201406158/1/A4. Datum uitspraak: 18 maart 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 juni 2014 in zaak nr. 13/3274 in het geding tussen: [wederpartij] en het college. Procesverloop Bij besluit van 23 juni 2011 heeft het college [wederpartij] onder oplegging van bestuursdwang gelast om aan de met het Bouwbesluit 2003 strijdige staat van de fundering van een woning aan de [locatie] te Wormerveer (hierna: de woning) een einde te maken. Bij besluit van 26 november 2012 heeft het college de kosten van de op 29 mei 2012 tot en met 28 augustus 2012 toegepaste bestuursdwang vastgesteld op een bedrag van € 32.963,00. Bij besluit van 13 juni 2013 heeft het college het door [wederpartij] tegen de besluiten van 23 juni 2011 en 26 november 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 juni 2014 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 juni 2013 vernietigd, de besluiten van 23 juni 2011 en 26 november 2012 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. [wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend. Het college heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2014, waar het college, vertegenwoordigd door mr. Y.A. van Baak en H.J. van Egmond en E. Kooijman en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. J. Hobo, zijn verschenen. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet is het verboden een bestaand bouwwerk in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat bouwwerk van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur technische voorschriften worden gegeven omtrent de staat van een bestaand bouwwerk. Ingevolge artikel 2.6, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, dat ten tijde van het besluit op bezwaar gold, is een bestaand bouwwerk gedurende de restlevensduur voldoende bestand tegen de daarop werkende krachten. Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6 voorschriften zijn aangewezen, voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Ingevolge artikel 2.7 bezwijkt een bouwconstructie niet gedurende de in NEN 8700 bedoelde restlevensduur bij de fundamentele belastingcombinaties als bedoeld in NEN 8700. Ingevolge artikel 2.8, eerste lid, wordt het niet bezwijken als bedoeld in artikel 2.7 bepaald volgens NEN 8700. Ingevolge artikel 1.3, eerste lid, behoeft aan een in hoofdstuk 2 tot en met 7 gesteld voorschrift niet te worden voldaan indien het bouwwerk of het gebruik daarvan anders dan door toepassing van het desbetreffende voorschrift ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met de in die hoofdstukken gestelde voorschriften. 2. [wederpartij] is eigenaar van de woning. Het college heeft zich in het besluit van 13 juni 2013, onder verwijzing naar een conceptrapport van Wareco Ingenieurs van 19 juni 2009 en een meetrapport van de afdeling Milieu- en Gebruikstoezicht van de gemeente Zaanstad van 4 oktober 2010, op het standpunt gesteld dat de fundering in een met artikel 2.6, eerste lid, van het Bouwbesluit strijdige staat verkeert. Volgens het college handelt [wederpartij] hiermee in strijd met artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet. Het college heeft zich voorts onder verwijzing naar de gelijkwaardigheidsbepaling als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van het Bouwbesluit op het standpunt gesteld dat het, voor zover al praktisch uitvoerbaar, niet nodig was om een beoordeling of de woning gedurende de restlevensduur voldoende bestand is tegen de daarop werkende krachten te verrichten overeenkomstig de artikelen 2.7 en 2.8 van het Bouwbesluit, aangezien op basis van voormelde rapporten kan worden vastgesteld dat de woning niet voldoet aan artikel 2.6, eerste lid. 3. De rechtbank heeft overwogen dat de gelijkswaardigheidsbepaling als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van het Bouwbesluit niet is bedoeld voor een alternatieve beoordeling in het kader van handhaving of al dan niet aan de van toepassing zijnde NEN-norm wordt voldaan, maar is bedoeld om gebruikers of eigenaren van bouwwerken de mogelijkheid te bieden om op een andere wijze dan genoemd in het Bouwbesluit te voldoen aan de in dit besluit gestelde functionele eisen. Volgens de rechtbank laat het Bouwbesluit aan het college geen ruimte om - zoals het heeft gedaan - anders dan aan de hand van NEN 8700 vast te stellen of de technische staat van de fundering van de woning nog voldoet aan artikel 2.6, eerste lid, van het Bouwbesluit. De rechtbank heeft geconcludeerd dat, nu het college niet heeft vastgesteld dat de woning niet langer voldeed aan NEN 8700, het [wederpartij] ten onrechte heeft gelast om over te gaan tot funderingsherstel op de grond dat de woning niet langer voldeed aan artikel 2.6, eerste lid, van het Bouwbesluit. 4. Het college heeft ter zitting de beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gelijkwaardigheidsbepaling als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van het Bouwbesluit niet is bedoeld voor een alternatieve beoordeling in het kader van handhaving of al dan niet aan de van toepassing zijnde NEN-norm wordt voldaan, ingetrokken. 5. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het Bouwbesluit aan het bevoegd gezag geen ruimte laat om anders dan aan de hand van NEN 8700 vast te stellen of de staat van de fundering van de woning voldoet aan artikel 2.6, eerste lid, van het Bouwbesluit. Het college voert hiertoe aan dat de artikelen 2.7 en 2.8 van het Bouwbesluit weliswaar NEN 8700 aanwijzen als methode om te bepalen of aan het bepaalde in artikel 2.6 wordt voldaan, maar dat de door hem toegepaste methode, neergelegd in zijn "Beleidsrichtlijn Toezicht en handhaving funderingen" van 2 februari 2012 (hierna: de Beleidsrichtlijn), ook geschikt is om te bepalen of aan artikel 2.6, eerste lid, wordt voldaan. Volgens het college geeft NEN 8700 slechts de rekenregel dat de sterkte van de constructie groter moet zijn dan de belasting op deze constructie, vermenigvuldigd met een belastingfactor. Om de sterkte van de fundering te berekenen, zou deze in zijn geheel moeten worden doorgerekend op draagkracht, hetgeen een destructief onderzoek van de fundering (ontgraving) en een archiefonderzoek naar de fundering vereist. Volgens het college is het in dit geval vanwege instortingsgevaar te bezwaarlijk om de fundering te ontgraven en zijn de kosten om dat gevaar tegen te gaan onevenredig hoog. 5.1. Uit het systeem van de artikelen 2.6, 2.7 en 2.8 van het Bouwbesluit, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat wanneer overeenkomstig artikel 2.8 aan de hand van NEN 8700 wordt vastgesteld dat - in dit geval - de fundering van een woning niet bezwijkt in de zin van artikel 2.7, daarmee vaststaat dat wordt voldaan aan de in artikel 2.6, eerste lid, neergelegde norm dat een bestaand bouwwerk gedurende de restlevensduur voldoende bestand is tegen de daarop werkende krachten. Het systeem van de artikelen 2.6, 2.7 en 2.8 van het Bouwbesluit sluit op zichzelf echter, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, niet uit dat in het geval toepassing van de artikelen 2.7 en 2.8 praktisch niet uitvoerbaar is, aan de hand van een andere bepalingsmethode wordt bepaald of een bestaand bouwwerk voldoet aan artikel 2.6, eerste lid. Uit die andere bepalingsmethode moet dan wel onmiskenbaar volgen dat niet aan artikel 2.6, eerste lid, is voldaan. 5.2. De Beleidsrichtlijn geeft criteria aan de hand waarvan getoetst kan worden of de fundering nog als voldoende veilig kan worden beschouwd. De criteria zien op het analyseren van de gedragingen van het bovengrondse deel van het bouwwerk en bieden volgens de Beleidsrichtlijn een betrouwbaar inzicht in het functioneren van de fundering. De Beleidsrichtlijn stelt funderingsherstel verplicht bij een zakkingssnelheid van 8 mm per jaar en een verschilzakking van de helft van deze waarde. Voor de toepassing van de grenswaarde van 8 mm per jaar moet aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan. Deze waarden worden gezien als extreem waarbij wordt aangenomen dat de veiligheid niet langer kan worden gegarandeerd en herstelmaatregelen aan de fundering onafwendbaar zijn (Beleidsrichtlijn, par. 5.3). Funderingsherstel is ook verplicht indien, al dan niet beoordeeld in samenhang met het zakkingsgedrag, de hoekverdraaiing (rotatie) en scheefstand van de woning groter zijn dan 1:75. In het rapport van Wareco staan de resultaten van een risicoanalyse van de staat van woningen, uitgevoerd in het kader van de voorbereiding van rioolwerkzaamheden. In dat kader is door BBCI Frijwijk een gevelinspectie uitgevoerd, waaruit is gebleken dat de woning een zeer forse verzakking en scheefstand richting de rechterzijgevel vertoont. Uit een scheefstandmeting blijkt dat over de breedte van de voorgevel (6000
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.