201408383/1/R4. Datum uitspraak: 23 december 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant A], [appellant B], [appellant C], allen wonend te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, en de stichting Stichting Natuurbehoud De Steupel, gevestigd te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, (hierna tezamen [appellant A] en anderen), appellanten en de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 16 juli 2014, kenmerk Z-11-1382/INT-14-6682, heeft de raad het bestemmingsplan "De Steupel" vastgesteld. Hieraan ligt ten grondslag het besluit van 29 november 2011, kenmerk PZH-2011-302972937, van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot ontheffingverlening van de Verordening Ruimte. Tegen deze besluiten hebben [appellant A] en anderen beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant A] en anderen hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2015, waar [appellant A] en anderen, van wie [appellant A] en [appellant B] in persoon, bijgestaan onderscheidenlijk vertegenwoordigd door mr. E.E. Schaake en mr. G.C.W. van der Feltz, beiden advocaat te Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door mr. L.J. Gerritsen, advocaat te Nijmegen, door drs. E. van Dijk, werkzaam bij de gemeente, en door mr. Th.L. van Deursen, zijn verschenen. Overwegingen Ontvankelijkheid Stichting de Steupel 1. De raad betoogt dat het beroep, voor zover ingesteld door de Stichting, niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien zij geen belanghebbende is bij het bestreden besluit. De raad voert daartoe aan dat niet is gebleken dat de Stichting feitelijke handelingen verricht om haar statutaire doel te verwezenlijken. 1.1. Ingevolge artikel 8:1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. 1.2. Om te kunnen bepalen of het belang van de Stichting rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit is, naast haar doel, van belang of zij feitelijke werkzaamheden verricht met het oog op de behartiging van haar doelstelling. 1.3. Ingevolge artikel 2 van de statuten van de Stichting, voor zover hier van belang, heeft zij ten doel het behouden en bevorderen van de grote natuurwaarde van het gebied tussen De Steupel en de plas Sloene te Reeuwijk, alsmede het bewaren en versterken van het landelijke karakter van dit gebied. 1.4. Bij uitspraak van 13 maart 2013 in zaak nrs. 201204241/1/R4 en 201204428/1/R4 heeft de Afdeling beslist op het beroep van de Stichting, [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 1 februari 2012 waarbij het bestemmingsplan "De Steupel" is vastgesteld. De Afdeling heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is ingesteld door de Stichting omdat zij geen belanghebbende is bij dat besluit, nu zij geen feitelijke werkzaamheden verricht in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Het beroep is gegrond verklaard voor zover het is ingesteld door [appellant A] en [appellant B]. De Stichting heeft ten opzichte van de in die uitspraak vermelde feitelijke werkzaamheden als nieuwe dan wel andere feitelijke werkzaamheden naar voren gebracht, dat zij incidenteel verzoeken indient bij de gemeente tot bijvoorbeeld het maaien van de beplanting op De Steupel en dat zij een alternatief plan voor De Steupel heeft ontwikkeld. Op basis van de door haar naar voren gebrachte werkzaamheden kan niet worden geoordeeld dat sprake is van andere werkzaamheden dan werkzaamheden die verband houden met de aan de orde zijnde bestemmingsplanprocedure. Het louter in rechte opkomen tegen besluiten, zoals een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, alsmede het verrichten van handelingen ter voorbereiding van het in rechte opkomen tegen besluiten, kan in de regel niet worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Van andere werkzaamheden van de Stichting is niet gebleken. 1.5. De conclusie is dat de Stichting niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb. Toetsingskader 2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Strekking ontheffing en plan 3. Bij het besluit van 29 november 2011 heeft het college van gedeputeerde staten op grond van artikel 15, eerste lid, van de Verordening Ruimte Zuid-Holland ontheffing verleend voor de bouw van tien vrijstaande woningen in het plangebied. Het bestemmingsplan biedt een juridisch-planologisch kader voor de realisatie van tien woningen ten noordoosten van de kern Reeuwijk-Brug, tussen de camping "Reeuwijkse Hout" en de Reeuwijkse Plassen. In het op 19 januari 1967 vastgestelde en 11 augustus 1967 deels goedgekeurde bestemmingsplan "De Sloene, zoals dit op 3 april 1978 is herzien, welke herziening op 5 juni 1979 is goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten, is aan de gronden de bestemming "Bungalows en Zomerhuizen" toegekend. Het bestemmingsplan kent aan de gronden van het plangebied bouwvlakken voor 45 woningen met een oppervlakte van 50 m2 toe. Op 10 van deze bouwvlakken zijn recreatiewoningen gebouwd. Ontheffing - wettelijk kader 4. Ingevolge artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kunnen, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. 5. Ingevolge artikel 4.1a, eerste lid, van de Wro kan bij de verordening, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, worden bepaald dat gedeputeerde staten op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van krachtens dat lid vast te stellen regels, voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden indien de betrokken provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. 6. Artikel 4.1a van de Wro is ingevoegd bij de wet van 21 juni 2012 tot wijziging van de Wet ruimtelijke ordening en enige andere wetten (voorzien in een wettelijke grondslag voor provinciaal medebewind en voor de mogelijkheid tot afwijking van algemene regels). 7. Ingevolge artikel IV van de wet van 21 juni 2012 tot wijziging van de Wet ruimtelijke ordening, Stb. 2012, 306 wordt een besluit van gedeputeerde staten waarbij toestemming is verleend tot afwijking van een provinciale verordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening, dat is vastgesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, van deze wet, gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a, eerste lid, van die wet. 8. In artikel 8.3, vierde lid, van de Wro, is het systeem van geconcentreerde rechtsbescherming opgenomen, hetgeen betekent dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en het besluit tot verlening van de ontheffing voor de mogelijkheid van beroep als één besluit moeten worden aangemerkt. Voor zover het beroep betrekking heeft op het besluit van 29 november 2011 tot verlening van de ontheffing, maakt het derhalve deel uit van dit geding. In dat kader kunnen de bezwaren tegen de verleende ontheffing ten volle aan de orde worden gesteld en zal worden beoordeeld of het college van gedeputeerde staten de ontheffing heeft kunnen verlenen en of de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan gebruik heeft mogen maken van de verleende ontheffing. 9. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening Ruimte, zoals dit gold ten tijde van het bestreden besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, sluiten bestemmingsplannen voor gronden buiten de bebouwingscontouren (zoals aangegeven op kaart 1) bestemmingen uit die nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies mogelijk maken. Ten tijde van het besluit tot ontheffingverlening was deze bepaling opgenomen in artikel 2, eerste lid, van de Verordening Ruimte. 10. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Verordening Ruimte kan het college van gedeputeerde staten ontheffing verlenen van de regels van deze verordening voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden indien de betrokken provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Ontheffing 11. Vaststaat dat het plangebied is gelegen buiten de bebouwingscontouren. 12. Bij besluit van 29 november 2011 heeft het college van gedeputeerde staten ontheffing verleend krachtens artikel 15, eerste lid, van de Verordening. Ten tijde van dat besluit luidde artikel 15, eerste lid, van de Verordening Ruimte Zuid-Holland als volgt: het college van gedeputeerde staten is bevoegd ontheffing te verlenen van de bepalingen van deze verordening ten behoeve van de vestiging, de bouw, de verplaatsing of de uitbreiding van een woning, een bedrijf, een kantoor of een andere functie, of de functiewijziging van een bestaand gebouw of gebouwencomplex. Hiervoor moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.