(1), tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Daarvan is in deze zaak niet gebleken. Het betoog slaagt.
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank daarbij heeft nagelaten het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk te verklaren en het besluit van 31 oktober 2013 te vernietigen en de rechtbank de minister in de proceskosten heeft veroordeeld tot een bedrag van € 243,
- Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk verklaren, het besluit van 31 oktober 2013 vernietigen en de minister in de kosten van het beroep veroordelen tot een bedrag van € 980,
- De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 april 2014 in zaak nr. 13/784, voor zover de rechtbank daarbij heeft nagelaten het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk te verklaren en het besluit van de minister van Veiligheid en Justitie van 31 oktober 2013 te vernietigen en de rechtbank de minister in de proceskosten heeft veroordeeld tot een bedrag van € 243,50; III. verklaart het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk; IV. vernietigt het besluit van de minister van Veiligheid en Justitie van 31 oktober 2013, kenmerk BF7456; V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; VI. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige; VII. veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1960,00 (zegge: negentienhonderdzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. gelast dat de minister van Veiligheid en Justitie aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 246,00 (zegge: tweehonderdzesenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, griffier. w.g. Bijloos w.g. Vreken-Westra lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2015 434-819.