201404338/1/R1 en 201501595/1/R
- Datum uitspraak: 18 november 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in de gedingen tussen:
- [appellant sub 1], wonend te Kelpen-Oler, gemeente Leudal,
- [appellante sub 2], gevestigd te Heythuysen, gemeente Leudal,
- [appellante sub 3], gevestigd te Hunsel, gemeente Leudal,
- [appellant sub 4], wonend te Grathem, gemeente Leudal,
- [appellante sub 5], gevestigd te Heythuysen, gemeente Leudal,
- [appellant sub 6A] en [appellante sub 6B], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]), beiden wonend te Baexem, gemeente Leudal,
- [appellant sub 7], wonend te Kelpen-Oler, gemeente Leudal,
- [appellant sub 8], wonend te Haler, gemeente Leudal,
- [appellante sub 9], gevestigd te Ell, gemeente Leudal,
- [appellant sub 10], wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,
- [appellant sub 11], wonend te Hunsel, gemeente Leudal,
- [appellant sub 12], wonend te Roggel, gemeente Leudal,
- [appellant sub 13], wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,
- [appellante sub 14], wonend te Roggel, gemeente Leudal,
- [appellante sub 15], gevestigd te Kelpen-Oler, gemeente Leudal,
- [appellante sub 16], gevestigd te Kelpen-Oler, gemeente Leudal,
- [appellante sub 17], gevestigd te Heythuysen, gemeente Leudal,
- [appellant sub 18], wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,
- [appellante sub 19A] en [appellante sub 19B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 19]), beide gevestigd te Haelen, gemeente Leudal,
- [appellant sub 20A] en [appellante sub 20B], beiden wonend te Hunsel, gemeente Leudal,
- [appellant sub 21], wonend te Roggel, gemeente Leudal,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RoyerGeit B.V., gevestigd te Stramproy, gemeente Weert,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HG Beheer B.V., gevestigd te Haelen, gemeente Leudal,
- [appellante sub 24], gevestigd te Heythuysen, gemeente Leudal,
- [appellante sub 25], gevestigd te Baexem, gemeente Leudal,
- [appellante sub 26], gevestigd te Horn, gemeente Leudal, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Horn, gemeente Leudal,
- [appellante sub 27], gevestigd te Grathem, gemeente Leudal,
- [appellant sub 28], handelend onder de naam [bedrijf], wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,
- [appellante sub 29], gevestigd te Heythuysen, gemeente Leudal,
- [appellante sub 30], gevestigd te Neer, gemeente Leudal, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Neer, gemeente Leudal,
- [appellant sub 31], wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,
- [appellante sub 32], gevestigd te Ell, gemeente Leudal,
- [appellante sub 33], gevestigd te Neeritter, gemeente Leudal, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], allen wonend te Neeritter, gemeente Leudal,
- [appellante sub 34], gevestigd te Baexem, gemeente Leudal, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B], [maat C] en [maat D], allen wonend te Baexem, gemeente Leudal,
- [appellant sub 35], handelend onder de naam [boomkwekerij], wonend te Heibloem, gemeente Leudal,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Holmel B.V., gevestigd te Heibloem, gemeente Leudal,
- [appellante sub 37], gevestigd te Hunsel, gemeente Leudal, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], allen wonend te Hunsel, gemeente Leudal,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vokar Onroerend Goed B.V., gevestigd te Heibloem, gemeente Leudal,
- [appellante sub 39], gevestigd te Heibloem, gemeente Leudal,
- [appellant sub 40], wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,
- de stichting Stichting Milieufederatie Limburg, gevestigd te Roermond,
- [appellante sub 42], gevestigd te Roggel, gemeente Leudal, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Roggel, gemeente Leudal,
- [appellant sub 40], wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,
- [appellante sub 44], gevestigd te Heibloem, gemeente Leudal, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Heibloem, gemeente Leudal,
- [appellante sub 45], gevestigd te Grathem, gemeente Leudal, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Grathem, gemeente Leudal,
- [appellante sub 46], wonend te Kelpen-Oler, gemeente Leudal,
- [appellant sub 47], wonend te Kelpen-Oler, gemeente Leudal,
- [appellante sub 48], gevestigd te Kelpen-Oler, gemeente Leudal, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C],
- [appellant sub 49], wonend te Hunsel, gemeente Leudal,
- [appellante sub 50], gevestigd te Haler, gemeente Leudal,
- [appellante sub 51], gevestigd te Hunsel, gemeente Leudal,
- [appellante sub 52], gevestigd te Hunsel, gemeente Leudal,
- [appellante sub 53], gevestigd te Haler, gemeente Leudal,
- [appellant sub 54], wonend te Hunsel, gemeente Leudal,
- [appellant sub 55], wonend te Hunsel, gemeente Leudal,
- [appellante sub 56], gevestigd te Hunsel, gemeente Leudal,
- [appellante sub 57], gevestigd te Ittervoort, gemeente Leudal,
- [appellant sub 58A] en [appellante sub 58B], beiden wonend te Roggel, gemeente Leudal,
- [appellant sub 59], wonend te Haelen, gemeente Leudal,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A], beide gevestigd te Haelen, gemeente Leudal, appellanten, en de raad van de gemeente Leudal, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 25 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" (hierna: het plan) vastgesteld. Tegen dit besluit hebben alle appellanten, behoudens [appellante sub 60A] en [appellant sub 59], beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Bij besluit van 9 september 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Landgoed Leudal" vastgesteld. Bij besluit van 11 november 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Landgoed Leudal" gewijzigd vastgesteld. Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 59] en HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] beroep ingesteld. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal partijen heeft daarop hun zienswijze naar voren gebracht. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaken ter zitting gevoegd behandeld op 22, 23 en 24 september 2015, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen. De raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts is een aantal belanghebbenden als partij gehoord. Overwegingen Toetsingskader
- Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De plannen
- Het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" biedt een juridisch-planologisch kader voor het buitengebied van de gemeente Leudal. Het plan vervangt de door de raad op 25 juni 2013 vastgestelde beheersverordening "Buitengebied". Daarvoor golden voor het plangebied verschillende bestemmingsplannen. Op grond van de beheersverordening behielden de verschillende daarvóór geldende bestemmingsplannen, alsmede de bijbehorende wijzigingsplannen, (partiële) herzieningen, projectbesluiten verleende vrijstellingen/ontheffingen/afwijkingen, met inachtneming van de beheersverordening, materieel bezien hun werking.
- Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hebben de beroepen van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
- De Afdeling merkt de besluiten van de raad van 9 september 2014 en 11 november 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landgoed Leudal" voor het beroep van HG Beheer B.V. aan als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb, nu het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" betrekking heeft op het planonderdeel waarop ook de besluiten van 9 september 2014 en 11 november 2014 zien en waartegen haar beroep gericht is. Intrekking beroep [appellant sub 4]
- Ter zitting heeft [appellant sub 4] zijn beroep tegen het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" ingetrokken. De beroepen tegen het bestemmingsplan "Landgoed Leudal"
- Het bestemmingsplan "Landgoed Leudal" heeft tot doel de bestaande camping aan de Roggelseweg 54 te Haelen om te vormen naar Landgoed Leudal, alwaar verblijfsaccommodaties zullen worden gebouwd ten behoeve van groepsverblijf, outdoor activiteiten en (zakelijke) trainingen. Het beroep van [appellant sub 59]
- Het beroep van [appellant sub 59], woonachtig aan de [locatie 1] te Haelen, is gericht tegen de aanduiding "maximum bebouwingspercentage (%) = 40" die aan het perceel Roggelseweg 54 is toegekend. [appellant sub 59] betoogt dat het bebouwingspercentage van 40% te hoog is in vergelijking met het bebouwingspercentage in het voorheen geldende plan, hetgeen slechts 3% betrof. Het plan maakt een forse toename van bebouwing op het campingterrein mogelijk. Volgens hem heeft de raad dit onvoldoende onderkend. Volgens bijlage 1 van de plantoelichting zal dit met name in de oostelijke richting van het terrein plaatsvinden. Hij vreest als gevolg hiervan voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat vanwege geluidoverlast van aanwezige recreanten en een aantasting van zijn privacy. Voorts vreest hij als gevolg daarvan voor een toename van verkeersstromen. Ten onrechte stelt de raad dat de bebouwing ten opzichte van de bestaande situatie zal verminderen, omdat er nu minder kampeermiddelen op het terrein zullen worden gevestigd. De camping wordt in de bestaande situatie volgens hem minder intensief gebruikt dan waarvan de raad uitgaat. 7.
- Aan het campingterrein is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend en ter plaatse van het bouwvlak is de aanduiding "maximum bebouwingspercentage (%) = 40" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor: a. het uitoefenen van activiteiten gericht op verblijfsrecreatie; [..] met daarbij behorende: g. wegen en paden; h. groenvoorzieningen; i. parkeervoorzieningen; [..]. Ingevolge lid 4.2.1 gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels: a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak; b. het bouwvlak mag worden bebouwd tot maximaal het aangeduide bebouwingspercentage; [..]. 7.
- In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" was aan het campingterrein de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend en ter plaatse van het bouwvlak was de aanduiding "maximum bebouwingspercentage (%) = 3" toegekend. In artikel 20, lid 20.1, aanhef en onder a, j, k en l, en lid 20.2.1, aanhef en onder a en b, van de planregels van dat plan was eenzelfde planregeling opgenomen. 7.
- In paragraaf 3.2 van de plantoelichting staat dat de beoogde invulling van het westelijke deel van het plangebied concreet is. In dit deel is ruimte voor diverse recreatiewoningen, een bedrijfswoning, parkeervoorzieningen en centrale accommodaties. De recreatiewoningen en centrale accommodaties zijn grotendeels al gerealiseerd. Voor het oostelijke deel van het plangebied bestaan nog geen concrete plannen. Uitgangspunt van het plan is daarom dat voldoende flexibiliteit wordt geboden. Voor het gehele terrein geldt een bebouwingspercentage van maximaal 40%, hetgeen ten opzichte van de feitelijke situatie een vermindering met ongeveer 20% verstening betreft. Uit paragraaf 3.3 van de plantoelichting volgt dat het bebouwingspercentage in het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" lager was omdat het terrein van oorsprong een kampeerterrein was. Kampeermiddelen, waaronder stacaravans, zijn geen gebouwen, zodat deze verstening niet onder het bebouwingspercentage viel. De vervanging van oude stacaravans door recreatiewoningen leidt tot een overschrijding van het maximale bebouwingspercentage. Gelet hierop is in het voorliggende plan een hoger bebouwingspercentage opgenomen. In paragraaf 3.4 is vermeld dat de ruimtelijke kwaliteit van het terrein wordt verbeterd met de realisatie van de recreatiewoningen en het verwijderen van vervallen stacaravans. De landschappelijke afscheiding wordt behouden en waar nodig versterkt. De ontwikkeling van Landgoed Leudal leidt derhalve tot een ruimtelijke kwaliteitswinst in het gebied. In bijlage 1 van de plantoelichting is een nadere onderbouwing opgenomen voor het bebouwingspercentage. In deze bijlage staat dat er feitelijk op 60% van het campingterrein kampeermiddelen staan. Het aantal zelfstandige accommodaties zal volgens bijlage 1 van 310 kampeermiddelen naar 184 recreatiechalets dalen. Aan de oostelijke kant van het plangebied zal 40% worden bebouwd; gemiddeld zal 38% van het hele terrein worden bebouwd. 7.
- De raad stelt dat in het voorheen geldende plan reeds een recreatieve bestemming aan het campingterrein was toegekend op grond waarvan een groot aantal standplaatsen voor verblijfsrecreatieve voorzieningen op het perceel was toegestaan. Volgens de raad leidt het verhoogde bebouwingspercentage niet tot een toename van overlast of een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 59]. 7.
- De Afdeling overweegt dat [appellant sub 59] niet heeft onderbouwd waarom de raad dit standpunt in redelijkheid niet heeft kunnen innemen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de planregeling, gelet op de afstand van 60 m van het terrein tot de woning van [appellant sub 59] en de omvang van de toegestane bebouwing, in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij betrekt de Afdeling dat het terrein in een bosrijke omgeving ligt, waardoor het zicht vanaf het terrein op de woning wordt ontnomen. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat de privacy van [appellant sub 59] door de toename van het bebouwingspercentage zal worden aangetast. Voorts heeft [appellant sub 59] niet onderbouwd waarom, gelet op het feit dat het aantal kampeermiddelen zal afnemen, de omstandigheid dat het aantal recreatiechalets zal toenemen, maakt dat hij meer geluidoverlast van recreanten zal ondervinden dan voorheen. Evenmin is gebleken dat deze omstandigheid tot gevolg heeft dat het aantal verkeersbewegingen zal toenemen. Het betoog van [appellant sub 59] faalt.
- [appellant sub 59] betoogt voorts dat er sprake is van strijd met het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (hierna: POL 2006) en het Limburgs Kwaliteitsmenu. Uit het POL 2006 volgt dat versterking van de landschappelijke kwaliteit als randvoorwaarde geldt bij verdere ontwikkeling van toerisme en recreatie, zodat aanvullende maatregelen hadden moeten worden genomen voor de landschappelijke inpassing. De raad is ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat geen sprake is van nieuw ruimtebeslag en dat het Limburgs Kwaliteitsmenu daardoor niet van toepassing is. Naast de toename van het bebouwingspercentage is er sprake van verstening vanwege de aanleg van wegen en parkeergelegenheid. Gelet hierop had de raad aan de in het Limburgs Kwaliteitsmenu opgenomen eisen voor compensatie moeten voldoen. 8.
- In het POL 2006 is het grondgebied van Limburg in verschillende perspectieven verdeeld. Het plangebied ligt buiten de contour plattelandskern van Haelen en in het gebied dat in het POL 2006 is aangeduid als perspectief 4 Vitaal landelijk gebied. De inrichting van gebieden die deel uitmaken van dit perspectief wordt in belangrijke mate bepaald door de landbouw. Daarnaast wordt in deze gebieden extra belang gehecht aan verbreding van de plattelandseconomie, onder meer door het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor de toeristische sector. Via de systematiek van het Limburgs Kwaliteitsmenu dient de ontwikkeling van functies gepaard te gaan met respect voor cultuurhistorie en landschappelijke kwaliteit én versterking van de omgevingskwaliteiten. Gemeenten dienen voorts de ruimtelijke ontwikkeling van niet-grondgebonden landbouw, grootschalige toeristisch-recreatieve functies en functiewijzigingen tot werklocatie of woongebied ter advies aan de provincie voor te leggen. Het Limburgs Kwaliteitsmenu is gebaseerd op de gedachte dat bebouwingsontwikkelingen in het buitengebied leiden tot verlies van omgevingskwaliteit en dat dit verlies op een kwalitatieve manier wordt gecompenseerd. Voor nieuwe recreatieve ontwikkelingen zoals campings en bungalowparken is de module "Gebiedseigen recreatie en toerisme" uit het Limburgs Kwaliteitsmenu van toepassing. Hierin is opgenomen dat de inpassing en de verbetering van de kwaliteit op de locatie van de ontwikkeling zelf voorop staat. Er dient een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing te worden gerealiseerd en voorts dient nieuw groen te worden gerealiseerd ter compensatie. Het Limburgs Kwaliteitsmenu is uitgewerkt in de gemeentelijke "Nota kwaliteit". Indien compensatie op basis van het Limburgs Kwaliteitsmenu noodzakelijk is, is hierin beschreven waaruit dat zou kunnen bestaan. 8.
- Over het betoog over de strijdigheid met het provinciaal beleid neergelegd in het POL 2006 en het Limburgs Kwaliteitsmenu, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet is gebonden aan provinciaal beleid. De raad dient wel met dit beleid rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. In paragraaf 2.2 van de plantoelichting is ingegaan op het POL 2006 en het Limburgs Kwaliteitsmenu. Het plan voorziet volgens de plantoelichting in economische ontwikkelingen zoals nagestreefd wordt in het POL
- Over de landschappelijke kwaliteit is opgenomen dat de ontwikkelingen landschappelijk zijn ingepast. De bestaande groensingel rond het recreatieterrein blijft gehandhaafd, waardoor het terrein is afgeschermd van de openbare weg. De bestaande structuren worden niet aangetast waardoor er geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Voorts staat in de plantoelichting dat het plan voorziet in een nieuwe ontwikkeling, namelijk de omvorming van Camping Leudal naar Landgoed Leudal met de realisatie van onder andere recreatiewoningen, maar dat er geen sprake is van nieuw ruimtebeslag. De recreatiewoningen worden gerealiseerd op een locatie die al een recreatiefunctie heeft en al bebouwd was. Omdat deze functie verder niet wordt uitgebreid, is het Limburgs Kwaliteitsmenu volgens de plantoelichting niet van toepassing. 8.
- In paragraaf 5.2 van het Limburgs Kwaliteitsmenu getiteld "Is het kwaliteitsmenu van toepassing" is het volgende aangegeven: "De soorten van ontwikkelingen waarvoor het Limburgs Kwaliteitsmenu geldt staan beschreven in het POL 2006 en de POL aanvulling Verstedelijking, Gebiedsontwikkeling en Kwaliteitsverbetering. Het kenmerkende voor deze ontwikkelingen is dat het (nieuwe) functies zijn die een nieuw ruimtebeslag leggen op het "maagdelijke" buitengebied en/of met nieuwe verstening en verglazing gepaard gaan. We hebben het dan over nieuwe woningen, nieuwe woongebieden, uitbreidingen van agrarische bedrijven, nieuwe agrarische bedrijven, glastuinbouw, R&T functies, niet-agrarische bedrijven en bedrijventerreinen. Het gaat daarbij zowel om situaties waarbij de bestemming gewijzigd wordt van een ‘landelijke’ naar een ‘stedelijke’ bestemming als om situaties waar door de bestemmingswijziging (bijvoorbeeld door toevoegen van een bouwvlak) mogelijkheden voor nieuwe bebouwing, verstening en verglazing ontstaan." 8.
- De Afdeling stelt vast dat de recreatieve functie van de gronden en de daarbij behorende mogelijkheid tot het aanleggen van wegen en parkeervoorzieningen met het thans aan de orde zijnde plan niet is gewijzigd, maar dat de mogelijkheden voor het oprichten van verblijfsrecreatieve voorzieningen zijn uitgebreid doordat naast kampeermiddelen nu ook recreatiechalets zijn toegestaan. Gelet op de mogelijkheden die het voorheen geldende plan bood, acht de Afdeling het standpunt van de raad dat geen sprake is van nieuw ruimtebeslag niet onredelijk. Niet is gebleken dat de gevolgen van het plan van dien aard zullen zijn dat dit zal leiden tot verlies van omgevingskwaliteit. De Afdeling ziet gelet op de strekking van het provinciale beleid geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het Limburgs Kwaliteitsmenu niet van toepassing is, zodat gelet daarop geen maatregelen ter compensatie als bedoeld in het gemeentelijk beleid "Nota Kwaliteit" hoeven te worden genomen. Voorts heeft de raad onweersproken gesteld dat het provinciebestuur geen bezwaren naar voren heeft gebracht over het plan. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het provinciale beleid onvoldoende bij de belangenafweging heeft betrokken. Het betoog van [appellant sub 59] faalt. Conclusie
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 59] ongegrond. Het beroep van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A]
- HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] betogen dat de raad bij de vaststelling van het plan ten onrechte meer functies onder het begrip centrumvoorzieningen heeft laten vallen. Niet alleen een ondergeschikte functie als detailhandel valt hier nu onder, maar ook een hoofdfunctie als trainingsfaciliteiten. Nu ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder d, van de planregels maximaal 10% van het bouwvlak mag worden bebouwd voor centrumvoorzieningen, is ofwel het begrip centrumvoorzieningen te ruim ofwel de voorwaarde dat slechts 10% van het bouwvlak ten behoeve van centrumvoorzieningen mag worden bebouwd te krap. 10.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het plan het mogelijk maakt om 2.800 m² bebouwing voor centrumvoorzieningen op te richten, hetgeen voldoende mogelijkheid biedt voor het oprichten van bebouwing. De raad acht het wenselijk dat één regeling bestaat voor de voorzieningen die niet op recreatie zijn gericht. Omdat deze voorzieningen alleen ondergeschikt aan de hoofdactiviteit verblijfsrecreatie zijn toegestaan, bestaat geen aanleiding voor meer bouwmogelijkheden. 10.
- Ingevolge artikel 1, lid 1.29, van de planregels wordt onder centrumvoorzieningen verstaan: voorzieningen ten behoeve van en ondergeschikt aan de hoofdfuncties recreatie en training. Centrumvoorzieningen staan ten dienste van personen die op het landgoed verblijven. Het betreft concreet voorzieningen zoals receptie, administratie, trainingsfaciliteiten, detailhandel, restaurantvoorzieningen en opslag. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder e, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor centrumvoorzieningen. Ingevolge lid 4.2.1 gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels: a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak; b. het bouwvlak mag worden bebouwd tot maximaal het aangeduide bebouwingspercentage; (…); d. maximaal 10% van het maximaal te bebouwen oppervlak mag bebouwd worden ten behoeve van centrumvoorzieningen. 10.
- Het bouwvlak is ongeveer 7 ha groot. De gronden in het bouwvlak mogen ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder b, van de planregels in samenhang met de aan het terrein toegekende aanduiding "maximum bebouwingspercentage (%) = 40" voor 40% worden bebouwd met gebouwen, hetgeen 2,8 ha betreft. Maximaal 10% hiervan mag ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder d, worden bebouwd ten behoeve van centrumvoorzieningen, hetgeen 2.800 m² betreft. In het ontwerpplan was het perceel ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder f, van de planregels mede voor trainingsaccommodaties bestemd, zodat 40% van de gronden kon worden bebouwd ten behoeve van trainingsaccommodaties. De raad heeft ter zitting toegelicht dat training in het vastgestelde plan abusievelijk niet meer in artikel 4, lid 4.1, als hoofdfunctie is bestemd en trainingsfaciliteiten in artikel 1, lid 1.29, abusievelijk als centrumvoorzieningen zijn aangeduid. Niet is beoogd om slechts de beperkte bouwmogelijkheid in artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder d, van de planregels op trainingsaccommodaties van toepassing te laten zijn. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] slaagt.
- HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] betogen dat kortlopende evenementen zonder nadere motivering niet meer zijn toegestaan, terwijl het voorheen geldende plan "Buitengebied Leudal" dit wel toestond. 11.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" een plan is voor een groot gebied, zodat veel algemene regels zijn opgenomen. In het voorliggende plan is een bestemming op maat toegekend. De raad acht het toestaan van kortlopende evenementen niet wenselijk. Daarbij wijst hij erop dat de evenementen in het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" waren beperkt tot driemaal per jaar, terwijl in het ontwerp van het voorliggende plan een onbeperkt aantal evenementen was toegestaan, welk ruim gebruik niet wenselijk wordt geacht. 11.
- Ingevolge artikel 1, lid 1.84, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" wordt onder kortlopend evenement verstaan: een evenement met een duur van maximaal 7 dagen, inclusief het opbouwen en afbreken. Ingevolge artikel 20, lid 20.1, aanhef en onder d, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel. 11.
- In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De Afdeling overweegt dat de raad niet inzichtelijk heeft kunnen maken waarom hij het thans niet meer wenselijk acht om driemaal per jaar kortlopende evenementen op het terrein toe te staan overeenkomstig het voorheen geldende plan. Het betoog van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] slaagt.
- HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] kunnen zich niet verenigen met de planregeling voor het huisvesten van arbeidsmigranten. De reeds gebouwde chalets bieden plaats aan 375 personen, terwijl nu slechts 225 personen mogen worden gehuisvest. Volgens hen is niet onderbouwd waarom het toegestane aantal arbeidsmigranten met 150 personen is verminderd, terwijl het gebruik van de chalets voor de huisvesting van arbeidsmigranten in het kader van de verleende vergunningen voor de chalets is toegestaan door het college van burgemeester en wethouders. Daarbij is nadrukkelijk toegezegd dat het aantal te huisvesten arbeidsmigranten niet zal worden verminderd. Zonder de inkomsten daarvan is het plan niet uitvoerbaar. HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] betogen voorts dat artikel 4, lid 4.5.2, aanhef en onder e, van de planregels, waarin is bepaald dat huisvesting van arbeidsmigranten alleen op de begane grond mag plaatsvinden, onnodig bezwarend is en dat een ruimtelijke onderbouwing hiervoor ontbreekt. 12.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het huisvesten van arbeidsmigranten planologisch niet was toegestaan of anderszins was gelegaliseerd, zodat geen sprake is van gevestigde rechten. HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] waren volgens de raad oorspronkelijk niet voornemens om arbeidsmigranten te huisvesten. Vanwege de vertraging in de procedure is de ruimte geboden om arbeidsmigranten op het terrein te huisvesten, maar hieruit kan niet worden geconcludeerd dat de huisvesting van arbeidsmigranten noodzakelijk is voor de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Volgens de raad kan de concentratie van huisvesting van arbeidsmigranten tot ontwrichting van het woon- en leefklimaat van de nabijgelegen kernen leiden. Gelet daarop is het aantal gemaximeerd op 225 arbeidsmigranten. 12.
- De aanduiding "specifieke vorm van wonen - arbeidsmigranten" is aan het westelijke deel van het terrein toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - arbeidsmigranten" bestemd voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Ingevolge lid 4.5.2 gelden met betrekking tot de huisvesting van arbeidsmigranten de volgende regels: a. huisvesting van arbeidsmigranten is uitsluitend toegelaten ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - arbeidsmigranten"; b. het aantal arbeidsmigranten dat gehuisvest mag worden bedraagt niet meer dan 225; […]; e. huisvesting van arbeidsmigranten is enkel mogelijk op de begane grond; […]. 12.
- Voor de bouw van de recreatiechalets zijn op 5 april 2011 en op 5 februari 2013 omgevingsvergunningen voor bouwen verleend. Hiermee zijn twaalf chalets en vier groepchalets onderscheidenlijk vijftien chalets en drie groepchalets voor het westelijke deel van het terrein dat als fase 1A en fase 1B wordt aangeduid, vergund. De Afdeling stelt vast dat de huisvesting van arbeidsmigranten ingevolge het ten tijde van de verleende omgevingsvergunningen geldende plan "Buitengebied Haelen" niet was toegestaan op het campingterrein. Voorts is niet gebleken dat een ontheffing voor de huisvesting van arbeidsmigranten is verleend op grond van artikel 9 van het destijds tevens geldende paraplubestemmingsplan "Buitengebied Leudal" uit
- Uit de verleende omgevingsvergunningen volgt niet dat deze uitdrukkelijk het beoogde gebruik van de chalets voor de huisvesting van arbeidsmigranten omvatten. Dit specifieke gebruik blijkt evenmin uit de aanvragen voor de omgevingsvergunningen. Gelet hierop kunnen de omgevingsvergunningen niet worden beschouwd als een zogenoemde impliciete vrijstelling voor een dergelijk gebruik en is in zoverre geen sprake van bestaande rechten. 12.
- De raad heeft bij de vaststelling van een bestemmingsplan beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft de huisvesting van arbeidsmigranten blijkens artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder f, van de planregels uitdrukkelijk willen toestaan op gronden met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie", maar tegelijkertijd het aantal willen beperken tot maximaal 225 personen. De reden hiervoor is dat de raad vreest voor ontwrichting van het woon- en leefklimaat in de omliggende kernen indien de huisvesting van meer arbeidsmigranten wordt toegelaten. Volgens HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] bieden de chalets plaats aan 375 personen. Uit het door HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] overgelegde verslag van een overleg op 19 oktober 2012 met een aantal ambtenaren en wethouders van de gemeente Leudal volgt dat is afgesproken dat de chalets op de gronden van fase 1A, waarvoor de omgevingsvergunning op 5 april 2011 is verleend, mogen worden gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Dit gebruik is en blijft ook daarna overeenkomstig gemeentelijk beleid binnen de recreatieve bestemming in vergelijkbare omvang als ondergeschikte activiteit mogelijk. Uit een brief van het college van burgemeester en wethouders van 11 maart 2013 volgt voorts dat deze afspraak ook geldt voor de chalets op de gronden van fase 1B, waarvoor de omgevingsvergunning van 5 februari 2013 is verleend. De Afdeling overweegt dat de raad het aantal te huisvesten arbeidsmigranten op een recreatieterrein in het kader van de goede ruimtelijke ordening in een bestemmingsplan kan reguleren, maar dat de raad in dit geval, mede gelet op de correspondentie van het college van burgemeester en wethouders met HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A], niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom vanuit ruimtelijk oogpunt maximaal 225 arbeidsmigranten op het terrein mogen worden gehuisvest. De ter zitting door de raad ingenomen stelling dat het onderwijs kan worden overbelast door een groot aantal kinderen van arbeidsmigranten, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. Voor het overige is niet onderbouwd op welke wijze het woon- en leefklimaat in de omliggende kernen door de huisvesting van méér dan 225 arbeidsmigranten zal worden aangetast. Het betoog van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] slaagt. 12.
- Wat betreft de bepaling dat huisvesting van arbeidsmigranten alleen op de begane grond is toegestaan, heeft de raad ter zitting toegelicht dat hij hiermee wenst te voorkomen dat een te groot aantal arbeidsmigranten op het terrein wordt gehuisvest. De Afdeling is van oordeel dat een dergelijke bepaling geen toegevoegde waarde heeft als reeds in het plan is vastgelegd hoeveel arbeidsmigranten maximaal mogen worden gehuisvest. Nu niet anderszins is onderbouwd waarom de huisvesting tot de begane grond is beperkt, is het plan in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Het betoog van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] slaagt.
- HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] betogen dat de in artikel 4, lid 4.5.2, aanhef en onder f, van de planregels gestelde eis dat sprake moet zijn van een volwaardig recreatiebedrijf indien arbeidsmigranten worden gehuisvest rechtsonzeker is. Niet duidelijk is wat hieronder moet worden verstaan. Voorts is deze planregel onredelijk en worden hiermee de gemaakte afspraken over huisvesting van arbeidsmigranten miskend. Het huisvesten van de arbeidsmigranten is de economische drager voor de transformatie van de camping naar het landgoed en hiermee kunnen eventuele toekomstige tegenslagen worden opgevangen. Voorts is volgens HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] niet duidelijk wat met artikel 4, lid 4.5.4, van de planregels wordt bedoeld. Voor zover is bedoeld dat het deel waarin de arbeidsmigranten worden gehuisvest niet zelfstandig mag worden geëxploiteerd, is dit ruimtelijk niet relevant. 13.
- Ingevolge artikel 4, lid 4.5.2, aanhef en onder f, van de planregels geldt met betrekking tot de huisvesting van arbeidsmigranten dat er sprake is van een volwaardig recreatiebedrijf. Ingevolge lid 4.5.4 moeten de in het plangebied genoemde deelgebieden onlosmakelijk in dit bestemmingsplan met elkaar verbonden blijven en geëxploiteerd worden. 13.
- Uit het verweerschrift en het gestelde ter zitting volgt dat de raad zich op het standpunt stelt dat deze planregels ertoe strekken te verzekeren dat op het terrein één recreatieve onderneming is gevestigd, waar de huisvesting van arbeidsmigranten een ondergeschikt deel van uitmaakt. Hiermee wordt voorkomen dat het terrein alleen voor huisvesting van arbeidsmigranten in gebruik is. De Afdeling is van oordeel dat uit voormelde planregels niet duidelijk volgt dat de raad dit heeft beoogd. In deze planregels is niets opgenomen over de verhouding tussen de verschillende in artikel 4, lid 4.1, van de planregels toegestane activiteiten. Zonder nadere objectivering in artikel 4, lid 4.5.4, kan voorts niet worden vastgesteld wanneer de in het plangebied genoemde deelgebieden onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Voorts zijn de zogenoemde deelgebieden niet nader in de planregels aangeduid, zodat ook niet duidelijk is welke gronden dit betreft. Het plan is gelet op het voorgaande in zoverre in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld. Het betoog van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] slaagt.
- HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] betogen dat ten onrechte voor het huisvesten van arbeidsmigranten een voorwaardelijke verplichting is opgenomen in artikel 4, lid 4.5.3, onder a, van de planregels. Het aanbrengen van een fysieke scheiding tussen de verschillende functies is overbodig en onredelijk bezwarend. Voorts heeft dit tot gevolg dat in een periode waarin weinig arbeidsmigranten zullen worden gehuisvest, dit deel van het terrein onbenut moet blijven. Zij pleiten voor een dynamische scheiding of voor de verplichting arbeidsmigranten te huisvesten op een aaneengesloten deel van het terrein. Voorts is deze bepaling rechtsonzeker, omdat niet duidelijk is wie het bevoegd gezag is, niet duidelijk is waaraan het betreffende inrichtingsplan wordt getoetst en binnen welke termijn goedkeuring hiervoor wordt gegeven. 14.
- De raad stelt zich op het standpunt dat met een fysieke scheiding is gewaarborgd dat de verschillende functies op het terrein niet kunnen mengen, hetgeen ten koste kan gaan van de hoofdfunctie verblijfsrecreatie. 14.
- Ingevolge artikel 4, lid 4.5.3, onder a, van de planregels is het niet toegestaan de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - arbeidsmigranten" te gebruiken voor de huisvesting van arbeidsmigranten zonder dat op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd inrichtingsplan een fysieke scheiding is aangebracht tussen de huisvesting van arbeidsmigranten en de overige hoofdfuncties, recreatie en training. 14.
- De raad heeft er bij de vaststelling van het plan voor gekozen een fysieke scheiding van de in het plan mogelijk gemaakte functies zeker te stellen door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in artikel 4, lid 4.5.3, onder a, van de planregels. De raad acht het huisvesten van arbeidsmigranten alleen ruimtelijk aanvaardbaar indien dat op een gescheiden deel van het terrein plaatsvindt. Nu dit gebruik met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - arbeidsmigranten" in samenhang met artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder f, van de planregels alleen op het westelijke deel van het terrein is toegestaan, is onvoldoende onderbouwd waarom de voorwaardelijke verplichting noodzakelijk is voor de ruimtelijke aanvaarbaarheid. Voorts stellen HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] terecht dat deze regeling tot gevolg heeft dat, in het geval slechts een deel van de chalets op het afgescheiden terrein voor de huisvesting van arbeidsmigranten wordt gebruikt, de overige chalets niet voor verblijfsrecreatie kunnen worden gebruikt en deze regeling daarom leegstand tot gevolg kan hebben. De raad heeft dit niet onderkend. Artikel 4, lid 4.5.3, onder a, van de planregels biedt daarnaast geen duidelijkheid over de omvang, hoogte en vorm van de fysieke scheiding die ter plaatse moet worden aangelegd, nu het plan niet voorziet in concrete normen waaraan moet worden voldaan. Evenmin is duidelijk wie in dit geval het bevoegd gezag betreft. Het plan is gelet op het voorgaande in zoverre voorts in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld. Het betoog van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] slaagt.
- HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] betogen dat de maximale bouwhoogte voor gebouwen ten onrechte 5,80 m bedraagt. Een motivering voor een verlaging hiervan ten opzichte van het ontwerpplan en het verwijderen van een afwijkingsbevoegdheid voor een hogere bouwhoogte ontbreekt. Volgens hen is er nauwelijks zicht op het terrein omdat het plangebied een besloten bosachtig karakter heeft. Met een bouwhoogte van 5,80 m kan maar één bouwlaag worden gebouwd, hetgeen geen reële exploitatiemogelijkheden biedt. 15.
- De raad stelt zich op het standpunt dat voor de maatvoering is aangesloten bij de reeds vergunde recreatiechalets. Mede gelet op de ligging van het terrein aan de rand van het Natura 2000-gebied Leudal is deze maatvoering voldoende. 15.
- Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder c, van de planregels geldt voor het bouwen van gebouwen dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5,80 m. 15.
- Ter zitting heeft de raad toegelicht dat een hogere bouwhoogte een nadelig effect kan hebben op vogels en vleermuizen. De Afdeling is van oordeel dat de raad met deze stelling, die niet nader is onderbouwd, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de bouwhoogte, in tegenstelling tot het ontwerpplan waarin een bouwhoogte van 8 m was opgenomen met een afwijkingsbevoegdheid voor 12 m, is verlaagd naar 5,80 m. Dat de bestaande chalets een dergelijke bouwhoogte hebben, leidt niet tot het oordeel dat hogere bebouwing op andere delen van het terrein onaanvaardbaar is. Daarbij betrekt de Afdeling de niet bestreden stelling van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] dat het plangebied een besloten bosachtig karakter heeft, zodat het uitzicht van omwonenden hierdoor niet wordt belemmerd, en dat met deze bouwhoogte is uitgesloten dat twee bouwlagen kunnen worden gebouwd. Het betoog van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] slaagt.
- HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] kunnen zich niet verenigen met de gewijzigde vaststelling van de grenzen van het bestemmingsplan wat betreft hun perceel ten oosten van het plangebied. Hierdoor is de wijzigingsbevoegdheid die voorzag in de mogelijkheid de aan de gronden toegekende aanduiding "volkstuin" te verwijderen ten behoeve van de uitbreiding van de verblijfsrecreatieve voorziening komen te vervallen. Volgens hen bestaat vanwege de eigendomsverhouding en de functionaliteit samenhang tussen dit perceel en het plangebied. 16.
- Het perceel was in het ontwerpplan in het plangebied opgenomen. Hieraan was de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "volkstuin" toegekend. Voorts was een wijzigingsbevoegdheid opgenomen op grond waarvan de aanduiding "volkstuin" kon worden verwijderd en het bouwvlak kon worden vergroot ten behoeve van de uitbreiding van de verblijfsrecreatieve voorziening. Nu het perceel niet meer in het plangebied is opgenomen, is het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" het ter plaatse geldende plan. In dat plan is de bestemming "Recreatie - Volkstuin" aan het perceel toegekend. 16.
- De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de raad ingevolge amendement 9 behorend bij het raadsbesluit meent dat een dergelijke uitbreiding via een afzonderlijke procedure zou moeten worden gerealiseerd. Niet is gebleken van een zodanige samenhang tussen het plangebied en het perceel ten oosten daarvan dat een planologische regeling voor deze locatie niet in een ander bestemmingsplan kan worden opgenomen. Dat de gronden in het plangebied en het betreffende perceel allebei eigendom zijn van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] is daarvoor onvoldoende. Het betoog van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] faalt. Conclusie
- In hetgeen HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft: a. het woord trainingsfaciliteiten in de derde zin van artikel 1, lid 1.29, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb; b. artikel 4, lid 4.1, van de planregels, voor zover training niet als hoofdfunctie is bestemd, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb; c. artikel 4, lid 4.1, van de planregels, voor zover kortlopende evenementen niet zijn toegestaan, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb; d. artikel 4, lid 4.5.2 aanhef en onder b, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb; e. artikel 4, lid 4.5.2, aanhef en onder e, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb; f. artikel 4, lid 4.5.2, aanhef en onder f, van de planregels is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel; g. artikel 4, lid 4.5.4, van de planregels is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel; h. artikel 4, lid 4.5.3, onder a, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb en met het rechtszekerheidsbeginsel; i. artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder c, van de planregels in genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van HG Beheer B.V. en [appellante sub 60A] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De beroepen tegen het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" Het beroep van HG Beheer B.V.
- Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landgoed Leudal", voor zover daarbij de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" is toegekend, wordt met deze uitspraak onherroepelijk. Hieruit volgt dat voor het perceel aan de Roggelseweg 54 te Haelen niet wordt teruggevallen op het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal", zodat aan dat plan in zoverre geen betekenis meer toekomt. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van het beroep van HG Beheer B.V. tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" is het beroep van HG Beheer B.V. tegen dat besluit niet-ontvankelijk. Het beroep van de Stichting Milieufederatie Limburg Intrekking
- Ter zitting heeft de Stichting Milieufederatie haar beroepsgronden omtrent het toestaan van warmte-koudeopslag, biomassaverbranding en -vergisting ingetrokken. Stikstofdepositie
- De Stichting Milieufederatie betoogt dat het plan in strijd is met artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), omdat niet kan worden uitgesloten dat het plan leidt tot significant negatieve effecten op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden door toename van de stikstofdepositie. Daartoe voert zij aan dat geen van de alternatieven die in het stuk "Passende beoordeling in het kader van de natuurbeschermingswet 1998, artikel 19j" van 23 oktober 2013 (hierna: de Passende Beoordeling) en in het PlanMER van 11 november 2013 (hierna: het PlanMER) zijn onderzocht een uitvoerbaar alternatief is in de zin van de Nbw 1998, omdat alle alternatieven leiden tot significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden. Daarbij is volgens haar van belang dat de raad niet van de feitelijke situatie is uitgegaan, maar van de vergunde situatie terwijl aannemelijk is dat een deel van de vergunde rechten niet wordt benut. De beperkingen die in de planregels worden gesteld bieden volgens de Stichting Milieufederatie onvoldoende zekerheid dat significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. In dat kader voert zij aan dat bij verschillende ontwikkelingen die elk een toename van de ammoniakemissie tot gevolg hebben ook in onderlinge samenhang met andere ontwikkelingen naar de gevolgen voor de Natura 2000-gebieden moet worden gekeken. Daarbij verwijst de Stichting Milieufederatie naar de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2012 in zaak nr. 201109053/1/R
- Tevens is volgens haar het begrip "bestaande veestapel" onvoldoende duidelijk omschreven, omdat niet is aangegeven wat beschouwd dient te worden als peildatum voor het vaststellen van de omvang van de bestaande veestapel. Voorts betoogt zij dat de maatregelen in de vorm van compensatie door minimaal gelijkwaardige vermindering van de kwetsbaarheid van de habitat te realiseren door het treffen van inrichtings- en beheermaatregelen, geen mitigerende maatregelen zijn. Daarmee is volgens haar immers niet verzekerd dat de stikstofdepositie per saldo niet zal toenemen. 20.
- De raad stelt zich op het standpunt dat via de regeling van strijdig gebruik is gewaarborgd dat geen significante effecten op de Natura 2000-gebieden plaatsvinden. Bij de beoordeling van de feitelijke situatie is volgens de raad de vergunde situatie als uitgangspunt genomen, maar omdat doorgaans minder dieren op een bedrijf aanwezig zijn dan waarvoor vergunning is verleend is daarop een correctie toegepast aan de hand van de meitellingen en de functionele leegstand. Voorts kunnen volgens de raad ook inrichtings- en beheermaatregelen als mitigerende maatregelen in de zin van artikel 19kd van de Nbw 1998 gelden. 20.
- Ingevolge artikel 1, lid 1.32, van de planregels wordt onder het begrip "bestaande veestapel" verstaan: ten aanzien van het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van het houden van vee bestaand ten tijde van de peildatum bepaald bij of krachtens de Nbw
- Ingevolge artikel 3, lid 3.5.6, aanhef en onder j, artikel 4, lid 4.5.5, aanhef en onder j, artikel 5, lid 5.5.4, aanhef en onder j, en artikel 6, lid 6.5.3, aanhef en onder j, van de planregels wordt tot strijdig gebruik van gronden en bouwwerken naast het bepaalde in artikel 49, lid 49.1, in elk geval gerekend het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel waarbij een toename plaatsvindt van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, als de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten bij gevolg kan verslechteren of er een significant effect kan zijn op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. Ingevolge artikel 7, lid 7.5.4, aanhef en onder j, wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" naast het bepaalde in artikel 48 (lees: 49) in elk geval gerekend het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding van de bestaande veestapel waarbij een toename plaatsvindt van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, als de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten bij gevolg kan verslechteren of er een significant effect kan zijn op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. Ingevolge lid 3.6.4, lid 4.6.4, lid 5.6.4, lid 6.6.4 en lid 7.6.4, aanhef en onder k, kan het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) met een omgevingsvergunning afwijken van de planregeling dat de gronden met de aanduiding "intensieve veehouderij" tevens zijn bestemd voor stalruimte voor het huisvesten van dieren ten behoeve van de uitoefening van intensieve veehouderij, voor het gebruik van de gronden buiten de aanduiding "intensieve veehouderij" voor intensieve veehouderij, onder de voorwaarden dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. Ingevolge lid 3.6.7, lid 4.6.7, lid 5.6.7, lid 6.6.7 en lid 7.6.7 kan het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) met een omgevingsvergunning afwijken van de hiervoor genoemde planregels in die zin dat bij een uitbreiding van de veestapel op een agrarisch bedrijf de ammoniakemissie toeneemt, mits: a. bij gebruik van nieuwe stalruimte de beste beschikbare technieken worden toegepast om emissie van ammoniak te beperken en de toename van de ammoniakemissie wordt gecompenseerd door middel van mitigerende maatregelen, of anderszins wordt aangetoond dat de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten bij gevolg niet zal verslechteren en er geen significant verstorend effect zal zijn op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. Onder een mitigerende maatregel als hiervoor bedoeld wordt mede begrepen:
- compensatie door middel van een minimaal gelijkwaardige afname van de bestaande depositie op hetzelfde kwetsbare gebied, afkomstig van één of meer andere agrarische bedrijven;
- compensatie door middel van het realiseren van een minimaal gelijkwaardige vermindering van de kwetsbaarheid van de betreffende habitat, door het (doen) treffen van inrichting- en beheermaatregelen. Ingevolge lid 3.7.1 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" voor uitbreiding en vormverandering van het bouwvlak eventueel in combinatie met uitbreiding en vormverandering van de aanduiding "intensieve veehouderij", onder meer onder de voorwaarde dat er geen sprake is van een significante toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. Ingevolge lid 3.7.2 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw" voor uitbreiding en vormverandering van het bouwvlak eventueel in combinatie met de uitbreiding en vormverandering van de aanduiding "glastuinbouw", onder meer onder de voorwaarde dat er geen sprake is van een significante toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. Ingevolge lid 4.8.1, lid 5.8.1, lid 6.8.1 en lid 7.8.1 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" voor uitbreiding en/of vormverandering van het bouwvlak, onder de voorwaarde dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. Ingevolge lid 4.8.2, lid 5.8.2 en lid 7.8.2 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw" voor uitbreiding en/of vormverandering van het bouwvlak, onder meer onder de voorwaarde dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. Ingevolge lid 3.7.3, lid 4.8.3, lid 5.8.3, lid 6.8.2 en lid 7.8.3 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen ter plaatse van de gronden zonder de aanduiding "intensieve veehouderij" of "glastuinbouw" voor uitbreiding en vormverandering van het bouwvlak, onder de voorwaarde dat er geen sprake is van een significante toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. Ingevolge lid 3.7.5, lid 4.8.5, lid 5.8.3, lid 6.8.4 en lid 7.8.5 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen door het toevoegen van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - intensieve graasdierveehouderij", onder de voorwaarde dat er geen sprake is van een significante toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. 20.
- Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied. Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Ingevolge het derde lid wordt het besluit, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, alleen genomen indien is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 19g. Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, slechts worden verleend indien het college van burgemeester en wethouders zich op grond van de passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast. 20.
- Binnen het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Leudal. Het plangebied ligt in de directe omgeving van de Natura 2000-gebieden Deurnsche Peel en Mariapeel, Grensmaas, Groote Peel, Meinweg, Roerdal, Sarsven en De Banen, Swalmdal, Weerter- en Budelerbergen en Ringselven, Hamonterheide, Hageven, Buitenheide, Stamprooierbroek en Mariahof, Uiterwaarden langs de Limburgse Maas met Vijverbroek, Itterbeek met Brand, Jagersborg en Schootsheide, Abeek met aangrenzende moerasgebieden, Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg, Wälder und Heiden bei Brüggen-Bracht, Lüsekamp und Boschbeek en Elmpter Schwalmbruch. Deze gebieden zijn Natura 2000-gebieden als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder n, van de Nbw
- In het deskundigenrapport staat dat voor de dichtst bij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden de huidige concentratie aan stikstof de kritische depositiewaarde overstijgt voor het gebied Uiterwaarden langs de Limburgse Maas met Vijverbroek, voor de gebieden Leudal en Swalmdal in ruime mate en voor de gebieden Sarsven en De Banen en de Groote Peel in zeer ruime mate. In het deskundigenbericht staat verder dat in de begripsomschrijving van "bestaande veestapel" noch in andere planregels is aangegeven hoe de omvang van de bestaande veestapel wordt bepaald (bijvoorbeeld of wordt aangesloten bij eventuele verleende vergunningen, dan wel wordt gekeken hoeveel vee feitelijk aanwezig is). Het gebruik van gebouwen en overkappingen voor het houden van vee op het moment van de peildatum blijkt ook niet uit een gemeentelijke inventarisatie. In artikel 49, lid 49.1.1, van de planregels is bepaald dat bestaand legaal gebruik niet als strijdig gebruik wordt aangemerkt. Uit deze regels over strijdig gebruik lijkt te volgen dat een legaal gerealiseerd gebruik van een gebouw of overkapping voor de uitbreiding van de bestaande veestapel in ieder geval niet strijdig is met het plan als dat gebruik niet heeft geleid tot een toename van de ammoniakemissie, de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten niet is verslechterd of er geen significant effect was op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. Indien er wel sprake is geweest van bijvoorbeeld een toename van ammoniakemissie van het bedrijf (die wellicht als gevolg van saldering niet tot significante effecten heeft geleid), dan lijkt niet zonder meer uitgesloten dat dit gebruik van gebouwen en overkappingen voor een uitbreiding van de veestapel toch als strijdig gebruik wordt aangemerkt. Het plan maakt echter niet duidelijk of en waar de hiervoor geschetste situaties zich voordoen in het plangebied. 20.
- Vanwege de mogelijke gevolgen van het plan voor de Natura 2000-gebieden is een passende beoordeling verricht. In de Passende Beoordeling staat dat de autonome, huidige, situatie is gebaseerd op het aantal agrarische bedrijven in het buitengebied van Leudal gecorrigeerd naar de situatie conform het besluit huisvesting. Het vergunningenbestand van de gemeente vormt het uitgangspunt. De in de vergunningen of meldingen opgenomen veebezetting kan niet worden gebruikt als veebezetting die feitelijk aanwezig is op de bedrijven. Het is algemeen bekend dat er minder dieren op veehouderijbedrijven aanwezig zijn dan waar een vergunning voor is verleend of melding is gedaan. De informatie van CBS, gebaseerd op de meitellingen, geeft een actueel beeld, maar het nadeel is dat de tellingen een momentopname betreffen. Door factoren in de bedrijfsvoering en door toevallige factoren kan dit afwijken van een gemiddelde situatie. Eén van die factoren is de functionele leegstand. Dit betreft de gemiddelde onderbezetting door bedrijfsfactoren zoals afvoer van slachtrijpe dieren en tijdelijke leegstand in verband met onderhoud en reinigen. In de door Anteagroup opgestelde notitie "Aanvullende informatie planMER en bestemmingsplan" van 5 februari 2014 (hierna: de Aanvulling op het PlanMER) is in bijlage A weergegeven hoe de huidige situatie is bepaald, waarbij in een schema per diersoort is aangegeven hoe de cijfers van het CBS zijn verwerkt. Voorts staat in de Passende Beoordeling dat gezien de gemiddeld hoge achtergronddepositie en de vele kritische habitattypen met een lage kritische depositiewaarde in vrijwel alle Natura 2000-gebieden voor vrijwel alle Natura 2000-gebieden in de huidige situatie een overschrijding optreedt. Vervolgens wordt geconcludeerd dat in alle beschouwde Natura 2000-gebieden in het geval van realisatie van het maximale scenario volgens het bestemmingsplan sprake is van een meestal aanmerkelijke toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie. Gezien de hoogte van de achtergronddepositie en de kritische depositiewaarden zal de maximale planbijdrage leiden tot een verdere aantasting van de kwaliteit van de actueel aanwezige habitattypen en doorvertalend ook voor de gevoelige leefgebieden. Omdat de meeste Natura 2000-gebieden grotendeels bestaan uit voor stikstof zeer gevoelige en gevoelige habitats, kan niet worden uitgesloten dat de natuurlijke kenmerken van de habitattypen en leefgebieden van soorten worden aangetast en dat het bereiken van een goede staat van instandhouding wordt belemmerd door de maximale planbijdrage, aldus de Passende Beoordeling. In het PlanMER staat dat van de acht mogelijk oplossingen slechts één oplossing aanvaardbaar is voor de raad, te weten het verbinden van voorwaarden aan bouwregels of aan planregels die activiteiten toestaan die een toename van de ammoniakemissie tot gevolg kunnen hebben. In de plantoelichting staat dat in het PlanMER is beargumenteerd dat mitigerende maatregelen met name noodzakelijk zijn om emissies vanuit de landbouw te reduceren. Deze maatregelen kunnen veelal niet op planniveau voorgeschreven worden. 20.
- Gezien de bestemmingsbepalingen en de bouwregels in de artikelen 3, 4, 5, 6 en 7 van de planregels, zoals hiervoor weergegeven, biedt het plan in beginsel mogelijkheden voor uitbreiding van de bebouwing ten behoeve van veehouderijen. Toename van de bebouwing ten behoeve van veehouderijen kan, in algemene zin, leiden tot uitbreiding van de veebezetting, tot een hogere ammoniakemissie en dus ook tot een hogere depositie van ammoniak op de betrokken Natura 2000-gebieden. Het is niet uitgesloten dat een dergelijke stijging van de depositie, als deze zich zou voordoen, leidt tot gevolgen van betekenis voor de habitats en soorten waarvoor de betrokken gebieden zijn aangewezen. Een planregeling die een toename van agrarische bedrijfsbebouwing mogelijk maakt is, in het licht van de artikelen 19j en volgende van de Nbw 1998 dan ook alleen aanvaardbaar als is verzekerd dat ondanks die toename geen uitbreiding van de veebezetting of toename van ammoniakemissie vanaf het bedrijfsperceel, of op een andere manier wordt verzekerd dat geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden zal optreden. De vraag zal dan ook moeten worden beantwoord of de in het plan vastgelegde regeling, en meer in het bijzonder de specifieke gebruiksverboden, de afwijkingsbevoegdheden en de wijzigingsvoorwaarden in de artikelen 3, 4, 5, 6 en 7, op dit punt de benodigde mate van zekerheid kunnen geven. 20.
- Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling inzake artikel 19j van de Nbw 1998, bijvoorbeeld de uitspraak van 5 december 2012 in zaak nr. 201109053/1/R2, volgt dat voor de beoordeling van de vraag of een plan leidt tot significante gevolgen moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan als referentiekader. Uit de Passende Beoordeling en de Aanvulling op het PlanMER volgt dat de raad bij het bepalen van de huidige situatie niet slechts van het vergunningenbestand is uitgegaan, maar daarbij - anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2012 aan de orde was - gegevens van het CBS die volgen uit de meitellingen heeft betrokken en daarop een correctie heeft toegepast vanwege functionele leegstand. In hetgeen de Stichting Milieufederatie heeft gesteld ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad de referentiesituatie onjuist heeft vastgesteld. 20.
- Wat betreft het standpunt van de raad dat via de regeling van het strijdig gebruik ingevolge artikel 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels is gewaarborgd dat het plan geen negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden zal hebben, overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling heeft in de uitspraak van 6 augustus 2014, in zaak nr. 201207794/1/R4 (www.raadvanstate.nl), die is verduidelijkt met de uitspraak van 6 mei 2015, in zaak nrs. 201307326/1/R4 en 201307331/1/R4, reeds omtrent een vergelijkbare planregeling geoordeeld. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt getoetst aan de bouwregels en de bestemming. De bestemming kan, zoals in dit geval, nader worden ingevuld door de specifieke gebruiksregels door daarin een concrete uitleg te geven van het gebruik dat met die bestemming in overeenstemming is. Het in de planregels opgenomen gebruiksverbod dient dan ook te worden betrokken bij de toets of het aangevraagde in overeenstemming is met de bestemming. De gebruiksverboden verbieden uitbreiding van de bestaande veestapel voor zover een dergelijke uitbreiding leidt tot een toename van ammoniakemissie, als de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten bij gevolg kan verslechteren of er een significant effect kan zijn op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. Met deze bewoordingen is, zo begrijpt de Afdeling, kennelijk bedoeld aan te sluiten bij de bewoordingen van artikel 19j, eerste lid. Het gevolg van de door de raad gekozen regeling is dat de beoordeling of, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken gebieden, verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan optreden of zich een significant verstorend effect kan voordoen op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, plaatsvindt bij de beoordeling of wordt gehandeld in strijd met het gebruiksverbod, waarbij kan worden gedacht aan de vraag of een omgevingsvergunning verleend kan worden en de vraag of wel of niet handhavend kan of moet worden opgetreden. Omdat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is tot handhaving van de regels van een bestemmingsplan, vindt in een dergelijk geval de beoordeling of de zojuist bedoelde effecten zich zullen kunnen voordoen plaats door dat college. Uit de bewoordingen van artikel 19j, eerste, tweede en derde lid, volgt echter dat de daar bedoelde beoordelingen moeten worden verricht voordat het desbetreffende plan wordt vastgesteld, en dat ze moeten worden verricht door het bestuursorgaan dat bevoegd is het besluit tot vaststelling te nemen; in het geval van een bestemmingsplan dus door de raad. De beoordeling of het plan enig verslechterend of significant verstorend effect kan hebben, de beoordeling of het plan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben en de beoordeling of de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast, kunnen derhalve niet pas plaatsvinden bij de toepassing van het gebruiksverbod. De zinsnede ", als de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten bij gevolg kan verslechteren of er een significant effect kan zijn op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied" in de genoemde planregels kan derhalve niet in stand blijven. Het betoog van de Stichting Milieufederatie slaagt. Bestaande veestapel 20.
- Wat betreft het begrip "bestaande veestapel" overweegt de Afdeling als volgt. De gebruiksverboden in artikel 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, gelden voor "uitbreiding van de bestaande veestapel". Op grond van artikel 1, lid 1.32, van de planregels moet onder "bestaande veestapel" ten aanzien van het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van het houden van vee worden verstaan: bestaand ten tijde van de peildatum bepaald bij of krachtens de Nbw
- Welke datum concreet wordt bedoeld - meer specifiek: of het gaat om de peildatum voor "bestaand gebruik" in artikel 1, aanhef en onder m, van de Nbw 1998 van 31 maart 2010, of bijvoorbeeld om de referentiedatum waarnaar wordt verwezen in artikel 19kd, eerste en derde lid, van die wet (in veel gevallen 7 december 2004) - wordt hiermee niet duidelijk. Evenmin wordt duidelijk hoe de omvang van de "bestaande" veestapel wordt bepaald (bijvoorbeeld of wordt aangesloten bij eventuele verleende vergunningen, dan wel wordt gekeken hoeveel vee feitelijk aanwezig is). Gelet hierop is de definitie naar het oordeel van de Afdeling in hoge mate rechtsonzeker omdat de invulling van "bestaande veestapel" bepalend is voor de strekking van de specifieke gebruiksverboden en geldt hetzelfde voor die bepalingen. Het betoog van de Stichting Milieufederatie slaagt. Uitbreiding veestapel 20.
- Wat betreft de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.6.7, van de planregels en de gelijkluidende afwijkingsbevoegdheden in de artikelen 4, 5, 6 en 7, overweegt de Afdeling als volgt. Door voorwaarden te stellen aan de uitbreidingen van (intensieve) veehouderijen is getracht een toename van de stikstofdepositie ten gevolge van deze uitbreidingsmogelijkheden uit te sluiten, zodat de gevolgen daarvan volgens de raad buiten de effectbeoordeling van het plan gelaten kunnen worden. Met deze afwijkingsbevoegdheden is, zo begrijpt de Afdeling, bedoeld te bepalen dat slechts is voorzien in uitbreidingsmogelijkheden van agrarische bedrijven die zonder passende beoordeling als bedoeld in artikel 19f van de Nbw 1998 kunnen worden toegestaan. Bij een plan dat voorziet in het toestaan van gebruik van gebouwen of overkappingen voor uitbreiding van de veestapel is echter slechts geen passende beoordeling vereist indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat de stikstofemissie op het bedrijf na de uitbreiding in totaliteit niet toeneemt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2014, in zaak nr. 201306991/1/R3). De voorwaarden die aan de toepassing van de afwijkingsbevoegdheden worden gesteld sluiten naar het oordeel van de Afdeling niet uit dat de uitbreiding waarin de afwijkingsbevoegdheden voorzien leiden tot een toename van de ammoniakemissie van een bedrijf. Gelet op lid 3.6.7, onder a, sub 1, en de gelijkluidende bepalingen in de artikelen 4, 5, 6 en 7 kan de afwijkingsbevoegdheid immers ook worden toegepast in een situatie waarin na uitbreiding op bedrijfsniveau een toename van de ammoniakemissie plaatsvindt. De gevolgen van een dergelijke uitbreiding, in samenhang met de afname van de emissie van een ander bedrijf, dienen in een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19f van de Nbw 1998 te worden beoordeeld. Het betoog van de Stichting Milieufederatie slaagt. Uitbreiding en vormverandering van het bouwvlak ten behoeve van intensieve veehouderij buiten het bouwvlak en toevoeging van de aanduiding "intensieve veehouderij" 20.
- Wat betreft de wijzigingsbevoegdheden in de artikelen 3, 4, 5, 6 en 7 van de planregels en de afwijkingsbevoegdheid van artikel 3, lid 3.6.4, en de gelijkluidende bepalingen in de artikelen 4, 5, 6 en 7, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals hiervoor onder 20.5 is overwogen, kunnen de maximale mogelijkheden van het plan leiden tot een toename van de stikstofdepositie en daarmee tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Door voorwaarden te stellen aan de uitbreiding van (intensieve) veehouderijen die in het plan door de wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden mogelijk worden gemaakt is getracht de toename van de stikstofdepositie ten gevolge van de wijzigingsbevoegdheden uit te sluiten, zodat de gevolgen van de uitbreidingsmogelijkheden volgens de raad thans buiten de effectbeoordeling van het plan kunnen worden gelaten. In de wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden is de voorwaarde opgenomen dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, met als gevolg een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitat en habitatsoorten of een significant effect op de kwalificerende soorten van een Natura 2000-gebied. Met deze bewoordingen is, zo begrijpt de Afdeling, kennelijk bedoeld aan te sluiten bij artikel 19j, eerste lid, van de Nbw
- Het gevolg van de door de raad gekozen regeling is dat de beoordeling of, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken gebieden, verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan optreden of zich een significant verstorend effect kan voordoen op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, plaatsvindt bij de vaststelling van een wijzigingsplan dan wel de verlening van een omgevingsvergunning. Uit de bewoordingen van artikel 19j, eerste, tweede en derde lid, van de Nbw 1998 volgt echter dat de daar bedoelde beoordelingen moeten worden verricht voordat het desbetreffende plan wordt vastgesteld en dat ze moet worden verricht door het bestuursorgaan dat bevoegd is het besluit tot vaststelling te nemen; in het geval van een bestemmingsplan dus door de raad. De beoordeling of het plan enig verslechterend of significant verstorend effect kan hebben, de beoordeling of het plan afzonderlijk dan wel in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben alsmede de beoordeling of de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast, kunnen derhalve niet pas plaatsvinden bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid dan wel de verlening van de omgevingsvergunning. Het betoog van de Stichting Milieufederatie slaagt. 20.
- Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het plan, wat betreft artikel 3, lid 3.5.6, onder j, lid 3.6.4, lid 3.6.7, lid 3.7.1, lid 3.7.2, lid 3.7.3 en lid 3.7.5, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, lid 4.6.4, lid 4.6.7, lid 4.8.1, lid 4.8.2, lid 4.8.3 en lid 4.8.5, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, lid 5.6.4, lid 5.6.7, lid 5.8.1, lid 5.8.2, lid 5.8.3 en lid 5.8.5, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, lid 6.6.4, lid 6.6.7, lid 6.8.1, lid 6.8.2 en lid 6.8.4, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, lid 7.6.4, lid 7.6.7, lid 7.8.1, lid 7.8.2, lid 7.8.3 en lid 7.8.5, van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 19j, eerste, tweede en derde lid, van de Nbw
- Voorts is het plan, wat betreft artikel 1, lid 1.32, 3, lid 3.5.6, onder j, artikel 4, lid 4.5.5, onder j, artikel 5, lid 5.5.4, onder j, artikel 6, lid 6.5.3, onder j, en artikel 7, lid 7.5.4, onder j, van de planregels, eveneens vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. 20.
- Gelet op het vorenstaande behoeft het betoog dat de maatregelen in de vorm van compensatie door minimaal gelijkwaardige vermindering van de kwetsbaarheid van de habitat te realiseren door het treffen van inrichtings- en beheermaatregelen geen mitigerende maatregelen zijn, geen bespreking meer. Tevens behoeven hierom de overige beroepsgronden omtrent de toename van de stikstofdepositie geen bespreking meer. Teeltondersteunende voorzieningen
- De Stichting Milieufederatie betoogt dat de gevolgen van de teeltondersteunende voorzieningen ten onrechte niet in de Passende Beoordeling zijn meegenomen, terwijl niet kan worden uitgesloten dat deze significant negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. 21.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het toepassen van teeltondersteunende voorzieningen geen m.e.r.-plichtige activiteit is en dat uit het planMER volgt dat deze voorzieningen alleen effect hebben op het landschap. Volgens de raad zijn de teeltondersteunende voorzieningen voldoende in de Passende Beoordeling en het planMER bezien. 21.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, aanhef en onder s en w, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen" tevens bestemd voor permanente teeltondersteunende voorzieningen en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen" voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Ingevolge lid 3.4.8 kan het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) onder voorwaarden met een omgevingsvergunning afwijken van het in de planregels bepaalde voor het realiseren van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak en niet ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen". Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, aanhef en onder p en r, zijn de voor "Agrarisch met waarden - 1" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen" tevens bestemd voor permanente teeltondersteunende voorzieningen en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen" voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Ingevolge lid 4.4.8 kan het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) onder voorwaarden met een omgevingsvergunning afwijken van het in de planregels bepaalde voor het realiseren van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak en niet ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen". Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder p en s, zijn de voor "Agrarisch met waarden - 2" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen" tevens bestemd voor permanente teeltondersteunende voorzieningen en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen" voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Ingevolge lid 5.4.8 kan het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) onder voorwaarden met een omgevingsvergunning afwijken van het in de planregels bepaalde voor het realiseren van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak en niet ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen". Ingevolge artikel 7, lid 7.1.1, aanhef en onder q, zijn de voor "Agrarisch met waarden - 4" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen" tevens bestemd voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. 21.
- Het Natura 2000-gebied Leudal is blijkens het aanwijzingsbesluit van 23 april 2013 aangewezen voor de soort Bever en voor de habitattypen Submontane en laagland rivieren met vegetaties behorend tot het Ranunculion fluitantis en het Callitricho-Batrachion (H3260A), Sub-Atlantische en midden-Europese wintereikenbossen of eiken-haagbeukbossen behorend tot het Carpinion betuli (H9160A) en Bossen op alluviale grond met Alnus glutinosa en Fraxinus excelsior (H91E0C). In het deskundigenbericht staat dat de aanwezigheid van teeltondersteunende voorzieningen gedurende de helft van het jaar lokaal kan leiden tot een forse afname van de inzijging van regenwater, hetgeen tot verdroging kan leiden. Voorts staat er dat de bever wateren nodig heeft die in de zomer niet opdrogen en dat de bever als leefgebied een voorkeur heeft voor eilanden en begroeide oevers met gras, kruiden en jong hout, vooral wilgen. Verschillen in onder meer stroomsnelheid en in de constantheid van de toevoer bepalen voorts de aard van de groei van de waterranonkels (habitattype H3260A). De eikenhaagbeukbossen zijn gevoelig voor verzuring van de standplaats door verdroging, hetgeen een belangrijke bedreiging voor het subtype H9160A vormt. De meeste vormen van het habitatsubtype H91E0C zijn gevoelig voor verandering in de hydrologie in de vorm van grondwaterstanddaling of afname van kwel. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat het Natura 2000-gebied Leudal bijzonder gevoelig is voor verdroging. Over het Natura 2000-gebied Hamonterheide, Hageven, Buitenheide, Stamprooierbroek en Mariahof is vermeld dat de meeste habitattypen die in het Vogelrichtlijngebied voorkomen die de vogels als leefgebied gebruiken gevoelig zijn voor veranderingen in de hydrologie in de vorm van grondwaterstanddaling of afname van kwel. Voorts staat in het deskundigenbericht dat gelet op de mogelijk forse afname van de inzijging van regenwater het op voorhand niet met zekerheid is uit te sluiten dat het plan wat betreft de mogelijke realisatie van teeltondersteunende voorzieningen significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden Leudal en Hamonterheide, Hageven, Buitenheide, Stamprooierbroek en Mariahof tot gevolg heeft. 21.
- In de Passende Beoordeling staat dat er in dit geval geen veranderingen in de (grond-)waterhuishouding zijn voorzien. Om deze reden worden geen negatieve effecten door verdroging op de Natura 2000-gebieden verwacht. Significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Voorts staat er dat geen nadere aandacht wordt besteed aan mogelijke effecten van verontreiniging en verdroging. In de Passende Beoordeling staat voorts dat verdroging een belangrijk knelpunt is van Leudal, met name als gevolg van grondwateronttrekking door agrarische activiteiten in en buiten het Natura 2000-gebied. De regionale waterhuishouding is een belangrijke oorzaak van verdroging van omliggende Natura 2000-gebieden. Maatregelen op het niveau van het waterhuishoudkundige systeem vallen echter buiten het kader van het ruimtelijk beleid dat wordt uitgewerkt in het voorgenomen bestemmingsplan. Dit bevat geen voornemens die zullen leiden tot verandering van de waterhuishouding, met inbegrip van het grond- en oppervlaktewatersysteem, aldus de Passende Beoordeling. 21.
- Gelet op hetgeen in het deskundigenbericht hieromtrent staat, kunnen teeltondersteunende voorzieningen significant verstorende effecten hebben op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden door de gevolgen van vermindering van de inzijging van regenwater voor de hydrologie. De raad heeft het deskundigenbericht op dit punt niet weersproken. Vast staat dat in de Passende Beoordeling niet is onderkend dat teeltondersteunende voorzieningen gevolgen hebben voor de inzijging van regenwater en dat dit negatieve gevolgen kan hebben voor de hydrologie van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Dit leidt tot de conclusie dat het plan voor zover het teeltondersteunende voorzieningen toestaat is vastgesteld in strijd met artikel 19j, tweede lid, van de Nbw
- Het betoog van de Stichting Milieufederatie slaagt. 21.
- In hetgeen de Stichting Milieufederatie heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft artikel 3, lid 3.1.1, onder s en onder w, en lid 3.4.8, artikel 4, lid 4.1.1, onder p en onder r, en lid 4.4.8, artikel 5, lid 5.1.1, onder p en onder s, en lid 5.4.8, en artikel 7, lid 7.1.1, onder q, van de planregels, is vastgesteld in strijd met artikel 19j, tweede lid, van de Nbw
- Recreatie
- De Stichting Milieufederatie richt zich voorts tegen de gebruiksmogelijkheden voor recreatieve doeleinden die het plan biedt door recreatieve nevenactiviteiten binnen de agrarische bestemmingen toe te staan. Zij betoogt dat ten onrechte de gevolgen van recreatieve voorzieningen alleen in relatie tot de bever zijn bezien. Het is haar onduidelijk of niet meer soorten in de Passende Beoordeling of het PlanMER betrokken hadden moeten worden. Voorts betoogt zij dat ten onrechte niet de voorwaarde in het bestemmingsplan is opgenomen dat bij evenementen verstoring van de bever uitgesloten moet zijn. Ook worden volgens haar ten onrechte geen voorwaarden gesteld of maatregelen opgelegd om negatieve gevolgen van de recreatieve mogelijkheden te voorkomen, te mitigeren of te compenseren. Tevens is volgens haar onvoldoende in het bestemmingsplan vertaald dat voor evenementen van de draagkracht van het gebied uitgegaan moet worden, zoals in de passende beoordeling staat. 22.
- De raad stelt zich op het standpunt dat uit de Passende Beoordeling volgt dat significant negatieve effecten vanwege de recreatieve mogelijkheden die het plan biedt op de bever niet zijn uitgesloten, maar dat per voorgenomen ontwikkeling in een later stadium de effecten getoetst kunnen worden. Voorts stelt de raad dat nieuwe recreatieve voorzieningen uitsluitend door toepassing van een afwijkingsbevoegdheid toegestaan zijn en dat evenementen niet binnen bos- of natuurbestemmingen zijn toegestaan. 22.
- Ingevolge artikel 1, lid 1.84, van de planregels wordt onder kortlopend evenement verstaan een evenement met een duur van maximaal zeven dagen, inclusief het opbouwen en afbreken. Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, aanhef en onder e, artikel 4, lid 4.1.1, aanhef en onder e, artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder e, artikel 6, lid 6.1.1, aanhef en onder e, en artikel 7, lid 7.1.1, aanhef en onder e, zijn de voor onderscheidenlijk "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - 1", "Agrarisch met waarden - 2", "Agrarisch met waarden - 3" en "Agrarisch met waarden - 4" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel. Ingevolge artikel 3, lid 3.1.2, en de daarmee corresponderende bepalingen in de artikelen 4, 5, 6 en 7, zijn binnen het bouwvlak tevens toegestaan: a. een kleinschalige ondergeschikte horecagelegenheid in het hoofdgebouw, tot 80 m² van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw; b. bed & breakfast in de (bedrijfs)woning ten behoeve van maximaal twee slaapplaatsen; c. kleinschalige kampeeractiviteiten met maximaal 15 seizoenstandplaatsen op het erf. Ingevolge artikel 3, lid 3.4.6, en de daarmee corresponderende bepalingen in de artikelen 4, 5, 6 en 7, kan het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarden met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2, en de daarmee corresponderende bepalingen in de artikelen 4, 5, 6 en 7 ten behoeve van het inpandig verbouwen van agrarische bedrijfsbebouwing ten behoeve van het realiseren van recreatiewoonverblijven voor verblijfsrecreatie met een daarbij behorende kleinschalige horecavoorziening, dan wel het plaatsen van trekkershutten, onder meer onder de voorwaarde dat het aantal recreatiewoonverblijven en trekkershutten samen maximaal vijf bedraagt. Ingevolge artikel 3, lid 3.6.2, en de daarmee corresponderende bepalingen in de artikelen 4, 5, 6 en 7, kan het college van burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 en de daarmee corresponderende bepalingen in de artikelen 4, 5, 6 en 7, voor een gebruik ten behoeve van kampeeractiviteiten, onder meer onder de voorwaarde dat per agrarisch bedrijf maximaal 40 kampeermiddelen zijn toegestaan, waarbij het aantal recreatiewoonverblijven en trekkershutten worden meegerekend . Ingevolge artikel 3, lid 3.6.6, en de daarmee corresponderende bepalingen in de artikelen 4, 5, 6 en 7, kan het college van burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van lid 3.1.2 onder b en 3.5.6 onder d ten behoeve van het faciliteren van een bed & breakfast, onder meer onder de voorwaarden dat de bed & breakfast ten hoogste acht slaapplaatsen zal hebben. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder c, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel. Ingevolge artikel 12, lid 12.1, aanhef en onder i, zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen. Ingevolge artikel 13, lid 13.1, aanhef en onder h, zijn de voor "Horeca" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel. Ingevolge artikel 14, lid 14.1, aanhef en onder d, zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel. Ingevolge artikel 18, lid 18.1, aanhef en onder d, zijn de voor ‘Recreatie - Dagrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel. Ingevolge artikel 20, lid 20.1, aanhef en onder d, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel. Ingevolge artikel 22, lid 22.1, aanhef en onder h, zijn de voor "Sport" aangewezen gronden bestemd voor sport- en spelgerelateerde kortlopende evenementen. Ingevolge artikel 23, lid 23.1, aanhef en onder d, zijn de voor "Sport - Golfbaan" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel. Ingevolge artikel 24, lid 24.1, aanhef en onder k, zijn de voor "Sport - Manege" aangewezen gronden bestemd voor sport- en spelgerelateerde kortlopende evenementen. Ingevolge artikel 25, lid 25.1, aanhef en onder k, zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor kortlopende evenementen. 22.
- Ingevolge artikel 10 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten. 22.
- In het PlanMER staat dat uit een globale bureaustudie naar voren is gekomen dat in het plangebied Leudal (delen van) belangrijke leefgebieden aanwezig zijn van de soorten Bever, Poelkikker en Knoflookpad. Tevens staat er dat in de directe omgeving van de gemeente Leudal belangrijke leefgebieden van de soorten Gevlekte Witsnuitlibel, Kamsalamander en Meervleermuis voorkomen. Aangezien het hier de belangrijkste leefgebieden betreft, is het dus nog wel mogelijk dat de Tabel 3-soorten ook elders in de provincie (en het buitengebied van Leudal) kunnen worden aangetroffen. Derhalve dienen, bij nadere detaillering van planontwikkelingen, alsnog alle lokale beschermde soorten binnen de invloedsfeer van het voornemen in kaart gebracht te worden, aldus het PlanMER. In de plantoelichting staat dat binnen de percelen zich mogelijk bebouwing en groen bevindt die verblijfplaatsen vormen voor beschermde soorten. Omdat het bestemmingsplan uitsluitend een functieverandering bewerkstelligt en geen concrete bouw- of sloopwerkzaamheden worden mogelijke verblijfplaatsen niet aangetast. 22.
- De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De Afdeling overweegt dat recreatieve voorzieningen en kortlopende evenementen eventueel in het plangebied aanwezige beschermde soorten kunnen verontrusten. Nu niet in kaart is gebracht of en zo ja welke beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn is onduidelijk of een ontheffing op grond van de Ffw voor de recreatieve voorzieningen en evenementen nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend. Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog van de Stichting Milieufederatie slaagt. 22.
- Wat betreft de gevolgen van het plan voor de habitatsoort Bever, overweegt de Afdeling als volgt. In de Passende Beoordeling staat dat niet zozeer de aanwezigheid van recreatieve voorzieningen en routes in het Leudal een verstoringsbron is, maar wel het gebruik ervan in de avond en nacht. Effecten kunnen worden uitgesloten indien het gebruik van wandelpaden in het Leudal wordt beperkt tot de periode tussen zonsopkomst en zonsondergang. Aangezien deze bepaling deel uitmaakt van de openstellingsvoorwaarden voor bos- en natuurgebieden in Nederland, bestaat er geen reden te veronderstellen dat verhoging van het voorzieningenniveau zal leiden tot afwijking van de gebruikelijke openstelling en gebruik van het gebied. Voorts staat er dat negatieve effecten als gevolg van evenementen waarbij gebruik wordt gemaakt van paden in het Natura 2000-gebied, op voorhand kunnen worden uitgesloten door het aantal deelnemers te beperken tot een acceptabel maximum dat past bij de draagkracht van het gebied. Dit aantal is niet op voorhand te geven en dient in afstemming met de beheerder van het Natura 2000-gebied te worden vastgesteld. Deze afstemming dient plaats te vinden als onderdeel van de gebruikmaking van de afwijkingsbevoegdheid. Van verstoring van de bever in het Natura 2000-gebied is geen sprake indien het evenement nadrukkelijk en uitsluitend overdag plaatsvindt, buiten de actieve periode van de bever (avond- en nachtactieve soort). Dit geldt voor het gehele evenement, dus inclusief de voorbereiding en afronding. In de plantoelichting staat dat via een nadere toetsing van de recreatieve mogelijkheden en van de evenementen in relatie tot het leefgebied van de bever (en voor de habitattypen), eventueel in combinatie met mitigerende maatregelen, in kaart kan worden gebracht of significant negatieve effecten op met name de Bever verwacht kunnen worden. Het plan staat bij recht recreatieve voorzieningen en kortlopende evenementen toe, zodat reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan verzekerd dient te zijn dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Leudal niet zullen worden aangetast. Uit het voorgaande blijkt echter dat niet uitgesloten is dat het toestaan van nieuwe recreatieve voorzieningen en kortlopende evenementen significant negatieve effecten zal hebben op de habitatsoort Bever. Gelet hierop is het plan, voor zover het nieuwe recreatieve voorzieningen en kortlopende evenementen toestaat, vastgesteld in strijd met artikel 19j van de Nbw
- Het betoog van de Stichting Milieufederatie slaagt. 22.
- In hetgeen de Stichting Milieufederatie heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat artikel 3, lid 3.1.1, onder e, lid 3.1.2, lid 3.4.6, lid 3.6.2, lid 3.6.6, artikel 4, lid 4.1.1, onder e, lid 4.1.2, lid 4.4.6, lid 4.6.2, lid 4.6.6, artikel 5, lid 5.1.1, onder e, lid 5.1.2, lid 5.4.6, lid 5.6.2, lid 5.6.6, artikel 6, lid 6.1.1, onder e, lid 6.1.2, lid 6.4.6, lid 6.6.2, lid 6.6.6, artikel 7, lid 7.1.1, onder e, lid 7.1.2, lid 7.4.6, lid 7.6.2, lid 7.6.6, artikel 8, lid 8.1, onder c, artikel 12, lid 12.1, onder i, artikel 13, lid 13.1, onder h, artikel 14, lid 14.1, onder d, artikel 18, lid 18.1, onder d, artikel 20, lid 20.1, onder d, artikel 22, lid 22.1, onder h, artikel 23, lid 23.1, onder d, artikel 24, lid 24.1, onder k, artikel 25, lid 25.1, onder k, van de planregels, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en met artikel 19j van de Nbw
- 22.
- Gelet op het in 22.4 en 22.6 overwogene behoeven de overige beroepsgronden van de Stichting Milieufederatie omtrent de gevolgen voor beschermde diersoorten van het toestaan van recreatieve voorzieningen binnen de agrarische bestemmingen, het toestaan van evenementen en de cumulatieve effecten geen bespreking meer. Helihaven [appellant sub 21]
- De Stichting Milieufederatie betoogt dat de gevolgen van de helihaven op het perceel [appellante sub 24] te Heythuysen ten onrechte niet in de beoordeling van de maximale mogelijkheden van het plan in de Passende Beoordeling is betrokken. Dit had volgens haar wel gemoeten, omdat de grens van het Natura 2000-gebied Leudal dichter bij het perceel is komen te liggen. 23.
- De raad stelt zich op het standpunt dat voor de helihaven een aparte procedure is doorlopen en dat het besluit dat de helihaven mogelijk maakt inmiddels onherroepelijk is. Dit besluit kan volgens de raad niet meer ter discussie worden gesteld. 23.
- Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder t, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - helihaven" uitsluitend bestemd voor een platform voor het opstijgen en landen van hefschroefvliegtuigen, met dien verstande dat maximaal 350 vluchten per jaar, 15 vluchten per week en drie vluchten per dag uitgevoerd mogen worden. 23.
- Niet is gebleken dat hetgeen het plan mogelijk maakt voor de helihaven niet overeenkomt met het feitelijk gebruik van de helihaven. De Afdeling overweegt dat derhalve niet is gebleken dat het plan voor de helihaven voorziet in een ontwikkeling ten opzichte van de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het plan. Het plan kan wat betreft de helihaven dan ook niet leiden tot verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het Natura 2000-gebied Leudal of een significant verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, zodat de raad zich terecht op het standpunt stelt dat de helihaven niet in de Passende Beoordeling hoefde te worden betrokken. Dat de begrenzing van het Natura 2000-gebied Leudal bij de definitieve aanwijzing van het gebied is gewijzigd en dichter bij de helihaven is komen te liggen maakt het voorgaande niet anders, nu dit niet maakt dat het plan op dit punt in een ontwikkeling voorziet. Het betoog van de Stichting Milieufederatie faalt. Conclusie
- Het beroep van de Stichting Milieufederatie is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellante sub 24]
- Het beroep van [appellante sub 24] richt zich tegen de planregeling voor haar perceel aan de [appellante sub 24] te Heythuysen. Het groothandelsbedrijf
- [appellante sub 24] betoogt dat de gebruiksmogelijkheden van haar gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in machines" ten onrechte zijn beperkt ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. Zij wijst erop dat ingevolge dat plan ook andere bedrijven van milieucategorie 3.2 waren toegestaan, terwijl in het nu voorliggende plan uitsluitend een groothandel in machines is toegestaan. 26.
- De raad stelt zich thans op het standpunt dat op de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in machines" ten onrechte een groothandel in machines is toegestaan, omdat [appellante sub 24] ter plaatse detailhandel uitoefent. Volgens de raad is daarvoor bepalend dat de producten die [appellante sub 24] verkoopt niet voor doorverkoop bestemd zijn. Ook was ten tijde van het rechtskracht verkrijgen van het voorheen geldende bestemmingsplan geen sprake van een groothandel in machines, zodat ingevolge dat plan uitsluitend een technisch detailhandelsbedrijf was toegestaan, aldus de raad. 26.
- Ingevolge artikel 1, lid 51, van de planregels moet onder detailhandel worden verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, zulks met uitzondering van horecabedrijven. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder r, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in machines" bestemd voor een groothandel in machines. 26.
- Ingevolge artikel 1.1 van de Beheersverordening 2013 gold met inachtneming van het bepaalde in de Beheersverordening 2013 voorheen het bestemmingsplan "Buitengebied Heythuysen, 1999". Aan de gronden waaraan in het voorliggende bestemmingsplan de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in machines" is toegekend was in het voorheen geldende bestemmingsplan de bestemming "Bedrijven (B)" met de aanduiding "td" toegekend. Ingevolge artikel 15, eerste lid, onder 1, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan waren de op de plankaart als "Bedrijven (B)" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in de categorie 1 en 2 van de bij dat plan behorende Staat van Inrichtingen. Ingevolge het tweede lid, onder 1, waren bedrijven toelaatbaar die niet onder de doeleindenomschrijving in het eerste lid vielen, maar die ten tijde van het verkrijgen van rechtskracht van dat plan ter plaatse gevestigd waren. Bij bedrijfsbeëindiging mocht eenzelfde soort bedrijf, dan wel een bedrijf in dezelfde categorie worden gevestigd als het beëindigde bedrijf. Indien een bedrijf in een lagere categorie werd gevestigd, mocht daarna nog slechts een bedrijf in die lagere categorie of daaraan gelijkwaardig worden gevestigd of een bedrijf in een nog lagere categorie, totdat uiteindelijk aan het gestelde in het eerste lid werd voldaan. Ingevolge het tweede lid, onder 2, mocht ter plaatse van de aanduiding "td" uitsluitend een technisch detailhandelsbedrijf worden gevestigd. 26.
- In het deskundigenbericht staat dat de eigenaar van [appellante sub 24], [eigenaar], in 1981 ter plaatse is gestart met een handel in machines, technische benodigdheden en gereedschap. Volgens [appellante sub 24] levert zij onder meer gereedschap, handgereedschap, hout- en metaalbewerkingsmachines, machineonderdelen, persluchtgereedschap, ladders, steigers, bedrijfs- en veiligheidskleding en veiligheidsartikelen. Het productaanbod zit in een hoog prijssegment en wordt volgens [appellante sub 24] hoofdzakelijk aan professionals in de bouw geleverd. Verkoop aan particulieren vormt volgens [appellante sub 24] minder dan 5% van de omzet, aldus het deskundigenbericht. Voorts staat er dat de activiteiten van [appellante sub 24] niet aansluiten op de omschrijving van detailhandel in het bestemmingsplan, omdat [appellante sub 24] aan bouwbedrijven levert die de producten aanwenden voor de bedrijfsactiviteiten. 26.
- De Afdeling ziet zich eerst voor de vraag gesteld of [appellante sub 24] detailhandel uitoefent in de zin van het plan of een groothandel. Zoals in het deskundigenbericht staat en niet door de raad is weersproken, verkoopt [appellante sub 24] de overgrote meerderheid van haar producten aan professionals in de bouw. Deze activiteiten komen niet overeen met de definitie van detailhandel die het plan hanteert. In die definitie is het criterium voor detailhandel immers het verkopen en leveren van goederen aan personen die deze goederen niet gebruiken, verbruiken of aanwenden in het kader van de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. [appellante sub 24] oefent derhalve geen detailhandel uit in de zin van het plan. Dit leidt tot de conclusie dat [appellante sub 24] een groothandel uitoefent. De toegekende bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in machines" is derhalve passend te achten. 26.
- De Afdeling overweegt voorts dat ingevolge artikel 15, tweede lid, onder 2, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding "td" uitsluitend een technisch detailhandelsbedrijf was toegestaan. Het betoog van [appellante sub 24] dat met het voorheen geldende bestemmingsplan ook andere bedrijven van milieucategorie 3.2 waren toegestaan, mist derhalve feitelijke grondslag. Voor zover [appellante sub 24] betoogt dat de raad desondanks ook andere bedrijven van milieucategorie 3.2 had moeten toestaan, overweegt de Afdeling als volgt. De raad hanteert als uitgangspunt dat niet-agrarische bedrijven qua uitstraling en overlast niet passend worden geacht in het buitengebied en dat dergelijke bedrijven beter passen op een bedrijventerrein. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het toestaan van andere bedrijven van milieucategorie 3.2 dan de groothandel van [appellante sub 24] in strijd is met dit door hem gehanteerde uitgangspunt. [appellante sub 24] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de raad dit uitgangspunt redelijkerwijs niet heeft kunnen toepassen. Het betoog van [appellante sub 24] faalt. De uitbreidingsmogelijkheden
- [appellante sub 24] betoogt dat het plan te weinig uitbreidingsmogelijkheden voor haar bedrijf mogelijk maakt. Zij wenst haar bedrijfsbebouwing met 30% te kunnen uitbreiden en meent dat dit, gelet op de voorheen bestaande uitbreidingsmogelijkheden tot 20%, ook realistisch is. In ieder geval dient de raad de uitbreidingsmogelijkheden tot 15%, die voorheen bij recht mogelijk waren, ook daadwerkelijk toe te kennen. Dat is volgens haar niet gebeurd, omdat het bouwvlak nog steeds strak om de bestaande bebouwing is gelegd. 27.
- De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat aan de gronden met de bestemming "Bedrijf" tot 15% uitbreidingsmogelijkheden moeten worden toegekend, zoals onder het voorheen geldende plan bij recht was toegestaan. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog van [appellante sub 24] slaagt. 27.
- Wat betreft het betoog dat de raad uitbreidingsmogelijkheden tot 30% had moeten opnemen, overweegt de Afdeling als volgt. In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. [appellante sub 24] heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat zij plannen heeft om haar bedrijfsbebouwing met meer dan 15% en tot 30% uit te breiden. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen uitbreidingsmogelijkheden van de bedrijfsbebouwing tot 30% toegekend hoeven te worden. Het betoog van [appellante sub 24] faalt. De bouwhoogte
- [appellante sub 24] betoogt dat de bouwhoogte voor de gronden met de bestemming "Bedrijf" ten onrechte is beperkt tot 9 m, omdat de bouwhoogte in het voorheen geldende bestemmingsplan 10 m was en via een vrijstelling ook 12 m kon zijn. 28.
- Ingevolge artikel 8, lid 8.2.1, onder e, van de planregels mag de bouwhoogte van gebouwen binnen het bouwvlak niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte. 28.
- In het deskundigenbericht staat dat de bestaande bouwhoogte van het gebouw waarin de showroom van [appellante sub 24] is gevestigd ongeveer 5,5 m hoog is en dat de bouwhoogte van de werkplaats en helikopterstalling ongeveer 6 m hoog is. Tevens is vermeld dat [appellante sub 24] geen concrete plannen heeft om een gebouw te realiseren met een hogere bouwhoogte. 28.
- De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft de bestaande bouwhoogte als zodanig bestemd. Hij heeft daarbij in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan zijn uitgangspunt dat bedrijven alleen kunnen uitbreiden op bedrijventerreinen dan aan het belang van [appellante sub 24] om de bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan te behouden. Hij heeft hierbij in aanmerking mogen nemen dat [appellante sub 24] de eerdere bouwmogelijkheden niet heeft benut. Daarbij komt dat [appellante sub 24] ten tijde van het bestreden besluit geen concrete plannen had voor hogere bebouwing. Het betoog van [appellante sub 24] faalt. De gronden voor de helihaven en helikopterstalling en met de bestemming "Agrarisch"
- Volgens [appellante sub 24] is de helihaven ten onrechte niet geheel als zodanig bestemd. Zij wijst erop dat de helihaven conform de vergunning en het bestaande gebruik zou moeten worden bestemd. Voorts betoogt zij dat aan haar perceel ten onrechte deels de bestemming "Agrarisch" is toegekend. Deze gronden worden niet agrarisch gebruikt en hadden in het voorheen geldende bestemmingsplan deels een bedrijfsbestemming. [appellante sub 24] wenst een bedrijfsbestemming voor deze gronden met de aanduiding "helihaven". 29.
- Aan de gronden met de bestemming "Bedrijf" in de vorm van een omgekeerde Z en een daar tegenaan liggend vierkant is de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - helihaven" toegekend. Aan de gronden ten oosten van het gebouw voor de showroom van [appellante sub 24] en ten westen van de start- en landingsplaats voor de helihaven is de bestemming "Agrarisch" toegekend met een bouwvlak en de aanduiding "maximum bebouwingspercentage 50%". Op dit deel van het perceel is ook een kalkoenhouderij aanwezig. Aan de gronden ten oosten van de start- en landingsplaats voor de helihaven is de bestemming "Agrarisch" toegekend met een bouwvlak en de aanduiding "maximum bebouwingspercentage 20%". Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor: a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met een agrarische bedrijfsvoering; b. agrarisch grondgebruik; c. de uitoefening van aan intensieve veehouderij gekoppelde bedrijfsactiviteiten met uitzondering van stalruimte; d. de uitoefening van extensieve veehouderij ten aanzien van kraamstallen; e. kortlopende evenementen, met een maximum van drie per jaar per afzonderlijk perceel; f. extensief recreatief medegebruik. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder t, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - helihaven" uitsluitend bestemd voor een platform voor het opstijgen en landen van hefschroefvliegtuigen, met dien verstande dat maximaal 350 vluchten per jaar, 15 vluchten per week en drie vluchten per dag uitgevoerd mogen worden. 29.
- In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Heythuysen, 1999" was aan de gronden ten oosten van het gebouw voor de showroom van [appellante sub 24] en ten westen van de start- en landingsplaats voor de helihaven grotendeels de bestemming "Agrarisch hulp- en/of verwant bedrijf" toegekend, met een bouwvlak en de aanduiding "50%". Aan de meest oostelijk gelegen strook van deze gronden was de bestemming "Bedrijven (B)" toegekend, met de aanduidingen "am" en "20%" toegekend. Aan de gronden ten oosten van de start- en landingsplaats voor de helihaven was de bestemming "Bedrijven (B)" toegekend, met de aanduidingen "am" en "20%" toegekend. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan waren de voor "Agrarisch hulp- en/of verwant bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven die in het landelijk gebied een functie vervullen voor lokaal aanwezige agrarische bedrijven en waarvan de vestiging in de nabijheid van agrarische bedrijven noodzakelijk is gebleken. Ingevolge artikel 15, tweede lid, onder 2, mocht ter plaatse van de aanduiding "am" uitsluitend een bedrijf ten behoeve van ambachtelijke bedrijven worden gevestigd. 29.
- In het deskundigenbericht staat dat het plan wat het vierkante vlak voor de start- en landingsplaats betreft niet aansluit op de bestaande situatie, omdat het vierkant in het plan ongeveer 30 graden gekanteld is. Ook komt het pad naar de start- en landingsplaats niet overeen met het feitelijke gebruik van de gronden voor het hoveren. Dat heeft op de verbeelding de vorm van een omgekeerde Z, terwijl het hoveren ongeveer een meter in de lucht gebeurt in een rechte lijn van de start- en landingsplaats richting de zuidelijk daarvan gelegen rails waarover een plateau voor de helikopter kan rijden. Volgens het deskundigenbericht wordt de verharding in de vorm van een omgekeerde Z niet voor aan de helihaven gerelateerde activiteiten gebruikt, behalve als obstakelvrije zone. Omtrent de gronden met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel van [appellante sub 24], te weten ten oosten van de bedrijfsbebouwing, staat in het deskundigenbericht dat deze niet agrarisch worden gebruikt en dat dit ook niet wordt nagestreefd. 29.
- Ter zitting heeft [appellante sub 24] toegelicht dat het vierkante vlak voor de start- en landingsbaan inmiddels zo gekanteld is dat het overeenkomt met de ligging van het vierkante plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - helihaven". 29.
- Omtrent de bedrijfsbestemming voor het pad in de vorm van een omgekeerde Z heeft de raad ter zitting erkend dat dit niet het hoverpad is, zodat de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - helihaven" ten onrechte aan deze gronden is toegekend. Wat betreft het betoog van [appellante sub 24] dat de helikopterstalling in het meest oostelijke deel van het meest oostelijk gelegen bouwvlak binnen de bestemming "Bedrijf" ten onrechte niet als zodanig is bestemd, heeft de raad te kennen gegeven dat de helikopterstalling ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog van [appellante sub 24] slaagt. 29.
- Niet in geschil is dat de gronden ten oosten van de bedrijfsbebouwing van [appellante sub 24] thans niet agrarisch worden gebruikt en dat zij daar evenmin voornemens toe is. Niet is gebleken waarom een agrarische bestemming voor deze gronden in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, te meer nu niet is gebleken dat deze gronden eerder wel agrarisch in gebruik waren. De enkele omstandigheid dat de gronden thans grotendeels zijn begroeid met gras is daarvoor onvoldoende. Van belang is voorts dat [appellante sub 24] heeft toegelicht dat de thans toegekende bestemmingsregeling niet toestaat dat over deze gronden wordt gehoverd, hetgeen afhankelijk van de weersomstandigheden nodig kan zijn. Ook is van belang dat de toegekende bestemmingsregeling strijdig kan zijn met de veiligheidseisen die aan een helihaven worden gesteld wat de obstakelvrije zone betreft. Niet is gebleken dat de raad deze omstandigheden bij het toekennen van de onderhavige planregeling heeft betrokken. Gelet daarop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het toekennen van de bestemming "Agrarisch" aan deze gronden niet met de bij de voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden. Het betoog van [appellante sub 24] slaagt. Overige 29.
- Voor zover [appellante sub 24] zich in het beroepschrift voor het overige heeft beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 24] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Conclusie
- In hetgeen [appellante sub 24] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft de bouwvlakken ter plaatse van de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in machines" voor het perceel [appellante sub 24], voor zover daaraan niet 15% uitbreidingsruimte is geboden, wat betreft het plandeel in de vorm van een omgekeerde Z met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - helihaven" voor het perceel [appellante sub 24], wat betreft het meest oostelijk gelegen bouwvlak ter plaatse van de gronden met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel in machines" voor het perceel [appellante sub 24], voor zover ter plaatse geen helikopterstalling mogelijk is, en wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel van [appellante sub 24], is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 24] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellante sub 2]
- Het beroep van [appellante sub 2] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1", voor zover het betreft de gronden waarop de toegangsweg naar het perceel Aan de [locatie 3] ligt. [appellante sub 2] betoogt dat de toegangsweg ten onrechte niet als zodanig is bestemd, nu aan de toegangsweg geen aanduiding "bouwvlak" is toegekend. De verbeelding stemt in zoverre volgens [appellante sub 2] niet overeen met het vaststellingsbesluit, omdat de raad in de Nota van zienswijzen heeft erkend dat aan de toegangsweg ten onrechte geen aanduiding "bouwvlak" is toegekend. 31.
- Aan de toegangsweg naar het perceel Aan de [locatie 3] is de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" toegekend zonder de aanduiding "bouwvlak". Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, onder ad, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - 1" aangewezen gronden bestemd voor parkeervoorzieningen, toegangswegen, inritten en overige terreinverhardingen binnen het bouwvlak. 31.
- De raad erkent in de Nota van zienswijzen dat het gedeelte van de toegangsweg op het kadastrale perceel gemeente Heythuysen, sectie K, nr. 327, dat overwegend ten zuiden van de bedrijfslocatie ligt, ten onrechte niet in het bouwvlak met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" is opgenomen. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging is opgenomen in het vaststellingsbesluit, maar niet is verwerkt op de verbeelding die na de vaststelling van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog van [appellante sub 2] slaagt. Conclusie 31.
- In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" voor de toegangsweg naar het perceel Aan de [locatie 3], zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart I, is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van [appellante sub 2] is gegrond, zodat
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.