201503317/1/R6. Datum uitspraak: 25 november 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Schoorl Slagharen Beheer B.V., gevestigd te Slagharen, gemeente Hardenberg, 2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], 3. [appellant sub 3], wonend te Moerkapelle, gemeente Zuidplas, 4. [appellante sub 4A], en [appellant sub 4B], gevestigd, onderscheidenlijk wonende te [plaats], 5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats], 6. [appellant sub 6], wonend te Rijpwetering, gemeente Kaag en Braassem, 7. [appellant sub 7], wonend te Rijpwetering, gemeente Kaag en Braassem, appellanten, en 1. het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, 2. het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem, 3. het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland, 4. het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer, 5. het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: het hoogheemraadschap), verweerders. Procesverloop Ter uitvoering van het rijksinpassingsplan "Randstad 380 kV-verbinding Noordring Beverwijk - Zoetermeer (Bleiswijk)" zijn in totaal 24 uitvoeringsbesluiten genomen. Bij ongedateerd besluit, kenmerk 2014082056, heeft het college van Zuidplas aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tennet TSO B.V. een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan voor de gronden zoals weergegeven op de bijbehorende tekeningen (hierna: omgevingsvergunning van Zuidplas). Bij besluit van 3 maart 2015, kenmerk W20140088, heeft het college van Kaag en Braassem aan Tennet een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan voor de gronden zoals weergegeven op de bijbehorende tekeningen (hierna: omgevingsvergunning van Kaag en Braassem). Bij ongedateerd besluit, kenmerk W-2014-0117, heeft het college van Lansingerland aan Tennet een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan voor de gronden zoals weergegeven op de bijbehorende tekeningen (hierna: omgevingsvergunning van Lansingerland). Bij besluit van 5 maart 2015, kenmerk 2014-0011205, heeft het college van Haarlemmermeer aan Tennet een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan voor de gronden zoals weergegeven op de bijbehorende tekeningen (hierna: omgevingsvergunning van Haarlemmermeer). Bij twee ongedateerde besluiten, kenmerken V60266 en V60233, heeft het hoogheemraadschap van Rijnland aan Tennet vergunning verleend op grond van de "Keur Rijnland 2009" voor het verrichten van handelingen in een watersysteem voor de gronden tussen de Zuidelijke Rijnvaart van de Haarlemmermeerpolder in de gemeente Kaag en Braassem en Bleiswijk (Benthuizen), onderscheidenlijk de gronden tussen Vijfhuizen en de Zuidelijke Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder nabij de Kaagweg en tussen Vijfhuizen en Lisserbroek in de gemeente Haarlemmermeer, zoals weergegeven op de bij de besluiten behorende tekeningen. Tegen een of meer van deze besluiten hebben Schoorl, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4A] en [appellant sub 4B], [appellant sub 5], [appellant sub 6], en [appellant sub 7] beroep ingesteld. De colleges van Zuidplas, Kaag en Braassem, Lansingerland, Haarlemmermeer, en het hoogheemraadschap van Rijnland, hebben een verweerschrift ingediend. Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben de minister van Economische Zaken, en Tennet een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Schoorl, [appellante sub 4A] en [appellant sub 4B], en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2015, waar [appellant sub 2], [appellant sub 3], bijgestaan door ing. P.E. Bakker, werkzaam bij Bakker Rentmeesters en Makelaars, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door Bakker voornoemd, [appellante sub 4A] en [appellant sub 4B], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. E. Kronemeijer, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en verweerders, vertegenwoordigd door drs. R. van der Heiden, T. van Urk, mr. A. Dijk, mr. B.V. Hendriks, ing. J. Hoekstra, H.C. de Jong, L.C. Boogaard, en M.C.J. van Braam, zijn verschenen. Voorts is ter zitting verschenen mr. R. Nakken, werkzaam bij het ministerie van Economische Zaken. Verder is Tennet, vertegenwoordigd door ing. E.S.A. Everaarts, mr. R.C.M. van Meer-Dijksman en mr. S. Zehenpfenning, allen werkzaam bij Tennet, bijgestaan door mr. N.H. van den Biggelaar en mr. A.H.T. van Gijssel, beiden advocaat te Amsterdam, als partij gehoord. Overwegingen 1. De bestreden uitvoeringsbesluiten zijn genomen in het kader van de vierde fase van het project "Randstad 380 kV Noordring". Dit project voorziet in de realisatie van een 380 kV-hoogspanningsverbinding van Beverwijk naar Zoetermeer. De eerste fase van het project betrof de vaststelling van het tracé van de hoogspanningsverbinding. Daartoe hebben de ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (thans: Economische Zaken), en van Infrastructuur en Milieu bij besluiten van 28 augustus 2012 en 3 september 2012 het inpassingsplan "Randstad 380 kV-verbinding Noordring Beverwijk - Zoetermeer (Bleiswijk)" vastgesteld (hierna: inpassingsplan). Het inpassingsplan is onherroepelijk geworden door de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2013 in zaak nr. 201210308/1/R1. 2. De uitvoeringsbesluiten maken de feitelijke uitvoering van het project mogelijk, voor het gedeelte tussen Vijfhuizen en Bleiswijk. De besluiten zijn met toepassing van artikel 20c, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 in samenhang met artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt. Het beroep van Schoorl 3. Schoorl is exploitante van het volkstuinencomplex "Parktuinen De Baarsjes" aan de Stevensweg 31 in Vijfhuizen. Schoorl betoogt dat haar bedrijfsvoering wordt geschaad door de realisatie van de 380 kV-hoogspanningsverbinding over haar gronden en dat zij hiervoor niet voldoende wordt gecompenseerd. 3.1. Deze beroepsgrond van Schoorl heeft betrekking op de gevolgen van het tracé van de hoogspanningsverbinding en is derhalve gericht tegen het inpassingsplan. Tegen de besluiten tot vaststelling van het inpassingsplan stond voor belanghebbenden afzonderlijk de mogelijkheid open voor het instellen van beroep bij de Afdeling. Deze beroepsgrond van Schoorl kan niet aan de orde komen in het kader van haar beroep tegen de uitvoeringsbesluiten. Het betoog faalt. 4. Schoorl vreest voor visuele hinder vanwege de situering van opstijgpunt 213, in de nabijheid van haar volkstuinencomplex. De landschappelijke inpassing van het opstijgpunt dient te worden verbeterd. 4.1. Volgens het college van Haarlemmermeer is de landschappelijke inpassing van het opstijgpunt vastgelegd in het "Landschapsplan" behorende bij het inpassingsplan. Ten zuiden van de hoogspanningsverbinding, aan de zijde van de Driemerenweg, is voorzien in lineaire beplanting. 4.2. De locatie van opstijgpunt 213 is vastgelegd in het inpassingsplan. Voor zover Schoorl zich niet kan verenigen met de situering van het opstijgpunt of met de inhoud van het "Landschapsplan", is dit betoog gericht tegen het inpassingsplan. Zoals hiervoor is overwogen kan dit niet aan de orde komen in het kader van het beroep tegen de uitvoeringsbesluiten. Voor zover Schoorl zich niet kan verenigen met de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het "Landschapsplan", overweegt de Afdeling dat zij dit betoog niet nader heeft onderbouwd. Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college van Haarlemmermeer ten onrechte omgevingsvergunning heeft verleend voor het oprichten van het opstijgpunt. Het betoog faalt. 5. Schoorl betoogt dat de permanente toegangsweg ten behoeve van opstijgpunt 213 ernstige gevolgen zal hebben voor de waterhuishouding van haar volkstuinencomplex. Voor de realisatie van de weg worden onder meer een bestaande stuw en duiker verplaatst. Als gevolg hiervan vreest Schoorl voor verstoring van de waterhuishouding van haar terrein. 5.1. Volgens het college van Haarlemmermeer en het hoogheemraadschap van Rijnland ligt de toegangsweg naar opstijgpunt 213 gedeeltelijk buiten het inpassingsplan, op gronden met een agrarische bestemming. Om de aanleg van de permanente toegangsweg mogelijk te maken heeft het college van Haarlemmermeer omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan. De toegangsweg wordt aangelegd naast de bestaande sloot. Er vinden geen aanpassingen plaats aan de bestaande stuw en duiker. Het watersysteem wordt in zoverre niet gewijzigd, zodat geen gevolgen zullen optreden voor de waterhuishouding van het volkstuinencomplex. Mocht achteraf toch sprake blijken te zijn van verdroging, dan worden hiertegen maatregelen getroffen. Indien noodzakelijk zal een extra stuw worden aangelegd, aldus het college van Haarlemmermeer en het hoogheemraadschap. 5.2. Uit de tekening bij de aanvraag om watervergunning van Tennet, nummer VIR-0.000.384, bezien in samenhang met het besluit van het hoogheemraadschap, kenmerk V60233, volgt dat de permanente toegangsweg naar opstijgpunt 213 wordt gerealiseerd direct ten noorden van de bestaande sloot. Direct ten noorden van deze toegangsweg wordt een nieuwe watergang gegraven, ter compensatie van de oppervlakteverharding. De nieuwe watergang wordt door middel van duikers in verbinding gebracht met nabijgelegen bestaande watergangen. Blijkens de watervergunning zijn drie duikers vergund in de nabijheid van opstijgpunt 213. Hoewel niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat de vergunde activiteiten gevolgen zullen hebben voor de waterhuishoudkundige situatie van het volkstuinencomplex, is de Afdeling van oordeel dat het college van Haarlemmermeer en het hoogheemraadschap zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat, gezien ook de mogelijkheden voor het treffen van maatregelen, niet gevreesd behoeft te worden voor ernstige gevolgen voor de waterhuishouding van het terrein van Schoorl, mede gelet op de omstandigheid dat de bestaande sloot direct ten noorden van het volkstuinencomplex blijft gehandhaafd. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling voorts de omstandigheid dat het hoogheemraadschap ter zitting heeft toegelicht dat zo nodig nadere maatregelen getroffen zullen worden om verdroging van het terrein van Schoorl tegen te gaan. Het betoog faalt. 6. Gelet op het voorgaande is het beroep van Schoorl ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] 7. [appellant sub 2] is pachter van gronden in de gemeente Kaag en Braassem. Het tracé van de hoogspanningsverbinding is geprojecteerd over de door [appellant sub 2] gepachte gronden. Ter plaatse worden drie hoogspanningsmasten opgericht (mastlocaties 150, 151 en 152). [appellant sub 2] betoogt dat Tennet hem niet op de hoogte heeft gesteld van haar voornemen de hoogspanningsverbinding te realiseren. In of omstreeks 2009 heeft de eigenaar van de door [appellant sub 2] gepachte gronden aan Tennet alle relevante gegevens verstrekt over de gebruikers van de gronden. Tennet had derhalve op de hoogte kunnen zijn van de omstandigheid dat [appellant sub 2] pachter was en derhalve belanghebbende bij het inpassingsplan. Deze gegevens zijn evenwel bij Tennet intern zoekgeraakt, hetgeen ertoe heeft geleid dat [appellant sub 2] niet persoonlijk is benaderd door Tennet. [appellant sub 2] is pas in december 2012 door de gemeente Kaag en Braasem op de hoogte gesteld van de plannen, op het moment dat een aanvang genomen diende te worden met bepaalde feitelijke werkzaamheden op zijn gronden. 7.1. Volgens Tennet zijn de gegevens die zij van de eigenaar van de gronden heeft ontvangen inderdaad zoekgeraakt. [appellant sub 2] is als gevolg daarvan niet persoonlijk op de hoogte gesteld van de plannen de hoogspanningsverbinding te realiseren. Dit laat onverlet dat de voorbereiding en vaststelling van het inpassingsplan in overeenstemming was met de wettelijke vereisten, aldus Tennet. 7.2. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 2] aldus dat hij klaagt over de voorbereiding van het inmiddels onherroepelijk geworden inpassingsplan. Tennet heeft in zoverre erkend dat vanwege een interne onzorgvuldigheid aan haar verstrekte gegevens over pachters van de gronden zijn zoekgeraakt. Daargelaten de omstandigheid dat dit nog niet betekent dat de voorbereiding van het inpassingsplan niet in overeenstemming is geweest met de wettelijke vereisten, staan in de thans voorliggende zaak alleen de uitvoeringsbesluiten ter beoordeling. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd biedt geen grond voor de conclusie dat er gebreken kleven aan de genomen uitvoeringsbesluiten. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de omgevingsvergunning van het college van Kaag en Braasem voor onder meer het oprichten van drie hoogspanningsmasten op door [appellant sub 2] gepachte gronden in strijd is met het recht. Het betoog faalt. 8. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond. De beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 5], en [appellante sub 4A] en [appellant sub 4B] De tijdelijke werkstroken 9. [appellant sub 3] is eigenaar van een perceel in de gemeente Lansingerland kadastraal bekend gemeente Bleiswijk, sectie A, nr. 543 (hierna: perceel A543) en twee percelen in de gemeente Zuidplas, kadastraal bekend Moerkapelle, sectie C, nrs. 2522 en 2533 (hierna: C2522 en C2523). [appellant sub 3] gebruikt deze gronden voor agrarische doeleinden. Het tracé van de 380 kV-hoogspanningsverbinding loopt over het perceel A543. Op het perceel C2522 is een bestaande 150 kV-hoogspanningsmast gesitueerd. Deze mast wordt gesloopt. [appellant sub 5] is pachter van de percelen kadastraal bekend gemeente Bleiswijk, sectie B, nrs. 1816 en 869 (hierna: percelen B1816 en B869). [appellant sub 5] gebruikt deze gronden voor agrarische doeleinden. Op het perceel B1816 wordt hoogspanningsmast 105 opgericht. Op het perceel B869 is voorzien in een tijdelijke werkstrook in verband met werkzaamheden ten behoeve van de oprichting van hoogspanningsmast 106 op nabijgelegen gronden. [appellante sub 4A] en [appellant sub 4B] zijn eigenaar en/of gebruiker van de percelen kadastraal bekend gemeente Bleiswijk, sectie A, nrs. 557, 648, 649, 652 en 854. [appellante sub 4A] en [appellant sub 4B] gebruiken deze gronden voor agrarische doeleinden. Op deze percelen is voorzien in tijdelijke werkstroken ten behoeve van de oprichting van hoogspanningsmasten. 10. De beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 5], en van [appellante sub 4A] en [appellant sub 4B] zijn gericht tegen de situering van de tijdelijke werkstroken, die worden gebruikt ter ontsluiting van de locaties waarop werkzaamheden plaatsvinden en als werkterrein. Zij voeren aan dat de geprojecteerde situering op hun percelen leidt tot een ernstige beperking van de agrarische bedrijfsvoering. [appellant sub 3], [appellant sub 5], en [appellante sub 4A] en [appellant sub 4B] hebben, onder meer in de door hen naar voren gebrachte zienswijzen op de ontwerpbesluiten, voorstellen gedaan voor een alternatieve situering van de werkstroken. Met deze voorstellen hebben de colleges van Lansingerland en Zuidplas geen, althans onvoldoende, rekening gehouden bij hun besluitvorming. [appellante sub 4A] en [appellant sub 4B] bestrijden voorts het standpunt van het college van Lansingerland dat voor de geprojecteerde werkstroken geen omgevingsvergunning voor de activiteit "strijdig gebruik" verleend behoeft te worden. Zij bestrijden het gestelde tijdelijke karakter van de werkstroken. Ook zijn de werkstroken volgens hen niet gesitueerd in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop de bouw- en sloopactiviteiten plaatsvinden. Zo hebben de werkstroken in bepaalde gevallen een lengte van meer dan 400 m, aldus [appellante sub 4A] en [appellant sub 4B]. 10.1. Tennet heeft ter zitting toegelicht dat de werkstroken noodzakelijk zijn voor de ter plaatse uit te voeren werkzaamheden. De ligging en omvang van de werkstroken is afhankelijk van de concrete omstandigheden. Bij het projecteren van de werkstroken heeft Tennet rekening gehouden met haar belang bij het faciliteren van de realisatie van de hoogspanningsverbinding, maar ook met de belangen van de grondeigenaren en -gebruikers bij het zo beperkt mogelijk houden van de overlast. Nadat de werkzaamheden zijn afgerond is Tennet verplicht de oorspronkelijke situatie te herstellen. Volgens het college van Zuidplas rust op de percelen C2522 en C2523 van [appellant sub 3], waarop een tijdelijke werkstrook is geprojecteerd, de bestemming "agrarische doeleinden". De door het college van Zuidplas verleende omgevingsvergunning heeft onder meer betrekking op de activiteit "gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan" ten behoeve van de geprojecteerde werkstrook. Het college van Lansingerland stelt zich op het standpunt dat de tijdelijke werkstroken op de percelen van [appellant sub 5], [appellante sub 4A] en [appellant sub 4B], en het perceel A543 van [appellant sub 3], aangemerkt dienen te worden als activiteiten als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 20, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Voor het gebruik van de percelen ten behoeve van de tijdelijke werkstroken is daarom geen omgevingsvergunning vereist als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht (hierna: Wabo). 10.2. Vaststaat dat het college van Lansingerland geen omgevingsvergunning heeft verleend voor het gebruik van de gronden van appellanten in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van de tijdelijke werkstroken. Het college van Zuidplas heeft ten behoeve van de tijdelijke werkstroken omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan, voor een periode van drie jaar, gerekend vanaf het onherroepelijk worden van de vergunning (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º en het tweede lid). 10.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling zich gesteld voor de vraag of artikel 2, aanhef en onder 20, van bijlage II bij het Bor van toepassing is op het gebruik van de agrarische gronden van [appellant sub 3], [appellant sub 5], en [appellante sub 4A] en [appellant sub 4B] ten behoeve van de tijdelijke werkstroken, zodat voor dit gebruik geen omgevingsvergunning is vereist als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. 10.4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, is het verboden om zonder omgevingsvergunning gronden in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Ingevolge het derde lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën van gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt. Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Bor is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën van gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 20, van bijlage II bij het Bor, is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een bouwkeet, bouwbord, steiger, heistelling, hijskraan, damwand of andere hulpconstructie die functioneel is voor een bouw-, onderhouds- of sloopactiviteit, een tijdelijke werkzaamheid in de grond-, weg- of waterbouw of een tijdelijke werkzaamheid op land waarop het Besluit algemene regels milieu mijnbouw van toepassing is, mits geplaatst op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die activiteit of werkzaamheid wordt uitgevoerd. 10.5. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2, aanhef en onder 20, van bijlage II bij het Bor (Stb. 2010, 143, p. 152) ziet deze bepaling op een categorie van bouwwerken die functioneel is bij een bouw-, onderhouds- of sloopactiviteit, een tijdelijke werkzaamheid in de grond-, weg- of waterbouw of een tijdelijke werkzaamheid op land waarop het Besluit algemene regels milieu mijnbouw van toepassing is. Constructies die slechts voor bepaalde tijd worden geplaatst, die dus niet bedoeld zijn om ter plaatse te functioneren (geen plaatsgebonden karakter hebben), worden niet als bouwwerk aangemerkt. Bij omvangrijke bouwprojecten worden dergelijke hulpconstructies veelal voor wat langere tijd geplaatst en kan er sprake zijn van een bouwwerk. Hoewel er in deze sfeer altijd veel is gedoogd, was er formeel altijd een bouwvergunning voor dit type bouwwerken vereist. Dankzij onderhavig onderdeel is een omgevingsvergunning nu niet meer nodig. De bouwwerken ten dienste van de hier bedoelde activiteiten en werkzaamheden kunnen tijdelijk, gedurende de periode dat het werk in uitvoering is, worden gebouwd en aanwezig blijven. Na het beëindigen van het werk is het bouwwerk niet langer functioneel te achten voor de betreffende activiteit of werkzaamheid. 10.6. Blijkens de situatietekeningen van de percelen van [appellant sub 3], [appellant sub 5], en [appellante sub 4A] en [appellant sub 4B], die door Tennet zijn gevoegd bij haar aanvragen om omgevingsvergunning, zijn op gronden in de nabijheid van de mastlocaties tijdelijke werkstroken geprojecteerd. De tijdelijke werkstroken dienen ter ontsluiting van de mastlocaties en de overige locaties waarop de werkzaamheden voor de realisatie van de 380 kV-hoogspanningsverbinding worden uitgevoerd. Tevens dienen de werkstroken ter ontsluiting van de bestaande 150 kV-masten, die gefaseerd gesloopt zullen worden. Ook worden de werkstroken gebruikt als werkterrein ten behoeve van de bouw- en sloopwerkzaamheden. Tennet heeft ter zitting toegelicht dat de werkstroken worden voorzien van een tijdelijke verharding, die bestaat uit geodoek met daarop houtsnippers, waarover rijplaten worden geplaatst. Op gronden die zwaarder belast zullen worden, wordt in plaats van houtsnippers gebruik gemaakt van ander materiaal, zoals zand. Het staat vast dat de werkstroken een tijdelijk karakter hebben, in de zin dat deze worden verwijderd nadat de bouw- en sloopwerkzaamheden zijn afgerond. Met de sloopactiviteiten is een periode van maximaal 6 weken gemoeid. De realisatie van de nieuwe hoogspanningsverbinding zal daarentegen ongeveer anderhalf jaar in beslag nemen. 10.7. Uit de redactie van artikel 2, aanhef en onder 20, van bijlage II bij het Bor, bezien in samenhang met het hiervoor weergegeven onderdeel uit de Nota van Toelichting volgt dat deze bepaling betrekking heeft op de daarin concreet genoemde constructies of andere hulpconstructies, mits deze hulpconstructies functioneel zijn voor (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.