(2020)", vastgesteld op 15 december 2009, geldt een parkeernorm van 2,1 parkeerplaatsen per (dure) woning. Vereniging Den Hout heeft deze parkeernorm niet betwist. Ingevolge artikel 14, lid 14.2, onder a, van de planregels dient bij de bouw van deze woningen te worden voldaan aan deze parkeernorm. Op een afbeelding in de plantoelichting is te zien dat Lithos Bouw en Ontwikkeling bij de beoogde woningen een oprit beoogt aan te leggen waarop per woning twee parkeerplaatsen zullen worden gesitueerd. De omstandigheid dat deze twee parkeerplaatsen per woning in sommige gevallen niet anders dan achter elkaar kunnen worden aangelegd en het parkeren daardoor enigszins wordt bemoeilijkt, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat daarmee niet aan de parkeernorm kan worden voldaan. Omdat is voorzien in voldoende parkeergelegenheid, bestaat voor bewoners en bezoekers van de nieuwe woningen geen noodzaak om langs de Vrachelsestraat buiten de aldaar aangegeven parkeerplaatsen te parkeren. Voor zover toch wordt overgegaan tot illegaal parkeren, geldt dat het hier een handhavingskwestie betreft, die als zodanig in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het betoog faalt.
- Vereniging Den Hout voert aan dat de raad heeft verzuimd om de impact van de nieuwe woningen op het akoestische klimaat van de bestaande woningen te betrekken. Hierbij stelt zij dat de nieuwe woningen aan de Vrachelsestraat door reflectie een hogere geluidbelasting op bestaande woningen tot gevolg zullen hebben. 9.
- Het onderzoeksbureau AV Consulting heeft een akoestisch onderzoek verricht naar het wegverkeerslawaai ter hoogte van de beoogde woningen aan de Vrachelsestraat. Het rapport "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nieuwbouw woningen Vrachelsestraat/Molenakker te Den Hout" van 25 november 2011 geeft een beeld van de akoestische situatie ter plaatse. Het gaat hier om een niet ongebruikelijke situatie waarbij, net zoals elders aan de Vrachelsestraat, ter hoogte van het plangebied aan weerszijden van de weg woningen komen te staan. Vereniging Den Hout heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van het standpunt van de raad dat, anders dan op andere locaties aan de Vrachelsestraat, de geluidsreflectie door de te bouwen woningen dusdanig is, dat de geluidsbelasting op de bestaande woningen aan de overzijde van de weg onaanvaardbaar zal zijn. Het betoog faalt.
- Vereniging Den Hout voert aan dat het plan niet had mogen worden vastgesteld vanwege de aanwezigheid van beschermde vleermuissoorten en huismussen in het plangebied. De Flora- en faunawet (hierna: Ffw) staat een dergelijke ontwikkeling pas toe wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en er geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. De bepaling in de planregels dat de bestaande gebouwen pas mogen worden gesloopt, nadat uit onderzoek is gebleken dat de aanwezigheid van verblijfplaatsen of nestplaatsen is uit te sluiten, had volgens haar niet mogen worden opgenomen in het plan. Vereniging Den Hout betoogt dat de voorgestane ontwikkeling in strijd is met de Ffw en daarom niet kan doorgaan. 10.
- De raad stelt zich op het standpunt dat op basis van de verrichte quick scan kan worden geconstateerd dat er vanuit het oogpunt van de Ffw geen belemmeringen zijn om het plan uit te voeren. Als er een ontheffing op grond van de Ffw noodzakelijk is, kan deze volgens hem worden verleend. Verder betoogt de raad dat in de planregels een bepaling met een voorwaarde is opgenomen ten behoeve van de sloop van bestaande gebouwen, zodat eventueel aanwezige diersoorten worden beschermd. 10.
- Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ffw worden als beschermde inheemse diersoort aangemerkt alle van nature op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels met uitzondering van gedomesticeerde vogels behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten. Ingevolge artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren. Ingevolge artikel 75, derde lid, kan de minister ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 15a. Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder c, wordt voor soorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en voor soorten vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen. Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (hierna: het Vrijstellingsbesluit) zijn als andere belangen als bedoeld in artikel 75, vijfde (lees: zesde) lid aanhef en onder c, van de Ffw aangewezen de aldaar onder a. tot en met j. genoemde belangen. Ingevolge artikel 2c, eerste lid, aanhef en onder a, kan met betrekking tot de diersoorten, genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, van de artikelen 9 tot en met 12 van de wet slechts vrijstelling of ontheffing worden verleend ten behoeve van de belangen, genoemd in artikel 2, derde lid, onderdelen a, b, c, d, e of f. Ingevolge artikel 2d, eerste lid, aanhef en onder a, kan met betrekking tot de vogelsoorten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet van de artikelen 9 tot en met 12 van de wet slechts vrijstelling of ontheffing worden verleend ten behoeve van de belangen genoemd in artikel 2, derde lid, onderdelen a, b, c of d. Ingevolge artikel 5, lid 5.6, onder 5.6.1, van de planregels mogen de bestaande gebouwen pas gesloopt worden nadat uit onderzoek is gebleken dat de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten en/of nestplaatsen van de huismus zijn uit te sluiten. Ingevolge dat lid, onder 5.6.2, geldt dat, mocht uit het onderzoek blijken dat overtreding van de Ffw niet voorkomen kan worden, de bestaande gebouwen pas gesloopt mogen worden nadat de ontheffing Ffw is verleend. 10.
- De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. In artikel 5, lid 5.6, onder 5.6.2, van de planregels is bepaald dat sloop van de bestaande gebouwen pas mag plaats vinden nadat een ontheffing, indien noodzakelijk, van de in de Ffw opgenomen verbodsbepalingen is verleend. Met deze bepaling blijft de vraag of een dergelijke ontheffing ook binnen de planperiode kan worden verleend onbeantwoord. Uit het rapport "quick scan flora en fauna, realisatie woningen Vrachelsestraat/Molenakker, Den Hout" van 3 februari 2015 van het onderzoeksbureau SAB volgt dat de bestaande schuur en het woonhuis in het plangebied potentiële verblijfplaatsen bevatten voor de gewone dwergvleermuis en de huismus. Met de beoogde sloop van de schuur en het woonhuis gaan mogelijk beschermde verblijfplaatsen verloren. SAB acht daarom een nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze soorten noodzakelijk. Als verblijfplaatsen van deze beschermde soorten daadwerkelijk aanwezig zijn in de bestaande bebouwing, is een ontheffing van de in de Ffw opgenomen verbodsbepalingen noodzakelijk. Het onderzoeksrapport vermeldt dat in alle redelijkheid te verwachten is dat een dergelijke ontheffing zal worden verleend. Deze stelling is herhaald in de memo mitigerende maatregelen vleermuis en huismus van SAB van 19 februari
- Hierin is tevens vermeld dat een nader onderzoek naar de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis en de huismus niet meer zal plaatsvinden vóór de vaststelling van het plan, zodat vooralsnog van de aanwezigheid van die soorten wordt uitgegaan. De Afdeling kan de stelling dat te verwachten is dat een ontheffing zal worden verleend niet volgen. De gewone dwergvleermuis is vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn. De huismus is een vogel als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, van de Ffw. Gelet op de artikelen 2c, eerste lid, aanhef en onder a, en 2d, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vrijstellingsbesluit kan voor beide soorten slechts ontheffing worden verleend met het oog op een beperkt aantal belangen zoals genoemd in artikel 2, derde lid, van het Vrijstellingsbesluit. De raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat één van die belangen zich in dit geval ten aanzien van deze diersoorten voordoet. Gelet hierop heeft de raad niet aannemelijk gemaakt dat hij er ten tijde van het bestreden besluit op voorhand in redelijkheid van mocht uitgaan dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zou staan. Het betoog slaagt. Conclusie
- In hetgeen vereniging Den Hout heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. In stand laten van de rechtsgevolgen
- Bij brief van 2 februari 2016 heeft de raad het Flora- en faunaonderzoek "Vrachelsestraat & Molenakker Den Hout" van 28 januari 2016 ingediend. In dit rapport wordt uiteengezet in welke mate vleermuizen en huismussen gebruik maken van het plangebied en of derhalve voor de uitvoering van het plan een ontheffing van de Ffw noodzakelijk is. Met het oog op een finale beslechting van het geschil ziet de Afdeling aanleiding te bezien of dit rapport aanleiding geeft tot het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. 12.
- Vereniging Den Hout betoogt dat ook uit dit recente natuurraport volgt dat het plan in strijd is met de Ffw. In het rapport wordt namelijk aangegeven dat de functionaliteit van een struikenhaag in combinatie met drie zomereiken noodzakelijk is om overtreding van de Ffw te voorkomen. In het gebied waarin deze elementen liggen voorziet het plan evenwel in tuinen en opritten, aldus vereniging Den Hout. 12.
- Uit het onderzoeksrapport van 28 januari 2016 volgt dat geen vaste rust- en verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes van de gewone dwergvleermuis in het plangebied aanwezig zijn. Ook zijn er geen nestplaatsen van de huismus aanwezig. Wel zijn een essentiële beschutting en een essentiële voedselvoorziening voor de huismus in de vorm van een struikenhaag in combinatie met drie zomereiken aanwezig in het plangebied. Volgens het rapport is het noodzakelijk dat minimaal 175 m2 van de struikenhaag behouden blijft. Dit oppervlak beslaat slechts een beperkt deel van de gronden van het plangebied buiten de bouwvlakken. De planregels voorzien zowel binnen de bestemming "Tuin" als binnen de bestemming "Wonen" in tuinen en groenvoorzieningen. Het plan staat daarmee niet in de weg aan het behoud van de struikenhaag en zomereiken. Voorts is het noodzakelijke oppervlak niet zodanig dat het de aanleg van opritten onmogelijk maakt. Gelet op het vorenstaande heeft de raad op basis van dit onderzoeksrapport in redelijkheid ervan mogen uitgaan dat de Ffw niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid. De Afdeling ziet derhalve aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten. Proceskosten
- Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Oosterhout van 26 mei 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kerkdorp Den Hout, herziening IV (Vrachelsestraat-Molenakker)"; III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven; IV. gelast dat de raad van de gemeente Oosterhout aan de vereniging Leefbaarheidswerkgroep Den Hout het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier. w.g. Van Diepenbeek w.g. Lap voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2016 288-656.