201505810/1/V3. Datum uitspraak: 5 november 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2015 in zaak nr. 15/12839 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 1 juli 2015 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 17 juli 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I.M. Hagg, advocaat te Amsterdam, heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de informatie in de overgelegde processen-verbaal van bevindingen van 30 april 2015 en 30 juni 2015, gelezen in samenhang met het op 9 juli 2015 opgemaakte aanvullend proces-verbaal, behorende bij het proces-verbaal van staandehouding, niet kan leiden tot de conclusie dat sprake was van een geobjectiveerd redelijk vermoeden van illegaal verblijf toen de vreemdeling op 1 juli 2015 staande is gehouden in het kader van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het enkele tijdsverloop tussen de eerdere controles op het terrein bij de [locatie] te [plaats] (hierna: het terrein) in oktober 2013 in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav-controles), waarbij illegale vreemdelingen werkend zijn aangetroffen, en de controle van 1 juli 2015. Uit voormelde informatie, met name uit de in het proces-verbaal van 30 juni 2015 beschreven waarneming van de staandehouding van een (andere) vreemdeling op 9 juni 2015, die eerder (ook) in oktober 2013 op het terrein tijdens een Wav-controle was staande gehouden, blijkt genoegzaam dat sprake was van een voortduring van de eerder in 2013 geconstateerde activiteiten, die duiden op de aanwezigheid van personen zonder rechtmatig verblijf, aldus de staatssecretaris. 2. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, zijn de ambtenaren, belast met het toezicht op vreemdelingen, bevoegd op grond van feiten en omstandigheden die naar objectieve maatstaven gemeten een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Volgens paragraaf A2/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover thans van belang, mag een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf mede op basis van ervarings- of omgevingsgegevens worden aangenomen, indien bijvoorbeeld sprake is van: - een controle in een woning of een bedrijf, waarin bij een eerdere controle illegale personen aangetroffen zijn; - aanwijzingen uit eigen onderzoek van de politie. 2.1. Blijkens het op ambtsbelofte gemaakte proces-verbaal van bevindingen van 30 juni 2015 en het aanvullende proces-verbaal van 9 juli 2015 is het redelijk vermoeden van illegaal verblijf ten aanzien van de op het terrein aanwezige personen, waaronder de vreemdeling, gebaseerd op bevindingen tijdens eerdere Wav-controles in oktober 2013, onderzoek van AVIM Noord-Holland, meerdere (voor-)observaties en de staandehouding van een vreemdeling op 9 juni 2015. Bij een tweetal Wav-controles in oktober 2013 zijn acht vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland, alsmede vreemdelingen die werkzaamheden verrichtten in strijd met de Wav, aangetroffen op het terrein. Uit voormelde processen-verbaal blijkt dat de omstandigheden op het terrein voorafgaand aan de controle van 1 juli 2015 niet gewijzigd waren ten opzichte van hetgeen in 2013 was waargenomen. Op 9 juni 2015 is, naar aanleiding van een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994, in de buurt van het terrein een vreemdeling staande gehouden, die verklaarde dat hij op het terrein werkte door goederen te vervoeren naar Afrika. Deze vreemdeling had geen rechtmatig verblijf. Uit eigen onderzoek van de politie is vervolgens gebleken dat deze vreemdeling ook tijdens een van de voormelde Wav-controles in oktober 2013 was staande gehouden en dat hem toen een bevel onmiddellijke terugkeer naar Italië was uitgereikt. Reeds gelet op deze informatie, geven voormelde processen-verbaal blijk van omstandigheden die, in hun onderlinge samenhang bezien, een naar objectieve maatstaven gemeten redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren ten aanzien van de vreemdeling. De vreemdeling kon derhalve, toen hij zich tijdens de controle van 1 juli 2015 niet kon identificeren, worden staande gehouden krachtens artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De grief slaagt. 3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 1 juli 2015 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist. 4. De vreemdeling heeft bij de rechtbank aangevoerd dat tijdens de controle van 1 juli 2015 sprake is geweest van een ongeoorloofd onderscheid, nu slechts de niet Nederlands sprekende personen met een Afrikaans uiterlijk zijn gevraagd zich te identificeren. 4.1. Uit het aanvullend proces-verbaal van 9 juli 2015 blijkt dat tijdens voormelde controle alle op het terrein aanwezige personen om hun identiteitsdocumenten zijn gevraagd. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat sprake is geweest van een ongeoorloofd onderscheid. De beroepsgrond faalt. 5. De vreemdeling heeft verder aangevoerd dat de verlenging van de duur van de ophouding als bedoeld in artikel 50, vierde lid, van de Vw 2000 onrechtmatig was, omdat deze blijkbaar is verlengd om ervoor te zorgen dat hij vóór de inbewaringstelling kon worden gehoord. 5.1. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 20 februari 2009 in zaak nr. 200808991/1) dat de duur van de ophouding slechts met hoogstens achtenveertig uren mag worden verlengd om nader onderzoek te doen naar de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling. Blijkens het besluit tot verlenging van de ophouding krachtens artikel 50, vierde lid, van de Vw 2000 van 1 juli 2015 en het daarbij horende proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding is de ophouding op die dag verlengd omdat de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling nog niet was vastgesteld aan de hand van vingerafdrukken en het onderzoek naar zijn verblijfsrechtelijke status nog niet was afgerond, hetgeen ook wordt bevestigd in de overige dossierstukken. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de duur van de ophouding onrechtmatig is verlengd. De beroepsgrond faalt. 6. De vreemdeling heeft verder aangevoerd dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de bewaring niet kunnen dragen. Hij voert daartoe aan dat hij wel degelijk beschikt over een vaste woon- en verblijfplaats, omdat hij momenteel op [locatie] in [plaats] verblijft en daarna bij vrienden kan verblijven. Voorts voert hij aan dat hij met klussen geld verdient en derhalve beschikt over voldoende middelen van bestaan. 6.1. Aan de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.