201502782/1/A3. Datum uitspraak: 13 april 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen: de stichting Bosscher Stichting -S.L.A.- Slachtoffers Lokale Anesthesie, gevestigd te Rockanje, gemeente Westvoorne, appellante, en het College ter beoordeling van geneesmiddelen (hierna: het CBG), verweerder. Procesverloop Bij besluit van 19 november 2010 heeft het CBG het door de stichting ingediende verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) om kopieën van alle documenten die zich bij hem bevinden in relatie tot articaïne vanaf 1 januari 1967 grotendeels afgewezen. Bij besluit van 29 september 2011 heeft het CBG het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, enkele documenten met weglating van vertrouwelijke gegevens aan de stichting verstrekt en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 september 2013 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 september 2011 vernietigd en bepaald dat het CBG een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak. Bij uitspraak van 19 november 2014 in zaak nr. 201309703/1/A3 heeft de Afdeling deze uitspraak bevestigd en bepaald dat tegen het door de minister nieuw te nemen besluit op het bezwaar van de stichting slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld. Bij besluit van 23 februari 2015 heeft het CBG het door de stichting gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, opnieuw documenten met weglating van vertrouwelijke gegevens verstrekt en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft de stichting beroep ingesteld. Het CBG heeft een verweerschrift ingediend. De volgende derde-belanghebbende handelsvergunninghouders nemen deel aan het geding: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sanofi-Aventis Netherlands B.V., gevestigd te Gouda, de rechtspersoon naar Duits recht 3M Deutschland GmbH, gevestigd te Seefeld, Duitsland, en de rechtspersoon naar Belgisch recht Septodont NV-SA, gevestigd te Brussel, België. De stichting, 3M, Septodont en Sanofi-Aventis hebben de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2016, waar de stichting, vertegenwoordigd door R. Vleugels en [secretaris] van de stichting, en het CBG, vertegenwoordigd door mr. M.K. Polano, drs. F.W. Weijers, L. Bongers, mr. I.M. van Oosschot en K. Liebrand, allen werkzaam bij het CBG, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord Sanofi-Aventis, vertegenwoordigd door mr. R. Franken. Overwegingen Inleiding 1. De stichting stelt zich ten doel het bevorderen van wetenschappelijk onderzoek naar klachten op het gebied van de gezondheid welke worden toegeschreven aan het gebruik van lokale anesthetica. In het bijzonder concentreert de stichting zich op het verdovingsmiddel articaïne, omdat de stichting vermoedt dat deze werkzame stof verantwoordelijk is voor een reeks van onvermoede bijwerkingen. In verband hiermee wenst de stichting inzicht te verkrijgen in de toelating van articaïne als (bestanddeel van een) geneesmiddel en heeft zij het CBG verzocht om kopieën van alle documenten die zich bij het CBG bevinden in relatie tot articaïne. In zijn besluit van 29 september 2011 heeft het CBG een aantal documenten openbaar gemaakt, maar openbaarmaking van de registratiedossiers geweigerd. De eerdere uitspraak van de Afdeling 2. In haar uitspraak van 19 november 2014 heeft de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 12 februari 2014 in zaak nr. 201209646/1/A3, overwogen dat in beginsel per document of onderdeel daarvan moet worden gemotiveerd op welke grond openbaarmaking daarvan achterwege wordt gelaten. Als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen, mag daarvan evenwel worden afgezien. Verder heeft zij, onder verwijzing naar haar uitspraak van 20 november 2013 in zaak nr. 201211664/1/A3 overwogen dat bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob slechts die gegevens zijn waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Deze uitzonderingsgrond dient restrictief te worden uitgelegd. Over de weigering tot openbaarmaking van de registratiedossiers heeft de Afdeling, na daarvan met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen, voorts het volgende overwogen. Alle registratiedossiers bestaan uit dezelfde (deel)modules, waarin documenten zijn opgenomen die zijn in te delen in categorieën, zoals aanvraagformulieren, conceptbijsluiters, vastgestelde bijsluiters, deskundigenrapporten, certificaten, correspondentie en wetenschappelijke artikelen. Niet voor alle categorieën documenten geldt dat de bedrijfs- en fabricagegegevens, voor zover die daarin zijn vervat, zodanig met de andere gegevens zijn verweven dat deze niet van elkaar zijn te scheiden. Het CBG heeft ter zitting desgevraagd erkend dat het de verschillende categorieën documenten in de registratiedossiers niet heeft doorgenomen. Het CBG heeft derhalve ten onrechte nagelaten per categorie documenten in de registratiedossiers te beoordelen of die openbaar moet worden gemaakt, al dan niet met weglakking van de persoonsgegevens op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob, en daarbij per niet openbaar gemaakte categorie te motiveren welke weigeringsgrond van de Wob zich voordoet. Het thans bestreden besluit 3. Bij het besluit van 23 februari 2015 heeft het CBG een deel van de documenten uit de door de stichting verzochte registratiedossiers verstrekt, nadat het de documenten daarin heeft ontdaan van bedrijfs- en fabricagegegevens, patiëntgegevens en overige persoonsgegevens. Een ander deel van de documenten uit de registratiedossiers heeft het integraal geweigerd openbaar te maken. De verwijderde gegevens betreffen volgens het CBG bedrijfs- en fabricagegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob; patiëntgegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d; en overige persoonsgegevens als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. De feitelijke verstrekking heeft plaatsgevonden door toezending aan de stichting van een DVD, met daarop de registratiedossiers. Passages uit de tot de registratiedossiers behorende documenten die volgens het CBG bedrijfs- en fabricagegegevens, patiëntgegevens of overige persoonsgegevens bevatten, zijn weggelakt. Daar waar openbaarmaking van documenten integraal is geweigerd, is een tussenvel aangebracht waarop de weigeringsgrond en het aantal pagina’s van het verwijderde document dan wel de verwijderde documenten is aangeven. Het beroep 4. De stichting voert in beroep tegen het besluit van 23 februari 2015 aan dat het CBG van de ruim 70.000 pagina’s aan documenten openbaarmaking van bijna 22.000 pagina’s integraal heeft geweigerd. Zij wijst erop dat het CBG van deze documenten geen index heeft verstrekt, waardoor haar beroep tegen de weigering van deze documenten wordt bemoeilijkt. Verder voert zij aan dat aan de weigering van deze documenten in ruim 90% van de gevallen de weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob ten grondslag is gelegd, omdat deze documenten bedrijfs- en fabricagegegevens zouden bevatten. Het is volgens de stichting erg onwaarschijnlijk dat zoveel documenten slechts uit bedrijfs- en fabricagegegevens zouden bestaan. De stichting betoogt dat het CBG met het besluit van 23 februari 2015 geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014. Het oordeel 5. Aan de Afdeling is, naast de onder 3 genoemde DVD, een DVD met daarop de volledige inhoud van de registratiedossiers verstrekt. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van deze inhoud. 5.1. Ter zitting heeft de Afdeling begrepen dat de stichting zich met het besluit van 23 februari 2015 kan verenigen, voor zover daarbij is besloten tot openbaarmaking van tot het registratiedossier behorende documenten onder weglakking van bedrijfs- en fabricagegegevens, patiëntgegevens en overige persoonsgegevens. In dit stadium richt het beroep van de stichting zich nog tegen het besluit, voor zover daarbij is besloten om documenten integraal te weigeren. De Afdeling zal om die reden hierna alleen ingaan op het bestreden besluit, voor zover nog bestreden. Geen inzicht in hoeveelheid en aard documenten 6. De Afdeling stelt vast dat het CBG geen inzicht heeft geboden in de hoeveelheid en de aard van de documenten uit de registratiedossiers waarvan het openbaarmaking heeft geweigerd. Zo heeft het CBG nagelaten om in het besluit van 23 februari 2015 te vermelden van welke documenten het openbaarmaking heeft geweigerd. Uit de bij het besluit gevoegde bijlages met indexen kan dit evenmin worden afgeleid. Deze indexen geven slechts de nummers van de registratiedossiers, de naam en het registratienummer van het geneesmiddel waarop het registratiedossier betrekking heeft, het aantal pagina’s van het registratiedossier, de jaartallen van de documenten in het dossier en een korte omschrijving van de inhoud van het registratiedossier weer en bieden daarmee slechts informatie op het niveau van de registratiedossiers. De zogenoemde tussenvellen geven voorts slechts informatie over het aantal geweigerde pagina’s en niet het aantal geweigerde documenten. Bovendien geeft het genoemde aantal pagina’s een onjuist beeld omdat, zo heeft de Afdeling vastgesteld na kennisneming van pagina’s waarvan openbaarmaking is geweigerd, daartoe in sommige gevallen ook de blanco achterzijden van tekstpagina’s wordt gerekend. Hierdoor is ook om die reden onduidelijk van hoeveel documenten en pagina’s de openbaarmaking is geweigerd. Ter zitting heeft het CBG naar voren gebracht dat het van de geweigerde documenten zoveel mogelijk de zogenoemde cover letter heeft verstrekt en dat daarmee inzicht is geboden in de aard van het geweigerde document. Met de cover letter doelt het CBG, zo begrijpt de Afdeling, onder meer op titelbladen en inhoudsopgaves van documenten. Het verstrekken van deze cover letters kan inzicht bieden in de aard, inhoud en omvang van de documenten. In dit geval heeft het CBG in het besluit van 23 februari 2015 echter geen melding gemaakt van deze werkwijze, zodat voor de stichting niet duidelijk was dat het CBG op deze manier inzicht in de aard, inhoud en omvang van de documenten heeft willen bieden. Bovendien, zo heeft de Afdeling na kennisname van de registratiedossiers vastgesteld, is deze werkwijze niet consequent gehanteerd. Zo is gebleken dat het CBG meer dan eens een grote hoeveelheid opeenvolgende pagina’s heeft geweigerd, die verschillende documenten beslaan, zonder dat daarbij de cover letters van deze documenten zijn weergegeven. Als voorbeeld kan hier worden genoemd pagina’s 330 en 333 van het pdf-bestand 10890-001 clean, die op de vertrouwelijk aan de Afdeling overgelegde DVD staan. 6.1. De Afdeling komt tot de conclusie dat de hoeveelheid en aard van de geweigerde documenten in het bestreden besluit op zeer gebrekkige wijze inzichtelijk is gemaakt, waarmee dat besluit onvoldoende is gemotiveerd en op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Daardoor wordt de stichting belemmerd in haar mogelijkheden om adequaat tegen de weigering op te komen en wordt de bestuursrechter belemmerd de rechtmatigheid van het besluit tot weigering van openbaarmaking te beoordelen. Geen inzicht in reden van weigering 6.2. De Afdeling stelt vast dat het CBG ook heeft verzuimd te motiveren waarom het openbaarmaking van bepaalde documenten of onderdelen daarvan heeft geweigerd. Het CBG heeft bij elke integrale weigering volstaan met de benoeming van de aan de weigering ten grondslag gelegde weigeringsgrond, door die op het tussenvel te vermelden. De enkele verwijzing naar een in de Wet openbaarheid van bestuur opgenomen weigeringsgrond kan echter niet als motivering van de weigering tot openbaarmaking van één of meer (delen van) pagina’s of documenten worden aangemerkt. De werkwijze van het CBG kan niet door de beugel omdat een toelichting om welke reden(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.