(2009)" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten voor "gemengd gebied" opgenomen richtafstand van 10 m. Een dergelijke afwijking is evenwel toegestaan indien toereikend wordt gemotiveerd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd. De raad acht dit het geval nu de uit te werken bedrijfsbestemming behalve voor bedrijven tevens is bestemd voor ontsluitingswegen, groenvoorzieningen, tuinen dan wel erven en terreinen en parkeervoorzieningen. Ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - woon-werktuinen" zijn bovendien woningen mogelijk. Derhalve kunnen de gronden bij de uitwerking van de bedrijfsbestemming volgens de raad zo worden ingericht dat de richtafstand van 10 m van de woning van [appellant sub 3] tot aan de te vestigen bedrijven in acht genomen wordt. De raad stelt dat hij erop toe zal zien dat bij de uitwerking van de bedrijfsbestemming de richtafstanden worden gerespecteerd, zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Met betrekking tot de bouwmogelijkheden stelt de raad dat is uitgegaan van een zonering van de bouwhoogte van laag aan de buitengrenzen van het plangebied aan De Baak en de Ambachtsezoom, naar hoog middenin het plangebied aan de voorziene Middentocht. 6.
- Ingevolge artikel 10.1 van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein - Uit te werken" aangewezen gronden bestemd voor: a. bedrijven die zijn aangegeven met de categorieën 1 en 2 in de Staat van bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2"; (…) f. ten hoogste 7 bedrijfswoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - woon-werktuinen"; g. ten hoogste 3 zelfstandige kantoorvestigingen tot een bruto vloeroppervlak van maximaal 1.000 m² per vestiging; h. ontsluitingswegen; i. fiets- en voetpaden; j. groenvoorzieningen; k. nutsvoorzieningen; l. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; m. tuinen en/of erven; n. terreinen en parkeervoorzieningen (…) Ingevolge artikel 10.2, lid 10.2.1, onder b, bedraagt de maximale bouwhoogte van gebouwen en overkappingen ten hoogste:
- 8 m ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - groene werkkamers", met dien verstande dat binnen ten hoogste 4 bouwpercelen ("groene werkkamers") voor een oppervlakte van ten hoogste 750 m2 per bouwperceel ("groene werkkamer") een maximale bouwhoogte van 11 m is toegestaan, grenzend aan de Ambachtsezoom, over ten hoogste de helft van de breedte van het bouwperceel ("groene werkkamer");
- 9 m ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein - woon-werktuinen";
- 20 m voor het overige. Ingevolge het bepaalde onder e dient de afstand van gebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelgrens ten minste 3,5 m te zijn. 6.
- De Afdeling stelt vast dat de raad bij zijn motivering voor het bij het perceel van [appellant sub 3] afwijken van de richtafstand van 10 m ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de maximale planologische mogelijkheden op de gronden die grenzen aan dat perceel, te weten bedrijven tot en met categorie
- Het plan sluit immers niet uit dat binnen de richtafstand van 10 m bedrijven worden opgericht. Het standpunt van de raad dat de desbetreffende gronden niet alleen voor vestiging van bedrijven maar ook voor andere doeleinden kunnen worden benut en zijn toezegging dat de richtafstand zal worden gerespecteerd bij het uitwerken van de bedrijfsbestemming, doen niet af aan deze planologisch toegelaten ontwikkeling. Het plan berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het plan maakt het voorts mogelijk om aan de noordwestzijde van het perceel van [appellant sub 3], met inachtneming van de op grond van artikel 10.2, lid 10.2.1, onder e, van de planregels aan te houden afstand van 3,5 m, op ongeveer 10 m van diens woning gebouwen met een maximale bouwhoogte van 20 m te realiseren. In aanmerking genomen de geringe afstand tussen de woning van [appellant sub 3] en de mogelijke bebouwing met een bouwhoogte tot 20 m is de Afdeling van oordeel dat het plan in zoverre voor [appellant sub 3] een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat tot gevolg kan hebben. Het plan is in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening. De betogen slagen. Conclusie
- In hetgeen [appellant sub 2], Stichting Mooi Geweest! en [appellant sub 5] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder b en c, sub iii, van de Verordening ruimte 2014 en in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toekenning van de bestemming "Bedrijventerrein - Uit te werken" met de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" aan de gronden gelegen op een afstand van minder dan 10 m van de woning van [appellant sub 3] en voor zover het betreft artikel 10.2, lid 10.2.1, onder b, sub 3, van de planregels voor zover betrekking hebbend op het bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijventerrein - Uit te werken" dat grenst aan het perceel van [appellant sub 3], is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb onderscheidenlijk artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. 7.
- De Afdeling stelt vast dat het in overweging 4.3 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit slechts kan worden hersteld door tussenkomst van provinciale staten. Nu onduidelijk is of die tussenkomst zal plaatsvinden en zo ja welke termijn daarmee gemoeid zal zijn, ziet de Afdeling geen aanleiding om op de voet van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen om dit gebrek te herstellen. 7.
- De raad heeft gelet op het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, onder b en c, van het Bro na de vaststelling van het plan alsnog een onderzoek laten uitvoeren waaruit blijkt dat in de behoefte aan een nieuw bedrijventerrein niet kan worden voorzien binnen bestaand stedelijk gebied. In het onderzoek wordt voorts geconcludeerd dat de locatie van het voorziene bedrijventerrein passend ontsloten is. De raad heeft de plantoelichting aangevuld met een weergave van het onderzoek. Nu de raad na de vaststelling van het plan in de plantoelichting alsnog een beschrijving heeft opgenomen betreffende de in artikel 3.1.6, tweede lid, onder b en c, van het Bro genoemde aspecten, ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld of zij met gebruikmaking van de bevoegdheid van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk in stand kan laten. Nu, gelet op hetgeen is overwogen onder 7, het bestreden besluit ook wegens strijd met de Verordening ruimte 2014 dient te worden vernietigd, ziet de Afdeling daarvoor geen aanleiding. Overige beroepsgronden
- Gelet op het vorenstaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer. De Afdeling hecht eraan om mede met het oog op eventuele verdere besluitvorming er op te wijzen dat door het onherroepelijk worden van een uit te werken bestemming in een bestemmingsplan de aanvaardbaarheid daarvan in beginsel als een gegeven moet worden beschouwd (uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2012 in zaak nr. 201203431/1/R2). Nu het plan grotendeels voorziet in de bestemming "Bedrijventerrein - Uit te werken" die, op grond van de planregels, naast bedrijven, onder meer ontsluitingswegen en terreinen en parkeervoorzieningen mogelijk maken, is de raad gehouden om in het kader van de vaststelling van het plan reeds te onderzoeken of de planologische situaties die door de toepassing van de uitwerkingsbevoegdheid kunnen ontstaan ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Dit brengt mee dat de raad ten aanzien van de mogelijke planologische situaties niet zonder meer kan volstaan met de stellingname dat eerst bij de uitwerking van het plan onderzoek wordt gedaan naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de in het uitwerkingsplan te maken keuzes omtrent de inrichting van het plangebied. In dit verband merkt de Afdeling op dat uit de plantoelichting niet blijkt dat de door het plan mogelijk gemaakte ontsluitingen van het plangebied over of in de nabijheid van De Baak en de mogelijke geluids- en verkeerseffecten voor de aan De Baak gelegen woningen aanvaardbaar zijn in het licht van een goede ruimtelijke ordening. Slotoverwegingen
- Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.
- De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2], [appellant sub 3], Stichting Mooi Geweest! en [appellant sub 5] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Praxis Vastgoed B.V. en Praxis Doe-het-Zelf Center B.V. niet-ontvankelijk; II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], [appellant sub 3], de stichting Stichting Mooi Geweest! en [appellant sub 5], handelend onder de naam [bedrijf], gegrond; III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht van 1 december 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ambachtsezoom"; IV. draagt de raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl; V. veroordeelt de raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht tot vergoeding van: a. bij [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; b. bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 510,44 (zegge: vijfhonderdtien euro en vierenveertig cent), waarvan € 490,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; c. bij de stichting Stichting Mooi Geweest! in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 301,16 (zegge: driehonderdeen euro en zestien cent); d. bij [appellant sub 5], handelend onder de naam [bedrijf], in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 980,00 (zegge: negenhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat de raad van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 3], € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor de stichting Stichting Mooi Geweest! en € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 5], handelend onder de naam [bedrijf], vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier. w.g. Van Diepenbeek w.g. Lap voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015 288-829.