34.
  126. Het gebied Vossemeer en Ketelmeer is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Dit gebied is onder meer aangewezen voor dezelfde vogelsoorten als het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. 34.
  127. In het kader van de Nbw-vergunning is uitsluitend een beoordeling nodig van de effecten op soorten waarvoor een instandhoudingsdoelstelling is geformuleerd in het aanwijzingsbesluit. Voor de betrokken Natura 2000-gebieden zijn geen instandhoudingsdoelstellingen opgenomen voor de purperreiger en de snor. Gelet hierop kunnen de bezwaren ten aanzien van deze vogelsoorten niet aan de orde worden gesteld in het kader van de bestreden Nbw-vergunningen. 34.
  128. In de passende beoordeling staat dat de realisatie van de hoogwatergeul tot gevolg heeft dat een nieuwe route ontstaat tussen de Veluwerandmeren en de IJssel. De alternatieve route leidt tot een afname van het aantal vaarbewegingen door het noordelijke deel van het Drontermeer en het aantal passages door de Roggebotsluis. Op jaarbasis bedraagt de afname van het aantal passsages door de Roggebotsluis 4.
  129. Het plan Kampen voorziet in een uitbreiding van het aantal ligplaatsen voor pleziervaartuigen. Dit betreft de 125 extra ligplaatsen bij het recreatieterrein Roggebot alsook maximaal 1.100 ligplaatsen in en nabij het dorp Reeve. In de passende beoordeling worden de gevolgen van deze uitbreiding voor beschermde vogelsoorten in de betrokken Natura 2000-gebieden beschreven. Geconcludeerd wordt dat als gevolg van in totaal 1.225 extra ligplaatsen het aantal uitvarende boten - uitgaande van een bezettingspercentage van 100% en een uitvaarpercentage van 10% per dag - stijgt met 125 per dag. De Vereniging heeft de resultaten van de passende beoordeling in zoverre niet bestreden. 34.
  130. Gelet op hetgeen hiervoor in 12.7 en 12.8 is overwogen - en de als gevolg daarvan hierna uit te spreken vernietiging - kan de toetsing van de gevolgen van de uitbreiding van het aantal ligplaatsen voor beschermde vogelsoorten worden beperkt tot de effecten van de 125 extra ligplaatsen bij het recreatieterrein Roggebot. Uit de passende beoordeling volgt dat de uitbreiding van de jachthaven leidt tot een toename van ongeveer 13 uitvarende boten per dag. Deze toename staat naar het oordeel van de Afdeling niet in verhouding tot de afname van het aantal passages door de Roggebotsluis vanwege de realisatie van een alternatieve vaarroute tussen de Veluwerandmeren en de IJssel. Het college van Flevoland heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan Kampen in zoverre niet leidt tot een toename van het aantal passages door de Roggebotsluis. 34.
  131. In de passende beoordeling staat dat de brug bij Roggebot gesitueerd is buiten de begrenzing van de betrokken Natura 2000-gebieden De afstand van de brug tot de begrenzing van de gebieden bedraagt in beide gevallen ruim 100 m. De roerdomp en de grote karekiet broeden in de ruime omgeving van de Roggebotsluis, in de rietlanden langs de oevers van de randmeren. Uit geluidonderzoek blijkt dat de geluidintensiteit langs de N307 na de aanleg van de dubbele brug nauwelijks toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Geconcludeerd wordt dat de nieuwe brug met zekerheid geen gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen voor broedvogels. De Vereniging heeft de passende beoordeling op dit punt niet gemotiveerd bestreden. 34.
  132. In hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college van Flevoland zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitbreiding van de jachthaven bij het recreatieterrein Roggebot en het gebruik van de nieuwe brug over de N307 niet leidt tot een ernstige verstoring van de broedvogelsoorten roerdomp en grote karekiet en de niet-broedvogelsoorten grote zilverreiger, kleine zwaan en pijlstaart. Het betoog faalt.
  133. De Vereniging betoogt dat in de passende beoordeling ten onrechte geen rekening is gehouden met de gevolgen vanwege de verbreding van de N307 en de versterking van de Drontermeerdijk. 35.
  134. Aan de gronden van en nabij de bestaande provinciale weg N307 is in het plan Dronten de bestemming "Verkeer - Wegverkeer" toegekend. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Verkeer - Wegverkeer" aangewezen gronden bestemd voor (ontsluitings)wegen en de daarbij behorende kunstwerken. Ingevolge lid 6.4, onder c, wordt tot een gebruik strijdig met deze bestemming in ieder geval gerekend het aanleggen van meer dan 2x1 rijstroken, exclusief in- en uitvoegstroken en parallelwegen. 35.
  135. Zoals blijkt uit artikel 6, lid 6.4, onder c, van de planregels, voorziet het plan Dronten niet in een uitbreiding van de capaciteit van de N
  136. Het betoog faalt. De Vereniging heeft niet onderbouwd waarom zij een toename van het aantal verkeersbewegingen op de N307 verwacht, vanwege het plan Dronten. Zij heeft voorts niet toegelicht welke concrete gevolgen de verbreding van de Drontermeerdijk zal hebben voor beschermde soorten en/of habitats. In hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de gevolgen van de N307 en de Drontermeerdijk onjuist zijn beoordeeld. Het betoog faalt.
  137. De Vereniging betoogt dat de open verbinding tussen de Veluwerandmeren en de IJssel leidt tot een aantasting van de waterkwaliteit van de meren. Het onderzoek naar de gevolgen van de hoogwatergeul voor de waterkwaliteit is ondeugdelijk. In de Nbw-vergunning van de staatssecretaris is ten onrechte geen voorziening getroffen voor het geval de waterkwaliteit van de Veluwerandmeren aangetast dreigt te worden, aldus de Vereniging. 36.
  138. De staatssecretaris stelt dat in het kader van de passende beoordeling door Tauw onderzoek is verricht naar de gevolgen van de hoogwatergeul voor de waterkwaliteit van de Veluwerandmeren. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport "Effecten waterkwaliteit, planstudie IJsseldelta-Zuid" van 17 augustus 2012, dat als bijlage is gevoegd bij de passende beoordeling (hierna: rapport Waterkwaliteit). Geconcludeerd wordt dat de realisatie van de hoogwatergeul niet leidt tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren vanwege de gevolgen voor de waterkwaliteit. De bevindingen van het rapport zijn voorgelegd aan de Waterdienst van het ministerie van I en M. In een second opinion heeft deze dienst de conclusies uit het rapport Waterkwaliteit onderschreven. Voorts stelt de staatssecretaris dat in de Nbw-vergunning voorschriften zijn opgenomen ter borging van de waterkwaliteit. De Vereniging heeft haar betoog dat de hoogwatergeul ernstige gevolgen heeft voor de waterkwaliteit van de Veluwerandmeren niet nader gemotiveerd. Zij heeft in het algemeen gesteld dat de verrichte onderzoeken ondeugdelijk zijn, zonder daarbij concreet in te gaan op de uitgebrachte onderzoeksrapporten, waaronder het rapport Waterkwaliteit. De Vereniging heeft geen concrete habitats of soorten genoemd waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden en die mogelijk gevolgen zullen ondervinden van een verslechtering van de waterkwaliteit. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de realisatie van de hoogwatergeul niet zal leiden tot een aantasting van de wezenlijke waarden van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren vanwege de gevolgen voor de waterkwaliteit. Het betoog faalt.
  139. Hetgeen de Vereniging voor het overige heeft aangevoerd tegen de passende beoordeling, wat betreft de gevolgen voor de Natura 2000-gebieden Ketelmeer en Vossemeer en Veluwerandmeren, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met het recht. Gevolgen voor het Natura 2000-gebied Uiterwaarden IJssel
  140. De Vereniging betoogt dat de ontwikkeling van het dorp Reeve leidt tot een toename van de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitattypen "stroomdalgraslanden" en "glanshaver- en vossenstaarthooilanden" in het Natura 2000-gebied "Uiterwaarden IJssel", vanwege de toename van het autoverkeer. Uit de passende beoordeling volgt dat sprake is van een reeds overbelaste situatie, zodat een verdere toename van de stikstofdepositie afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van genoemde habitattypen. Ook is in de passende beoordeling ten onrechte geen rekening gehouden met de stikstofdepositie vanwege de tweede fase van het project, aldus de Vereniging. 38.
  141. Het college van Overijssel stelt dat de stikstofberekeningen uit de passende beoordeling zijn geactualiseerd met de notitie "Stikstofdepositieonderzoek planstudie IJsseldelta-Zuid" van het bureau Witteveen + Bos van 4 september 2013 (hierna: notitie Stikstofdepositie). Hieruit blijkt dat de toename van het aantal verkeersbewegingen vanwege het dorp Reeve niet leidt tot een overschrijding van de kritische depositiewaarde voor de habitattypen stroomdalgraslanden en glanshaver- en vossenstaarthooilanden in het Natura 2000-gebied Uiterwaarden IJssel. 38.
  142. Het gebied "Uiterwaarden IJssel" is aangewezen als zowel Vogel- als Habitatrichtlijngebied. De instandhoudingsdoelstelling voor dit gebied heeft onder meer betrekking op de voor verzuring gevoelige habitattypen stroomdalgraslanden (H6120) en glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510A) en de broedvogelsoort kwartelkoning (A122). 38.
  143. In de notitie Stikstofdepositie staat dat stroomdalgraslanden het meest voor verzuring gevoelige habitattype is binnen het gebied Uiterwaarden IJssel. De kritische depositiewaarde van stroomdalgraslanden bedraagt 1.286 mol/ha/jaar. Voor het habitattype glanshaver- en vossenstaarthooilanden bedraagt de kritische depositiewaarde 1.571 mol/ha/jaar. De achtergronddepositie binnen het relevante vierkante kilometer-vlak bedraagt 1.244 mol/ha/jaar. De bestaande achtergronddepositie ter plaatse ligt derhalve onder de kritische depositiewaarden van genoemde habitattypen. In de notitie Stikstofdepositie is berekend dat het plan Kampen, vanwege de groei van de omvang van de beroeps- en recreatievaart en het wegverkeer, leidt tot een toename van de stikstofdepositie met maximaal 7 mol/ha/jaar. Geconcludeerd wordt dat de hoogwatergeul en het dorp Reeve niet leiden tot een overschrijding van de kritische depositiewaarde voor de habitattypen stroomdalgraslanden en glanshaver- en vossenstaarthooilanden. De Vereniging heeft de notitie Stikstofdepositie niet inhoudelijk bestreden. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college van Overijssel zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat toename van de stikstofuitstoot vanwege de ontwikkeling van het dorp Reeve geen afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van de habitattypen stroomdalgraslanden en glanshaver- en vossenstaarthooilanden. Het betoog faalt.
  144. De Vereniging betoogt dat in de passende beoordeling ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatieve effecten van de drie Nbw-vergunningen en andere projecten of handelingen die negatieve gevolgen kunnen hebben op het Natura 2000-gebied Uiterwaarden IJssel. Zo is geen rekening gehouden met de cumulatieve gevolgen vanwege het projectplan "Zomerbedverlaging Beneden-IJssel". De zomerbedverlaging leidt tot een afname van de overstromingsfrequentie en tot een verminderde afzet van zand. Dit leidt tot verdroging. De gevolgen hiervan voor de broedvogelsoort kwartelkoning zijn niet inzichtelijk gemaakt, aldus de Vereniging. 39.
  145. Het projectplan als zodanig bestaat uit een groot aantal activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Vanwege de ligging van deze Natura 2000-gebieden in de provincies Overijssel en Flevoland en de omstandigheid dat ten aanzien van activiteiten die betrekking hebben de primaire waterkering en het gebruik van de hoogwatergeul de minister bevoegd gezag is, zijn voor de integrale uitvoering van het projectplan Nbw-vergunningen noodzakelijk van drie overheden. De omstandigheid dat voor het projectplan drie Nbw-vergunningen zijn verleend, laat onverlet dat in de passende boordeling de gevolgen van het projectplan voor beschermde soorten en habitats integraal zijn beoordeeld. 39.
  146. In hoofdstuk 9 van de passende beoordeling worden de cumulatieve effecten van het projectplan en andere relevante projecten beschreven en verantwoord. De cumulatieve effecten van het projectplan "Zomerbedverlaging Beneden-IJssel" voor beschermde soorten en habitattypen zijn betrokken bij de cumulatietoets. Het betoog van de Vereniging dat in de passende beoordeling in het algemeen geen rekening is gehouden met de cumulatieve gevolgen van het projectplan en andere projecten voor beschermde soorten en habitats is derhalve onjuist. 39.
  147. Volgens de passende beoordeling is De Onderdijkse Waard marginaal leefgebied voor de kwartelkoning, omdat dit hoofdzakelijk agrarische gronden betreft, die intensief gebruikt worden. Er is voldoende alternatief leef- en foerageergebied gebied beschikbaar, zoals de uiterwaarden Scherenwelle en Koppelerwaard. Uit hoofdstuk 9, tabel 9.8, van de passende beoordeling volgt verder dat het projectplan Zomerbedverlaging Beneden-IJssel geen gevolgen heeft voor de kwartelkoning. De Vereniging heeft de conclusies uit de passende beoordeling in zoverre niet gemotiveerd bestreden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de staatssecretaris, de raad van Kampen en het college van Overijssel zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat het plan Kampen geen afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van de kwartelkoning. Het betoog faalt.
  148. Hetgeen de Vereniging voor het overige heeft aangevoerd tegen de passende beoordeling, wat betreft de gevolgen voor het Natura 2000-gebied Uiterwaarden IJssel, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met het recht. Het Verdrag van Bern
  149. De Vereniging betoogt dat het projectplan in strijd is met het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijke leefmilieu in Europa van 19 september 1979 (hierna: Verdrag van Bern). Zij voert hiertoe aan dat buiten het Natura 2000-gebied Uiterwaarden IJssel vogelsoorten en habitattypen voorkomen die geen bescherming genieten krachtens de Nbw 1998 en de Ffw. Het betreft volgens haar soorten weidevogels en bedreigde plantsoorten die deel uitmaken van "slootvegetaties" en "stroomdalvegetaties". Ook binnen het Natura 2000-gebied komen habitats voor die niet worden beschermd krachtens de Nbw 1998, zoals "stroomdalvegetaties". Dit betreft het gedeelte van het Natura 2000-gebied Uiterwaarden IJssel, dat slechts is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. De weidevogels en genoemde habitats genieten bescherming krachtens het Verdrag van Bern, aldus de Vereniging. 41.
  150. Zowel Nederland als de Europese Unie zijn partij bij het Verdrag van Bern. Aan het Verdrag van Bern is door de Europese Unie uitvoering gegeven door middel van de Habitatrichtlijn De Afdeling begrijpt het betoog van de Vereniging aldus dat niet is uitgesloten dat binnen het projectplangebied vogel- en plantensoorten voorkomen, die wel zijn opgenomen in de bijlagen van het Verdrag van Bern, maar die niet worden beschermd krachtens de Nbw 1998 en de Ffw. Wat betreft de gevolgen van het projectplan voor vogelsoorten overweegt de Afdeling dat, daargelaten de omstandigheid dat de Vereniging in het algemeen spreekt over "weidevogels" en dus geen concrete soorten heeft genoemd, blijkens artikel 4, eerste lid, onder b, van de Ffw alle van nature op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels bescherming genieten krachtens deze wet. De Vereniging heeft voorts geen concrete plantensoorten genoemd, waarop het Verdrag van Bern van toepassing zou zijn. In hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het projectplan in zoverre in strijd is met het Verdrag van Bern, zoal in dit geval daaraan rechtstreekse werking toekomt. Het betoog faalt. Het beroep van [appellant sub 7] en anderen voor het overige
  151. [ appellant sub 7] en anderen zijn bewoners van zogeheten brugwachterswoningen aan de [locatie 3], [locatie 4], [locatie 5] en [locatie 6], direct ten westen van de Roggebotsluis. [appellant sub 7] en anderen betogen dat het plan Dronten een aanzet is tot een verstrekkende opwaardering van de infrastructuur in de directe nabijheid van hun woningen. Zij vrezen onder meer voor een toekomstige uitbreiding van de capaciteit van de N307, van 2x1 rijstrook naar 2x2 rijstroken. In het plan Dronten is de ruimtelijke reservering ten behoeve van deze uitbreiding reeds gemaakt, nu de omvang van het bestemmingsvlak "Verkeer - Wegverkeer" aanmerkelijk is vergroot ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. Dit maakt volgens [appellant sub 7] en anderen duidelijk dat de beoogde uitbreiding van de infrastructuur gefaseerd wordt uitgevoerd, waarbij verweerders zich bedienen van een zogenoemde "salamitactiek. Dit heeft tot gevolg dat [appellant sub 7] en anderen de komende 30 jaar of langer geconfronteerd worden met een stapsgewijze aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zo de gevolgen van de afzonderlijke besluiten al aanvaardbaar zijn, zullen de integrale gevolgen van het plan Dronten en de nog te nemen besluiten leiden tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat, aldus [appellant sub 7] en anderen. 42.
  152. De raad van Dronten stelt dat de Roggebotsluis wordt gesloopt en vervangen door een brug. Voor de ontsluiting van de nieuwe brug worden op- en afritten, parallelwegen en verbindingen met de N306 (of: Drontermeerdijk) gerealiseerd. De gewenste infrastructuur neemt meer ruimte in beslag ten opzichte van de bestaande situatie. De N307 wordt ter hoogte van de woningen van [appellant sub 7] en anderen mogelijk maximaal 35 m naar het zuiden verplaatst. Op een afstand van ongeveer 300 tot 350 m ten westen van de Roggebotsluis - en de woningen van [appellant sub 7] en anderen - worden de N306 en de N307 met elkaar verbonden, door middel van een turborotonde of een andere verkeerskundige maatregel. Met het oog daarop is in het plan Dronten voorzien in een wijzigingsbevoegdheid. Een uitbreiding van de capaciteit van de N307 is weliswaar onderwerp van studie, maar het plan Dronten voorziet daar niet in. De ontwikkelingen waarin het plan Dronten voorziet worden gerealiseerd binnen de planperiode. Zo wordt de nieuwe brug over de Roggebot in 2022 gebouwd. Vervolgens zal de bestaande sluis worden gesloopt. De raad van Dronten stelt verder dat ten tijde van het vaststellen van het plan nog geen keuze was gemaakt voor een concreet ontwerp voor de infrastructuur, in het bijzonder wat betreft de beoogde aansluiting tussen de Vossemeerdijk en de N306 met de N
  153. Gelet hierop is in het plan een zekere mate van flexibiliteit ingebouwd. Dit laat onverlet dat de beoogde toekomstige invulling van het plangebied op hoofdlijnen bekend is en is vastgelegd in het plan, aldus de raad van Dronten. 42.
  154. Aan de gronden van en nabij de bestaande provinciale weg N307 is in het plan Dronten de bestemming "Verkeer - Wegverkeer" toegekend. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder a en onder h, van de planregels zijn de voor "Verkeer - Wegverkeer" aangewezen gronden bestemd voor: a. (ontsluitings)wegen en de daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde. Ingevolge lid 6.2.
  155. onder b, geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, ten hoogste 6 m bedraagt. Ingevolge lid 6.4, onder c, wordt tot een gebruik strijdig met deze bestemming in ieder geval gerekend het aanleggen van meer dan 2x1 rijstroken, exclusief in- en uitvoegstroken en parallelwegen. 42.
  156. Wat betreft het betoog van [appellant sub 7] en anderen dat de ontwikkeling van de infrastructuur in de directe nabijheid van hun woningen, waartoe het plan Dronten een (eerste) aanzet geeft, 30 jaar of langer in beslag zal nemen en dat zij gedurende deze periode in onzekerheid zullen verkeren over de eindsituatie en overlast zullen ondervinden van de uitvoeringswerkzaamheden overweegt de Afdeling als volgt. In de procedure tegen het projectplan en de daarmee samenhangende uitvoeringsbesluiten, in het bijzonder het plan Dronten, zijn deze besluiten als zodanig, voor zover daartegen beroepsgronden zijn aangevoerd, object van toetsing. Dit betekent dat de concrete en minder concrete beleidsvoornemens van de betrokken overheden, waaraan geen uitvoering is gegeven door middel van het projectplan en de samenhangende uitvoeringsbesluiten, wat daar verder ook van zij, in het kader van deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Het staat vast dat het plan Dronten niet voorziet in een uitbreiding van de capaciteit van de N
  157. Eventuele toekomstige besluiten die een uitbreiding of de verdere aanpassing van de infrastructuur mogelijk maken, zullen door belanghebbenden in de regel in rechte aangevochten kunnen worden, door daartegen bezwaar te maken en/of beroep in te stellen. Wat betreft het betoog dat de raad van Dronten op een oneigenlijke wijze gebruik maakt van zijn publiekrechtelijke bevoegdheden door stapsgewijs, dat wil zeggen door het nemen van elkaar opvolgende besluiten, toe te werken naar een bepaalde eindtoestand, wat betreft de infrastructurele situatie in de nabijheid van de woningen van [appellant sub 7] en anderen, overweegt de Afdeling dat een dergelijke handelwijze op zichzelf niet ongeoorloofd is. [appellant sub 7] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat aan de vaststelling van het plan Dronten oneigenlijke motieven ten grondslag liggen. De infrastructurele ontwikkelingen waarin het plan Dronten voorziet hebben met name tot doel om de verkeersafwikkeling ter plaatse te optimaliseren. Het staat de raad verder vrij om bij het vaststellen van een bestemmingsplan rekening te houden met de mogelijke toekomstige ontwikkeling van het plangebied, zo lang het bestemmingsplan op zichzelf niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd is met het recht. Het betoog faalt. 42.
  158. Voor zover [appellant sub 7] en anderen betogen dat zij ernstige overlast zullen ondervinden van de realisatie van de met het plan Dronten beoogde aanpassingen van de infrastructuur, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar een uitvoeringsaspect betreft, hetgeen in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen.
  159. [ appellant sub 7] en anderen betogen dat het plan Dronten leidt tot een ernstige aantasting van hun uitzicht. De bestaande relatief lage brug met laag wegdek over de Roggebot wordt vervangen door een aanmerkelijk hogere brug, aldus [appellant sub 7] en anderen. 43.
  160. In het plan Dronten is aan de gronden ter plaatse van de Roggebot de bestemming "Water" toegekend, met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" en de aanduiding "waterstaat". Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de planregels zijn de voor "Waterstaat - Waterkering" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: a. waterkeringen; b. aanleg en verbetering van waterkeringen; c. het beheer en het onderhoud van de waterkeringen; d. waterstaatkundige doeleinden; […]; met daarbij behorende: g. wegen en paden en kwelsloten; h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ingevolge lid 12.12.3, onder b, mag ter plaatse van de aanduiding "waterstaat" de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde niet meer dan 20 m bedragen. 43.
  161. De afstand tussen de woningen van [appellant sub 7] en anderen tot de gronden bij de Roggebot met de aanduiding "waterstaat" bedraagt ongeveer 60 m. Het plan Dronten maakt ter plaatse een brug mogelijk met een bouwhoogte van maximaal 20 m. Niet in geschil is dat de bouwhoogte van de nieuwe brug aanmerkelijk hoger is dan de bouwhoogte van de bestaande sluis en brug en dat in zoverre sprake kan zijn van een aantasting van het uitzicht van [appellant sub 7] en anderen. De Afdeling is evenwel van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze aantasting niet ernstig is, gelet op voornoemde afstand van 60 m en de omstandigheid dat een brug naar zijn aard niet leidt tot een groot verlies van uitzicht. Verder is van belang dat geen recht bestaat op een vrij ongestoord uitzicht. Het betoog faalt.
  162. [ appellant sub 7] en anderen betogen dat het plan Dronten afbreuk doet aan de karakteristiek van de omgeving. De brugwachterswoningen aan de Vossemeerdijk vormen vanuit historisch oogpunt een waardevol ensemble met de Roggebotsluis. Het plan Dronten voorziet in de sloop en vervanging van de Roggebotsluis en doet derhalve afbreuk aan deze samenhang. 44.
  163. Op de gestelde karakteristieke samenhang tussen de woningen van [appellant sub 7] en anderen en de Roggebotsluis is geen bijzondere wettelijk beschermingsregime van toepassing. De enkele omstandigheid dat vanuit historisch oogpunt een relatie tussen de woningen van [appellant sub 7] en anderen en de Roggebotsluis bestaat, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad van Dronten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de sloop van de Roggebotsluis niet leidt tot een ernstige aantasting van de omgevingskarakteristiek. Het betoog faalt.
  164. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan Dronten op de waarde van de woningen van [appellant sub 7] en anderen betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad van Dronten bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Noodzaak tweede fase
  165. [ appellant sub 7] en anderen betogen dat geen behoefte bestaat aan de nieuwe brug over de Roggebot en de voorziene infrastructurele aanpassingen. Met de tweede fase van het project IJsseldelta-Zuid wordt beoogd de afvoercapaciteit van de hoogwatergeul te verhogen. Hiervoor dient ook de Roggebotsluis te worden vervangen. Uit het oogpunt van de waterveiligheid zijn deze maatregelen echter niet noodzakelijk. De realisatie van de eerste fase van het project is volgens [appellant sub 7] en anderen reeds voldoende om aan de doelstellingen van de PKB te voldoen. De tweede fase van het project maakt geen deel uit van de PKB. Een eventuele noodzaak om de afvoercapaciteit van de hoogwatergeul te verhogen is pas na 2050 aan de orde, aldus [appellant sub 7] en anderen. 46.
  166. Volgens de raad van Dronten worden in het kader van de tweede fase van het project IJsseldelta-Zuid de Roggebotkering en de Roggebotsluis gesloopt en vervangen door een nieuwe 100 m lange brug. Hiermee wordt de maximale afvoercapaciteit ter plaatse verhoogd tot 730 m³/seconde. De nieuwe (klep)brug met 2x1 rijstrook en parallelweg zal een doorvaarthoogte van 7 m hebben. De meeste schepen kunnen onder deze brug doorvaren. Hiermee wordt volgens de raad van Dronten een bestaand congestieprobleem opgelost. De overige infrastructurele aanpassingen waarin het plan Dronten voorziet hebben tot doel de doorstroming van het verkeer op de N307 te optimaliseren. Zo wordt onder meer een turborotonde of een ongelijkvloerse kruising gerealiseerd op een afstand van 300 tot 350 m ten westen van de Roggebotsluis, aldus de raad van Dronten. 46.
  167. In de toelichting van het plan Dronten staat dat het project IJsseldelta-Zuid bestaat uit twee fasen. Voor fase 1 (operationeel tussen begin 2017 tot en met 2025) start de uitvoering in
  168. In 2017 is het Reevediep geschikt om te worden ingezet bij hoge rivierafvoeren

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.