201410222/1/R
- Datum uitspraak: 20 april 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:
- [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), beiden wonend te [woonplaats],
- de stichting Stichting Oplossing N69 Bewonersoverleg Dommelen, gevestigd te Valkenswaard, en anderen (hierna: Oplossing N69 en anderen),
- de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Tilburg (hierna: de Brabantse Milieufederatie),
- [appellante sub 7], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 8A] en [appellant sub 8B], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 9], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 10] en anderen, handelend onder de naam comité Monseigneur Smetsstraat, allen wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],
- de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid Buurtvereniging Braambos, gevestigd te [plaats],
- [appellant sub 13], wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 14], gevestigd te [plaats], en anderen (hierna: [appellante sub 14] en anderen),
- [appellant sub 15] en anderen, allen wonend te [woonplaats], en provinciale staten van Noord-Brabant, verweerders. Procesverloop Bij besluit van 31 oktober 2014 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Nieuwe Verbinding Grenscorridor N69" (hierna: het plan) vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], Oplossing N69 en anderen, de Brabantse Milieufederatie, [appellante sub 7], [appellanten sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 11], Buurtvereniging Braambos, [appellant sub 13], [appellante sub 14] en anderen en [appellant sub 15] en anderen beroep ingesteld. Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], Oplossing N69 en anderen, [appellanten sub 8], [appellant sub 9], [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 13] en [appellant sub 15] en anderen hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. Oplossing N69 en anderen, de Brabantse Milieufederatie, [appellanten sub 8], [appellant sub 15] en anderen en provinciale staten hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201504613/1/R6 ter zitting behandeld op 16 en 17 november 2015, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen. Provinciale staten hebben zich doen vertegenwoordigen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. Overwegingen Bestuurlijke lus
- Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Intrekking ter zitting
- Ter zitting hebben Oplossing N69 en anderen het beroep ingetrokken, voor zover dit is ingesteld door [5 appellanten sub 5]. Daarnaast hebben Oplossing N69 en anderen, de Brabantse Milieufederatie en [appellant sub 3] ter zitting enkele beroepsgronden ingetrokken. Voor Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betreft het de beroepsgrond over de actualiteit van de onderzoeksgegevens over beschermde dier- en plantensoorten. Oplossing N69 en anderen hebben daarnaast de beroepsgrond over retourbemaling en het lozen van sterk ijzerhoudend bemalingswater ter plaatse van de halfverdiept aan te leggen kruising met de Broekhovenseweg ingetrokken. [appellant sub 3] heeft de beroepsgrond over de wijzigingsbevoegdheid die wijziging van de bestemming "Natuur" naar de bestemming "Verkeer" mogelijk maakt ingetrokken. Het plan
- Het plan maakt de aanleg mogelijk van een nieuwe wegverbinding tussen de bestaande N69 ten zuiden van Valkenswaard en de Locht te Veldhoven, de zogenoemde Nieuwe Verbinding. De weg wordt uitgevoerd als een gebiedsontsluitingsweg met één rijbaan en twee rijstroken en een maximumsnelheid van 80 km/uur. Het plan voorziet tevens in onder meer groenelementen die volgens provinciale staten nodig zijn voor een goede landschappelijke inpassing van de weg en in enkele gebieden voor de aanleg van natuur in de toekomst. Beoogd is om de nieuwe verbindingsweg bij Veldhoven te laten aansluiten op de rijksweg A
- De verbinding tussen de Locht in Veldhoven en de A67, alsmede de aansluiting van de Nieuwe Verbinding op de A67 zijn voorzien in het bestemmingsplan "Kempenbaan-West" dat door de raad van de gemeente Veldhoven bij besluit van 17 maart 2015 is vastgesteld. De Nieuwe Verbinding heeft tot doel de bestaande N69 tussen Eindhoven en de Belgische grens te ontlasten en daardoor de leefbaarheid en bereikbaarheid in de omgeving van de bestaande N69, de zogenoemde Grenscorridor, te verbeteren. Dit betreft met name de kernen Aalst en Valkenswaard. Toetsingskader
- Bij de vaststelling van een inpassingsplan hebben provinciale staten beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die zij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het inpassingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Leeswijzer
- De Afdeling zal aan de hand van de beroepsgronden achtereenvolgens de volgende onderwerpen behandelen. Allereerst zal op de ontvankelijkheid van verschillende appellanten worden ingegaan (overwegingen 6 en 7), waarna vervolgens de betogen van formele aard (overwegingen 8 tot en met 10) en de betogen over de begrenzing van het plangebied aan de orde worden gesteld (overweging 11). De Afdeling zal vervolgens ingaan op nut en noodzaak van het plan (overwegingen 12 en 13), de ligging alsmede de alternatieven voor het tracé van de Nieuwe Verbinding (overwegingen 14 tot en met 24) en op de gevolgen van het plan voor Natura 2000-gebieden (overwegingen 25 tot en met 44), de Ecologische Hoofdstructuur (overwegingen 45 tot en met 59) en beschermde diersoorten (overwegingen 60 tot en met 65). Achtereenvolgens zal de Afdeling daarna ingaan op de verkeerssituatie op de A67 (overweging 66), het woon- en leefklimaat van omwonenden (overwegingen 67 tot en met 69), de landschappelijke inpassing van de Nieuwe Verbinding (overweging 70), de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding (overwegingen 71 tot en met 73) en de externe veiligheid (overwegingen 74 en 75) alsmede de samenhang tussen het plan en de zogenoemde nulplusmaatregelen (overwegingen 76 en 77). Tevens zullen de gevolgen van het plan voor nabij het plangebied gevestigde agrarische bedrijven worden besproken (overwegingen 78 tot en met 86), waarna tot slot de overige individuele beroepsgronden aan bod komen (overwegingen 87 tot en met 97). Ontvankelijkheid Wettelijk kader
- Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij provinciale staten. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een inpassingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Beroep van [appellant sub 10] en anderen
- Van de appellanten die het beroepschrift van [appellant sub 10] en anderen hebben ondertekend, hebben [3 appellanten sub 10] geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan hen dat redelijkerwijs niet kan worden verweten. Het beroep van [appellant sub 10] en anderen, voor zover ingesteld door [3 appellanten sub 10], is niet-ontvankelijk. 7.
- In de navolgende overwegingen wordt met [appellant sub 10] en anderen bedoeld [7 appellanten sub 10]. Formele bezwaren
- [appellant sub 15] en anderen en Buurtvereniging Braambos betogen dat het plan onjuist is omschreven in de kennisgeving van de vaststelling van plan. Volgens hen wordt in de kennisgeving ten onrechte de suggestie gewekt dat het plan ook voorziet in een aansluiting van de Nieuwe Verbinding op de A
- 8.
- Een eventuele onjuiste kennisgeving van het bestreden besluit betreft een onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit. Deze mogelijke onregelmatigheid kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten en kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.
- [appellant sub 15] en anderen betogen dat zij niet tijdig zijn geïnformeerd over de beantwoording van hun zienswijzen. Volgens hen hadden zij voorafgaand aan de op 26 september 2014 gehouden informatiebijeenkomst over het plan moeten worden geïnformeerd over de beantwoording van hun zienswijzen. Hiertoe bestond volgens hen de mogelijkheid, nu het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant kort na de gehouden informatiebijeenkomst op 3 oktober 2014 heeft medegedeeld dat de concept-nota van zienswijzen is gepubliceerd op de website van de provincie. 9.
- In de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), noch in enig ander wettelijk voorschrift, valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan voor provinciale staten de verplichting bestaat indieners van zienswijzen reeds voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan in kennis te stellen over de beantwoording van hun zienswijzen. Het betoog van [appellant sub 15] en anderen kan dan ook niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
- [appellant sub 10] en anderen en [appellant sub 9] betogen dat zij onvoldoende zijn betrokken bij de voorbereiding en de vaststelling van het inpassingplan, waaronder de keuze voor de ligging van het tracé van de Nieuwe Verbinding. Volgens hen is dit in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, zoals is neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. 10.
- De Afdeling stelt vast dat voor de vaststelling van het plan de in de Wro geregelde procedure is doorlopen waarbij is voldaan aan de wettelijke vereisten ten aanzien van het informeren van belanghebbenden en het betrekken van de belanghebbenden bij de procedure tot vaststelling van het plan. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten uit een oogpunt van zorgvuldigheid gehouden waren [appellant sub 10] en anderen en [appellant sub 9] meer of anders bij de besluitvorming te betrekken dan op basis van de Wro is vereist. Het betoog faalt. Begrenzing van het plangebied
- Oplossing N69 en anderen betogen dat de aansluiting van de Nieuwe Verbinding op de A67, zoals is voorzien in het bestemmingsplan "Kempenbaan-West", ten onrechte buiten de begrenzing van het inpassingsplan is gelaten. Volgens Oplossing N69 en anderen bestaat een onlosmakelijke samenhang tussen de aanleg van de Nieuwe Verbinding en de realisatie van de aansluiting van de Nieuwe Verbinding op de A
- Gelet hierop hadden de in het inpassingsplan en het bestemmingsplan begrepen gronden in één planologische regeling moeten worden opgenomen, aldus Oplossing N69 en anderen. 11.
- Provinciale staten komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een inpassingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat provinciale staten een begrenzing kunnen vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. 11.
- Niet in geschil is dat tussen het inpassingsplan en het bestemmingsplan "Kempenbaan-West" een duidelijke samenhang bestaat, welke samenhang is gelegen in de omstandigheid dat het bestemmingsplan "Kempenbaan-West" de aansluiting van de in het inpassingsplan voorziene Nieuwe Verbinding op de A67 mogelijk maakt. Provinciale staten hebben toegelicht dat ervoor is gekozen het planologisch mogelijk maken van de aansluiting van de Nieuwe Verbinding op de A67 over te laten aan de raad van de gemeente Veldhoven. Deze gemeente had ruim voor de planvorming voor de aanleg van de Nieuwe Verbinding reeds plannen in voorbereiding om bij Veldhoven een nieuwe aansluiting op de A67 te realiseren om de ontsluiting van het bedrijventerrein De Run in Veldhoven te verbeteren. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten ondanks deze samenhang in redelijkheid kunnen besluiten de aansluiting van de Nieuwe Verbinding op de A67 buiten de begrenzing van het inpassingsplan te laten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het statenvoorstel van 9 september 2014 tot vaststelling van het inpassingsplan staat dat voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan tussen de provincie en de gemeente Veldhoven veelvuldig overleg heeft plaatsgevonden om de vaststelling van het inpassingsplan en het bestemmingsplan op elkaar af te stemmen. Om te waarborgen dat het bestemmingsplan tijdig zou worden vastgesteld, hebben gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan de raad van de gemeente Veldhoven tevens kennis gegeven van een in concept opgestelde proactieve aanwijzing gericht op het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan voor de aansluiting van de Nieuwe Verbinding op de A
- Gelet op deze omstandigheden konden provinciale staten er naar het oordeel van de Afdeling ten tijde van de vaststelling van het inpassingsplan in redelijkheid van uitgaan dat de raad van de gemeente Veldhoven, al dan niet na het geven van een proactieve aanwijzing, tijdig zou voorzien in een planologische regeling voor de aansluiting van de Nieuwe Verbinding op de A67 en dat er gelet hierop geen aanleiding bestond deze aansluiting binnen de begrenzing van het inpassingsplan te brengen. Het betoog faalt. 11.
- Het betoog van Oplossing N69 en anderen dat provinciale staten in de aan het inpassingsplan ten grondslag gelegde onderzoeken onvoldoende rekening hebben gehouden met de gevolgen van de in het bestemmingsplan "Kempenbaan-West" voorziene aansluiting van de Nieuwe Verbinding op de A67, wordt beoordeeld in het onderstaande, waar verschillende aan het inpassingsplan ten grondslag gelegde onderzoeken aan de orde worden gesteld. Nut en noodzaak
- [appellant sub 15] en anderen betogen dat geen noodzaak bestaat voor de aanleg van een nieuwe verbindingsweg tussen Veldhoven en de bestaande N69 ten zuiden van Valkenswaard. Volgens hen is het invoeren van een vrachtwagenverbod op de hoofdwegen in onder meer Aalst en Valkenswaard voldoende om de leefbaarheid en bereikbaarheid in de kernen van Aalst en Valkenswaard te verbeteren. Ook Buurtvereniging Braambos betoogt dat geen noodzaak bestaat voor de aanleg van de Nieuwe Verbinding. Volgens haar zijn aanpassingen aan de bestaande infrastructuur afdoende om de doelstellingen van het plan, zijnde het verbeteren van de leefbaarheid en bereikbaarheid in de Grenscorridor N69, te bereiken. 12.
- Zoals in het onderstaande onder 15 zal worden overwogen, is aan de vaststelling van het plan een uitgebreid proces van trechtering van alternatieven vooraf gegaan, welk proces onder meer is neergelegd in het "PlanMER Gebiedsopgave Grenscorridor N69" van 28 juni 2011 (hierna: plan-MER). In het plan-MER is onderzocht of door middel van aanpassingen aan de bestaande infrastructuur, in het plan-MER ook wel genoemd het alternatief Nulplus, een oplossing kan worden geboden voor de leefbaarheids- en bereikbaarheidsproblemen in de Grenscorridor N
- In het plan-MER staat dat het alternatief Nulplus zonder aanvullende maatregelen in de vorm van de aanleg van nieuwe infrastructuur onvoldoende probleemoplossend vermogen bezit. Zo wordt in het plan-MER gesteld dat het alternatief Nulplus in plaats van een afname van verkeer, juist leidt tot een toename van verkeer in de kern van Aalst. [appellant sub 15] en anderen en Buurtvereniging Braambos hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd waarom deze conclusie uit het plan-MER onjuist zou zijn. De Afdeling ziet gelet hierop in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat met het uitsluitend nemen van verkeersmaatregelen en het verrichten van aanpassingen aan de bestaande infrastructuur nut en noodzaak voor de in het plan voorziene Nieuwe Verbinding niet zijn weggenomen. Het betoog faalt.
- [appellant sub 10] en [appellant sub 9] betogen dat nut en noodzaak van de aanleg van de Nieuwe Verbinding onvoldoende zijn onderbouwd, omdat met de aanleg van de Nieuwe Verbinding de doelstellingen van het plan onvoldoende worden bereikt. Zij stellen hiertoe dat als gevolg van de aanleg van de Nieuwe Verbinding het aantal verkeersbewegingen in de kernen van Aalst, Waalre en Valkenswaard zal afnemen met ongeveer slechts 10% terwijl het aantal verkeersbewegingen in de kern van Dommelen meer dan verdubbelt. 13.
- In het aan het plan ten grondslag gelegde rapport "Voorkeursalternatief nieuwe verbinding Grenscorridor N69" van Tauw van 25 augustus 2014 (hierna: het rapport Voorkeursalternatief) zijn de verkeerseffecten van de aanleg van de Nieuwe Verbinding op de wegen in de omliggende gemeenten berekend. In het rapport Voorkeursalternatief staat dat als gevolg van de aanleg van de Nieuwe Verbinding de verkeersintensiteiten op veel wegen in de omliggende gemeenten afnemen. Zo staat in het rapport Voorkeursalternatief dat na de aanleg van de Nieuwe Verbinding het verkeer in Waalre op de bestaande N69 afneemt met ongeveer 15% tot 32% en op de Onze-Lieve-Vrouwedijk, Heikantstraat en Molenstraat met respectievelijk 18%, 25% en 51%. Voorts neemt het verkeer in de kern van Valkenswaard op de bestaande N69 af met 28%, op de Tienendreef met 26% en op de Monseigneur Smetsstraat met 60%, aldus het rapport Voorkeursalternatief. Daar staat volgens het rapport Voorkeursalternatief tegenover dat het op de wegen naar de Nieuwe Verbinding drukker wordt. Zo neemt het verkeer volgens de berekeningen in het rapport Voorkeursalternatief op de Dommelseweg en de Westerhovenseweg in Valkenswaard toe met respectievelijk 20% en 49%. [appellant sub 10] en anderen en [appellant sub 9] hebben de feitelijke juistheid van de verkeersberekeningen in het rapport Voorkeursalternatief niet bestreden. Gelet op het vorenstaande heeft de aanleg van de Nieuwe Verbinding tot gevolg dat de verkeersintensiteiten op verschillende wegen in de kernen van Waalre en Valkenswaard afnemen. In de omstandigheid dat het op verschillende wegen richting de Nieuwe Verbinding drukker wordt, hebben provinciale staten in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien het plan niet vast te stellen. De Afdeling merkt op deze plaats op dat de betogen die zien op de gevolgen van de toename van de verkeersintensiteiten op onder meer de Dommelseweg en de Westerhovenseweg, waaronder de gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse, in het onderstaande afzonderlijk worden beoordeeld. 13.
- De Afdeling ziet gelet op het vorenstaande in hetgeen [appellant sub 10] en anderen en [appellant sub 9] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten onvoldoende hebben onderbouwd dat met de aanleg van de Nieuwe Verbinding de doelstellingen van het plan onvoldoende worden bereikt. Het betoog faalt. Ligging van het tracé en alternatieven
- Verschillende appellanten stellen zich op het standpunt dat het plan niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, omdat onvoldoende onderzoek is verricht naar mogelijke alternatieven voor het tracé van de Nieuwe Verbinding. Zij dragen hiertoe verscheidene alternatieven aan die volgens hen een betere oplossing bieden voor de leefbaarheids- en bereikbaarheidsproblemen in de zogenoemde Grenscorridor N
- In het onderstaande zal allereerst worden ingegaan op de wijze waarop het besluitvormingsproces omtrent de keuze voor het in het plan vastgelegde tracé van de Nieuwe Verbinding heeft plaatsgevonden. Vervolgens zal worden ingegaan op de aangedragen alternatieven en zal worden beoordeeld of het plan wat betreft de keuze voor het tracé van de Nieuwe Verbinding en de daarbij af te wegen alternatieven op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het besluitvormingsproces
- Het onderzoek naar het bieden van een totaaloplossing voor de leefbaarheids- en bereikbaarheidsproblemen in de Grenscorridor N69 heeft door middel van een zogenoemd trechteringsproces plaatsgevonden. Het onderzoek is verricht door het bestuurlijk overleg Grenscorridor N69, waarin in totaal 25 verschillende partijen participeerden, waaronder naast de provincie Noord-Brabant ook verschillende gemeenten en belangenorganisaties. Ten behoeve van het bepalen van een voorkeursalternatief voor het oplossen van de leefbaarheids- en bereikbaarheidsproblemen in de Grenscorridor N69 is in 2011 een plan-m.e.r.-procedure doorlopen. Dit heeft geresulteerd in het eerder genoemde plan-MER van 28 juni
- In het plan-MER zijn verschillende alternatieven bestaande uit aanpassingen aan de bestaande infrastructuur, de aanleg van nieuwe infrastructuur alsmede ruimtelijke maatregelen ten behoeve van het versterken van onder meer natuur, recreatie en landbouw onderscheiden. De alternatieven zijn beoordeeld op de aspecten leefbaarheid, bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteiten en haalbaarheid. In het plan-MER is geconcludeerd dat het alternatief Westparallel 1, bestaande uit de aanleg van een nieuwe verbindingsweg tussen de bestaande N69 en de A67, gecombineerd met aanpassingen aan de bestaande infrastructuur, ook wel genoemd nulplusmaatregelen, het beste scoort op de aspecten leefbaarheid en bereikbaarheid en gelet daarop dient te worden aangemerkt als voorkeursalternatief. Op basis van het plan-MER heeft het bestuurlijk overleg Grenscorridor N69 op 27 juni 2012 het "Gebiedsakkoord Grenscorridor N69" (hierna: Gebiedsakkoord) ondertekend waarin het alternatief "Westparallel Plus" is aangemerkt als voorkeursalternatief. Dit voorkeursalternatief omvat naast de aanleg van de Nieuwe Verbinding Westparallel 1 en de uitvoering van nulplusmaatregelen, tevens de uitvoering van gebiedsimpulsmaatregelen. De gebiedsimpulsmaatregelen zijn gericht op een ruimtelijke kwaliteitsverbetering en zijn aan het voorkeursalternatief toegevoegd om de negatieve effecten op natuur en landschap ten gevolge van de aanleg van de Nieuwe Verbinding weg te nemen. Provinciale staten hebben op 22 juni 2012 de "Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant; Deel E: Grenscorridor N69" (hierna: structuurvisie uit 2012) vastgesteld waarin het in het Gebiedsakkoord voorgestelde zoekgebied voor het tracé van de Nieuwe Verbinding Westparallel 1 is vastgelegd. Aan de vaststelling van de structuurvisie is het plan-MER ten grondslag gelegd. Ten behoeve van het bepalen van het exacte tracé van de verbindingsweg Westparallel 1 is vervolgens een project-m.e.r.-procedure doorlopen. Dit heeft geresulteerd in het "ProjectMER nieuwe verbinding Grenscorridor N69 inclusief aanvulling" van 22 augustus 2014 (hierna: project-MER). In het project-MER is het in het plan-MER en de structuurvisie uit 2012 vastgelegde zoekgebied voor de Nieuwe Verbinding Westparallel 1 als uitgangspunt genomen. In het project-MER zijn binnen het zoekgebied verschillende tracéalternatieven beoordeeld op onder meer de aspecten verkeer en vervoer, woon- en leefklimaat, natuur, landschap, ecologie, archeologie en landbouw. De bestuurlijke werkgroep Nieuwe Verbinding, welke werkgroep onderdeel is van het bestuurlijk overleg Grenscorridor N69, heeft op basis van de onderzoeken die aan het project-MER ten grondslag liggen op 10 oktober 2013 een advies uitgebracht voor de ligging van het tracé van de Nieuwe Verbinding. Provinciale staten hebben dit advies overgenomen en het tracé planologisch vastgelegd in het voorliggende plan. Beoordeling alternatieven
- De Afdeling stelt voorop dat provinciale staten bij de vaststelling van het plan een afweging dienen te maken van alle betrokken belangen. Daarbij hebben provinciale staten beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. Bij de beoordeling van de vraag of het alternatievenonderzoek deugdelijk is uitgevoerd, is van belang dat het plan betrekking heeft op een omvangrijk project. Bij een omvangrijk project als het onderhavige, waarbij vele varianten een rol spelen, is een zekere trechtering gedurende het besluitvormingsproces onvermijdelijk en noodzakelijk. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 7 december 2011, zaak nr. 201011757/1/R1 en 201012728/1/R
- Het eerste alternatief: alternatief "Verbeterd West+Midden"
- Oplossing N69 en anderen, de Brabantse Milieufederatie, Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 15] en anderen wijzen op het alternatief "Verbeterd West+Midden", welk alternatief ligt ten westen van het plangebied nabij de kernen van Bergeijk en Eersel. Het alternatief "Verbeterd West+Midden" voorziet naast de aanleg van een nieuwe verbindingsweg ten westen van het plangebied tevens in de aanleg van een zogenoemde pendelweg langs de zuid- en westzijde van de kern van Aalst. Het alternatief omvat voorts enkele aanpassingen aan de bestaande infrastructuur. Volgens voornoemde appellanten leidt het alternatief "Verbeterd West+Midden" tot een vermindering van de verkeersintensiteiten in de kernen van Waalre, Aalst en Valkenswaard zonder dat dit, in tegenstelling tot het in het plan vastgelegde tracé van de Nieuwe Verbinding, leidt tot een toename van de verkeersintensiteiten nabij de kern van Dommelen. Voorts leidt het alternatief volgens hen onder meer tot een beperktere aantasting van bestaande landschaps- en natuurwaarden. 17.
- Bij de nota van zienswijzen behorende bij de structuurvisie uit 2012 (hierna: nota van zienswijzen uit 2012) is de notitie "Modelberekening alternatief Platform N69" van Goudappel Coffeng van 8 maart 2012 gevoegd. In deze notitie zijn de verkeerseffecten van het alternatief "Verbeterd West+Midden" vergeleken met de verkeerseffecten van het voorkeursalternatief Westparallel
- In de notitie van Goudappel Coffeng staat dat het alternatief "Verbeterd West+Midden", in tegenstelling tot het voorkeursalternatief Westparallel 1, geen oplossing biedt voor de reeds bestaande hoge verkeersintensiteiten in de kernen van Aalst en Waalre. Daarnaast staat in de notitie dat het alternatief "Verbeterd West+Midden" leidt tot een verplaatsing van verkeersstromen in de kern van Valkenswaard naar wegen die, blijkens de nota van zienswijzen uit 2012, niet geschikt zijn voor een toenemende verkeersintensiteit. In de nota van zienswijzen uit 2012 is dan ook geconcludeerd dat het alternatief "Verbeterd West+Midden" geen oplossing biedt voor de leefbaarheids- en bereikbaarheidsproblemen in het gebied Grenscorridor N
- Oplossing N69 en anderen hebben er ter zitting op gewezen dat provinciale staten hen niet in de gelegenheid hebben gesteld te reageren op de door Goudappel Coffeng berekende verkeerseffecten van het door hen aangedragen alternatief "Verbeterd West+Midden". De Afdeling stelt voorop dat daartoe voor provinciale staten op basis van de Wro, de Awb dan wel enige andere wettelijke regeling geen verplichting bestond. Oplossing N69 en anderen hebben evenmin feiten of omstandigheden naar voren gebracht die leiden tot het oordeel dat provinciale staten hier uit het oogpunt van zorgvuldigheid toe waren gehouden. De Afdeling verwijst in dit verband naar het uitvoerige proces van trechtering van alternatieven dat gelet op hetgeen hiervoor onder 15 is overwogen reeds aan de vaststelling van de structuurvisie uit 2012 en het bestreden plan vooraf is gegaan. Afgezien van de opmerking van Oplossing N69 en anderen dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld te reageren op de notitie van Goudappel Coffeng, hebben Oplossing N69 en anderen alsmede Buurtvereniging Braambos, de Brabantse Milieufederatie en [appellant sub 15] en anderen geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de feitelijke juistheid van de berekende verkeerseffecten in de notitie van Goudappel Coffeng. De Afdeling ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het alternatief "Verbeterd West+Midden" geen reëel alternatief is. Het tweede alternatief: alternatief tracé tussen N397 en N69 Betoog van [appellant sub 10] anderen, [appellant sub 9] en [appellant sub 3]
- [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 9] en [appellant sub 3] betogen dat de ligging van het tracé van de Nieuwe Verbinding vanaf de N397 tot aan de aansluiting op de N69 onlogisch is. Volgens hen hebben provinciale staten ten onrechte, zonder onderzoek te doen naar alternatieven, voor de ligging van het tracé aansluiting gezocht bij het in 2009 door de raad van de gemeente Valkenswaard vastgestelde bestemmingsplan "Lage Heideweg", in welk bestemmingsplan reeds de aanleg van een nieuwe verbindingsweg tussen de N397 en de N69 was voorzien. Zij stellen dat het door hen aangedragen alternatief voor de ligging van het tracé tussen de N397 en de N69 als voordeel heeft dat gedeeltelijk gebruik kan worden gemaakt van bestaande wegen. Daarnaast biedt het alternatief volgens hen een betere ontsluitingsmogelijkheid voor onder meer het recreatiepark De Kempervennen. 18.
- Provinciale staten hebben ter zitting toegelicht dat voor het tracé van de Nieuwe Verbinding ten zuiden van de N397 hoofdzakelijk het tracé is gevolgd zoals dat was voorzien in het bestemmingsplan "Lage Heideweg", omdat met dit tracé een doorkruising van het in Valkenswaard gelegen Eurocircuit wordt voorkomen en voorts de ontsluiting van de nieuwbouwwijk Lage Heide in Valkenswaard blijft gewaarborgd. Niet is gebleken dat het door [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 9] en [appellant sub 3] aangedragen alternatief eveneens een afdoende ontsluitingsmogelijkheid biedt voor de nieuwbouwwijk Lage Heide. Daarnaast hebben provinciale staten toegelicht dat voor het tracé ten zuiden van de N397 aansluiting is gezocht bij het tracé zoals dat was voorzien in het bestemmingsplan "Lage Heideweg", omdat aan het bestemmingsplan een zorgvuldige belangenafweging ten grondslag is gelegd waarbij reeds verschillende alternatieven voor de ligging van het tracé zijn onderzocht. De Afdeling acht dit standpunt in een proces als het onderhavige, waarin een trechtering van alternatieven onvermijdelijk is, niet onredelijk. Betoog van [appellant sub 13]
- [appellant sub 13] stelt zich op het standpunt dat het tracé ten zuiden van de N397 zonder deugdelijke onderbouwing in afwijking van het tracé zoals dat was voorzien in het bestemmingsplan "Lage Heideweg" in oostelijke richting is verschoven. Hij wijst op de omstandigheid dat hij in zijn zienswijze een alternatief voor de ligging van het tracé ten zuiden van de N397 heeft aangedragen, welk alternatief meer aansluit bij het tracé uit het bestemmingsplan "Lage Heideweg". Het alternatief heeft minder negatieve gevolgen voor zijn agrarische bedrijfsvoering, aldus [appellant sub 13]. 19.
- Provinciale staten hebben toegelicht dat voor het tracé ten zuiden van de N397 hoofdzakelijk het tracé is gevolgd zoals dat was voorzien in het bestemmingsplan "Lage Heideweg", zij het dat het tracé enigszins in oostelijke richting is verschoven. Volgens provinciale staten is deze verschuiving noodzakelijk vanwege de omstandigheden dat de aansluitingen van de Nieuwe Verbinding op de N397 en de N69 ongelijkvloers worden vormgegeven en de Nieuwe Verbinding het beekdal van de rivier de Keersop door middel van een brug op palen zal kruisen. Een dergelijke weginrichting is gelet op de benodigde boogstralen en hellingsgraden niet mogelijk op het in het bestemmingsplan "Lage Heideweg" voorziene tracé, aldus provinciale staten. Daarnaast hebben provinciale staten er ter zitting op gewezen dat het door [appellant sub 13] aangedragen alternatief voor het tracé ten zuiden van de N397 leidt tot een extra aantasting van bos- en natuurgebieden, hetgeen [appellant sub 13] niet heeft weersproken. Voorts heeft [appellant sub 13] ter zitting onderkend dat het door hem aangedragen alternatief tot gevolg heeft dat de woning aan de Victoriedijk 21 te Valkenswaard moet worden gesaneerd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich gelet op voorgaande omstandigheden niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het door [appellant sub 13] aangedragen alternatief voor de ligging van het tracé van de Nieuwe Verbinding ten zuiden van de N397 geen reëel alternatief is. 19.
- De vraag of de in het plan voorziene Nieuwe Verbinding onevenredige gevolgen heeft voor de agrarische bedrijfsvoering van [appellant sub 13] vergt een zelfstandige beoordeling die in het onderstaande onder 83 aan de orde zal worden gesteld. Het derde alternatief: aansluiting op de Dommelsedijk (N397) Betoog van [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 9] en [appellant sub 3]
- [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 9] en [appellant sub 3] betogen dat de aansluiting van de Nieuwe Verbinding op de Dommelsedijk in het plan ten onrechte is voorzien ten oosten van de rivier de Keersop. Volgens hen is de realisatie van de aansluiting op de Dommelsedijk ten westen van de rivier de Keersop ter plaatse van het perceel van Staatsbosbeheer een geschikter alternatief. Zij voeren hiertoe aan dat het door hen aangedragen alternatief beter landschappelijk kan worden ingepast en leidt tot een verminderde aantasting van hun woon- en leefklimaat. Daarnaast stelt [appellant sub 3] dat de realisatie van een aansluiting op de Dommelsedijk ten westen van de rivier de Keersop aanzienlijk minder negatieve gevolgen heeft voor zijn agrarische bedrijfsvoering, omdat bij een dergelijke situering een doorkruising van de bij zijn agrarische bedrijf behorende gronden wordt voorkomen. Volgens [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 9] en [appellant sub 3] is de keuze van provinciale staten om de aansluiting op de Dommelsedijk te situeren ten oosten van de Keersop uitsluitend ingegeven door de wens van Staatsbosbeheer om een doorkruising van het ten westen van de rivier de Keersop gelegen perceel, dat eigendom is van Staatsbosbeheer, te voorkomen. 20.
- Provinciale staten stellen in hun verweerschrift dat het door [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 9] en [appellant sub 3] aangedragen alternatief om de aansluiting van de Nieuwe Verbinding op de Dommelsedijk te situeren ten westen van de rivier de Keersop voorafgaand aan de vaststelling van het plan is onderzocht, maar onder meer uit een oogpunt van verkeersveiligheid is afgevallen. Volgens provinciale staten is er bij een dergelijke situering van de aansluiting, gelet op de beperkte afstand tussen de Dommelsedijk en de rivier de Keersop, onvoldoende ruimte voor het verkeer dat op de afrit richting de Dommelsedijk rijdt en voor het verkeer dat op de toerit richting de Nieuwe Verbinding rijdt om snelheid te kunnen afbouwen respectievelijk opbouwen. Dit leidt volgens provinciale staten tot verkeersonveilige situaties. [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 9] en [appellant sub 3] hebben in hun reactie op het verweerschrift van provinciale staten gesteld dat het door hen aangedragen alternatief minder negatieve effecten op het beekdal van de rivier de Keersop tot gevolg heeft. Zij hebben echter geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het aangedragen alternatief uit een oogpunt van verkeersveiligheid onwenselijk is. De Afdeling ziet gelet hierop in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het door [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 9] en [appellant sub 3] aangedragen alternatief voor de situering van de aansluiting van de Nieuwe Verbinding op de Dommelsedijk geen reëel alternatief is. 20.
- De betogen van [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 9], en [appellant sub 3] dat de in het plan voorziene aansluiting van de Nieuwe Verbinding op de Dommelsedijk niet landschappelijk is ingepast en voorts leidt tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat, vergen een zelfstandige beoordeling en zullen in het onderstaande onder 68 en 70 aan de orde worden gesteld. De gevolgen van het plan voor de agrarische bedrijfsvoering van [appellant sub 3] zullen in het onderstaande onder 85 aan de orde worden gesteld. Betoog van [appellant sub 11]
- [appellant sub 11] stelt zich wat betreft de in het plan voorziene aansluiting van de Nieuwe Verbinding op de Dommelsedijk op het standpunt dat deze aansluiting niet noodzakelijk is. Hiertoe voert zij aan dat de Luikerweg, waar eveneens een aansluiting op de Nieuwe Verbinding zal worden gerealiseerd, op korte afstand is gelegen. Daarnaast is het bestaande wegennet aan de zuidzijde van Dommelen volgens [appellant sub 11] niet geschikt voor het realiseren van een effectieve aansluiting op de Nieuwe Verbinding. Voor zover een aansluiting op de Nieuwe Verbinding nabij de kern van Dommelen noodzakelijk is, stelt [appellant sub 11] dat deze moet worden gerealiseerd aan de noordzijde van de kern van Dommelen, omdat het weggennet daar beter is ingericht op de afwikkeling van het verkeer. 21.
- Provinciale staten stellen dat het niet realiseren van een aansluiting van de Nieuwe Verbinding op de Dommelsedijk uit een oogpunt van verkeersveiligheid, leefbaarheid en doorstroming niet wenselijk is. Dit standpunt van provinciale staten wordt onderschreven in het deskundigenbericht waarin staat dat bij het achterwege laten van een aansluiting van de Nieuwe Verbinding op de Dommelsedijk het verkeer vanuit Dommelen zijn weg naar het regionale wegennet zal vinden via de kernen van Valkenswaard, Waalre en Aalst. Dit sluit niet aan bij de doelstellingen van het plan, nu het plan is gericht op het ontlasten van de kernen van Valkenswaard, Waalre en Aalst om ter plaatse de leefbaarheid en bereikbaarheid te verbeteren, aldus het deskundigenbericht. [appellant sub 11] heeft dit niet gemotiveerd betwist. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het ter plaatse van de kern van Dommelen realiseren van een aansluiting op de Nieuwe Verbinding gelet op de doelstellingen van het plan noodzakelijk is. 21.
- Provinciale staten hebben ter zitting toegelicht dat de aansluiting op de Nieuwe Verbinding niet aan de noordzijde van de kern van Dommelen is voorzien, omdat bij een dergelijke situering van de aansluiting sportvelden, een manege alsmede een natuurgebied moeten worden doorkruist. [appellant sub 11] heeft dit niet weersproken. De Afdeling ziet gelet hierop in het aangevoerde evenmin aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid hebben kunnen besluiten de aansluiting op de Nieuwe Verbinding niet aan de noordzijde, maar aan de zuidzijde van de kern van Dommelen te realiseren. 21.
- De gevolgen van het plan voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 11] vergen een zelfstandige beoordeling waar in het onderstaande onder 67 op zal worden ingegaan. Het vierde alternatief: alternatief van [appellant sub 15] en anderen
- [appellant sub 15] en anderen stellen dat tientallen jaren geleden plannen zijn opgesteld voor de aanleg van een nieuwe provinciale weg om Dommelen. Om de aanleg van deze weg mogelijk te maken, hebben zij een deel van hun gronden moeten afstaan, aldus [appellant sub 15] en anderen. Volgens hen had gelet hierop de aanleg van de provinciale weg om Dommelen in het alternatievenonderzoek dat aan het plan ten grondslag is gelegd niet buiten beschouwing mogen worden gelaten. 22.
- Provinciale staten hebben toegelicht dat het bestuurlijke overleg Grenscorridor N69 in 2009 is gestart met het onderzoek naar het bieden van een totaaloplossing voor leefbaarheid- en bereikbaarheidsproblemen in de Grenscorridor N69, omdat de tot dan toe voorgestelde maatregelen, waaronder de aanleg van de nieuwe provinciale weg om Dommelen, niet de gewenste oplossing boden voor het verbeteren van de leefbaarheids- en bereikbaarheidsproblemen in de Grenscorridor N
- [appellant sub 15] en anderen hebben geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waarom het standpunt van provinciale staten dat de provinciale weg om Dommelen onvoldoende probleemoplossend vermogen bezit, onjuist zou zijn. De Afdeling ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten de aanleg van de provinciale weg om Dommelen als een beter of geschikter alternatief moesten aanmerken. Conclusie
- Gelet op het vorenstaande biedt het aangevoerde geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plan wat betreft de keuze voor de ligging van het tracé van de Nieuwe Verbinding en de daarbij af te wegen alternatieven op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De betogen falen. Alternatieven in het plan-MER en het project-MER
- Oplossing N69 en anderen hebben verder ter zitting betoogd dat het plan in strijd met artikel 7.23, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer is vastgesteld, omdat het alternatievenonderzoek in het aan het plan ten grondslag gelegde project-MER ondeugdelijk is. Zij stellen hiertoe dat het alternatief "Verbeterd West+Midden" in het project-MER ten onrechte buiten beschouwing is gelaten. 24.
- Ingevolge artikel 7.23, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer bevat een milieueffectrapport een beschrijving van de voorgenomen activiteit en van de wijze waarop zij zal worden uitgevoerd, alsmede van de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, en de motivering van de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven. 24.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen bij uitspraak van 21 juli 2009 in zaak nr. 200801853/1/R2, is de vraag welke alternatieven in een concrete situatie redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval en moet deze mede worden beantwoord in het licht van artikel 7.23, eerste lid, onder e, van de Wet milieubeheer. Ingevolge die bepaling moet een milieueffectrapport onder meer een beschrijving bevatten van de gevolgen voor het milieu die de voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben. Uit de genoemde bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat in een milieueffectrapport uitsluitend alternatieven hoeven te worden beschreven die, wat betreft de gevolgen voor het milieu die daarvan redelijkerwijs zijn te verwachten, mogelijk tot relevante verschillen kunnen leiden. 24.
- Zoals hiervoor onder 15 is overwogen, is aan het opstellen van het project-MER een uitgebreid proces van trechtering van alternatieven vooraf gegaan waarbij, gelet op hetgeen hiervoor onder 17.1 is overwogen, het alternatief "Verbeterd West+Midden" is betrokken. Onder 17.1 is overwogen dat hetgeen Oplossing N69 en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het alternatief "Verbeterd West+Midden" geen reëel alternatief is. Gelet hierop alsmede gelet op de omstandigheid dat in het milieueffectrapport uitsluitend alternatieven hoeven te worden beschreven die wat betreft de gevolgen voor het milieu tot mogelijk relevante verschillen kunnen leiden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het alternatief "Verbeterd West+Midden" in de alternatievenafweging uit het project-MER ten onrechte buiten beschouwing is gelaten. Het aangevoerde biedt dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan geen toereikend alternatievenonderzoek is uitgevoerd. Evenmin is gebleken dat het uitgevoerde onderzoek niet voldoet aan de eisen uit artikel 7.23, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer. Het betoog faalt. Natura 2000
- Oplossing N69 en anderen, de Brabantse Milieufederatie, Buurtvereniging Braambos, [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 9], [appellant sub 15] en anderen en [appellante sub 14] en anderen voeren beroepsgronden aan over de gevolgen van het plan voor Natura 2000-gebieden. In dat verband brengen Oplossing N69 en anderen, de Brabantse Milieufederatie, [appellant sub 10] en anderen en [appellant sub 9] onder meer naar voren dat de passende beoordeling die bij de voorbereiding van het plan is gemaakt, niet de zekerheid geeft dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet zullen worden aangetast.
- Het tracé van de Nieuwe Verbinding doorsnijdt de beekdalen van de Run en de Keersop, die deel uitmaken van het westelijke deel van het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". Daarnaast ligt het tracé in de nabijheid van het Belgische Natura 2000-gebied "Hageven met Dommelvallei, Beverbeekse heide, Warmbeek en Wateringen". Bij de voorbereiding van het plan is ten behoeve van het project-MER het rapport "ProjectMER nieuwe verbinding Grenscorridor N
- Achtergrondrapport ecologie" van Tauw van 1 mei 2014 (hierna: het Achtergrondrapport ecologie) opgesteld. Provinciale staten beschouwen dit rapport als voortoets in het kader van de Nbw
- Naar aanleiding van het Achtergrondrapport ecologie is vervolgens een passende beoordeling gemaakt waarin de gevolgen van het voorkeursalternatief voor de Nieuwe Verbinding voor de Natura 2000-gebieden zijn beoordeeld. Dit is het rapport "Passende Beoordeling N69 inclusief aanvulling" van Tauw van 22 augustus 2014 (hierna: de passende beoordeling). Wettelijk kader
- Ingevolge artikel 19g, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) kan, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast. Ingevolge het tweede lid kunnen gedeputeerde staten bij ontstentenis van alternatieve oplossingen voor een project ten aanzien van Natura 2000-gebieden waar geen prioritair type natuurlijke habitat of prioritaire soort voorkomt, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, voor het realiseren van het desbetreffende project, slechts verlenen om dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Ingevolge het derde lid kunnen gedeputeerde staten ten aanzien van Natura 2000-gebieden waar een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort voorkomt bij ontstentenis van alternatieve oplossingen voor een project of andere handeling, in afwijking van het eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, voor het realiseren van het desbetreffende project, slechts verlenen: a. op argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of voor het milieu wezenlijke gunstige effecten of b. na advies van de Commissie van de Europese Gemeenschappen om andere dwingende redenen van groot openbaar belang. Ingevolge artikel 19h, eerste lid, verbinden gedeputeerde staten, indien een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, om dwingende redenen van groot openbaar belang wordt verleend voor het realiseren van projecten, waarvan niet met zekerheid vaststaat dat die projecten de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet aantasten, aan die vergunning in ieder geval het voorschrift inhoudende de verplichting compenserende maatregelen te treffen. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening a. met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied, en b. met het op grond van artikel 19a of artikel 19b voor dat gebied vastgestelde beheerplan voor zover dat betrekking heeft op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid. Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied. Ingevolge het derde lid wordt in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, het besluit, bedoeld in het eerste lid, alleen genomen indien is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de artikelen 19g en 19h. Ontbrekende informatie in passende beoordeling en project-MER
- [appellant sub 10] en anderen en [appellant sub 9] betogen dat de passende beoordeling en het project-MER niet geschikt zijn ter onderbouwing van het plan, omdat veel informatie en inzicht ontbreekt om de werkelijke effecten op de natuur te kennen en om op basis daarvan de noodzakelijke mitigerende en compenserende maatregelen in het plan te kunnen opnemen. Deze rapporten zijn volgens hen slechts geschikt voor de beoordeling van een vergunningaanvraag op grond van de Nbw
- 28.
- Provinciale staten stellen dat de gevolgen van het voornemen zijn beoordeeld in de passende beoordeling en de aanvulling daarop. De Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: de Commissie m.e.r.) heeft de informatie over de Natura 2000-gebieden volgens hen toereikend geacht om tot een besluit te kunnen komen. 28.
- [appellant sub 10] en anderen en [appellant sub 9] hebben niet nader aangeduid op welke punten het project-MER en de passende beoordeling volgens hen onvolledig zijn of niet geschikt zijn voor de beoordeling van de gevolgen van het plan voor de Natura 2000-gebieden. Reeds hierom kan deze beroepsgrond niet slagen. Cumulatie met effecten van andere projecten
- [appellant sub 10] en anderen en [appellant sub 9] betogen voorts dat geen rekening is gehouden met cumulatie van de effecten van dit project met de effecten van andere projecten. Hierdoor is volgens hen niet duidelijk of het project samen met andere projecten een significant effect veroorzaakt op de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. 29.
- De Afdeling stelt vast dat in de passende beoordeling aandacht is besteed aan eventuele cumulatie van de effecten van het plan met de effecten van andere projecten of bronnen. Onder meer is in paragraaf 5.1.4 van de passende beoordeling een cumulatietoets verricht in verband met stikstofdepositie. [appellant sub 10] en anderen en [appellant sub 9] hebben niet gespecificeerd op welke punten de cumulatietoets voor de stikstofdepositie onjuist zou zijn. Ook hebben zij niet nader aangeduid met welke andere cumulatieve effecten volgens hen in de passende beoordeling ten onrechte geen rekening is gehouden. De betogen falen. Doorsnijding beekdalen Run en Keersop
- De beeklopen van de Run en de Keersop maken deel uit van het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". De Nieuwe Verbinding doorsnijdt de beekdalen van de Run en de Keersop. De beeklopen van de Run en de Keersop worden op palen overbrugd. In het plan zijn daartoe op deze plaatsen aan de voor "Verkeer - 1" bestemde gronden de aanduidingen "specifieke vorm van verkeer - brug 2" respectievelijk "specifieke vorm van verkeer - brug 5" toegekend. De bruggen hebben een lengte van ongeveer 250 m. De maximale bouwhoogte is volgens artikel 6, lid 6.2, van de planregels 27,5 m+NAP voor de brug over de Run en 32 m+NAP voor de brug over de Keersop. Volgens het deskundigenbericht komt dit overeen met ongeveer 7,5 m respectievelijk 9 m boven het maaiveld.
- Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen dat als gevolg van de aanleg van de infrastructuur dwars door het beschermde habitattype "Beken en rivieren met waterplanten" (habitattype H3260A) areaal wordt aangetast of vernietigd. Dat is volgens hen niet alleen het geval als de weg eenmaal is gerealiseerd, maar ook in de fase dat de kunstwerken ter overspanning van de Run en de Keersop worden gebouwd. Ter plaatse van en onder de brug zal zich geen volwaardige habitat meer kunnen ontwikkelen en de bestaande habitat wordt aangetast door schaduwwerking en door de visuele uitstraling van een verkeersbrug, aldus Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie. 31.
- Uit de stukken blijkt dat de bruggen over de Run en de Keersop geen rechtstreeks areaalverlies in het habitattype "Beken en rivieren met waterplanten" (habitattype H3260A) veroorzaken, omdat de weg de beken op palen overbrugt en de pijlers van de bruggen niet in het water komen te staan. Volgens Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie wordt niettemin areaal van dit habitattype aangetast door schaduwwerking en visuele aantasting. 31.
- Volgens het Achtergrondrapport ecologie bij het project-MER vindt schaduwwerking gedurende de dag op verschillende delen van de beek plaats, doordat de weg ter plaatse op hoge palen wordt gerealiseerd. Daarom worden geen veranderingen van de watervegetatie verwacht die effect zullen hebben op de aanwezige habitat. Het deskundigenbericht bevestigt deze conclusie. Volgens het deskundigenbericht veroorzaakt de schaduw van de bruggen geen significant nadelig effect op de waterkwaliteit van de beeklopen. Daarbij is volgens het deskundigenbericht onder meer de geringe oppervlakte van het gebied waar de schaduw optreedt van belang en het feit dat de bruggen geen belemmering vormen voor de uitvoering van beekherstelprojecten die zijn gericht op verbetering van de waterkwaliteit. 31.
- Naar het oordeel van de Afdeling hebben Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie niet aannemelijk gemaakt dat de conclusies uit het Achtergrondrapport ecologie en het deskundigenbericht over de schaduwwerking onjuist zijn. Voor zover Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben gesteld dat in het Achtergrondrapport ecologie op schaduwwerking van de brug wordt gewezen en dat de effecten van de doorsnijding daarin als (licht) negatief worden beoordeeld, overweegt de Afdeling dat de desbetreffende passage in het Achtergrondrapport niet gaat over de bruggen over de Run en de Keersop, maar over de effecten van een extra aansluiting in de richting van Dommelen die niet in het vastgestelde plan is opgenomen. Zoals hierboven is vermeld, gaat het Achtergrondrapport ecologie er voor de bruggen over de Run en de Keersop juist van uit dat geen negatieve effecten door schaduwwerking optreden. 31.
- Over het betoog dat de visuele aantasting van het landschap van de beekdalen van de Run en de Keersop zal leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied overweegt de Afdeling het volgende. Bij de aanwijzing van een gebied als Natura 2000-gebied worden instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied in het aanwijzingsbesluit opgenomen. Uit artikel 10a, tweede lid, van de Nbw 1998 volgt dat de instandhoudingsdoelstellingen in ieder geval betrekking moeten hebben op de instandhouding van leefgebieden van vogels, voor zover dit op grond van richtlijn 2009/147/EEG (Vogelrichtlijn) is vereist, en op de instandhouding van natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten, voor zover dit op grond van richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) is vereist. Artikel 10a, derde lid, van de Nbw 1998 maakt het mogelijk om daarnaast instandhoudingsdoelstellingen over onder meer het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het natuurschoon in het aanwijzingsbesluit op te nemen. Daartoe kunnen doelstellingen over de landschappelijke en visuele waarden van het Natura 2000-gebied behoren. Uit artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 volgt echter dat instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 10a, derde lid, van de Nbw 1998 niet hoeven te worden betrokken in de beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Reeds hierom kan het betoog niet slagen. Overigens bevat het aanwijzingsbesluit van de staatssecretaris van Economische Zaken van 4 juli 2013 voor het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" geen instandhoudingsdoelstellingen als bedoeld in artikel 10a, derde lid, van de Nbw
- De Afdeling zal de gevolgen van het plan voor het landschap hierna onder 70 en volgende beoordelen. 31.
- Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich terecht op het standpunt gesteld dat de doorsnijding van de beekdalen van de Run en de Keersop door het tracé niet leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". Het betoog faalt. Afstroming schadelijke stoffen
- Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie vrezen dat schadelijke stoffen afkomstig van de weg in het water van de Heiereindse loop, de Keersop en de Run terecht kunnen komen via de nieuwe watergang die is voorzien ten westen van de Nieuwe Verbinding tussen de Molenstraat en de N
- Zij stellen dat de in de passende beoordeling voorgestelde mitigerende maatregelen die het afstromen van verontreinigd water moeten voorkomen, niet in het plan zijn vastgelegd. Ook staat volgens Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie niet vast dat die maatregelen het afstromen van verontreinigd water vanaf het wegdek daadwerkelijk voorkomen. Hierdoor zijn effecten op het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" volgens hen niet uitgesloten. 32.
- In paragraaf 4.3 van de aanvulling op de passende beoordeling is ingegaan op de verspreiding van verontreinigd hemelwater vanaf de Nieuwe Verbinding door verwaaiing en afstroming. Provinciale staten stellen dat in de passende beoordeling en in het rapport "Watertoets PIP N
- Onderbouwing waterhuishouding" van Tauw van 1 mei 2014 (hierna: de Watertoets), dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd, maatregelen tegen de verspreiding van verontreinigd hemelwater naar de Run en de Keersop zijn opgenomen. Voor de verhoogde passages zijn dit met name schermen en een afvoervoorziening waarmee verontreinigd hemelwater wordt afgevoerd naar bermsloten die niet in contact staan met het overige oppervlaktewater, zodat dit niet in het Natura 2000-gebied terecht kan komen. Voor het tracégedeelte op maaiveldhoogte worden watergangen met infiltrerende werking aangelegd die niet in verbinding staan met het watersysteem. Met deze maatregelen wordt volgens provinciale staten voorkomen dat verontreinigd hemelwater zich naar de Run en de Keersop verspreidt. Om dit te verzekeren, is in artikel 6, lid 6.3.1, onder c, van de planregels een voorwaardelijke verplichting neergelegd. De maatregelen zullen volgens provinciale staten bij de uitvoering van het plan verder worden uitgewerkt. Daarbij zal ook een projecttoets worden uitgevoerd in het kader van de vergunningverlening op grond van de Nbw 1998, aldus provinciale staten. 32.
- Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Verkeer - 1" aangewezen gronden onder meer bestemd voor wegen met niet meer dan 1x2 rijstroken, alsmede parallelwegen, opstelstroken, in- en uitvoegstroken, op- en afritten. Ingevolge lid 6.3.1, onder c, is het niet toegestaan het doeleind "wegen" als bedoeld in lid 6.1 in gebruik te nemen of te hebben indien dit tot gevolg heeft dat ongezuiverd hemelwater vanaf het wegdek afstroomt naar de beken De Run en De Keersop. 32.
- Anders dan Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen, is het treffen van maatregelen tegen het afstromen van verontreinigd hemelwater vanaf de weg naar de beken in het Natura 2000-gebied met het verbod vastgelegd in artikel 6, lid 6.3.1, onder c, van de planregels voldoende in het plan verzekerd. 32.
- Vervolgens staat ter beoordeling of de maatregelen voldoende effectief zijn om het afstromen van verontreinigd hemelwater vanaf de weg naar de Run en de Keersop tegen te gaan en daarmee een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied te voorkomen. Voor zover Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben betoogd dat verontreinigd hemelwater zich ook bij de niet verhoogde delen van het tracé in de omgeving kan verspreiden, overweegt de Afdeling het volgende. Volgens de passende beoordeling is de afstand tussen de niet verhoogde tracédelen en de Run en de Keersop zo groot, dat geen verontreinigd hemelwater door verwaaiing in de beken terecht kan komen. De afstroming van hemelwater naar de Run en de Keersop vanaf de tracédelen op maaiveldhoogte is volgens de passende beoordeling uitgesloten doordat het hemelwater ofwel in de berm infiltreert, ofwel - bij zeer hevige neerslag - terechtkomt in watergangen naast de weg die een infiltrerende werking hebben en niet in rechtstreekse verbinding staan met het watersysteem. Hetgeen Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie niet aannemelijk gemaakt dat de in de passende beoordeling en de Watertoets genoemde maatregelen voor de verhoogde passages en voor de tracédelen op maaiveldhoogte niet effectief zijn om verspreiding van verontreinigd hemelwater vanaf de Nieuwe Verbinding naar de beken in het Natura 2000-gebied te voorkomen. Dit geldt ook voor de door hen ter zitting genoemde situaties zoals calamiteiten en extreme neerslag. Het betoog faalt. Stikstofdepositie - algemeen
- [appellante sub 14] en anderen, Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie voeren beroepsgronden aan over stikstofdepositie. Zij vrezen, kort weergegeven, dat de Nieuwe Verbinding zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden en daarmee tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden. Stikstofdepositie - overschrijding kritische depositiewaarden
- Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie voeren aan dat significante effecten op de Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten, omdat de Nieuwe Verbinding een toename van de stikstofdepositie veroorzaakt en de kritische depositiewaarden (hierna: KDW) nu al worden overschreden. Dit geldt volgens hen voor verschillende habitattypen in het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". De toename van de stikstofdepositie veroorzaakt volgens hen ook nadelige gevolgen voor het Natura 2000-gebied "Hageven met Dommelvallei, Beverbeekse heide, Warmbeek en Wateringen" in België. Volgens Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie is in de passende beoordeling ten onrechte geconcludeerd dat sprake is van een verwaarloosbare toename van de stikstofemissie. Volgens hen is iedere verdere toename van de stikstofdepositie significant, nu de KDW al worden overschreden. Provinciale staten konden daarom niet tot de conclusie komen dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast, aldus Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie. 34.
- In de passende beoordeling en de aanvulling daarop zijn de gevolgen voor de Natura 2000-gebieden "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" en "Hageven met Dommelvallei, Beverbeekse heide, Warmbeek en Wateringen" beoordeeld. Uit de passende beoordeling blijkt dat in deze gebieden in de bestaande situatie voor verschillende habitattypen de KDW reeds worden overschreden. Daarnaast is in de passende beoordeling en de aanvulling de planbijdrage aan de stikstofdepositie onderzocht. De Afdeling begrijpt het betoog van Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie aldus, dat zij in de eerste plaats betogen dat elke toename van de stikstofdepositie in een reeds overbelaste situatie leidt tot significante effecten en daarmee tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden. Dit betoog kan niet slagen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 27 december 2012 in zaak nr. 201200294/1/A4, geeft de KDW, kort weergegeven, aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. De enkele overschrijding van deze waarde leidt daarom niet tot de conclusie dat vaststaat dat een aantasting van de kwaliteit van een habitattype plaatsvindt, maar uitsluitend tot de vaststelling dat de mogelijkheid van een aantasting niet zonder meer afwezig is. Anders dan Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen, betekent het enkele feit dat de stikstofdepositie op een aantal habitattypen toeneemt terwijl de KDW reeds wordt overschreden dan ook niet zonder meer dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden worden aangetast. 34.
- De Afdeling stelt daarnaast vast dat de beoordeling van de significantie van de effecten in de passende beoordeling en de aanvulling daarop niet alleen is gebaseerd op de omvang van de toename van de stikstofdepositie. Uit de hoofdstukken 7 en 8 van de passende beoordeling en uit de aanvulling blijkt dat bij die beoordeling ook de specifieke milieukenmerken zijn betrokken, zoals plaatselijke omstandigheden en het bestaande beheer. Op grond van die factoren zijn in de passende beoordeling en de aanvulling conclusies getrokken over de significantie van de effecten. Voor zover hier van belang is in de passende beoordeling en de aanvulling daarop voor een aantal habitattypen in het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" geconcludeerd dat significante nadelige effecten vanwege de omvang van de planbijdrage, het bestaande beheer en de specifieke milieukenmerken zijn uit te sluiten, en is voor een aantal habitattypen geconcludeerd dat deze effecten zich niet voordoen als de in de passende beoordeling voorgestelde mitigerende maatregelen worden getroffen. Voor het Natura 2000-gebied "Hageven met Dommelvallei, Beverbeekse heide, Warmbeek en Wateringen" is in de passende beoordeling en de aanvulling daarop, kort weergegeven, geconcludeerd dat significante nadelige effecten vanwege de omvang van de planbijdrage, het bestaande beheer en de specifieke milieukenmerken zijn uit te sluiten; volgens de passende beoordeling volstaat de voortzetting van het reguliere beheer ruimschoots om het overschot aan stikstof boven de KDW, inclusief de bijdrage van de Nieuwe Verbinding, af te voeren. 34.
- Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben de juistheid van de bovenstaande conclusies op enkele punten bestreden. Dat zijn de juistheid van de kwalificatie van de voorgestelde maatregelen voor enkele habitattypen als mitigerende maatregel, de effectiviteit en de zekerheid van de uitvoering van de voorgestelde mitigerende maatregelen en de juistheid van de uitgangspunten van de berekening van de stikstofdepositie in de plansituatie. Op deze punten zal de Afdeling hierna afzonderlijk ingaan. Voor de habitattypen waar volgens de passende beoordeling wel een planbijdrage optreedt, maar waarvoor geen mitigerende maatregelen nodig zijn, is alleen het laatstgenoemde punt van belang. Stikstofdepositie - kwalificatie van de maatregelen
- Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie voeren aan dat provinciale staten de maatregelen die in de passende beoordeling en de aanvulling daarop zijn vermeld in verband met stikstofdepositie, ten onrechte hebben beschouwd als mitigerende maatregelen. Volgens hen konden provinciale staten daarom niet concluderen dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" niet worden aangetast en hadden zij met toepassing van de artikelen 19g, tweede en derde lid, en 19h, eerste lid, van de Nbw 1998 een zogenoemde ADC-toets moeten verrichten. Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen allereerst dat de vermelde mitigerende maatregelen, zoals maaibeheer en afplaggen, reguliere, algemene beheermaatregelen zijn die ook afzonderlijk van het onderhavige project moeten worden uitgevoerd om de instandhoudingsdoelstellingen te bereiken. De beheermaatregelen moeten volgens hen worden geacht deel uit te maken van de natuurlijke kenmerken van het gebied. De maatregelen hebben geen directe samenhang met de aanleg van de Nieuwe Verbinding en kunnen daarom niet dienen als mitigerende maatregelen voor dit project, aldus Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie. Zij wijzen in dat verband ook op het advies van de Commissie m.e.r. van 10 oktober 2014 en op het juridisch advies dat op 11 augustus 2014 door Element Advocaten aan de provincie is uitgebracht. Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen voorts dat de maatregelen uit de passende beoordeling, zoals maaien en afplaggen, compenserende maatregelen zijn, omdat de stikstofdepositie hiermee niet wordt voorkomen. Zij verwijzen in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 mei 2014, in zaak nr. C-521/12 (ECLI:EU:C:2014:330, www.curia.eu; hierna: het arrest Briels). Volgens Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie is hierbij tevens van belang dat de maatregelen voor de desbetreffende habitattypen niet worden uitgevoerd op het gehele areaal waar extra stikstofdepositie plaatsvindt, maar slechts op een aantal plaatsen verspreid binnen dat areaal. Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie stellen verder dat in dit geval een deel van de habitattypen van slechte of matige kwaliteit is. Dit is volgens hen een verschil met de situatie waarover de Afdeling bij uitspraak van 10 december 2014, nrs. 201110075/4/R4 en 201201853/3/R4, uitspraak heeft gedaan, omdat het daar blauwgraslanden betrof die ondanks een hoge achtergronddepositie van stikstof van goede kwaliteit waren en een goede trend vertoonden. [appellante sub 14] en anderen betogen dat de Nieuwe Verbinding zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie en dat de uit te voeren mitigerende en compenserende maatregelen niet voldoen aan de vereisten die voortvloeien uit het arrest Briels. De Afdeling begrijpt dit betoog zo, dat [appellante sub 14] en anderen eveneens betogen dat provinciale staten de voorgenomen maatregelen ten onrechte hebben aangemerkt als mitigerende maatregelen. 35.
- De Nieuwe Verbinding leidt tot een toename van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". In de passende beoordeling en de aanvulling daarop is beschreven welke gevolgen deze extra depositie heeft voor de verschillende habitattypen in het Natura 2000-gebied, mede gezien de hoge achtergronddeposities. Hoewel de toename van de stikstofdepositie gering is in verhouding tot de achtergronddeposities, zijn in de aanvulling op de passende beoordeling mitigerende maatregelen voorgesteld voor verschillende habitattypen in het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". Een van die maatregelen is de vernatting van de Keersopperbeemden (deelgebied I). Daarop zal hierna onder 39 en volgende afzonderlijk worden ingegaan. De mitigerende maatregelen houden voor het overige in dat biomassa wordt afgevoerd. Dit gebeurt volgens de aanvulling op de passende beoordeling door aanvullende beheermaatregelen, zoals maaien, plaggen en begrazing of een combinatie daarvan in de heidehabitattypen. In de aanvulling op de passende beoordeling is tevens bepaald hoeveel biomassa jaarlijks uit het gebied moet worden afgevoerd om aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied te voorkomen. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat de voorgenomen maatregelen niet compenserend, maar mitigerend van aard zijn. In dat verband betogen zij dat de maatregelen die in de passende beoordeling zijn vermeld en die met de terreinbeheerders zijn afgesproken, zijn gericht op handhaving van de kwaliteit en de oppervlakte op de huidige locaties van de desbetreffende habitattypen. De maatregelen zijn niet gericht op uitbreiding van habitattypen op andere plaatsen dan waar het effect optreedt. De maatregelen voorzien er daarom volgens provinciale staten in dat de negatieve gevolgen op zodanige wijze worden beperkt, dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast. De maatregelen zijn volgens provinciale staten in functionele zin verbonden aan het project, nu zij bij wijze van herstelbeheer, en dus aanvullend op het reguliere beheer, door de terreinbeherende instanties worden uitgevoerd. Provinciale staten stellen dat in de passende beoordeling en de aanvulling daarop is berekend dat met het uitgevoerde en voort te zetten natuurbeheer voldoende stikstof wordt afgevoerd. Het reguliere beheer is volgens provinciale staten in de passende beoordeling meegewogen om te kunnen beoordelen in welke mate extra maatregelen in de vorm van herstelbeheer noodzakelijk zijn. 35.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 24 december 2014 in zaak nr. 201309655/1/R2, leidt de Afdeling uit het arrest Briels af dat bij de beoordeling of een project leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van een gebied, slechts die beschermingsmaatregelen mogen worden betrokken, waarmee wordt beoogd de schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit het project voortvloeien te voorkomen of te verminderen ter plaatse van de locatie van het voorkomen van het habitattype dat negatieve gevolgen van het project ondervindt. Positieve gevolgen van maatregelen voor een areaal van een habitattype waarvoor het project geen negatieve effecten heeft, kunnen niet worden betrokken bij de beoordeling of het project leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied. De voorgestelde maatregelen kunnen derhalve slechts als mitigerende maatregel worden meegewogen in de passende beoordeling, indien deze worden uitgevoerd ter plaatse van de arealen van een habitattype waar een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. Uit de aanvulling op de passende beoordeling en de toelichting die provinciale staten ter zitting hebben gegeven, volgt dat de maatregelen in dit geval worden getroffen binnen de begrenzing van het gebied waar de habitattypen voorkomen waarop het plan volgens de passende beoordeling extra stikstofdepositie veroorzaakt. Naar het oordeel van de Afdeling moet er daarom van worden uitgegaan dat de voorgestelde maatregelen worden getroffen ter plaatse van de arealen van de habitattypen waar een toename van de stikstofdepositie plaatsvindt. Dat de afvoer van biomassa door onder meer maaien en plaggen niet overal wordt uitgevoerd binnen het areaal waar de stikstofdepositie toeneemt, maar op verschillende plaatsen verspreid binnen datzelfde areaal, maakt dat naar het oordeel van de Afdeling niet anders. Voor de kwalificatie als mitigerende maatregel is naar het oordeel van de Afdeling namelijk niet bepalend of die maatregel de stikstofdepositie overal binnen het areaal van een habitattype waar de toename van stikstofdepositie plaatsvindt, in gelijke mate voorkomt of vermindert. Nu deze maatregel wordt getroffen binnen het areaal waar de negatieve effecten van het plan zich voordoen en ter plaatse van de negatieve gevolgen tot een beperking daarvan leiden, kan deze maatregel als mitigerend worden aangemerkt. Voor zover Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben betoogd dat sprake is van compenserende maatregelen, omdat de afvoer van biomassa door onder meer maaien en plaggen het neerslaan van stikstof op het Natura 2000-gebied niet voorkomt, overweegt de Afdeling het volgende. Met de voorgestelde maatregelen wordt stikstof afgevoerd die op de vegetatie is neergeslagen. Het doel hiervan is de stikstof te verwijderen voordat deze negatieve effecten in het ecosysteem veroorzaakt. Gelet hierop zijn de maatregelen gericht op het voorkomen van nadelige effecten van de extra stikstofdepositie en niet op het compenseren daarvan. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat provinciale staten de maatregelen die in verband met stikstofdepositie in de aanvulling op de passende beoordeling zijn opgenomen als compenserende maatregelen hadden moeten beschouwen. 35.
- Over het betoog dat de maatregelen moeten worden beschouwd als reguliere beheermaatregelen die ook los van het plan zullen worden uitgevoerd, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de passende beoordeling blijkt dat het reguliere beheer voor de habitattypen waarvoor mitigerende maatregelen noodzakelijk worden geacht, voornamelijk bestaat uit maaien, plaggen en begrazing. Volgens de aanvulling op de passende beoordeling zijn de voorgestelde mitigerende maatregelen aanvullende beheermaatregelen. Deze maatregelen zijn aanvullend op het reguliere beheer en op het herstelbeheer dat al wordt uitgevoerd. Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Gelet hierop kan ervan worden uitgegaan dat de voorgestelde maatregelen geen maatregelen zijn die in het kader van algemeen beheer worden uitgevoerd. 35.
- Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat provinciale staten de maatregelen die in de passende beoordeling zijn opgenomen ten onrechte als mitigerende maatregelen hebben beschouwd. Dit betekent dat deze maatregelen in de passende beoordeling mochten worden betrokken. De betogen falen. Stikstofdepositie - effectiviteit van de mitigerende maatregelen
- Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie voeren aan dat de voorgenomen mitigerende maatregelen in verband met stikstofdepositie onvoldoende effectief zijn. In dit verband betogen zij dat de mitigerende maatregelen onvoldoende bijdragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen, omdat die voor deze habitattypen zijn gericht op verbetering van de kwaliteit. 36.
- Volgens provinciale staten zijn de mitigerende maatregelen in verband met stikstofdepositie gericht op handhaving van de kwaliteit en de oppervlakte op de huidige locaties van de desbetreffende habitattypen. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat de mitigerende maatregelen in het kader van dit project geen verdere bijdrage hoeven te leveren aan het behalen van instandhoudingsdoelstellingen die zijn gericht op verbetering van de kwaliteit of uitbreiding van het oppervlak. 36.
- In de aanvulling op de passende beoordeling zijn voor verschillende habitattypen in het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" mitigerende maatregelen vermeld. De instandhoudingsdoelstelling is voor de meeste van deze habitattypen gericht op uitbreiding van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. Anders dan Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen, is niet vereist dat het plan zelf een bijdrage levert aan de uitbreiding van het oppervlak of de verbetering van de kwaliteit van de habitattypen. Voor de beoordeling van het plan is bepalend of de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. In de aanvulling op de passende beoordeling wordt geconcludeerd dat door het nemen van de voorgestelde mitigerende maatregelen wordt verzekerd dat zich als gevolg van de realisatie van de Nieuwe Verbinding geen verslechtering in de kwaliteit van de aanwezige habitattypen in het Natura 2000-gebied zal voordoen. Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de uitvoering van het plan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de desbetreffende habitattypen in gevaar brengt. De enkele stelling dat de kwaliteit van de habitats in de huidige situatie al slecht is - hetgeen overigens ter zitting door provinciale staten is weersproken - is daarvoor onvoldoende. Het betoog faalt. Stikstofdepositie - aantasting natuurwaarden door de mitigerende maatregelen
- Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen dat het voortdurend maaien en afplaggen om stikstof af te voeren leidt tot verstoring van soorten ten behoeve waarvan het Natura 2000-gebied is aangewezen. 37.
- De aanvulling op de passende beoordeling stelt in verband met stikstofdepositie de afvoer van biomassa als mitigerende maatregel voor. Uit de aanvulling blijkt dat dit voor de heidehabitattypen zal gebeuren door maaien, plaggen, begrazing of een combinatie daarvan. In de glanshaverhooilanden in deelgebied K wordt biomassa afgevoerd door extra maaien of (na)beweiding. Uit tabel 12.2 op p. 26 van de aanvulling blijkt dat uit het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" jaarlijks in totaal 152,2 kg extra biomassa uit de heidetypen moet worden afgevoerd en 13,5 kg uit de graslanden. Dit betreft de hoeveelheid droge stof. Blijkens de aanvulling komen deze hoeveelheden overeen met ongeveer 608,8 kg vers materiaal uit de heidetypen en ongeveer 54 kg vers materiaal uit de graslanden. Zoals provinciale staten hebben gesteld, behoren maaien en plaggen tot de normale beheermaatregelen in een heidelandschap. Ook in een situatie dat geen sprake is van een stikstofoverschot vanuit de lucht zal volgens hen gemaaid en geplagd moeten worden om het landschap en de daarin voorkomende habitattypen in stand te houden. Maaien en plaggen worden, al dan niet in combinatie met begrazing door bijvoorbeeld schapen, ingezet om het dichtgroeien van de heide met bos te voorkomen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie niet aannemelijk gemaakt dat het afvoeren van biomassa in de hierboven genoemde hoeveelheden door aanvullend maaien en plaggen niet kan worden uitgevoerd zonder soorten te verstoren waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Daarbij is van belang dat Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie niet specifiek hebben aangeduid voor welke van deze soorten de maatregelen volgens hen verstorende effecten hebben. Het betoog faalt. Stikstofdepositie - uitvoering van de mitigerende maatregelen
- Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie voeren verder aan dat de mitigerende maatregelen niet in het plan zijn vastgelegd en dat de uitvoering van de maatregelen ook anderszins niet is verzekerd. De Brabantse Milieufederatie stelt in dat verband dat de privaatrechtelijke overeenkomsten tussen de provincie en de betrokken terreinbeheerders niet met het plan zijn gepubliceerd. 38.
- Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat de uitvoering van de maatregelen in dit geval voldoende is geborgd door bindende schriftelijke afspraken met de beheerders in het gebied, te weten Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, de gemeente Valkenswaard en waterschap De Dommel. In de overeenkomsten met de terreinbeheerders is volgens provinciale staten met behulp van kaarten aangegeven welke maatregelen op welke plaats moeten worden genomen. De locaties waar biomassa wordt afgevoerd, zijn daarbij ook vastgelegd. Uit de stukken blijkt dat de afspraken met Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, de gemeente Valkenswaard en waterschap De Dommel voor de vaststelling van het plan schriftelijk zijn vastgelegd. 38.
- De Afdeling stelt vast dat de planregels geen verplichting bevatten tot het treffen van de mitigerende maatregelen die in de passende beoordeling en de aanvulling daarop in verband met de stikstofdepositie zijn voorgesteld. Provinciale staten achten deze mitigerende maatregelen noodzakelijk om significante negatieve effecten op het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" te voorkomen. De provincie is echter geen eigenaar van de gronden waarop de mitigerende maatregelen moeten worden getroffen en heeft het daarom niet in haar macht de maatregelen uit te voeren. Dat de maatregelen zijn vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met de terreinbeheerders, maakt dat niet anders. De Afdeling is daarom van oordeel dat provinciale staten niet hadden mogen volstaan met het vastleggen van de noodzakelijk geachte mitigerende maatregelen in privaatrechtelijke overeenkomsten. Naar het oordeel van de Afdeling hadden provinciale staten de uitvoering van de mitigerende maatregelen in het plan moeten verzekeren, bijvoorbeeld door in de planregels voor de bestemming "Verkeer - 1" een bepaling op te nemen waarin het gebruik van de tot het tracé van de Nieuwe Verbinding behorende gronden met de bestemming "Verkeer - 1" afhankelijk wordt gesteld van het periodiek treffen van de in de passende beoordeling genoemde mitigerende maatregelen volgens de in de passende beoordeling opgenomen planning. Nu het treffen van de noodzakelijke mitigerende maatregelen onvoldoende is verzekerd, is het plan op dit punt in strijd met artikel 19, derde lid, van de Nbw
- Stikstofdepositie - neveneffecten mitigerende maatregelen Keersopperbeemden
- Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie voeren daarnaast aan dat de mitigerende maatregelen die in verband met stikstofdepositie voor de Keersopperbeemden zijn voorgesteld, nadelige neveneffecten kunnen hebben die ertoe leiden dat de natuurlijke kenmerken van dit deelgebied van het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" worden aangetast. In de eerste plaats vrezen Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie aantasting van het prioritaire habitattype "vochtige alluviale bossen" (habitattype H91E0C). Volgens hen bestaat onvoldoende zekerheid over de gevolgen van de voorgenomen vernatting van de Keersopperbeemden voor dit habitattype. Zij stellen dat er nog geen beheerplan voor dit gebied is, dat het een zeer zeldzaam type bosgebied betreft van een prioritair habitattype en dat nog geen ervaring is opgedaan met deze wijze van beheer. Daarnaast vrezen Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie negatieve gevolgen voor de habitatrichtlijnsoort beekprik. Die gevolgen ontstaan volgens hen door het verlemen van de bodem van watergang KS70 in verband met de vernatting van de Keersopperbeemden. Deze maatregel kan volgens Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie niet worden uitgevoerd, omdat de beekprik in de KS70 een paaiplek heeft en een ingreep in de paaiplek niet verantwoord is. 39.
- De Keersopperbeemden zijn deelgebied I van het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". In dit gebied komt het prioritaire habitattype "vochtige alluviale bossen" (habitattype H91E0C) voor met een oppervlakte van 0,6 ha. Daarnaast komt volgens de passende beoordeling de habitatrichtlijnsoort beekprik voor in de Keersopperbeemden. De beekprik is een vissoort die onder meer voorkomt in de afwateringssloot KS
- In het noordelijke deel van deze watergang heeft de beekprik een paaiplaats. In paragraaf 7.10 van de passende beoordeling is beschreven dat de stikstofdepositie op het habitattype "vochtige alluviale bossen" in de Keersopperbeemden met ruim 15 mol N/ha/jaar toeneemt als gevolg van de Nieuwe Verbinding. Volgens de passende beoordeling zijn in de huidige situatie de effecten van verzuring en eutrofiëring nauwelijks merkbaar, gelet op de vegetatie die ter plaatse voorkomt. Dit heeft te maken met de invloed van kwel vanuit de ondergrond. Volgens de passende beoordeling is de verwachting dat de extra stikstofdepositie van ongeveer 15 mol N/ha/jaar ook op die manier kan worden gebufferd, nu het ten opzichte van de achtergronddepositie en ten opzichte van de KDW om een geringe bijdrage gaat van 0,7% respectievelijk 0,8%. Omdat negatieve effecten door de toename van de stikstofdepositie echter niet geheel zijn uit te sluiten, worden mitigerende maatregelen genomen, namelijk vernatting van de Keersopperbeemden. Die vernatting wordt gerealiseerd door het aanbrengen van een weerstandbiedende laag onder en naast watergang KS70 over een lengte van 300 m en het dempen van oost-west lopende ondiepe greppels tussen KS70 en de Keersop. Met deze vernattingsmaatregelen zijn volgens de passende beoordeling significante negatieve effecten van de extra stikstofdepositie op het habitattype "vochtige alluviale bossen" met zekerheid uitgesloten. Op p. 103 van de passende beoordeling wordt benadrukt dat de huidige bufferende werking zeer waarschijnlijk al voldoende is om een negatief effect te voorkomen en dat de mitigerende maatregelen gelden als een extra zekerheid. Naar aanleiding van opmerkingen van de Commissie m.e.r. zijn in hoofdstuk 4 van de aanvulling op de passende beoordeling de mogelijke ongewenste neveneffecten van de vernatting van de Keersopperbeemden onderzocht. Met name zou eutrofiëring kunnen optreden door het ontstaan van hoge concentraties sulfaat; ook kan onder bepaalde omstandigheden verdere verzuring optreden. In paragraaf 4.2.3 van de aanvulling is daarom een aanpassing van de mitigerende maatregelen voorgesteld. Die aanpassing betreft vooral het uitvoeren van extra metingen en onderzoek en een fasering in het aanbrengen van de weerstandbiedende laag in watergang KS
- Provinciale staten gaan er op grond van de passende beoordeling van uit dat de toename van de stikstofdepositie op de Keersopperbeemden gebufferd zal worden door kwel vanuit de ondergrond en dat deze toename daarom geen negatieve effecten zal veroorzaken. Met de mitigerende maatregel van vernatting kan volgens provinciale staten iedere twijfel over de mogelijke effecten van de extra stikstofdepositie worden weggenomen. Volgens provinciale staten zijn met een dergelijke maatregel goede en wetenschappelijk beschreven ervaringen opgedaan. Dat voor het gebied nog geen beheerplan is vastgesteld, doet daar volgens hen niet aan af. Volgens provinciale staten kunnen de eventuele nadelige neveneffecten van de vernatting voldoende worden tegengegaan met het pakket aan waterhuishoudkundige maatregelen uit de aanvulling op de passende beoordeling. 39.
- Naar het oordeel van de Afdeling moet ervan worden uitgegaan dat de vernatting van de Keersopperbeemden in dit geval een noodzakelijke maatregel is ter voorkoming van nadelige effecten op het habitattype "vochtige alluviale bossen" als gevolg van extra stikstofdepositie. Op grond van de passende beoordeling en de aanvulling daarop hebben provinciale staten namelijk niet de zekerheid verkregen dat zich zonder deze maatregel geen nadelige effecten zullen voordoen en geen sprake zal zijn van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied. Uit de passende beoordeling en de aanvulling komt naar voren dat de vernatting van de Keersopperbeemden nadelige neveneffecten kan hebben voor het habitattype "vochtige alluviale bossen" door eutrofiëring en verzuring. In de aanvulling op de passende beoordeling is een systeem van monitoring beschreven om deze neveneffecten in beeld te brengen. Naar het oordeel van de Afdeling is echter onvoldoende vast komen te staan dat in het geval dat de ongewenste neveneffecten van de vernatting van de Keersopperbeemden zich inderdaad voordoen, een zodanige oplossing mogelijk is dat het habitattype "vochtige alluviale bossen" in de Keersopperbeemden niet wordt aangetast. De Afdeling baseert zich hierbij mede op hetgeen hierover op p. 81-82 van het deskundigenbericht is vermeld. Daar staat onder meer dat de voorgenomen vernattingsmaatregelen niet zonder risico's zijn voor de kwaliteit van het habitattype "vochtige alluviale bossen" en dat het op voorhand niet duidelijk is of de maatregelen uitvoerbaar zijn zolang de risico's niet met wetenschappelijke zekerheid kunnen worden uitgesloten. Gelet hierop hebben provinciale staten onvoldoende gemotiveerd dat de Nieuwe Verbinding en de voorgestelde mitigerende maatregel van vernatting van de Keersopperbeemden niet zullen leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van deelgebied I van het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". Het plan is op dit punt vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb. 39.
- Voor zover Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben betoogd dat de mitigerende maatregel niet uitvoerbaar is vanwege de gevolgen voor de beekprik, overweegt de Afdeling het volgende. Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie vrezen gevolgen voor de beekprik door het aanbrengen van een weerstandbiedende laag onder en naast watergang KS
- Uit p. 104 van de passende beoordeling en uit het deskundigenbericht blijkt dat die laag niet ter hoogte van de paaiplaats van de beekprik wordt aangebracht, maar ongeveer 650 m verder stroomopwaarts. Volgens het deskundigenbericht kunnen blijvende effecten voor de paaiplaats van de beekprik uitgesloten worden geacht, onder meer omdat de beekprik zijn paaiplaats vanuit de andere richting bereikt en omdat de aanlegwerkzaamheden worden uitgevoerd tussen 1 juli en 1 maart en dus niet gedurende de paaitijd en de periode dat de larven zich vestigen. Bovendien wordt de oorspronkelijke waterbodem weer teruggeplaatst. Dit is in paragraaf 7.10.2 van de passende beoordeling beschreven. Ter zitting hebben Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betoogd dat het verlemen van de bodem in een deel van watergang KS70 toch nadelige effecten op de beekprik zal hebben, omdat dit leem ook elders in de KS70 zal neerslaan, bijvoorbeeld bij de paaiplaats van de beekprik. Volgens hen is dit nadelig voor de beekprik, omdat die gevoelig is voor veranderingen in de samenstelling en structuur van de waterbodem. Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben niet met enig onderzoek aannemelijk gemaakt dat leem zich vanaf de plaats van de ingreep 650 m stroomafwaarts kan verspreiden tot aan de paaiplaats van de beekprik. Bovendien hebben provinciale staten ter zitting gesteld dat in de passende beoordeling is vastgelegd dat de leemlaag dieper in de waterbodem wordt aangebracht en dat de oorspronkelijke bodem daarop wordt teruggeplaatst. Het leem komt daarom volgens hen niet in direct contact met het oppervlaktewater. Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben dit niet gemotiveerd weersproken. Gelet hierop hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verlemen van een deel van de bodem van watergang KS70 kan worden uitgevoerd zonder dat dit leidt tot nadelige gevolgen voor de beekprik. Er bestaat daarom geen aanleiding voor de verwachting dat de voorgenomen mitigerende maatregel van vernatting van de Keersopperbeemden niet uitvoerbaar is vanwege de gevolgen voor de beekprik. Het betoog faalt. Stikstofdepositie - uitgangspunten bepaling toename depositie
- Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen dat de passende beoordeling gebreken vertoont, omdat bij de beoordeling van de toename van de stikstofdepositie essentiële elementen niet zijn betrokken. In de eerste plaats betreft dit de verkeerseffecten. Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen dat provinciale staten ten onrechte alleen de effecten van de nieuwe weg zelf hebben beoordeeld; de aanzuigende werking van de Nieuwe Verbinding op de bestaande wegen en het effect daarvan op de stikstofdepositie is volgens hen onvoldoende onderzocht. Ook zijn de verkeersbewegingen op het aansluitende weggedeelte tussen de Locht en de A67 volgens hen niet in de berekening van de stikstofdepositie betrokken. Volgens de Brabantse Milieufederatie hadden bovendien de effecten van de Nieuwe Verbinding in samenhang moeten worden beschouwd met het huidige en toekomstig functioneren van de aansluitende N69 die aansluit op het Belgische wegennet en van de A67 tussen Eersel en Eindhoven. Zij stelt onder meer dat geen rekening is gehouden met voornemens voor deze wegen, zoals een opwaardering van de bestaande N
- Daarnaast blijkt volgens Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie uit de passende beoordeling niet of rekening is gehouden met de groei van Eindhoven Airport, het beleid ten aanzien van veehouderijen, ontwikkelruimte van de intensieve en grondgebonden veehouderij en andere plannen in de omgeving, zoals artikel 19j van de Nbw 1998 vereist. Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie verwachten dat met name de grondgebonden veehouderij in de omgeving zal groeien na de afschaffing van de melkquota. 40.
- Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat bij de beoordeling van cumulatieve effecten moet worden uitgegaan van plannen en projecten waarover reeds een definitief besluit is genomen. Voorbereidingshandelingen van plannen of projecten hoeven volgens provinciale staten niet in de beoordeling te worden betrokken als de realisatie van het plan of project een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Dat is het geval als in een plan de mogelijkheid tot de ontwikkeling van de activiteit wordt geboden, maar nog niet de zekerheid bestaat dat het project daadwerkelijk op de vastgestelde locatie wordt gerealiseerd en er nog een toetsmoment volgt waarop de activiteit, inclusief cumulatie, wordt beoordeeld. Volgens provinciale staten zijn de cumulatieve effecten in paragraaf 5.1.4 van de passende beoordeling op deze wijze beoordeeld. Ten tijde van de vaststelling van het plan waren er volgens hen geen plannen of projecten in een zodanig stadium dat die in het onderzoek naar cumulatieve effecten moesten worden betrokken. 40.
- De beroepsgrond over de verkeerseffecten gaat gedeeltelijk over de effecten van het plan op andere wegen in de omgeving en gedeeltelijk over de cumulatie van de effecten van de Nieuwe Verbinding met die van andere ingrepen aan wegen in de omgeving. Over het eerste punt overweegt de Afdeling dat bij de stikstofberekeningen gebruik is gemaakt van het verkeersmodel van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE). Daarbij zijn effecten van de Nieuwe Verbinding berekend voor de verkeersintensiteiten op een aantal omliggende wegen. Dat zijn deels toenames en deels afnames. De wegen met een intensiteitsverandering van ten minste 500 mvt/etmaal zijn hierbij als relevante wegen aangemerkt; van die wegen is de stikstofdepositie berekend, voor zover de wegen op maximaal 5 km afstand van een Natura 2000-gebied liggen. Anders dan Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen, is bij de berekening van de effecten op de stikstofdepositie dus niet alleen rekening gehouden met het verkeer op de Nieuwe Verbinding zelf. Uit bijlage 3 bij het rapport "ProjectMER nieuwe verbinding Grenscorridor N69, Achtergrondrapport Verkeer" van Goudappel Coffeng van 7 februari 2014 (hierna: het Achtergrondrapport verkeer) blijkt dat het door Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie genoemde weggedeelte van de N69 tussen de aansluiting op de Nieuwe Verbinding en de rotonde bij de Bergeijksedijk als wegvak 10 in het verkeersmodel is betrokken. De toename van de verkeersintensiteit op dit wegvak is echter kleiner dan 500 mvt/etmaal. Uit de passende beoordeling en het Achtergrondrapport Verkeer blijkt verder dat in het verkeersmodel en de stikstofdepositieberekening het weggedeelte tussen de Locht en de A67 is beschouwd als onderdeel van de Nieuwe Verbinding en als zodanig in de berekening is betrokken. 40.
- Wat betreft de cumulatieve effecten overweegt de Afdeling dat provinciale staten zich op dit punt mochten beperken tot een beoordeling van de plannen en projecten die ten tijde van de vaststelling van het plan voldoende concreet waren. Niet is gebleken dat het bij de door Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie genoemde ingrepen aan wegen in de omgeving gaat om concrete plannen waarover ten tijde van de vaststelling van het plan al besluiten waren genomen. Naar het oordeel van de Afdeling hoefden provinciale staten die ontwikkelingen dan ook niet te betrekken in het onderzoek naar cumulatieve effecten. 40.
- Voor Eindhoven Airport is op 26 september 2014 het Luchthavenbesluit Eindhoven vastgesteld. Dit besluit voorziet in een gefaseerde uitbreiding van de burgerluchtvaart. Volgens provinciale staten is de extra stikstofdepositie als gevolg van dat besluit zo gering, dat daarmee bij de vaststelling van het plan geen rekening hoefde te worden gehouden. Onder verwijzing naar het milieueffectrapport voor het luchthavenbesluit hebben provinciale staten gesteld dat het gaat om een toename van de stikstofdepositie met 0,1 tot 0,6 mol N/ha/jaar. Bij de vaststelling van het luchthavenbesluit heeft die toename geen aanleiding gegeven voor een passende beoordeling of voor het doorlopen van een Nbw-vergunningprocedure. Naar het oordeel van de Afdeling is de toename van de stikstofdepositie vanwege de uitbreiding van Eindhoven Airport zo gering, zowel in absolute zin als in verhouding tot de achtergronddepositie, dat provinciale staten deze bij de beoordeling van de cumulatieve effecten buiten beschouwing konden laten. 40.
- Uit p. 84 van het deskundigenbericht blijkt dat in de bepaling van de toekomstige achtergronddeposities al rekening is gehouden met een aantal ontwikkelingen in de veehouderij. De groei van bestaande intensieve veehouderijen is verdisconteerd in de algemene economische groei van 2,5% per jaar en daarnaast is de stikstofdepositie hoger ingeschat vanwege de extra emissies bij melkveestallen. Voor het overige hebben Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie niet aannemelijk gemaakt dat de door hen bedoelde ontwikkelingen in de veehouderij ten tijde van de vaststelling van het plan al zo concreet waren dat deze in het onderzoek naar cumulatieve effecten hadden moeten worden betrokken. De Afdeling ziet daarnaast geen grond voor het oordeel dat provinciale staten andere plannen en ontwikkelingen in het onderzoek naar cumulatieve effecten hadden moeten betrekken, reeds omdat Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie niet nader hebben aangeduid welke andere plannen in de omgeving dit betreft. 40.
- De betogen falen.
- Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen daarnaast dat de achtergronddepositie voor het habitattype "vochtige alluviale bossen" in deelgebied D (Leenderbos exclusief Laagveld) van het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" in de passende beoordeling niet op de juiste wijze is bepaald. Volgens hen had de achtergronddepositie aan de hand van de Grootschalige Depositiekaarten Nederland (hierna: GDN) moeten worden bepaald en niet met het model Aerius. Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie leiden uit de GDN af dat voor dit habitattype de achtergronddepositie hoger is dan de KDW, die is berekend op 1857 mol N/ha/jaar. Volgens hen zijn daarom voor het habitattype "vochtige alluviale bossen" in deelgebied D extra beheermaatregelen nodig. 41.
- Uit bijlage 1 bij de passende beoordeling blijkt dat voor de stikstofdepositieberekeningen het programma Pluimsnelweg 1.8 is gebruikt en dat de achtergronddepositie aan de hand van de GDN is bepaald door interpolatie. Het betoog dat provinciale staten de achtergronddepositie met behulp van de GDN hadden moeten bepalen en niet met het model Aerius, mist daarom feitelijke grondslag. 41.
- Provinciale staten stellen dat de achtergronddepositie en de stikstofdepositie inclusief de bijdrage van de Nieuwe Verbinding op het habitattype "vochtige alluviale bossen" in deelgebied D van het Natura 2000-gebied lager zijn dan de KDW. De achtergronddepositie is volgens provinciale staten in de passende beoordeling door interpolatie bepaald met behulp van de gegevens van de GDN. Voor de twee kilometerhokken waar het habitattype "vochtige alluviale bossen" in het Leenderbos voorkomt, is de achtergronddepositie voor 2018 berekend op 1708 en 1788 mol N/ha/jaar. Met de bijdrage van de Nieuwe Verbinding (0,67 mol) blijft de stikstofdepositie onder de KDW, aldus provinciale staten. 41.
- De Afdeling ziet in hetgeen Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de achtergronddepositie en de stikstofdepositie voor het habitattype "vochtige alluviale bossen" in deelgebied D van het Natura 2000-gebied onjuist zijn bepaald. Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie zijn er op grond van p. 35 van de passende beoordeling van uitgegaan dat de achtergronddepositie 2000 mol N/ha/jaar bedraagt en daarmee hoger is dan de KDW. Provinciale staten hebben echter toegelicht dat dit getal een globaal gemiddelde voor het gehele onderzoeksgebied betreft. Niet gebleken is dat dit onjuist is. Zoals provinciale staten hebben toegelicht, zijn voor de effectbeoordeling de locatiespecifieke gegevens per kilometerhok gebruikt. Op grond daarvan is de achtergronddepositie in de twee relevante kilometerhokken berekend op 1708 en 1788 mol N/ha/jaar. De KDW wordt daarmee niet overschreden. Het betoog faalt. Overige gevolgen voor kwalificerende soorten
- Oplossing N69 en anderen, de Brabantse Milieufederatie, [appellant sub 10] en anderen en [appellant sub 9] voeren aan dat de Nieuwe Verbinding leidt tot verslechtering van het leefgebied en verstoring van kwalificerende soorten in het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen dat dit ook het geval is voor het Belgische Natura 2000-gebied "Hageven met Dommelvallei, Beverbeekse heide, Warmbeek en Wateringen". Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie betogen in dit verband dat er nadelige effecten zijn voor de kwalificerende soorten in de Natura 2000-gebieden door een toename van geluid en door versnippering van leefgebieden. In de passende beoordeling is dit volgens hen onvoldoende onderkend. In het bijzonder stellen Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie dat de Nieuwe Verbinding een barrière vormt tussen de Natura 2000-gebieden in de omgeving van de weg, zodat de migratie van kwalificerende soorten tussen die gebieden wordt bemoeilijkt. 42.
- Over de verstoring door geluid overweegt de Afdeling het volgende. In paragraaf 5.3.3 van het Achtergrondrapport ecologie is geconcludeerd dat voor kwalificerende libellen-, vissen- en salamandersoorten verstoring door geluid is uitgesloten. In hoofdstuk 3 van de aanvulling op de passende beoordeling is nader onderzoek gedaan naar de verstoring van vogels door geluid. Volgens de aanvulling op de passende beoordeling kan zich voor de boomleeuwerik in het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" een verslechtering voordoen door een zeer gering verlies van leefgebied. Deze verslechtering kan volgens de aanvulling op de passende beoordeling echter ongedaan worden gemaakt met mitigerende maatregelen, namelijk het verwijderen van overmatige boomopslag. Voor de roodborsttapuit en de nachtzwaluw neemt de geluidbelasting niet toe. Voor het gebied Hamonterheide in het Natura 2000-gebied "Hageven met Dommelvallei, Beverbeekse heide, Warmbeek en Wateringen" wordt in de aanvulling op de passende beoordeling geconcludeerd dat zich voor de boomleeuwerik en de blauwborst een verslechtering kan voordoen. Die is echter zo gering dat geen sprake is van een significant effect. Oplossing N69 en anderen, de Brabantse Milieufederatie, [appellant sub 10] en anderen en [appellant sub 9] hebben de juistheid van deze conclusies uit het Achtergrondrapport ecologie en de aanvulling op de passende beoordeling niet gemotiveerd bestreden. Ook hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat zich voor andere kwalificerende soorten in de Natura 2000-gebieden negatieve gevolgen door geluid zullen voordoen. 42.
- Over de gestelde barrièrewerking en versnippering overweegt de Afdeling het volgende. De Nieuwe Verbinding doorsnijdt het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux" alleen ter plaatse van de bruggen over de Run en de Keersop. Provinciale staten stellen dat hierdoor geen barrièrewerking voor kwalificerende soorten ontstaat, onder andere omdat de weg de beekdalen op palen overbrugt. Volgens het deskundigenbericht vormt de Nieuwe Verbinding geen barrière voor de vissoorten in dit deelgebied, omdat de beeklopen niet worden onderbroken; kwalificerende habitatrichtlijnsoorten komen volgens p. 87 van het deskundigenbericht niet voor in dit deelgebied van het Natura 2000-gebied. Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie hebben dit niet gemotiveerd bestreden. De barrièrewerking ontstaat volgens Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie vooral doordat de Nieuwe Verbinding een barrière vormt tussen de verschillende deelgebieden van het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux" en tussen de Natura 2000-gebieden "Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux" en "Hageven met Dommelvallei, Beverbeekse heide, Warmbeek en Wateringen" en daarmee de migratie van kwalificerende soorten tussen die gebieden bemoeilijkt. Provinciale staten hebben ter zitting toegelicht dat de kwalificerende soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen niet tussen deze gebieden migreren. Het gaat volgens hen om lokale broedvogelsoorten die in het gebied zelf blijven. Voor zover deze soorten zich toch zouden verplaatsen, kunnen zij over de weg heen vliegen, aldus provinciale staten. Provinciale staten stellen zich daarnaast op het standpunt dat dit aspect in de passende beoordeling en de aanvulling daarop niet nader hoefde te worden onderzocht, omdat reeds in een eerder stadium is gebleken dat op dit punt geen significante effecten zijn te verwachten. Naar het oordeel van de Afdeling hebben Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie niet aannemelijk gemaakt dat provinciale staten er ten onrechte van zijn uitgegaan dat dergelijke effecten niet zijn te verwachten. Daarbij is mede van belang dat zij niet nader hebben aangeduid voor welke kwalificerende soorten zich volgens hen negatieve effecten door barrièrewerking en versnippering zouden kunnen voordoen. 42.
- Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, voor zover het de gevolgen voor kwalificerende soorten door geluid en barrièrewerking betreft, geen sprake zal zijn van aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" en "Hageven met Dommelvallei, Beverbeekse heide, Warmbeek en Wateringen". De betogen falen. Maatschappelijk belang
- Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 15] en anderen voeren aan dat het zwaarwegend maatschappelijk belang dat de aantasting van het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" rechtvaardigt niet is aangetoond. 43.
- De door Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 15] en anderen bedoelde toetsing van het zwaarwegend maatschappelijk belang van het project is pas aan de orde wanneer met toepassing van de artikelen 19g, tweede en derde lid, en 19h, eerste lid, van de Nbw 1998 een zogeheten ADC-toets wordt verricht. Bij de ADC-toets moet onder meer worden beoordeeld of er dwingende redenen van groot openbaar belang aanwezig zijn. Uit de artikelen 19j, derde lid, en 19g, eerste lid, van de Nbw 1998 volgt dat bij de vaststelling van een plan pas een ADC-toets hoeft te worden uitgevoerd als op grond van de passende beoordeling niet is komen vast te staan dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast. Provinciale staten zijn er bij de vaststelling van het plan op basis van de passende beoordeling en de aanvulling daarop van uitgegaan dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux" niet worden aangetast en dat daarom geen ADC-toets nodig was. Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 15] en anderen hebben de juistheid van deze conclusie niet gemotiveerd bestreden. Zij hebben in hun beroepschriften niet geconcretiseerd waaruit de aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied volgens hen bestaat. Hetgeen Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 15] en anderen hebben aangevoerd, geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten bij de vaststelling van het plan ten onrechte geen ADC-toets hebben verricht. De betogen falen. Nbw 1998-vergunning
- [appellant sub 10] en anderen en [appellant sub 9] voeren aan dat de uitvoerbaarheid van het plan onzeker is, omdat onvoldoende is nagegaan of een vergunning op grond van de Nbw 1998 kan worden verleend. 44.
- De vraag of een vergunning op grond van de Nbw 1998 kan worden verleend, betreft de uitvoerbaarheid van het plan. Het gaat daarbij om de vraag of provinciale staten bij de vaststelling van het plan op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat de vereiste Nbw-vergunning niet kan worden verleend. [appellant sub 10] en anderen en [appellant sub 9] hebben in verband met de gevolgen voor het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux" alleen bezwaren naar voren gebracht over de verstoring van kwalificerende soorten. Voor het overige hebben zij hun betoog dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied worden aangetast niet geconcretiseerd. De Afdeling heeft hiervoor onder 42.3 geoordeeld dat de beroepsgronden over de verstoring van kwalificerende soorten niet slagen. Hetgeen [appellant sub 10] en anderen en [appellant sub 9] hebben aangevoerd geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de benodigde vergunning op grond van de Nbw 1998 niet kan worden verleend. Het betoog faalt. Ecologische Hoofdstructuur
- Oplossing N69 en anderen, de Brabantse Milieufederatie, Buurtvereniging Braambos, [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 9], [appellant sub 3], [appellant sub 15] en anderen en [appellante sub 14] en anderen voeren beroepsgronden aan over de gevolgen van het plan voor de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS).
- Het tracé van de Nieuwe Verbinding doorsnijdt de EHS op verschillende plaatsen. Dit betreft zowel gerealiseerde als niet gerealiseerde delen van de EHS. De aanleg van de Nieuwe Verbinding leidt tot een aantasting van de EHS, vooral door oppervlakteverlies en geluidverstoring. Om de aantasting van de EHS te compenseren, is bij de voorbereiding van het plan het Compensatieplan Nieuwe Verbinding Grenscorridor N69 (hierna: het Compensatieplan) opgesteld. Daarin is een compensatieverplichting van in totaal 52,15 ha opgenomen. Het Compensatieplan gaat uit van fysieke compensatie in twee compensatiegebieden: het gebied Keersopperbeemden Zuid voor ongeveer 2 ha en het zoekgebied Grenscorridor N69 voor de overige ongeveer 50 ha. Toepasselijkheid Verordening Ruimte 2014
- De regels voor de bescherming van de EHS zijn neergelegd in artikel 5 van de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening). Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de gemeenteraad de regels uit de Verordening over de inhoud van bestemmingsplanen in acht nemen. Provinciale staten stellen onder verwijzing naar artikel 2 van de Verordening dat de Verordening niet van toepassing is op de vaststelling van een inpassingsplan. 47.
- Artikel 2, eerste lid, van de Verordening noemt een aantal plannen en besluiten die bij de toepassing van de Verordening gelijk worden gesteld met een bestemmingsplan. Bij de vaststelling van die plannen en besluiten moeten de regels uit de Verordening in acht worden genomen, tenzij de strekking van de bepaling zich daartegen verzet of in de Verordening uitdrukkelijk anders is aangegeven. Nu het inpassingsplan niet wordt genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Verordening, zijn provinciale staten daaraan bij het voorbereiden en vaststellen van een inpassingsplan niet rechtstreeks gebonden. Provinciale staten achten zich via bestuurlijke zelfbinding in beginsel wel gebonden aan het in de Verordening neergelegde ruimtelijke beleid voor de bescherming van de EHS. Volgens provinciale staten is het plan in overeenstemming met dit beleid vastgesteld. Bij de beoordeling van de beroepsgronden over de EHS zal de Afdeling daarom beoordelen of provinciale staten hebben gehandeld in overeenstemming met het in de Verordening neergelegd ruimtelijke beleid voor de bescherming van de EHS. "Nee, tenzij"-principe en alternatieven
- [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 9], Buurtvereniging Braambos, [appellant sub 3], [appellant sub 15] en anderen, Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie voeren aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor aantasting van de EHS. Oplossing N69 en anderen, de Brabantse Milieufederatie en [appellant sub 3] betogen dat het plan op dit punt in strijd is met het in de Verordening opgenomen "nee, tenzij"-principe. Volgens Oplossing N69 en anderen en de Brabantse Milieufederatie is niet voldaan aan de voorwaarden uit artikel 5.3, tweede lid, van de Verordening. Er zijn volgens hen namelijk alternatieve locaties voorhanden buiten de EHS, zoals het alternatief "Verbeterd West+ Midden". [appellant sub 15] en anderen betogen dat het door hen voorgedragen alternatief leidt tot minder aantasting van de EHS. [appellant sub 10] en anderen en [appellant sub 9] betogen dat provinciale staten ten onrechte niet hebben beoordeeld of er dwingende redenen van openbaar belang zijn en of er geen alternatieve oplossingen voorhanden zijn. Buurtvereniging Braambos en [appellant sub 15] en anderen voeren aan dat het zwaarwegend maatschappelijk belang dat de aantasting van de EHS rechtvaardigt niet is aangetoond. 48.
- In artikel 5.3, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat gedeputeerde staten de begrenzing van de ecologische hoofdstructuur op verzoek van de gemeente kunnen wijzigen in geval van een ruimtelijke ontwikkeling met toepassing van het nee-tenzij principe. In het tweede lid is bepaald dat een verzoek om herbegrenzing als bedoeld in het eerste lid vergezeld gaat van een bestemmingsplan waaruit blijkt dat: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er voor de ontwikkeling geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten de ecologische hoofdstructuur; c. er geen andere oplossingen voorhanden zijn waardoor de aantasting van ecologische hoofdstructuur wordt voorkomen; d. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, waarbij wordt voldaan aan de regels inzake het compenseren als bedoeld in artikel 5.6 (compensatieregels). 48.
- Artikel 5.3, eerste en tweede lid, van de Verordening gaat over het
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.