201503924/1/R
- Datum uitspraak: 11 mei 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in het geding tussen:
- [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], beiden wonend te Velddriel, gemeente Maasdriel (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),
- [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], beiden wonend te Kerkdriel, gemeente Maasdriel (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),
- [appellant sub 3], wonend te Poederoijen, gemeente Zaltbommel,
- [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], beiden wonend te Gameren, gemeente Zaltbommel (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]),
- [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]), beiden wonend te Kerkdriel, gemeente Maasdriel,
- [appellant sub 6], wonend te Kerkwijk, gemeente Zaltbommel,
- [appellant sub 7], wonend te Kerkwijk, gemeente Zaltbommel,
- [appellant sub 8], wonend te Amsterdam, en anderen (hierna: Erven [appellant sub 8]),
- [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], beiden wonend te Kerkdriel, gemeente Maasdriel,
- [appellant sub 10], wonend te Velddriel, gemeente Maasdriel,
- de stichting Stichting Plattelandswaarden Bommelerwaard e.o., gevestigd te Bruchem, gemeente Zaltbommel,
- [appellant sub 12A] en [appellante sub 12B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 12]), beiden wonend te Poederoijen, gemeente Zaltbommel,
- [appellant sub 13], wonend te Nieuwaal, gemeente Zaltbommel,
- [appellante sub 14], gevestigd te Nieuwaal, gemeente Zaltbommel, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 14]),
- [appellant sub 15A], wonend te Hedel, en [appellant sub 15B], handelend onder de naam [bedrijf], te Rossum (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 15]),
- [appellante sub 16], gevestigd te Kerkdriel,
- [appellante sub 17], gevestigd te Velddriel, gemeente Maasdriel, en anderen,
- M. [appellant sub 18], wonend te Kerkdriel, gemeente Maasdriel,
- [appellante sub 19A] en [appellante sub 19B], beide gevestigd te Poederoijen, gemeente Zaltbommel (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 19]),
- [appellant sub 20A] en [appellant sub 20B] , wonend te Nieuwaal, gemeente Zaltbommel,
- [appellante sub 21A] en [appellante sub 21B], beide gevestigd te Nieuwaal (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 21]),
- [appellante sub 22], gevestigd te Zaltbommel, en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 22]),
- [appellante sub 23], gevestigd te Hedel, gemeente Maasdriel,
- [appellant sub 24], wonend te Hoenzadriel, gemeente Maasdriel,
- [appellant sub 25], wonend te Nieuwaal, gemeente Zaltbommel,
- [appellant sub 26], wonend te Nieuwaal, gemeente Zaltbommel,
- [appellant sub 27], wonend te Rossum, gemeente Maasdriel,
- [appellante sub 28A], gevestigd te Maasdriel, en [appellant sub 28B], wonend te Velddriel, gemeente Maasdriel, en Provinciale staten van Gelderland, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 25 februari 2015 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Bommelerwaard" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Diverse appellanten hebben hun zienswijze daarover naar voren gebracht. Meerdere partijen hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 en 26 februari 2016, waar een aantal partijen, al dan niet vertegenwoordigd door hun gemachtigde, is verschenen. Ook provinciale staten hebben zich ter zitting doen vertegenwoordigen. Overwegingen Het inpassingsplan
- Het inpassingsplan voorziet in een herstructurering van het glastuinbouw- en paddenstoelenteeltgebied in de Bommelerwaard. Aanleiding voor het plan is de Samenwerkingsovereenkomst herstructurering glastuinbouw en paddenstoelenteelt Bommelerwaard (hierna: SOK), die op 9 december 2009 is gesloten tussen de provincie Gelderland, de gemeenten Maasdriel en Zaltbommel en het waterschap Rivierenland.
- De herstructurering is vormgegeven door de aanwijzing van zogeheten intensiverings-, reserveconcentratie- en extensiveringsgebieden. Nieuwvestiging en/of uitbreiding van glastuinbouw en paddenstoelenteelt is in het plan in eerste instantie voorzien binnen de intensiveringsgebieden. Daartoe is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarmee het college van gedeputeerde staten onder bepaalde voorwaarden het plan kan wijzigen ten behoeve van het realiseren of uitbreiden van één of meer glastuinbouw- of paddenstoelenteeltbedrijven. Ook voor de reserveconcentratiegebieden is een dergelijke wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Bij nieuwvestiging van glastuinbouw en paddenstoelenteelt is wijziging van het plan in deze gebieden echter pas toegestaan als die vestging niet realiseerbaar is binnen het intensiveringsgebied. In de extensiveringsgebieden is nieuwvestiging van glastuinbouw en paddenstoelenteelt in principe niet mogelijk gemaakt. Bij bestaande bedrijven is het in beginsel evenwel mogelijk om de totale oppervlakte van de kassen en bijbehorende bedrijfsgebouwen eenmalig met ten hoogste 20% van het aanduidingsvlak uit te breiden. Toetsingsmaatstaf
- Bij de vaststelling van een inpassingsplan hebben provinciale staten beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die zij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Opzet uitspraak
- Hierna zullen allereerst beroepsgronden worden besproken over het provinciaal belang dat ten grondslag ligt aan het inpassingsplan, de behoefte aan uitbreiding van glastuinbouw en de financiële uitvoerbaarheid. Deze gronden zijn door meerdere appellanten naar voren gebracht en worden daarom gezamenlijk besproken. Daarna zal de Afdeling de beroepsgronden bespreken die door appellanten afzonderlijk naar voren zijn gebracht. De bespreking vindt plaats overeenkomstig onderstaande inhoudsopgave. Provinciaal belang 5 De behoefte aan glastuinbouw en de aanwijzing van intensiveringsgebieden, reserveconcentratiegebieden en extensiveringsgebied Financieel-economische uitvoerbaarheid plan Ingetrokken beroepsgronden van [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 10] en [appellant sub 2] Het beroep van [appellant sub 1] Het beroep van [appellant sub 2] Het beroep van [appellant sub 3] Het beroep van [appellant sub 4] Het beroep van [appellant sub 5] Het beroep van [appellant sub 6] Het beroep van [appellant sub 7] Het beroep van de erven [appellant sub 8] Het beroep van [appellanten sub 9] Het beroep van [appellant sub 10] Het beroep van Stichting Plattelandswaarden Het beroep van [appellant sub 12] Het beroep van [appellant sub 13] Het beroep van [appellante sub 14] Het beroep van [appellant sub 15] Het beroep van [appellante sub 16] Het beroep van [appellante sub 17] Het beroep van [appellant sub 18] Het beroep van [appellante sub 19] Het beroep van [appellanten sub 20] Het beroep van [appellante sub 21] Het beroep van [appellante sub 22] Het beroep van [appellante sub 23] Het beroep van [appellant sub 24] De beroepen van [appellant sub 25] en [appellant sub 26] Het beroep van [appellant sub 27] Het beroep van [appellante sub 28] Bestuurlijke lus Proceskosten Provinciaal belang
- [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 10], [appellant sub 2], [appellanten sub 9] en Stichting Plattelandswaarden betogen dat provinciale staten ten onrechte ervan zijn uitgegaan dat aan het inpassingsplan een provinciaal belang ten grondslag ligt. 5.
- Ingevolge artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kunnen provinciale staten indien sprake is van provinciale belangen, de betrokken gemeenteraad gehoord, voor de daarbij betrokken gronden een inpassingsplan vaststellen. 5.
- Provinciale staten wijzen erop dat specifiek voor de Bommelerwaard provinciaal beleid is opgesteld om de herstructurering van de glastuinbouw in goede banen te leiden, om zo een toekomstbestendige (glas)tuinbouwsector te waarborgen. Daarbij faciliteert de provincie de versterking van het vestigings- en ondernemersklimaat van tuinbouwclusters en de concentratie in een beperkt aantal gebieden. Dit beleid is onder meer neergelegd in het Provinciaal Meerjaren Programma, het Streekplan 2005 en meer recent de Ruimtelijke Verordening Gelderland 2010, de Structuurvisie herstructurering Glastuinbouw en Paddenstoelenteelt 2012 en de Omgevingsvisie Gelderland
- In de Omgevingsvisie wordt versterking en innovatie in de paddenstoelenteelt- en glastuinbouwsector genoemd als één van de vier speerpunten van de provincie, aldus provinciale staten. 5.
- In de wetsgeschiedenis van de Wro is onder meer het volgende vermeld over de bevoegdheid om op provinciaal niveau ruimtelijke plannen vast te stellen (Kamerstukken II, 2002/03, 28 916, nr. 3, blz. 105): "Indien provinciale belangen daartoe aanleiding geven kunnen provinciale staten een bestemmingsplan vaststellen. (…) Het is, naast de bevoegdheid tot het stellen van algemene regels en het geven van aanwijzingen opgenomen in hoofdstuk 4, Algemene regels en specifieke aanwijzingen, de derde mogelijkheid voor de provincie om haar ruimtelijk beleid door te laten werken op gemeentelijk niveau. De bevoegdheid moet dan ook in die context worden bezien. Uitgangspunt daarbij is een goede doorwerking van het provinciaal ruimtelijke beleid met betrekking tot bovengemeentelijke belangen, dat voor een ieder bindend moet worden vastgelegd en waarvoor de provincie de verantwoordelijkheid zelf wil blijven dragen." In de wetsgeschiedenis van de Wro is de vraag hoe de behoefte aan glastuinbouw kan worden geaccommodeerd uitdrukkelijk benoemd als een bovengemeentelijk ruimtelijk vraagstuk (Kamerstukken II, 2002/03, 28 916, nr. 3, blz. 17). Het inpassingsplan heeft blijkens de plantoelichting concentratie van de tuinbouw als doelstelling, met als achterliggend doel de duurzame ontwikkeling van de tuinbouw. Volgens de plantoelichting hebben de samenwerkende overheidspartijen vastgesteld dat de behoefte aan ruimte voor glastuinbouw kan worden gefaciliteerd door in een aantal daarvoor geschikte gebieden de glastuinbouw te intensiveren en in enkele andere gebieden te extensiveren. Daarnaast is een beperkt aantal nieuwe gebieden aangewezen, de zogenoemde reserveconcentratiegebieden. Deze gebieden zijn bedoeld als reservecapaciteit voor de situatie dat de intensiveringsgebieden niet aan de capaciteitsvraag naar geschikte gronden kunnen voldoen, zo staat in de plantoelichting. Het plangebied ziet voorts op delen van het grondgebied van twee gemeenten, zodat de in het plan voorziene herstructurering gemeentegrenzen overschrijdt. Verder blijkt uit paragraaf 3.4.3 van de Omgevingsvisie Gelderland dat provinciale staten beleid voeren op het gebied van glastuinbouw en zijn hierover algemene regels vastgesteld in de Omgevingsverordening Gelderland. De Afdeling stelt vast dat de besturen van de bij het inpassingsplan betrokken gemeenten deze herstructurering voorstaan. Dat het gelet daarop ook mogelijk was geweest dat de raden van de betrokken gemeenten bestemmingsplannen hadden vastgesteld met dezelfde bestemmingsregelingen als het inpassingsplan, zoals is betoogd, doet niet af aan het feit dat met de herstructurering ook provinciale belangen zijn gemoeid. De enkele omstandigheid dat op gemeentelijk niveau bestemmingsplannen hadden kunnen worden vastgesteld, betekent dan ook niet dat provinciale staten zich die belangen niet hebben mogen aantrekken. Overigens hebben provinciale staten erop gewezen dat in het inpassingsplan onder meer bepaalde wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden aan de colleges van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten zijn gelaten vanwege het detailniveau van de besluitvorming. Gelet op het voorgaande geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid ervoor hebben kunnen kiezen om met het oog op de provinciale belangen bij herstructurering van de glastuinbouw in de Bommelerwaard gebruik te maken van hun bevoegdheid een inpassingsplan vast te stellen. Het betoog faalt. De behoefte aan glastuinbouw en de aanwijzing van intensiveringsgebieden, reserveconcentratiegebieden en extensiveringsgebied
- [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 10], [appellante sub 22] en [appellant sub 2] betogen dat de keuze van de gebieden willekeurig is en dat ten onrechte een groot aantal reservelocaties is aangewezen. Volgens hen ontbreekt actueel onderzoek naar de behoefte aan intensiveringsgebied en zijn onvoldoende alternatieven in beschouwing genomen of afgewogen. Stichting Plattelandswaarden voert aan dat na de SOK geen afweging meer heeft plaatsgevonden over de aanwijzing en begrenzing van de verschillende categorieën gebieden. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren daarbij aan dat het gebied "De Grote Ingh" niet geschikt is als intensiveringsgebied. 6.
- Provinciale staten hebben de aanwijzing van de diverse gebieden in het inpassingsplan als volgt toegelicht. De provincie Gelderland, de gemeenten Zaltbommel en Maasdriel en het waterschap Rivierenland hebben in de "Intentieovereenkomst glastuinbouw en paddenstoelenteelt Bommelerwaard" van 12 juni 2008 gezamenlijk de intentie uitgesproken om de glastuinbouwsector en paddenstoelenteelt in de Bommelerwaard een duurzame toekomst te bieden en de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid te verbeteren. In de zogenoemde Matrixstudie van BügelHajema van 12 november 2008 (hierna: de Matrixstudie) is aan de hand van vooraf vastgestelde criteria beoordeeld in hoeverre de veertien gebieden geschikt waren voor een toekomstbestendige en duurzame ontwikkeling van het tuinbouwareaal. De criteria hadden betrekking op de aspecten landbouw, waterhuishouding, natuur, landschap, cultuurhistorie, de bestaande feitelijke en planologische situatie en milieuaspecten. Aan de hand van deze analyse is in de Matrixstudie onderscheid gemaakt in de drie gebiedstypen: intensiveringsgebieden, extensiveringsgebieden en reserveconcentratiegebieden, toen nog "magneetlocaties" genoemd. Uit de Matrixstudie bleek dat een aantal gebieden die in het Streekplan 2005 waren aangewezen als concentratiegebieden, vanwege de beperkte omvang onvoldoende herstructureringsmogelijkheden boden en daarmee ongeschikt waren voor een duurzame ontwikkeling van glastuinbouw en/of paddenstoelenteelt. Dit betreft de gebieden: Kievitsham Kerkdriel, Harenseweg Hedel, Brakel-West, Kerkwijk-Zuid en Nederhemert-Noord. Aanvullend op de Matrixstudie is ook de locatie aan de Hogeweg in Rossum afgevallen als intensiveringsgebied. Vervolgens is ten aanzien van de resterende intensiveringsgebieden gekeken naar de begrenzing. Het gaat hier concreet om de gebieden: Veilingweg Velddriel, Brakel-Oost, Poederoijen, Zuilichem, Nieuwaal, Gameren, Kerkwijk-Oost en De Grote Ingh. Redenen voor herbegrenzing waren onder meer het verbeteren van de landschappelijke inpassing, ongunstige verkaveling van percelen, te grote mate van functiemenging, de ligging langs de dijk of nabij een woongebied, waardoor voor het te herstructureren gebied een te beperkt oppervlak overbleef. Dit leidde ertoe dat in 2009 delen van intensiveringsgebieden alsnog als extensiveringsgebied zijn aangemerkt. De meest noordelijke hoek van De Grote Ingh is door de vorm en verkaveling iets gecompliceerder om ingevuld te worden. Het gebiedsproces is ook hier gericht op een optimale behartiging van de herstructureringsdoeleinden. Volgens provinciale staten is dit niet onmogelijk waar het gaat om glastuinbouw. Zij wijzen er in dat verband op dat zich ter plaatse reeds meerdere glastuinbouwbedrijven bevinden die gebruik kunnen maken van de in het inpassingsplan geboden mogelijkheden voor uitbreiding. Daarnaast is deze hoek geschikt voor het realiseren van paddenstoelenteelt en waterbassins. Anders dan voor glastuinbouw is voor paddenstoelenteelt geen grote kavelstructuur vereist, aldus provinciale staten. Voor de nieuwe gebiedsindeling is naast de Matrixstudie ook gebruik gemaakt van het rapport "Glastuinbouw en paddenstoelenteelt in de Bommelerwaard. Wat brengt de toekomst?" van CLM van maart 2009 (hierna: het CLM-rapport) naar de toekomstige ruimtebehoefte van glastuinbouw en paddenstoelenteelt in de Bommelerwaard. 6.
- De Land- en Tuinbouworganisatie Nederland Noord (hierna: LTO) heeft in 2014 de actuele ruimtebehoefte onderzocht en komt op basis van de op dat moment meest recente gegevens tot een behoefte van 15 hectare per jaar gedurende de planperiode van 10 jaar. Over de behoefte aan glastuinbouw is in het onderzoeksrapport van 23 juli 2014 van LTO geconcludeerd dat de behoefte aan ruimte voor de glastuinbouw ongeveer 15 hectare per jaar is, dus voor de planperiode van het inpassingsplan 150 hectare. Geconfronteerd met het beschikbare aanbod van 73 hectare in de intensiveringsgebieden is er volgens dit rapport dus sprake van een fors tekort. Als de fysieke ruimte in de magneetlocaties (65 hectare) wordt meegenomen is de behoefte nog steeds groter dan het aanbod. Er is dus sprake van een (klein) tekort aan beschikbare oppervlakte, zo staat in het rapport. Het is volgens het rapport verder niet realistisch om ervan uit te gaan dat alle ruimte wordt opgevuld omdat er altijd overcapaciteit zal moeten zijn om schuifruimte te bieden. In het rapport staat verder dat alleen op deze manier, in combinatie met het in stand blijven van de succesvolle verplaatsingsregeling, de verouderde kassen van de niet toekomstbestendige bedrijven zullen verdwijnen uit de gebieden waar deze minder passend worden geacht. 6.
- Provinciale staten hebben ter zitting toegelicht dat wat betreft het onderzoek naar de behoefte aan glastuinbouw primair is gekeken naar het CLM-rapport uit
- Op basis van dit rapport zijn provinciale staten ervan uitgegaan dat er in de planperiode van 10 jaar een behoefte van 100 hectare aan glastuinbouw bestaat. Vervolgens zijn de ontwikkelingen na 2009 in kaart gebracht, waarbij is gekeken naar gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) en naar het rapport van LTO van 23 juli
- Volgens LTO bedraagt de behoefte 150 hectare. Provinciale staten hebben hier tegenover gezet dat een behoefteraming van 150 hectare gezien de conclusies van het CBS aan de ruime kant is: het CBS wijst er namelijk op dat de groei van glastuinbouw zal afnemen. Op grond van al het voorgaande zijn provinciale staten tot de conclusie gekomen dat met 100 hectare kan worden voldaan aan de herstructureringsdoelstellingen die aan het plan ten grondslag liggen. In het deskundigenbericht is geconcludeerd dat de door provinciale staten verwachte groei niet als (zeer) onrealistisch kan worden ingeschat. [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 10] en [appellant sub 2] hebben niet aan de hand van een deskundigenrapport aannemelijk gemaakt dat de behoefte waarvan provinciale staten uitgaan onredelijk groot is. De Afdeling tekent hierbij voorts nog aan dat de mogelijkheden die het inpassingsplan biedt voor glastuinbouw en paddenstoelenteelt voor het overgrote deel niet bij recht worden geboden maar dat daarvoor wijzigingsbevoegdheden in het plan zijn opgenomen. Verder hebben provinciale staten in redelijkheid betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat - naar niet in geschil is - als gevolg van het inpassingsplan de uitbreidingsruimte voor glastuinbouw- en paddenstoelenteeltbedrijven in de Bommelerwaard ook met de nu geboden mogelijkheden afneemt ten opzichte van het voorheen geldende planologische regime. 6.
- Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten de met het inpassingsplan geboden uitbreidingsruimte voor glastuinbouw en paddenstoelenteelt niet in redelijkheid passend hebben kunnen achten. 6.
- Gelet op de toelichting van provinciale staten op de wijze waarop gebieden zijn aangewezen, onderschrijft de Afdeling niet de stelling dat deze aanwijzing willekeurig heeft plaatsgevonden. Uit de enkele omstandigheid dat de selectie van de gebieden mede is gebaseerd op de matrixstudie die eind 2008 is verschenen volgt niet dat provinciale staten deze studie niet bruikbaar hebben kunnen achten. Daarbij acht de Afdeling mede van belang dat de selectie heeft plaatsgevonden op basis van aspecten die in de loop der tijd niet snel aan grote verandering onderhevig zijn. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van de criteria op basis waarvan de diverse categorieën gebieden zijn aangewezen sprake is geweest van een relevante verandering van omstandigheden. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat een andere gebiedsindeling de voorkeur zou verdienen boven de gebiedsindeling waarin het inpassingsplan voorziet. Wat betreft het gebied De Grote Ingh hebben provinciale staten erop gewezen dat het gebied weliswaar minder geschikt is voor glastuinbouw vanwege de beperkt beschikbare ruimte, maar dat het gebied zich wel leent voor paddenstoelenteelt omdat daarvoor minder grote kavels zijn vereist. Voorts hebben provinciale staten naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat in het gebied reeds kassen aanwezig zijn en er interesse is voor vestiging van bedrijven in het gebied. Gelet op deze toelichting van provinciale staten geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat zij De Grote Ingh niet in redelijkheid hebben kunnen aanwijzen als intensiveringsgebied. Het betoog faalt. Financieel-economische uitvoerbaarheid plan
- [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 10], [appellant sub 2], [appellanten sub 9] en [appellante sub 14] betogen dat de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is onderzocht. Volgens hen is te weinig budget beschikbaar voor realisatie van de maximale mogelijkheden voor glastuinbouw en is geen onderzoek uitgevoerd naar de kosten van planschade. [appellant sub 1], [appellant sub 10] en [appellant sub 2] voeren in dit verband aan dat niet alle kosten van functiewijziging zijn verzekerd door een exploitatieplan. 7.
- Volgens provinciale staten ligt aan het inpassingsplan een businesscase ten grondslag, waarin de kosten en opbrengsten van de herstructurering zijn opgenomen, en is volgens de businesscase het saldo van de kosten en opbrengsten ongeveer € 5,4 miljoen negatief. In de businesscase is volgens provinciale staten rekening gehouden met het risico van planschade die mogelijk optreedt als gevolg van vaststelling van de wijzigingsplannen. Op basis van de businesscase hebben de provincie Gelderland, de gemeenten Zaltbommel en Maasdriel en waterschap Rivierenland afspraken gemaakt over de financiering van het daaruit blijkende financiële tekort op de herstructureringsopgave. Deze afspraken zijn neergelegd in het Uitvoeringsconvenant herstructurering glastuinbouw en paddenstoelenteelt Bommelerwaard van 11 februari 2015 (hierna: het uitvoeringsconvenant), aldus provinciale staten. 7.
- [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 10] en [appellant sub 2] hebben ter zitting toegelicht dat de businesscase uitgaat van de realisering van 100 hectare glastuinbouw, terwijl volgens hen van 150 hectare zou moeten worden uitgegaan. Daarbij is gewezen op de mogelijke invulling van het gebied Velddriel met glastuinbouw. Zoals hiervoor onder 6.3 is overwogen, gaan provinciale staten uit van een behoefte van 100 hectare. Provinciale staten hebben gesteld dat voor het geschikt maken van het gebied Velddriel voor glastuinbouw minder investeringen zijn vereist dan in de gebieden die zijn betrokken bij de businesscase. Dit komt omdat met name in die gebieden herstructurering moet plaatsvinden en de kosten van concentratie van glastuinbouw in die gebieden daardoor hoger zijn, aldus provinciale staten ter zitting. Als het gebied Velddriel wel bij de businesscase zou zijn betrokken, zou dit om die reden volgens provinciale staten waarschijnlijk juist een gunstig effect hebben gehad op het exploitatieresultaat van de businesscase. Gelet op deze toelichting van provinciale staten ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het exploitatieresultaat van het inpassingsplan in de businesscase te gunstig is voorgesteld doordat niet alle gebieden waarvoor het inpassingsplan voorziet in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van glastuinbouw daarbij zijn betrokken. Uit paragraaf 8.2 van de businesscase, waarin de kwantitatieve risico’s zijn beschreven, blijkt dat het aspect planschade daarbij is betrokken. Daarbij is geconcludeerd dat planschade zich naar verwachting niet (op grote schaal) zal voordoen. Artikel 11.2 van het uitvoeringsconvenant bevat voorts een regeling voor de verdeling van het in de businesscase berekende exploitatietekort over de provincie Gelderland en de gemeenten Zaltbommel en Maasdriel. Daarnaast bevat artikel 11.8 van het uitvoeringsconvenant een bepaling over de dekking van een eventueel hoger exploitatietekort. Niet aannemelijk is gemaakt dat de betrokken partijen hun verplichtingen niet zouden kunnen voldoen. [appellant sub 1], [appellant sub 10] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het verhaal van kosten van de grondexploitatie daarvoor noodzakelijk is. Gelet op het voorgaande geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat het inpassingsplan financieel-economisch niet uitvoerbaar is. Het betoog faalt. Ingetrokken beroepsgronden van [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 10] en [appellant sub 2]
- Ter zitting hebben [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 10] en [appellant sub 2] hun beroepsgrond over de wijzigingsbevoegdheden voor het vestigen en uitbreiden van bedrijven in intensiveringsgebieden en reserveconcentratiegebieden die onvoldoende concreet zouden zijn, ingetrokken. Het beroep van [appellant sub 1]
- [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1], ten westen van een glastuinbouwbedrijf, in een woning die is gebouwd als bedrijfswoning en die hij gebruikt als burgerwoning. Het perceel is gelegen in intensiveringsgebied.
- [appellant sub 1] betoogt dat onduidelijk is welk gebruik is toegelaten op zijn gronden, nu geen van de aanduidingen "glastuinbouw", "specifieke vorm van agrarisch - paddenstoelteelt" en "agrarisch bedrijf" aan die gronden is toegekend, terwijl het desbetreffende gebruik alleen op de daartoe aangeduide locaties is toegestaan. Daardoor is ook onduidelijk waarvoor de bedrijfswoning op die gronden kan worden gebruikt, zo voert [appellant sub 1] aan. Voorts is de opgenomen bestemming volgens hem niet uitvoerbaar omdat de woning niet als bedrijfswoning bij een glastuinbouwbedrijf of paddenstoelenteeltbedrijf kan worden gebruikt en het plan geen mogelijkheid tot functiewijziging naar een burgerwoning biedt, terwijl geen voornemens bestaan tot aankoop of onteigening van het perceel. 10.
- De gronden van [appellant sub 1] zijn bestemd als "Agrarisch-Tuinbouw" en aangeduid als "overige zone - intensiveringsgebied". Aan een gedeelte van de gronden is de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend. Ingevolge artikel 4.1 van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Tuinbouw" aangewezen gronden bestemd voor: a. uitoefening van een glastuinbouwbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw"; b. uitoefening van een paddenstoelenteeltbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - paddenstoelenteelt", met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "bedrijf" tevens agrogerelateerde bedrijvigheid is toegestaan; c. grondgebonden agrarisch bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "agrarisch bedrijf"; d. wonen in het kader van de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf danwel een glastuinbouwbedrijf dan wel een paddenstoelenteeltbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning"; (…); 10.
- Volgens het deskundigenbericht woont [appellant sub 1] sinds 29 juni 2005 aan de [locatie 1]. Op het perceel van ongeveer 5.800 m² staat hun vrijstaande woning, die in 2000 is gebouwd als bedrijfswoning. Aan de westzijde van de woning ligt de tuin en ten oosten en zuidoosten van de woning ligt een verhard terrein dat wordt gebruikt voor opslag en het stallen van voertuigen. De woning staat circa 70 meter van de Provincialeweg en is bereikbaar via een oprit, gelegen midden op het perceel. Aan beide zijden van de oprit bevinden zich ponyweiden. De container die aan de zuidoostzijde van de verharding staat, wordt gebruikt voor het stallen van de pony's in de winter. 10.
- De Afdeling stelt vast dat het inpassingsplan het gebruik van de gronden van [appellant sub 1] voor de uitoefening van een glastuinbouwbedrijf, een paddenstoelenteeltbedrijf en/of een grondgebonden agrarisch bedrijf niet mogelijk maakt, nu voor zijn gronden geen van de aanduidingen is opgenomen die één van deze vormen van gebruik mogelijk maken. Overigens gebruikt [appellant sub 1] zijn gronden ook niet als zodanig. Het inpassingsplan laat wel toe dat [appellant sub 1] zijn gronden gebruikt voor de binnen de bestemming "Agrarisch - Tuinbouw" toegestane gebruiksdoeleinden waarvoor geen specifieke aanduiding is vereist, zoals groenvoorzieningen. Daarnaast zijn de gronden van [appellant sub 1] die zijn aangeduid als "bedrijfswoning" mede bestemd voor het wonen in het kader van de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf dan wel een glastuinbouwbedrijf dan wel een paddenstoelenteeltbedrijf. De Afdeling volgt [appellant sub 1] niet in zijn betoog dat onduidelijk is waar de bedrijfswoning op zijn gronden voor mag worden gebruikt omdat aan zijn gronden niet ook aanduidingen voor deze bedrijvigheid zijn toegekend. Dat het inpassingsplan die bedrijvigheid niet mogelijk maakt op de gronden van [appellant sub 1], betekent niet dat het gebruik als bedrijfswoning op dit deel van zijn gronden niet mogelijk zou zijn. In de nabije omgeving van de gronden van [appellant sub 1] zijn dergelijke bedrijven immers wel toegestaan. Het inpassingsplan maakt gebruik van de woning van [appellant sub 1] als bedrijfswoning bij zo’n bedrijf mogelijk. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het inpassingsplan op dit punt rechtsonzeker zou zijn of voor het oordeel dat provinciale staten op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat het bestreden plandeel niet uitvoerbaar is omdat het gebruik als bedrijfswoning niet mogelijk is. Voorts heeft [appellant sub 1] het gebruik van zijn woning als burgerwoning aangevangen in strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan en dit gebruik valt niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het inpassingsplan. Tegen dit gebruik kan dan ook handhavend worden opgetreden en volgens provinciale staten zal hiertoe zo nodig worden overgegaan. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat, nu niet is voorzien in een regeling voor het gebruik van zijn woning als burgerwoning en geen voornemens bestaan tot aankoop of onteigening van zijn perceel, het inpassingsplan op dit punt niet uitvoerbaar is, faalt dit betoog dan ook.
- [appellant sub 1] voert aan dat in het plan ten onrechte geen afwijkingsbevoegdheid is opgenomen voor het gebruik van de voormalige bedrijfswoning als burgerwoning. Volgens hem kan uit paragraaf 3.2 van de plantoelichting worden afgeleid dat dit wel is beoogd. De in de plantoelichting omschreven criteria voor het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning zijn volgens [appellant sub 1] niet bindend nu ze niet zijn opgenomen in het plan zelf, en daarnaast zijn die criteria rechtsonzeker, aldus [appellant sub 1]. 11.
- Provinciale staten stellen dat zij ervoor hebben gekozen om bedrijfswoningen in intensiveringsgebieden en reserveconcentratiegebieden opnieuw te bestemmen tot bedrijfswoning. Onder voorwaarden kan de bestemming van de bedrijfswoning met een planherziening alsnog worden omgezet naar die van een voormalige bedrijfswoning. De Notitie criteria herbestemming bedrijfswoningen biedt hiervoor volgens provinciale staten een kader. Eén van de voorwaarden waaraan voldaan moet worden, is dat de achter en naast de bedrijfswoning gelegen gronden beschikbaar moeten komen voor de herstructurering van het intensiveringsgebied waarin de gronden gelegen zijn. Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat de meeste (voormalige) bedrijfswoningen op een ruime en vooral diepe kavel staan. Het gevolg van het toestaan van burgerbewoning in een (voormalige) bedrijfswoning mag niet zijn dat deze gronden blijvend ten behoeve van die burgerbewoning mogen worden gebruikt. Dit staat immers de herstructurering van het gebied in de weg. 11.
- In paragraaf 3.2 van de plantoelichting is uiteengezet hoe is omgegaan met (bedrijfs)woningen. In deze paragraaf staat onder meer dat in de intensiveringsgebieden en reserveconcentratiegebieden de primaire doelstelling de herstructurering van de tuinbouw is, zodat het beleid in deze gebieden terughoudender moet zijn als het gaat om het legaliseren van door burgers bewoonde bedrijfswoningen. Voorts staat in deze paragraaf onder meer het volgende: "In bepaalde gevallen is overigens gebleken dat de burgerbewoning van bedrijfswoningen in deze gebieden geen belemmering voor de herstructureringsdoelen oplevert. Voor die gevallen is beleid opgesteld om alsnog tot legalisering van de woonsituatie over te gaan, in die zin dat aan deze woningen de bestemming "voormalige agrarische bedrijfswoning" is gegeven. Die bestemming sluit aan bij de Wet plattelandswoningen. Die wet is erop gericht om te voorkomen dat een in planologische zin afgesplitste bedrijfswoning een belemmering gaat vormen voor het bedrijf waar de woning eerder deel van uitmaakte. Een dergelijke woning wordt in milieurechtelijke zin geacht deel uit te maken van het achterliggende bedrijf waartoe zij in het verleden behoorde. De hoofdlijnen van het legalisatiebeleid luiden als volgt:
- De legalisatie moet inpasbaar zijn binnen de herstructureringsdoelstellingen van een intensiveringsgebied, dan wel reserveconcentratiegebied. Dit betekent dat de legalisatie er niet toe mag leiden dat de tuinbouwontwikkeling onevenredig wordt belemmerd. Per afzonderlijk geval zal het Projectbureau Herstructurering Tuinbouw Bommelerwaard onderzoeken in hoeverre de omzetting van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een woonbestemming aan die eis voldoet. De opgestelde streefbeelden dienen daarbij als hulpmiddel.
- De achter en naast de huiskavel gelegen gronden moeten beschikbaar komen voor de herstructurering van het intensiveringsgebied of het reserveconcentratiegebied waarin de gronden zijn gelegen. De achtergrond van deze voorwaarde is als volgt. Diverse voormalige bedrijfswoningen staan op ruime en vooral diepe kavels. Het gevolg van legalisatie van de burgerbewoning mag niet zijn dat deze gronden blijvend ten behoeve van die burgerbewoning mogen worden gebruikt (bijvoorbeeld als (sier)tuin of paardenweide). Dit zou immers inhouden dat deze gronden nimmer ter beschikking komen van de herstructurering.
- De omzetting moet voldoen aan de eis van een goede ruimtelijke ordening, wat inhoudt dat een evenwichtige afweging wordt gemaakt over de in acht te nemen afstanden tussen de tuinbouwbedrijven, inclusief bijbehorende activiteiten en de her te bestemmen woningen. Uitsluitend in de gevallen waarbij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat nu en in de toekomst kan worden gegarandeerd (milieuzonering), komt de bestemming 'voormalige agrarische bedrijfswoning' in aanmerking. Met betrekking tot gebruik en maximaal toegestane bebouwing, dient de voormalige bedrijfswoning te voldoen aan de regels zoals opgenomen in de bestemming Wonen. Dit is nader uitgewerkt in de "Notitie criteria herbestemming bedrijfswoningen" (zie Bijlage 3 van de toelichting). Uit deze notitie volgt dat een minimale afstand van 10 meter moet worden aangehouden tussen een (voormalige) bedrijfswoning en een tuinbouwbedrijf. In de regels is dit vertaald door voor te schrijven dat de afstand van een (bedrijfs)woning tot de zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 14 meter mag bedragen. In deze afstand is rekening gehouden met een vergunningsvrije uitbreiding van de woning van 4 meter. Andersom is vastgelegd dat kassen niet op minder dan 14 meter van bestaande woningen mogen komen te liggen." 11.
- In het hiervoor weergegeven deel van de plantoelichting is uiteengezet onder welke omstandigheden aanleiding is gezien om de aanduiding "voormalige agrarische bedrijfswoning" toe te kennen. Met het toekennen van die aanduiding wordt het gebruik van voormalige agrarische bedrijfswoningen als burgerwoning bij recht mogelijk gemaakt. De Afdeling volgt [appellant sub 1] niet in zijn betoog dat hieruit moet worden afgeleid dat provinciale staten hebben beoogd om een afwijkingsbevoegdheid in het plan op te nemen voor het mogelijk maken van bewoning van voormalige bedrijfswoningen door burgers. [appellant sub 1] heeft niet betwist dat in zijn situatie niet wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder volgens provinciale staten de aanduiding "voormalige agrarische bedrijfswoning" kan worden toegekend. Provinciale staten hebben er niet voor gekozen om voor gevallen waarin in de toekomst alsnog aan deze voorwaarden wordt voldaan een afwijkingsbevoegdheid in het inpassingsplan op te nemen voor toekenning van deze aanduiding, maar om in voorkomende gevallen te bezien of hiervoor een planherziening kan worden vastgesteld. Daarmee hebben provinciale staten de beoordeling of in een voorkomend geval aanleiding bestaat voor toekenning van die aanduiding aan zich gehouden. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten daarvoor niet in redelijkheid hebben kunnen kiezen. Ten slotte overweegt de Afdeling dat het inpassingsplan bestaat uit de verbeelding en de planregels. Het in paragraaf 3.2 van de plantoelichting beschreven beleid voor toekenning van de aanduiding "voormalige agrarische bedrijfswoning" maakt daarvan geen deel uit. Het betoog dat de criteria uit dit beleid rechtsonzeker zijn, kan om die reden niet leiden tot de conclusie dat ook het inpassingsplan zelf rechtsonzeker is en leidt alleen al daarom niet tot vernietiging van het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan. Het betoog faalt.
- Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2]
- [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2] te Kerkdriel in een woning die is bestemd als bedrijfswoning en die wordt gebruikt als burgerwoning. Het perceel is gelegen in intensiveringsgebied.
- [appellant sub 2] betoogt dat onduidelijk is welk gebruik is toegelaten op zijn gronden, nu geen van de aanduidingen "glastuinbouw", "specifieke vorm van agrarisch-paddenstoelteelt" en "agrarisch bedrijf" aan zijn gronden is toegekend, terwijl het desbetreffende gebruik alleen op de daartoe aangeduide locaties is toegestaan. Daardoor is ook onduidelijk waarvoor de bedrijfswoning op zijn gronden kan worden gebruikt, zo voert [appellant sub 2] aan. Voorts is de opgenomen bestemming volgens hem niet uitvoerbaar omdat de woning niet als bedrijfswoning bij een glastuinbouwbedrijf of paddenstoelenteeltbedrijf kan worden gebruikt en het plan geen mogelijkheid tot functiewijziging naar een burgerwoning biedt, terwijl geen voornemens bestaan tot aankoop of onteigening van het perceel. [appellant sub 2] voert aan dat in het plan ten onrechte geen afwijkingsbevoegdheid is opgenomen voor het gebruik van de voormalige bedrijfswoning als burgerwoning. Volgens hem kan uit paragraaf 3.2 van de plantoelichting worden afgeleid dat dit wel is beoogd. De in de plantoelichting omschreven criteria voor het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning zijn volgens [appellant sub 2] niet bindend nu ze niet zijn opgenomen in het plan zelf, en daarnaast zijn die criteria rechtsonzeker, aldus [appellant sub 2]. 14.
- In het deskundigenbericht staat dat [appellant sub 2] sinds 2000 aan de [locatie 2] woont. Het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1993" stond het gebruik van de woning aan de [locatie 2] als burgerwoning niet toe. De gronden van [appellant sub 2] zijn bestemd als "Agrarisch-Tuinbouw" en aangeduid als "overige zone - intensiveringsgebied". Aan een gedeelte van de gronden is de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend. 14.
- De onder 14 weergegeven beroepsgronden zijn gelijkluidend aan de onder 10 en 11 weergegeven beroepsgronden van [appellant sub 1]. De Afdeling heeft onder 10.3 en 11.3 gemotiveerd dat deze beroepsgronden niet kunnen leiden tot vernietiging van het besluit, voor zover bestreden. De situatie van [appellant sub 2] is op de relevante punten niet anders dan de situatie van [appellant sub 1], zodat de onder 14 weergegeven beroepsgronden ook in het geval van [appellant sub 2] niet leiden tot vernietiging van het besluit, voor zover bestreden.
- Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 3]
- [appellant sub 3] woont aan de [locatie 3] te Poederoijen in een woning die is bestemd als bedrijfswoning en die hij gebruikt als burgerwoning. Daarnaast is [appellant sub 3] eigenaar van de woning aan de [locatie 4], die eveneens is bestemd als bedrijfswoning en in gebruik is als burgerwoning. Beide woningen staan nabij een glastuinbouwbedrijf dat voorheen in eigendom was van [appellant sub 3] en dat hij heeft verkocht aan [persoon]. [appellant sub 3] heeft de woningen te koop aangeboden aan [appellante sub 22], maar [appellante sub 22] is op dat aanbod niet ingegaan.
- [appellant sub 3] betoogt dat het inpassingsplan ten onrechte glastuinbouw mogelijk maakt op een strook grond die hij in het verleden heeft verkocht omdat glastuinbouw ter plaatse niet gewenst werd geacht en zowel publiekrechtelijk als privaatrechtelijk is vastgelegd dat ter plaatse geen glastuinbouw is toegestaan. 17.
- De Afdeling stelt vast dat deze beroepsgrond niet is aangevoerd binnen de beroepstermijn. Uit artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) volgt dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Daarom kan deze beroepsgrond thans niet aan de orde komen.
- [appellant sub 3] voert aan dat voor het opnemen van zijn perceel in het plangebied geen noodzaak bestaat. 18.
- Provinciale staten komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een inpassingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat zij een begrenzing kunnen vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In overweging 6.5 heeft de Afdeling reeds geoordeeld dat de ligging en begrenzing van intensiveringsgebieden in het inpassingsplan de rechterlijke toets kan doorstaan. Wat betreft het betoog van [appellant sub 3] dat geen noodzaak bestaat voor het opnemen van zijn gronden in het plangebied, is voorts van belang dat zijn gronden deel uitmaken van intensiveringsgebied en omringd worden door gronden die ook als intensiveringsgebied zijn aangemerkt. Het aangevoerde geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten met het oog op een goede ruimtelijke ordening niet in redelijkheid hebben kunnen besluiten de gronden van [appellant sub 3] in het inpassingsplan op te nemen. Het betoog faalt.
- [appellant sub 3] betoogt dat onduidelijk is welk gebruik is toegelaten op zijn gronden, nu geen van de aanduidingen "glastuinbouw", "specifieke vorm van agrarisch - paddenstoelenteelt" en "agrarisch bedrijf" aan zijn gronden is toegekend, terwijl het desbetreffende gebruik alleen op de daartoe aangeduide locaties is toegestaan. Daardoor is ook onduidelijk waarvoor de bedrijfswoning op zijn gronden kan worden gebruikt, zo voert [appellant sub 3] aan. Voorts is de opgenomen bestemming volgens hem niet uitvoerbaar omdat de woning niet als bedrijfswoning bij een glastuinbouwbedrijf of paddenstoelenteeltbedrijf kan worden gebruikt en het plan geen mogelijkheid tot functiewijziging naar een burgerwoning biedt, terwijl geen voornemens bestaan tot aankoop of onteigening van het perceel. [appellant sub 3] voert aan dat in het plan ten onrechte geen afwijkingsbevoegdheid is opgenomen voor het gebruik van de voormalige bedrijfswoning als burgerwoning. Volgens hem kan uit paragraaf 3.2 van de plantoelichting worden afgeleid dat dit wel is beoogd. De in de plantoelichting omschreven criteria voor het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning zijn volgens [appellant sub 3] niet bindend nu ze niet zijn opgenomen in het plan zelf, en daarnaast zijn die criteria rechtsonzeker, aldus [appellant sub 3]. 19.
- De gronden van [appellant sub 3] zijn bestemd als "Agrarisch-Tuinbouw" en aangeduid als "overige zone - intensiveringsgebied". Aan een gedeelte van de gronden is de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend. 19.
- De onder 19 weergegeven beroepsgronden zijn gelijkluidend aan de onder 10 en 11 weergegeven beroepsgronden van [appellant sub 1]. De Afdeling heeft onder 10.3 en 11.3 gemotiveerd dat deze beroepsgronden niet kunnen leiden tot vernietiging van het besluit, voor zover bestreden. De situatie van [appellant sub 3] is op de relevante punten niet anders dan de situatie van [appellant sub 1], zodat de onder 19 weergegeven beroepsgronden ook in het geval van [appellant sub 3] niet leiden tot vernietiging van het besluit, voor zover bestreden.
- [appellant sub 3] betoogt dat het plan ten onrechte de nieuwvestiging van een bedrijfswoning bij het bedrijf van [appellante sub 22] mogelijk maakt, terwijl bij dit bedrijf van oudsher reeds vier bedrijfswoningen behoren en volgens provinciale staten nieuwvestiging van bedrijfswoningen alleen maar mogelijk is als binnen het intensiveringsgebied een andere woning wordt verwijderd. 20.
- Provinciale staten stellen dat [appellante sub 22] niet tot overeenstemming is gekomen over aankoop van een bij het bedrijf gelegen bestaande woning. Volgens provinciale staten is geen sprake van strijd met het door [appellant sub 3] genoemde uitgangspunt van het inpassingsplan omdat het aantal woningen binnen het intensiveringsgebied niet toeneemt. [appellante sub 22] heeft voor het realiseren van de bedrijfswoning aan de Maarten van Rossumweg een andere bedrijfswoning, aan de [locatie 5] in het intensiveringsgebied Nieuwaal gesloopt, aldus provinciale staten. 20.
- Vast staat dat [appellant sub 3] en [appellante sub 22] hebben gesproken over verkoop van een woning van [appellant sub 3] die [appellante sub 22] zou kunnen gebruiken als bedrijfswoning bij het door hem aangekochte bedrijf, maar dat zij daarover geen overeenstemming hebben bereikt. Gelet daarop geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid ervan hebben kunnen uitgaan dat behoefte bestaat aan een mogelijkheid voor een bedrijfswoning aan de [locatie 6]. [appellant sub 3] heeft de stelling van provinciale staten dat ter compensatie van deze nieuwe bedrijfswoning een bedrijfswoning in intensiveringsgebied aan de [locatie 5] is gesloopt niet betwist. [appellant sub 3] heeft niet onderbouwd waarom provinciale staten op dit punt niettemin hebben gehandeld in strijd met het door hen gevoerde beleid. Het betoog faalt.
- [appellant sub 3] betoogt dat provinciale staten hadden moeten voorzien in een bebouwingsvrije strook tussen het bedrijf van [appellante sub 22] en de woningen aan de Maarten van Rossumweg, gezien het uitgangspunt van provinciale staten dat burgerwoningen niet te dicht op tuinbouwbedrijven mogen staan en nu de woning aan de [locatie 7] is bestemd als burgerwoning. 21.
- Provinciale staten achten een dergelijke bestemmingsregeling niet nodig. In dat verband wijzen zij er op dat op grond van artikel 4.2.2, onder a, van de planregels kassen en bijbehorende bedrijfsgebouwen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw". Uitbreiding van de kassen is toegestaan met ten hoogste 10% van het aanduidingsvlak, waarbij echter als randvoorwaarde geldt dat de afstand van de kassen en bijbehorende bedrijfsgebouwen tot een woning op het aangrenzende perceel na de uitbreiding minimaal 14 meter moet bedragen. Daarmee is planologisch reeds geborgd dat het tuinbouwbedrijf van [appellante sub 22] niet te dicht zal uitbreiden richting de (bedrijfs)woningen aan de Maarten van Rossumweg, aldus provinciale staten. Het opnemen van een strook grond tussen de woningen en het glastuinbouwbedrijf van [appellante sub 22], waarop niet gebouwd mag worden, is daarom volgens provinciale staten niet noodzakelijk. 21.
- Ten noorden van de woning van [appellant sub 3] aan de [locatie 3], op een afstand van ongeveer 50 meter tot zijn woning, liggen gronden met de bestemming "Agrarisch - Tuinbouw" en de aanduiding "glastuinbouw". Ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder a, van de planregels geldt voor het bouwen van gebouwen op gronden met de bestemming "Agrarisch - Tuinbouw" dat kassen en bijbehorende bedrijfsgebouwen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw", met dien verstande dat de oppervlakte van kassen en/of bedrijfsgebouwen eenmalig met ten hoogste 10% van het aanduidingsvlak mag worden vergroot direct aansluitend aan het aanduidingsvlak "glastuinbouw", waarbij de afstand tot een woning op het aangrenzende perceel na de uitbreiding minimaal 14 meter dient te bedragen. 21.
- Het aangevoerde geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat met de regeling in artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder a, van de planregels voldoende rekening is gehouden met het woon- en leefklimaat bij woningen ten zuiden van het bedrijf van [appellante sub 22]. Provinciale staten hebben daarom in redelijkheid kunnen afzien van de door [appellant sub 3] gewenste bebouwingsvrije strook.
- Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 4]
- [appellant sub 4] is eigenaar van het perceel aan de [locatie 8] te Gameren. Dit perceel ligt in intensiveringsgebied. Zijn beroep is erop gericht dat het bestaande gebruik van de woning op zijn perceel als burgerwoning als zodanig wordt bestemd.
- [appellant sub 4] betoogt dat hij door toedoen van provinciale staten geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om te worden gehoord over de zienswijze die hij naar voren heeft gebracht over het ontwerpplan. Hiertoe wijst hij erop dat in de commentaarnota van 3 februari 2015 staat dat de zienswijze gegrond is. 24.
- Uit het e-mailbericht van 22 januari 2015 dat is verstuurd door de griffie van de provincie aan [appellant sub 4] blijkt dat provinciale staten eerst op 25 februari 2015 een besluit zouden nemen over het plan, en dat de commissie landelijk gebied, cultuur en jeugdzorg daaraan voorafgaand het plan zou bespreken aan de hand van de commentaarnota van 3 februari
- Hiermee kon voor [appellant sub 4] duidelijk zijn dat het in de commentaarnota van 3 februari 2015 weergegeven standpunt nog kon wijzigen. Dat [appellant sub 4] desondanks heeft besloten geen gebruik te maken van de mogelijkheid om een inspraakreactie te geven, dient voor zijn rekening te blijven. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre onzorgvuldig is voorbereid. Het betoog faalt.
- Voorts betoogt [appellant sub 4] dat zijn woning ten onrechte niet als voormalige agrarische bedrijfswoning is bestemd. [appellant sub 4] voert in dit kader aan dat hij betwijfelt of de gronden die zijn woning omringen nodig zijn voor de herstructureringsdoeleinden van het plan. Hiertoe wijst hij erop dat geen van de eigenaren van de aangrenzende percelen te kennen heeft gegeven behoefte te hebben aan gebruikmaking van de gronden rondom de huiskavel van [appellant sub 4]. Dit hangt volgens hem samen met het feit dat herstructurering van het gebied al volledig heeft plaatsgevonden. Dat de om de huiskavel liggende gronden niet beschikbaar zijn gesteld voor herstructurering, konden provinciale staten daarom niet aan hem tegenwerpen, aldus [appellant sub 4]. 25.
- Volgens de verbeelding zijn aan het perceel van [appellant sub 4] de bestemming "Agrarisch - Tuinbouw" en de aanduiding "overige zone - intensiveringsgebied" toegekend. Ter plaatse van zijn woning is voorts de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Tuinbouw" aangewezen gronden bestemd voor wonen in het kader van de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf dan wel een glastuinbouwbedrijf dan wel een paddenstoelenteeltbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning". Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder d, sub 1, zijn de voor "Agrarisch - Tuinbouw" aangewezen gronden bestemd voor wonen, al dan niet in het kader van de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, dan wel een glastuinbouwbedrijf dan wel een paddenstoelenteeltbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalige agrarische bedrijfswoning". 25.
- Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat het gebruik van de woning als burgerwoning illegaal gebruik is. 25.
- Bestaand illegaal gebruik geeft in beginsel geen recht op het als zodanig bestemmen van dat gebruik. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat het gebruik van de woning van [appellant sub 4] als burgerwoning niet als zodanig kan worden bestemd. Hiertoe hebben zij erop gewezen dat de woning ligt in een intensiveringsgebied. Zoals hiervoor onder 11.2 is weergegeven, hebben provinciale staten als uitgangspunt genomen dat bedrijfswoningen in een dergelijk gebied uitsluitend voor gebruik als burgerwoning kunnen worden bestemd, als aan de voorwaarden is voldaan. Ter zitting is gebleken dat in het geval van [appellant sub 4] niet is voldaan aan de voorwaarde dat de achter en naast de huiskavel gelegen gronden beschikbaar moeten komen voor de herstructurering van het intensiveringsgebied waarin de gronden zijn gelegen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten gelet daarop niet in redelijkheid hebben kunnen besluiten de woning als bedrijfswoning te bestemmen. Hierbij betrekt de Afdeling dat de omstandigheid dat eigenaren van de omliggende percelen te kennen hebben gegeven geen interesse te hebben in gebruik van de gronden van [appellant sub 4], er niet aan afdoet dat die gronden in de toekomst kunnen worden gebruikt voor een klein glastuinbouwbedrijf, een paddenstoelenteeltbedrijf of waterberging. Het betoog faalt.
- Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 5]
- [appellant sub 5] woont aan de [locatie 9] te Kerkdriel. Dit perceel ligt in extensiveringsgebied. De woning op het perceel heeft [appellant sub 5] in gebruik als burgerwoning. Het beroep is erop gericht dat dit gebruik als zodanig wordt bestemd. -ontvankelijkheid
- In het algemeen geldt dat beroep in een procedure als de onderhavige alleen kan worden ingesteld door een belanghebbende die een zienswijze heeft ingediend. Uit artikel 6:13 van de Awb volgt dat hierop een uitzondering wordt gemaakt als een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen zienswijze heeft ingediend. 28.
- Het beroep is ingesteld door [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], terwijl alleen [appellant sub 5A] een zienswijze naar voren heeft gebracht. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het niet indienen van een zienswijze [appellante sub 5B] redelijkerwijs niet kan worden verweten. Gelet daarop is het beroep, voor zover ingesteld door [appellante sub 5B], niet-ontvankelijk. -inhoud
- [appellant sub 5] betoogt dat de woning op zijn perceel ten onrechte - in afwijking van het feitelijk gebruik - is bestemd als bedrijfswoning. Hiertoe voert hij aan dat zijn bestaande rechten worden aangetast en dat het plan in strijd is met overgangsrecht. Hij stelt in dit kader dat de woning al 30 jaar in gebruik is als burgerwoning. Bovendien was dat bij de gemeente bekend. [appellant sub 5] wijst er verder op dat nooit handhavend is opgetreden tegen het gebruik. Ter zitting heeft [appellant sub 5] erop gewezen dat het als zodanig bestemmen van het gebruik van de woning als burgerwoning niet meebrengt dat bedrijven in de omgeving worden belemmerd en dat dit evenmin leidt tot een toename van woningen in het gebied. Voor zover provinciale staten aan het besluit ten grondslag hebben gelegd dat de schuur op het perceel van [appellant sub 5] moet worden gesloopt, heeft [appellant sub 5] ter zitting aangevoerd dat deze eis onevenredig bezwarend is. 29.
- Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat het gebruik van de woning als burgerwoning illegaal gebruik betreft. Daarom is geen bestemming voor een burgerwoning aan het perceel toegekend. Wel voorziet het plan in een afwijkingsbevoegdheid, op grond waarvan het gebruik van de woning als burgerwoning als zodanig kan worden bestemd. 29.
- Volgens de verbeelding is aan het perceel van [appellant sub 5] de bestemming "Wonen" toegekend. Voorts is ter plaatse van de woning de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder e, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor wonen in het kader van de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf dan wel een glastuinbouwbedrijf dan wel een paddenstoelenteeltbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning". 29.
- Ter zitting is vast komen te staan dat voor het gebruik van de woning als burgerwoning geen omgevingsvergunning is verleend. Verder is niet gebleken dat [appellant sub 5] aanspraak kan maken op overgangsrechtelijke regelingen uit voorheen geldende plannen. Dit betekent dat het gebruik van de woning als burgerwoning illegaal gebruik betreft. 29.
- Bestaand illegaal gebruik geeft - ook als daartegen niet handhavend is opgetreden - in beginsel geen recht op het als zodanig bestemmen van dat gebruik. Provinciale staten hebben voor de beoordeling van de vraag of het gebruik van een bedrijfswoning als burgerwoning in extensiveringsgebied als zodanig kan worden bestemd aansluiting gezocht bij het beleid van de gemeenten Zaltbommel en Maasdriel. Dit beleid houdt in dat het gebruik van een woning als burgerwoning als zodanig wordt bestemd, als het aantal woningen op het perceel niet toeneemt, de omliggende bedrijven niet worden belemmerd en sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verder hebben provinciale staten beoordeeld of het als zodanig bestemmen van een burgerwoning in extensiveringsgebied strekt tot een goede ruimtelijke ordening aan de hand van de Notitie criteria herbestemming bedrijfswoningen. Deze notitie is weliswaar niet van toepassing op extensiveringsgebieden, maar de notitie bevat desalniettemin criteria die zich ook in deze situatie voor toepassing lenen, aldus provinciale staten. In deze notitie staat onder meer dat aan hun bestemming onttrokken bedrijfsgebouwen op de woonkavel dienen te worden gesloopt. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten deze eis niet in redelijkheid aan het besluit ten grondslag hebben kunnen leggen. Hiertoe overweegt de Afdeling dat provinciale staten in redelijkheid kunnen vragen dat een keuze wordt gemaakt voor ofwel bedrijfsmatig gebruik van het perceel, ofwel gebruik voor burgerbewoning, waarmee de bedrijfsbebouwing overbodig is geworden en dient te worden gesloopt ten behoeve van de openheid van het buitengebied. Voor [appellant sub 5] betekent dit dat de schuur met een oppervlakte van 300 m² die op zijn perceel staat, moet worden gesloopt. Ter zitting is vast komen te staan dat [appellant sub 5] daartoe niet bereid was. Gelet daarop ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten op dit punt niet in redelijkheid hebben kunnen komen tot de gekozen planregeling, waarbij het gebruik van de woning als burgerwoning niet bij recht, maar via de in artikel 3, lid 3.6.2, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid mogelijk is gemaakt. Het betoog faalt.
- [appellant sub 5] betoogt verder dat het plan op dit punt in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Hiertoe voert hij aan dat de woningen op de percelen Veersteeg 4, 8, 12 en 16 wel een woonbestemming hebben gekregen. Omdat op die percelen bijgebouwen met een aanzienlijke omvang staan, valt volgens hem niet in te zien waarom provinciale staten aan het besluit ten grondslag heeft gelegd dat zijn burgerwoning niet als zodanig kon worden bestemd, omdat de schuur op zijn perceel niet wordt gesloopt. 30.
- Ter zitting hebben provinciale staten toegelicht dat aan de desbetreffende woningen op grond van het voorheen geldende plan reeds de bestemming "Wonen" was toegekend. Dat geldt niet ten aanzien van het perceel van [appellant sub 5]. Gelet hierop ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een vergelijkbare situatie. Het betoog faalt.
- Voorts betoogt [appellant sub 5] dat de regeling die in het plan is opgenomen voor de functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning rechtsonzeker is. Hiertoe wijst hij erop dat kennelijk wordt aangesloten bij regionaal beleid op dit punt, maar de koppeling naar dit beleid is niet in het plan verzekerd. 31.
- De vraag of gebruik kan worden gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 3, lid 3.6.2, van de planregels is niet afhankelijk gemaakt van regionaal beleid, zodat een koppeling met dat beleid reeds daarom niet nodig was. Het betoog faalt.
- Voor zover [appellant sub 5] nog betoogt dat het gevoerde beleid tegenstrijdig is, omdat onduidelijk is of handhavend zal worden opgetreden, overweegt de Afdeling dat deze procedure gaat over het inpassingsplan. Handhavingskwesties kunnen in deze procedure niet aan de orde komen, zodat het betoog faalt.
- [appellant sub 5] heeft ten slotte zijn zienswijze herhaald. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Niet is gebleken dat de weerlegging van de zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog faalt. -conclusie
- Het beroep, voor zover ingesteld door [appellante sub 5B], is niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 6]
- [appellant sub 6] is eigenaar van het perceel [locatie 10] te Kerkwijk. Dit perceel ligt in extensiveringsgebied. Op het perceel staat een woning die [appellant sub 6] in gebruik heeft als burgerwoning. Zijn beroep is erop gericht dat dit gebruik als zodanig wordt bestemd.
- [appellant sub 6] betoogt dat onvoldoende is gemotiveerd waarom zijn woning niet als burgerwoning is bestemd. Voor zover de Notitie criteria herbestemming bedrijfswoningen is toegepast, voert [appellant sub 6] aan dat zijn situatie aan de criteria voldoet: zijn woning is namelijk gelegen in een extensiveringsgebied en belangen van omliggende bedrijven worden niet aangetast, daar deze op aanzienlijke afstand van de woning liggen. 36.
- Aan het perceel van [appellant sub 6] zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor wonen in het kader van de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf dan wel een glastuinbouwbedrijf dan wel een paddenstoelenteeltbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning". 36.
- Niet betwist is dat het gebruik van de woning van [appellant sub 6] als burgerwoning illegaal is. 36.
- Bestaand illegaal gebruik geeft in beginsel geen recht op het als zodanig bestemmen van dat gebruik. Voor een weergave van de wijze waarop provinciale staten zijn omgegaan met de vraag of een bedrijfswoning in extensiveringsgebied als burgerwoning kan worden bestemd, verwijst de Afdeling naar hetgeen hiervoor onder 29.4 is overwogen. In de Notitie criteria herbestemming bedrijfswoningen staat onder meer dat de omzetting moet voldoen aan de eis van een goede ruimtelijke ordening, wat inhoudt dat een evenwichtige afweging wordt gemaakt over de in acht te nemen afstanden tussen de glastuinbouwbedrijven en de her te bestemmen woningen. In concreto betekent dit dat een afstand van 14 meter moet worden aangehouden tussen de woning en een naastgelegen bedrijf. Die afstand is afgeleid van de richtafstand die geldt voor glastuinbouw in gemengd gebied op grond van de handreiking "Bedrijven en milieuzonering", te weten 10 m. Hierbij is een afstand van 4 meter opgeteld, in verband met de mogelijkheid om vergunningvrij een woning uit te breiden met 4 m. In het geval van [appellant sub 6] is niet voldaan aan dit criterium: de afstand van de woning tot het gebied dat is bestemd voor glastuinbouw is namelijk - zo is niet betwist - 8,7 m. Naar het oordeel van de Afdeling hebben provinciale staten zich gelet daarop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de belangen van de omliggende agrarische bedrijven worden geschaad met het als zodanig bestemmen van het bestaande gebruik van de woning als burgerwoning. De Afdeling ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid tot de gekozen planregeling hebben kunnen komen. Het betoog faalt.
- Voorts betoogt [appellant sub 6] dat het plan wat betreft de regeling voor zijn perceel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Hiertoe wijst hij erop dat een aantal andere voormalige bedrijfswoningen die als burgerwoningen in gebruik zijn wel als voormalige agrarische bedrijfswoning zijn bestemd. Hij ziet niet in waarom dat in zijn situatie niet mogelijk zou zijn. 37.
- Door provinciale staten is onweersproken gesteld dat de door [appellant sub 6] bedoelde woningen alle op meer dan 14 meter van bestaande kassen liggen. Gelet hierop ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van vergelijkbare situaties. Het betoog faalt.
- Het beroep van [appellant sub 6] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 7]
- [appellant sub 7] woont aan de [locatie 11] te Kerkwijk. Hij vreest dat op te korte afstand van zijn woning een glastuinbouwbedrijf zal worden opgericht. Volgens hem is namelijk onduidelijk of het plan bedrijfsuitbreiding buiten het vlak met de aanduiding "glastuinbouw" mogelijk maakt. [appellant sub 7] wijst erop dat in antwoord op zijn zienswijze is gesteld dat dit niet het geval is, terwijl in het antwoord op de zienswijze van de eigenaren van de desbetreffende gronden, de erven [appellant sub 8], staat dat 20% uitbreiding mogelijk is. 39.
- Provinciale staten stellen dat naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 7] is besloten dat het bedrijf op het achter de woning van [appellant sub 7] gelegen perceel aan de Paradijsweg/Walderweg ong. niet mag uitbreiden buiten het aanduidingsvlak, richting het perceel van [appellant sub 7]. Om dit te waarborgen is in de planregels opgenomen dat uitbreiding van kassen en bijbehorende bedrijfsgebouwen op dit perceel niet is toegestaan buiten het aanduidingsvlak, aldus provinciale staten. Volgens provinciale staten is in de reactie op de zienswijze van de eigenaren van het perceel aan de Paradijsweg/Walderweg ong. abusievelijk vermeld dat bij recht een uitbreiding van de kassen met maximaal 20% mogelijk is, waardoor voor het bedrijf geen sprake is van het bevriezen van de bestaande situatie. Dit is niet het geval. Het bedrijf aan de Paradijsweg/Walderweg ong. kan niet uitbreiden ten opzichte van het in het inpassingsplan opgenomen aanduidingsvlak, aldus provinciale staten. 39.
- De gronden waarop de kassen zijn voorzien, zijn bestemd als "Agrarisch". Aan een deel van die gronden is daarnaast de aanduiding "glastuinbouw" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2 van de planregels, geldt op gronden met de bestemming "Agrarisch" voor het bouwen van gebouwen dat kassen en bijbehorende bedrijfsgebouwen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw", met dien verstande dat:
- de totale oppervlakte van de kassen en bijbehorende bedrijfsgebouwen eenmalig met ten hoogste 20% van het aanduidingsvlak mag worden vergroot, direct aansluitend aan het aanduidingsvlak;
- de afstand tot een woning op een aangrenzend perceel na de uitbreiding meer bedraagt dan 14 m;
- voor het perceel aan de Paradijsweg/Walderweg (zonder huisnummer) in afwijking van het bepaalde in sub b onder 1, geldt dat uitbreiding van kassen en bijbehorende bedrijfsgebouwen niet is toegestaan buiten het aanduidingsvlak. 39.
- De Afdeling stelt vast dat de regeling in artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder 3, van de planregels waarborgt dat voor het op te richten glastuinbouwbedrijf ten noordoosten van de woning van [appellant sub 7] bij recht geen uitbreiding van kassen en bijbehorende bedrijfsgebouwen buiten het aanduidingsvlak "glastuinbouw" is toegestaan. Dit stemt overeen met de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 7]. Gezien de op de gronden van de erven de Jongh toegesneden reactie op de zienswijze van [appellant sub 7] en de in het plan voor deze gronden opgenomen uitzonderingsregeling is de Afdeling van oordeel dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat provinciale staten hebben besloten om een dergelijke uitbreiding niet toe te staan op de gronden van de erven [appellant sub 8]. Het plan voorziet ter plaatse niet in die uitbreidingsmogelijkheid. In reactie op de zienswijze van de erven [appellant sub 8] is kennelijk abusievelijk verwezen naar de algemene regeling die op gronden met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "glastuinbouw" 20% uitbreiding van kassen en bijbehorende bedrijfsgebouwen toelaat, direct aansluitend aan het aanduidingsvlak en is daarbij over het hoofd gezien dat zo’n uitbreiding in dit geval niet aan de orde is. Ter zitting heeft [appellant sub 7] bevestigd dat hij voor het overige geen bezwaren heeft tegen het inpassingsplan. Het betoog faalt.
- Het beroep van [appellant sub 7] is ongegrond. Het beroep van de erven [appellant sub 8]
- De erven [appellant sub 8] betogen dat het inpassingsplan voor hun gronden ten onrechte voorziet in een uitzondering op de hoofdregel dat op gronden met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "tuinbouw" de totale oppervlakte van de kassen en bijbehorende bedrijfsgebouwen eenmalig met ten hoogste 20% van het aanduidingsvlak mag worden vergroot. Zij voeren in dat verband aan dat in reactie op hun zienswijze is verklaard dat het inpassingsplan wel in die mogelijkheid voorziet, maar dat naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 7] de bestreden uitzondering in het inpassingsplan is opgenomen.
- Het beroepschrift van de erven [appellant sub 8] is gedagtekend op 10 december 2015, na de beroepstermijn, en de Afdeling heeft het de volgende dag ontvangen. Erven [appellant sub 8] hebben naar voren gebracht dat zij aanvankelijk geen beroep hebben ingesteld tegen het inpassingsplan omdat uit de reactie op hun zienswijze bleek dat aan die zienswijze tegemoet werd gekomen. Daarna bleek hen uit het deskundigenbericht dat de zienswijze van [appellant sub 7] had geleid tot het opnemen van de bestreden uitzonderingsregeling in het plan. Het deskundigenbericht is blijkens de verzendadministratie op 12 november 2015 door de Afdeling aan de erven [appellant sub 8] toegezonden. De erven [appellant sub 8] hebben derhalve meer dan twee weken nadat zij de beschikking hebben gekregen over het deskundigenbericht beroep ingesteld tegen het inpassingsplan. De Afdeling laat buiten beschouwing of de erven [appellant sub 8] vanwege de onjuiste reactie op hun zienswijze redelijkerwijs niet kan worden verweten niet binnen de beroepstermijn beroep te hebben ingesteld tegen het inpassingsplan. Zelfs indien daarvan wordt uitgegaan hadden zij, nadat ze van de bestreden uitzonderingsregeling op de hoogte waren geraakt, in beginsel twee weken de gelegenheid om daartegen alsnog beroep in te stellen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3176). Voor het oordeel dat erven [appellant sub 8] redelijkerwijs niet kan worden verweten niet binnen twee weken na 12 november 2015 beroep te hebben ingesteld, bestaat geen aanleiding. Dat zij tijd nodig hadden om onderling te overleggen of zij beroep wilden instellen, zoals ter zitting is aangevoerd, is hiertoe onvoldoende. Overigens is het niet zo dat de erven De Jong slechts gezamenlijk, en dus niet individueel, beroep hadden kunnen instellen. Gezien het vorenstaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de erven [appellant sub 8] in verzuim zijn geweest.
- Het beroep is niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellanten sub 9]
- [appellanten sub 9] wonen aan de [locatie 12] te Kerkdriel, welk perceel zij ook gebruiken voor de teelt van kiwibessen. Ten westen en ten noordwesten van dat perceel hebben zij twee percelen in eigendom die grotendeels zijn ingericht als grasland. Een deel van de gronden van [appellanten sub 9] ligt in extensiveringsgebied en heeft de bestemming "Agrarisch" en voor het overige liggen de gronden in intensiveringsgebied en is daaraan de bestemming "Agrarisch - Tuinbouw" toegekend.
- Ter zitting hebben [appellanten sub 9] het betoog dat de wijzigingsbevoegdheden voor bedrijfsuitbreiding onvoldoende zijn geobjectiveerd omdat bij vaststelling van het inpassingsplan nog beleidsregels moesten worden vastgesteld en dat onduidelijk was wanneer vaststelling van de wijzigingsplannen was voorzien, ingetrokken. Ook hebben zij het betoog ingetrokken dat onduidelijk is waar op hun gronden de grens tussen extensiveringsgebied en intensiveringsgebied ligt.
- [appellanten sub 9] betogen dat uitbreidingen van bedrijven met kassen voorheen bij recht waren toegestaan, terwijl het inpassingsplan alleen nog voorziet in wijzigingsbevoegdheden voor uitbreiding van kassen. Volgens [appellanten sub 9] bestaat hiervoor geen ruimtelijk relevante reden en is hiervoor alleen gekozen om op die manier kostenverhaal mogelijk te maken. 46.
- Provinciale staten stellen dat zij hebben gekozen voor een systeem met wijzigingsbevoegdheden, omdat dit systeem het mogelijk maakt om sturing uit te oefenen op de concrete invulling van de aangewezen gebieden. Voor een succesvol herstructureringsproces geldt immers als randvoorwaarde dat binnen intensiverings- en reserveconcentratiegebieden een optimale, logische en efficiënte verkaveling wordt bereikt, waarbij sprake is van zo groot mogelijke rechthoekige percelen voor de glastuinbouwbedrijven, aldus provinciale staten. De overblijvende gronden kunnen volgens hen vervolgens worden ingezet voor bedrijven die niet willen vergroten, dan wel met een kleiner ruimtebeslag toe kunnen, zoals paddenstoelenteeltbedrijven, of voor waterbassins. 46.
- Provinciale staten betwisten dat hun keuze voor een systeem met wijzigingsbevoegdheden voor bedrijfsuitbreidingen in plaats van het overnemen van de voorheen bij recht toegestane mogelijkheden is ingegeven door de wens dat bij vaststelling van wijzigingsplannen kostenverhaal kan plaatsvinden. De Afdeling ziet geen aanleiding eraan te twijfelen dat de keuze van provinciale staten, zoals zij hebben toegelicht, is ingegeven door het streven naar een optimale verkaveling voor glastuinbouwbedrijven en de wens om daartoe het college van gedeputeerde staten de mogelijkheid tot sturing te bieden bij de invulling van intensiveringsgebieden en reserveconcentratiegebieden. Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat achter de plansystematiek geen ruimtelijk relevante motieven ten grondslag liggen. Het betoog faalt.
- [appellanten sub 9] betogen dat het plan hen beperkt in hun bedrijfsmogelijkheden, als gevolg waarvan zij financieel worden benadeeld. Verder voeren zij aan dat kostenverhaal naar hun mening slechts mogelijk is bij een nieuwe bestemming ten behoeve van glastuinbouw. Omdat de gronden van [appellanten sub 9] reeds als glastuinbouwgebied zijn bestemd, ontbreekt voor die gronden de mogelijkheid tot kostenverhaal, aldus [appellanten sub 9]. 47.
- De Afdeling stelt voorop dat kostenverhaal in deze procedure niet aan de orde is, nu voor het inpassingsplan geen exploitatieplan is vastgesteld en geen anterieure overeenkomsten zijn afgesloten. De geboden bedrijfsmogelijkheden zijn in lijn met de algemene uitgangspunten die in het inpassingsplan zijn gehanteerd voor intensiveringsgebied en extensiveringsgebied. Niet is aannemelijk gemaakt dat [appellanten sub 9] concrete uitbreidingsplannen hebben waarmee provinciale staten bij vaststelling van het plan rekening hadden moeten houden. Hetgeen [appellanten sub 9] aanvoeren geeft geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten in dit geval niet in redelijkheid aan de door hen gehanteerde uitgangspunten voor uitbreidingsmogelijkheden in intensiveringsgebied en extensiveringsgebied hebben kunnen vasthouden. Voor zover [appellanten sub 9] menen in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in planschade als gevolg van het inpassingsplan, kunnen zij daartoe een verzoek doen. Het betoog faalt.
- [appellanten sub 9] betogen dat het inpassingsplan het ten onrechte niet mogelijk maakt om de bestaande bedrijfswoning als burgerwoning te gebruiken, waarbij die mogelijkheid eventueel zou kunnen worden gekoppeld aan beëindiging van hun bedrijf. [appellanten sub 9] voeren daarnaast aan dat het inpassingsplan op hun gronden ten onrechte geen tweede bedrijfswoning toelaat, terwijl dat op grond van het voorheen geldende plan wel mogelijk was. 48.
- Provinciale staten stellen dat zij ervoor hebben gekozen om bestaande bedrijfswoningen binnen extensiveringsgebieden als zodanig te bestemmen, en dus ook de bedrijfswoning van [appellanten sub 9]. Wel bevat het inpassingsplan een afwijkingsbevoegdheid voor het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning, waardoor het voor [appellanten sub 9] mogelijk is om de bedrijfswoning in de toekomst voor burgerbewoning te gebruiken, aldus provinciale staten. Met de voorwaarden die aan de afwijkingsbevoegdheid zijn verbonden, worden de belangen van omliggende agrarische bedrijven volgens provinciale staten beschermd. Het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Maasdriel 1993" maakte de bouw van een tweede bedrijfswoning volgens provinciale staten niet bij recht mogelijk, maar slechts indien dit om bedrijfseconomische redenen noodzakelijk moest worden geacht. Volgens provinciale staten biedt het inpassingsplan geen mogelijkheid voor een tweede bedrijfswoning omdat de technologische mogelijkheden het steeds beter mogelijk maken om een bedrijf op afstand in de gaten te houden. Bovendien bestaat het gevaar dat tweede bedrijfswoningen op den duur worden afgesplitst van het bedrijf en daardoor burgerwoningen worden, hetgeen provinciale staten gezien de kans op verrommeling en verdichting van het buitengebied niet gewenst achten. Gelet hierop en gezien het feit dat appellanten geen concrete plannen hebben voor het realiseren van een tweede bedrijfswoning, hebben provinciale staten ervan afgezien om een tweede bedrijfswoning op de gronden van [appellanten sub 9] mogelijk te maken. 48.
- Het inpassingsplan maakt het niet bij recht mogelijk om de bedrijfswoning van [appellanten sub 9] te gebruiken als burgerwoning. Daarvoor bevat artikel 3, lid 3.6.2, van de planregels een afwijkingsbevoegdheid, waaraan de volgende voorwaarden zijn verbonden: a. het aantal woningen op het desbetreffende perceel neemt niet toe; b. omliggende bedrijven worden niet belemmerd, en c. er moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 48.
- Niet in geschil is dat de woning van [appellanten sub 9] niet in gebruik is als burgerwoning, maar als bedrijfswoning. Het aangevoerde geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid ervoor hebben kunnen kiezen om dat gebruik bij recht toe te staan en niet het gebruik als burgerwoning. Voorts hebben provinciale staten in redelijkheid ervoor kunnen kiezen om het gebruik als burgerwoning niet bij recht mogelijk te maken zodra de bedrijvigheid van [appellanten sub 9] is beëindigd. In dat geval zou immers een nadere afweging omtrent de aanvaardbaarheid van een burgerwoning op die locatie op het moment van bedrijfsbeëindiging met het oog op het woon- en leefklimaat ter plaatse en de belangen van bedrijven in de omgeving niet mogelijk zijn. Provinciale staten hebben de desbetreffende voorwaarden in redelijkheid kunnen verbinden aan de afwijkingsbevoegdheid voor een burgerwoning. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van concrete plannen voor realisering van een tweede bedrijfswoning. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat tweede bedrijfswoningen in het algemeen niet nodig zijn, gelet op beschikbare technologische mogelijkheden om op afstand toezicht te houden op bedrijven. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten in het geval van [appellanten sub 9] niet in redelijkheid ervan hebben kunnen afzien om een uitzondering te maken op dit uitgangspunt. Het betoog faalt.
- Het beroep van [appellanten sub 9] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 10]
- [appellant sub 10] woont aan de [locatie 13] te Velddriel en voert ter plaatse een fruitteeltbedrijf dat hij wenst uit te breiden. De gronden van [appellant sub 10] liggen in reserveconcentratiegebied.
- [appellant sub 10] voert aan dat het plan ten onrechte voorziet in een aanzienlijke verkleining van het bouwvlak voor zijn perceel, terwijl hij concrete voornemens heeft tot uitbreiding van zijn bedrijf, die door het plan niet meer kunnen worden gerealiseerd. De uitbreiding van 10% van het bouwvlak die het plan mogelijk maakt, acht hij onvoldoende om de continuïteit van zijn bedrijf te verzekeren. Zijn belangen worden volgens hem onevenredig aangetast, nu onduidelijk is of de omgeving van zijn bedrijf wel voor glastuinbouw zal worden gebruikt. 51.
- Provinciale staten stellen dat het bouwvlak is beperkt ten opzichte van het vorige plan vanwege de ligging van het perceel van [appellant sub 10] in een reserveconcentratiegebied. Binnen de reserveconcentratiegebieden is met het oog op de toekomstige gewenste tuinbouw de bestemming "Agrarisch - Tuinbouw" opgenomen. Om op termijn de gronden te kunnen gebruiken voor een tuinbouwontwikkeling, is voor de agrarische bedrijven een aanduiding opgenomen die overeenkomt met de huidige bebouwing. Er is nog wel een uitbreiding van 10% mogelijk. Volgens provinciale staten is met de mogelijkheid voor uitbreiding van de bedrijfsgebouwen met 10% voldoende rekening gehouden met de belangen van [appellant sub 10]. Provinciale staten wijzen erop dat het Projectbureau herstructurering tuinbouw Bommelerwaard mede vanwege de plannen van [appellant sub 10] meerdere malen contact met hem heeft gehad. In dit contact is reeds in 2013 aangegeven dat nieuwbouw ter plaatse niet wenselijk is en dat de insteek is om te komen tot het verplaatsen van het bedrijf. Ook nadien is dat steeds aan [appellant sub 10] medegedeeld. Naar aanleiding van het op 29 november 2013 ingediende schetsplan/verzoek om vooroverleg heeft het projectbureau bovendien negatief advies uitgebracht. Tot een formele aanvraag is het nooit gekomen, aldus provinciale staten. 51.
- In het deskundigenbericht staat dat [appellant sub 10] zijn bestaande bedrijfsbebouwing aan de zuidzijde met ongeveer 2.500 m² wil uitbreiden volgens de bouwtekening van 20 september 2013 die hij daarvoor heeft laten opstellen. [appellant sub 10] heeft plannen om een nieuwe koelruimte te realiseren voor de langdurige opslag onder gecontroleerde omstandigheden van zijn fruit, en verbouw van de huidige gebouwen is niet rendabel. De koelruimte is voor zijn bedrijf van belang, gelet op de huidige fruitmarkt waar fruit onder gecontroleerde omstandigheden langdurig kan worden opgeslagen en daardoor verspreid over het jaar op de markt kan worden gebracht. [appellant sub 10] slaat zijn fruit nu bij derden op, maar het wordt steeds moeilijker om voor zijn fruit opslagruimte te vinden. In het deskundigenbericht staat dat [appellant sub 10] zijn initiatief niet verder heeft uitgewerkt nadat hem te kennen is gegeven dat het bouwplan niet kon worden vergund. 51.
- Provinciale staten erkennen dat de uitbreidingsmogelijkheden voor het bedrijf van [appellant sub 10] met het inpassingsplan worden beperkt ten opzichte van de mogelijkheden onder het voorheen geldende plan. Met het oog op de voorziene herstructurering van glastuinbouw en paddenstoelenteelt in de Bommelerwaard hebben zij er evenwel voor gekozen om voortzetting van andersoortige bedrijvigheid in reserveconcentratiegebieden wel mogelijk te maken, maar ten opzichte van de feitelijke situatie voor die bedrijvigheid slechts beperkte mogelijkheden tot uitbreiding te bieden. Het overnemen van de uitbreidingsruimte voor dergelijke bedrijvigheid die het voorheen geldende plan bood, zou de mogelijkheden voor de gewenste concentratie van glastuinbouw en paddenstoelenteelt bemoeilijken. De Afdeling acht dit uitgangspunt van provinciale staten niet onredelijk. In het aangevoerde ziet de Afdeling gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid meer gewicht hebben kunnen toekennen aan het bieden van ruime mogelijkheden voor de gewenste concentratie van glastuinbouw en paddenstoelenteelt dan aan het belang van [appellant sub 10] bij behoud van de uitbreidingsmogelijkheden die hij onder het voorheen geldende plan had. Het betoog faalt.
- [appellant sub 10] betoogt dat niet alle beperkingen in de reserveconcentratiegebieden in het inpassingsplan overeenstemmen met de tekst van de Structuurvisie en wijst er daarbij op dat functiewijziging naar woningbouw binnen de bestemming "Agrarisch - Tuinbouw" niet bij recht is toegestaan. 52.
- In de Structuurvisie herstructurering Glastuinbouw en Paddenstoelenteelt Bommelerwaard staat onder het kopje "Reserveconcentratiegebieden" dat bestemmingswijzigingen naar andere functies die een latere ontwikkeling naar glastuinbouwconcentratiegebied kunnen belemmeren, zijn uitgesloten. Volgens de structuurvisie gaat het dan in het bijzonder om onder meer de functiewijziging naar wonen. Provinciale staten stellen zich dan ook terecht op het standpunt dat een mogelijkheid voor functiewijziging naar wonen op de gronden van [appellant sub 10] niet in overeenstemming is met het beleid in deze structuurvisie. Het betoog faalt.
- [appellant sub 10] voert aan dat onvoldoende is gekeken naar alternatieve locaties die kunnen dienen als reserve-concentratiegebied en wijst er hierbij op dat zijn gronden vanwege hun ingesloten ligging tegen de rijksweg aan uitstekend geschikt zijn voor ontwikkeling van grondgebonden bedrijven. Juist dit gebied leent zich vanwege noodzakelijke afscherming ten opzichte van de rijksweg minder goed voor intensivering van glastuinbouw dan andere gebieden, aldus [appellant sub 10]. 53.
- Provinciale staten betwisten dat de gronden van [appellant sub 10] tegen de A2 liggen. Los daarvan is afscherming van glastuinbouw ten opzichte van de A2 volgens provinciale staten niet noodzakelijk. 53.
- Ter zitting heeft [appellant sub 10] erkend dat zijn gronden niet aan de rijksweg A2 liggen, maar tegen een provinciale weg. Dit betoog geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten de percelen niet in redelijkheid hebben kunnen aanduiden als reserveconcentratiegebied. Het betoog faalt.
- Het beroep van [appellant sub 10] is ongegrond. Het beroep van Stichting Plattelandswaarden
- Stichting Plattelandswaarden betoogt dat het inpassingsplan uitbreiding van glastuinbouw en champignonteelt mogelijk maakt op locaties waar dat landschappelijk ongewenst is. De uitbreidingsmogelijkheden leiden tot aantasting van de openheid in de Bommelerwaard en tot het verdwijnen van het zicht op - met name - de kernen Nieuwaal en Poederoijen. De in het inpassingsplan voorgeschreven landschappelijke inpassing kan deze effecten volgens haar slechts voor een klein deel maskeren. Ook leidt de uitbreiding van glastuinbouw tot aantasting van de cultuurhistorische en toeristische waarden van de dijken langs de Waal en de Maas, zo betoogt de Stichting Plattelandswaarden. 55.
- Provinciale staten stellen dat de herbegrenzing van glastuinbouwgebieden juist een beperking inhoudt van de voorheen geldende uitbreidingsmogelijkheden, die de kwaliteit van het landschap ten goede komt. In een beperkt aantal gevallen wordt wel glastuinbouw of champignonteelt mogelijk gemaakt waar dit eerst niet was toegestaan. In zijn algemeenheid heeft het streven naar verdere concentratie van glastuinbouw en paddenstoelenteelt ter plaatse van de bestaande concentraties en het ontmoedigen van voortzetting van die bedrijvigheid in gebieden met meer verspreid gelegen bedrijven tot gevolg dat de openheid van het landschap wordt bevorderd, behoudens ter plaatse van de bestaande concentraties, aldus provinciale staten. Zij wijzen erop dat gebieden zijn herbegrensd en dat een klein aantal extensiveringsgebieden nu (deels) intensiveringsgebied is geworden. Voor alle gebieden is volgens provinciale staten in het MER beoordeeld of sprake is van negatieve effecten op natuur-, cultuurhistorische- en landschapswaarden. Alleen het gebied Poederoijen scoorde negatief op het aspect cultuurhistorie, zo stellen provinciale staten. 55.
- In het deskundigenbericht staat het volgende over de effecten van het inpassingsplan op de openheid in de Bommelerwaard. Glastuinbouw in de Bommelerwaard is met name gerealiseerd op de oeverwallen of op de overgang van oeverwal naar het komgebied aan de noord- en zuidrand van de Bommelerwaard. In de huidige situatie is in deze gebieden behoorlijk veel bebouwing aanwezig. Daarentegen worden de komgronden in het centrale deel van de Bommelerwaard nog steeds gekenmerkt door een relatief grote openheid. Door de reeds aanwezige glastuinbouw rond de kern Nieuwaal is hier geen sprake meer van een open verbinding met de zuidelijk gelegen komgronden. Bij het aanwijzen van intensiveringsgebieden en extensiveringsgebieden wordt in het algemeen in de komgebieden gestreefd naar het reduceren van de hoeveelheid bebouwing en ruimtelijk verdichtende elementen die van oudsher niet in de kommen thuishoren en van ruimtelijke versnippering door bovenlokale infrastructuur. De intensiveringsgebieden Poederoijen en Brakel-Oost liggen deels in het komgebied. Verder staat in het MER vermeld dat in de toekomst het kassengebied in omvang kan groeien, hetgeen ten koste kan gaan van waardevolle landschapsstructuren. De uitbreiding is echter gekoppeld aan de nodige eisen voor de landschappelijke inpassing, waardoor de effecten beperkt blijven. Op basis van het voorgaande wordt in het MER geconcludeerd dat hoewel de hoeveelheid glastuinbouw aanzienlijk zal toenemen, de landschappelijke inpassing zal verbeteren waardoor het effect op de openheid beperkt is. Het totale effect wordt als neutraal beoordeeld. De conclusie in het deskundigenbericht luidt dat in de gebieden die zijn aangewezen als intensiveringsgebied en waar glastuinbouw geconcentreerd zal worden, de openheid van het landschap verder zal worden aangetast. De voorgeschreven landschappelijke inpassing zal de aantasting van de openheid niet teniet doen, maar daarmee wordt wel nieuwe glastuinbouw landschappelijk ingepast. 55.
- Niet in geschil is dat het inpassingsplan de voorheen geldende uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouw en paddenstoelenteelt beperkt. Wel voorziet het inpassingsplan in wijzigingsbevoegdheden waarvan de toepassing ten opzichte van de feitelijke situatie kan leiden tot verdere verdichting van het landschap in de intensiveringsgebieden en reserveconcentratiegebieden, maar per saldo is het effect van het inpassingsplan op het landschap in het MER als neutraal beoordeeld. Provinciale staten stellen de door Stichting Plattelandswaarden voorgestane verplaatsing van glastuinbouw richting de A2 niet in aanmerking te hebben genomen omdat het streven erop is gericht om zoveel mogelijk aan te sluiten bij bestaande concentraties glastuinbouw en paddenstoelenteelt en vanwege de aanzienlijk hogere kosten die een dergelijke verplaatsing met zich zou brengen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid hebben kunnen voorbijgaan aan de voorkeur van Stichting Plattelandswaarden voor verplaatsing van glastuinbouw richting de rijksweg A2 boven de concentratie van glastuinbouw en paddenstoelenteelt op de wijze zoals het plan daarin voorziet. Wat betreft de effecten van het plan op de dijken, stellen provinciale staten dat de dijken langs de Waal en de Maas primaire waterkeringen zijn en dat deze als zodanig zijn bestemd. Binnen zowel de gronden die aangewezen zijn als "Waterstaat - Waterkering" als de gronden die aangewezen zijn als "vrijwaringszone - dijk" mag niet worden gebouwd, tenzij ontheffing is verleend. De dijken zijn volgens provinciale staten voor het overige niet (cultuurhistorisch) beschermd. Stichting Plattelandswaarden heeft niet onderbouwd waarom dit standpunt onjuist zou zijn. Gelet op de toelichting van provinciale staten geeft het aangevoerde de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid hebben kunnen afzien van de door Stichting Plattelandswaarden gewenste verdergaande bescherming van de dijken. Gezien het voorgaande en gelet op het streven om in de komgebieden, waar de openheid van het landschap volgens het deskundigenbericht het meest kenmerkend aanwezig is, bebouwing te reduceren, ziet de Afdeling in het aangevoerde evenmin aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat bij vaststelling van het inpassingsplan voldoende rekening is gehouden met landschappelijke waarden. Het betoog faalt.
- Stichting Plattelandswaarden voert aan dat in extensiveringsgebieden glastuinbouw op termijn zou moeten verdwijnen, terwijl de overgangsregeling voor extensiveringsgebieden zodanig is, dat daar, ook op de langere termijn, nog glastuinbouw kan worden uitgeoefend. Dit staat volgens de Stichting Plattelandswaarden op gespannen voet met de SOK, waarin deze gebieden worden gedefinieerd als "gebieden met een glastuinbouwbestemming waar de glastuinbouwfunctie op termijn zal wijzigen in andere, nader te bepalen functies". 56.
- Provinciale staten stellen dat uitgangspunt van het inpassingsplan is dat de functie van de extensiveringsgebieden op termijn zal wijzigen in andere functies dan tuinbouw. Het inpassingsplan bevat volgens provinciale staten een aantal maatregelen om dat doel te bereiken. In dat verband wijzen zij erop dat nieuwvestiging in deze gebieden niet mogelijk is en dat de bestaande bedrijven bij recht slechts eenmalig de mogelijkheid krijgen om met 20% van het op de betreffende gronden gelegen aanduidingsvlak uit te breiden. De bestaande glastuinbouwbedrijven zullen om toekomstbestendig te blijven op korte termijn moeten uitzien naar uitbreidingsruimte en zullen daarom verplaatsen naar de beschikbare ruimte in de intensiveringsgebieden en reserveconcentratiegebieden, aldus provinciale staten. Voor een aantal bedrijven is volgens provinciale staten wel een grotere uitbreidingsmogelijkheid geboden, waarbij het gaat om solitaire toekomstbestendige glastuinbouwbedrijven die in het bijzonder werden getroffen door de herbegrenzing van de drie gebieden. Aan deze bedrijven is door middel van de maatwerkregeling extra uitbreidingsruimte geboden, aldus provinciale staten. 56.
- Provinciale staten hebben ervoor gekozen om bestaande, legale glastuinbouw- en paddenstoelenteeltbedrijven in extensiveringsgebieden niet onder het overgangsrecht te brengen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat onder het overgangsrecht brengen alleen is toegestaan als de betrokken bestemming binnen de planperiode van tien jaar zal verdwijnen, zo nodig door onteigening. Hoewel provinciale staten ernaar streven dat glastuinbouw- en paddenstoelenteeltbedrijven op termijn verplaatsen naar intensiveringsgebied en eventueel naar reserveconcentratiegebied, hebben zij naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid ervoor kunnen kiezen om niet actief te streven naar beëindiging van deze bedrijven op hun huidige locatie. Provinciale staten hebben dan ook in redelijkheid kunnen besluiten om deze bedrijven bij recht mogelijk te maken. Daarnaast hebben provinciale staten besloten om met het oog op reeds in extensiveringsgebieden gevestigde glastuinbouw- en paddenstoelenteeltbedrijven in beginsel 20% uitbreidingsruimte te bieden. Provinciale staten hebben de belangen van deze bedrijven terecht bij hun besluitvorming betrokken. Dat de geboden uitbreidingsruimte ertoe kan leiden dat bestaande bedrijven in extensiveringsgebied langer op hun bestaande locatie blijven dan wanneer in het geheel geen uitbreidingsruimte zou worden geboden is aannemelijk. Uit de SOK volgt echter niet dat aan bedrijven in extensiveringsgebieden in het geheel geen uitbreidingsruimte zou mogen worden geboden. Provinciale staten hebben de gekozen plansystematiek, waarbij in extensiveringsgebied minder en in intensiveringsgebied meer perspectieven worden geboden om ook op langere termijn glastuinbouw- en paddenstoelenteelt te kunnen uitoefenen in redelijkheid passend kunnen achten om bedrijven te stimuleren om zich op de langere termijn te vestigen in intensiveringsgebied en eventueel reserveconcentratiegebied. Het betoog faalt.
- Het beroep van Stichting Plattelandswaarden is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 12]
- [appellant sub 12] heeft beroep ingesteld op 22 juli 2015, buiten de beroepstermijn. Hij voert ter rechtvaardiging aan dat aan hem in strijd met artikel 3:44, eerste lid, van de Awb geen mededeling is gedaan van het bestreden besluit. 58.
- Provinciale staten stellen dat het inpassingsplan ter inzage heeft gelegen van 7 april tot en met 19 mei
- Volgens provinciale staten is aan T. de Leeuw, die namens appellanten een zienswijze heeft ingediend, mededeling gedaan van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan door toezending van het besluit. Zij verwijzen daarbij naar de e-mail met de daarbij behorende stukken, die op 3 april 2015 is verstuurd naar de indieners van een zienswijze tegen het ontwerpinpassingsplan. Volgens provinciale staten was [appellant sub 12] hierdoor op 3 april 2015 op de hoogte van het feit dat het inpassingsplan was vastgesteld, zodat hij binnen de beroepstermijn beroep had kunnen instellen tegen het besluit tot vaststelling van het Inpassingsplan. Het beroep van [appellant sub 12] dient om deze reden niet-ontvankelijk te worden verklaard, zo voeren provinciale staten aan. 58.
- Ingevolge artikel 3:43, eerste lid, van de Awb wordt tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het besluit mededeling gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Aan een adviseur als bedoeld in artikel 3:5 wordt in ieder geval mededeling gedaan indien van het advies wordt afgeweken. Ingevolge het tweede lid wordt bij de mededeling van een besluit tevens vermeld wanneer en hoe de bekendmaking ervan heeft plaatsgevonden. Ingevolge artikel 3:44, eerste lid, geschiedt, indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, de mededeling, bedoeld in artikel 3:43, eerste lid: a. met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3:11 en 3:12, eerste of tweede lid, en derde lid, onderdeel a, met dien verstande dat de stukken ter inzage liggen totdat de beroepstermijn is verstreken, en b. door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b: a. indien de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met een ieder van de daar bedoelde personen de strekking van het besluit mee te delen. 58.
- [appellant sub 12] heeft zich voor het naar voren brengen van zijn zienswijze laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, T. de Leeuw. Desgevraagd heeft [appellant sub 12] ter zitting bevestigd dat aan T. de Leeuw wel mededeling is gedaan van het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan en de mogelijkheid om daartegen beroep in te stellen. De Afdeling is van oordeel dat provinciale staten terecht ervan zijn uitgegaan dat artikel 3:44 van de Awb er niet toe noopt om ook aan [appellant sub 12] persoonlijk mededeling te doen van de vaststelling van het bestreden besluit, nu [appellant sub 12] zich heeft laten vertegenwoordigen. Dat [appellant sub 12] niet tijdig beroep heeft ingesteld omdat hij niet van de vaststelling van het inpassingsplan op de hoogte is geraakt, komt dan ook voor zijn risico.
- Het beroep is niet-ontvankelijk. Het beroep van [appellant sub 13]
- [appellant sub 13] is eigenaar van gronden in de Bommelerwaard, aan de [locatie 14] te Nieuwaal. Deze locatie ligt in intensiveringsgebied en ter plaatse wordt een glastuinbouwbedrijf gedreven.
- [appellant sub 13] betoogt dat het inpassingsplan in intensiveringsgebieden bij recht mogelijkheden tot uitbreiding van glastuinbouw zou moeten bieden en niet via de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 28, lid 28.2, van de planregels. In intensiveringsgebieden wordt immers juist concentratie van glastuinbouw beoogd, zo voert [appellant sub 13] aan. [appellant sub 13] betoogt verder dat wijzigingsbevoegdheden voor uitbreiding van glastuinbouw ten onrechte zijn gekoppeld aan kostenverhaal. Volgens hem wordt het verlenen van medewerking aan ontwikkelingen voorts afhankelijk gesteld van de bereidheid om anterieur te contracteren. Daarnaast is het [appellant sub 13] niet duidelijk hoe hij wordt gecompenseerd voor eventueel kostenverhaal bij een vast te stellen wijzigingsplan. 61.
- Provinciale staten stellen dat met het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid het college van gedeputeerde staten de mogelijkheid behoudt om sturing uit te oefenen op het behalen van de doelen van de samenwerkingsovereenkomst. Het college van gedeputeerde staten kan erop toezien dat door gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid wordt bijgedragen aan de herstructurering van de Bommelerwaard en het versterken van de leefbaarheid, de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit in het gebied. Daarbij speelt een efficiënte verkaveling een belangrijke rol. 61.
- Ingevolge artikel 28, lid 28.2, van de planregels zijn gedeputeerde staten onder de in die bepaling opgenomen voorwaarden bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het realiseren of uitbreiden van één of meer glastuinbouw- of paddenstoelenteeltbedrijven met bijbehorende bedrijfswoningen ter plaatse van de aanduiding "overige zone - intensiveringsgebied". 61.
- De Afdeling is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat provinciale staten concentratie van glastuinbouw in intensiveringsgebieden voorstaan niet zonder meer met zich brengt dat uitbreidingsmogelijkheden in die gebieden bij recht moeten worden toegekend. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid hebben kunnen voorzien in een wijzigingsbevoegdheid voor uitbreiding van glastuinbouw in intensiveringsgebieden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat provinciale staten in redelijkheid van belang hebben kunnen achten dat het college van gedeputeerde staten de mogelijkheid heeft om in concrete gevallen te bezien of, en zo ja, hoe een voorgenomen uitbreiding kan worden vorm gegeven. De bereidheid om anterieur te contracteren is voorts niet als wijzigingsvoorwaarde in het inpassingsplan opgenomen. Voor zover een op basis van de bestreden wijzigingsbevoegdheid vast te stellen wijzigingsplan zou voorzien in een aangewezen bouwplan waarvoor kostenverhaal moet plaatsvinden, is dat bij die gelegenheid aan de orde. Het betoog faalt.
- [appellant sub 13] betoogt voorts dat de wijzigingsbevoegdheid voor uitbreiding binnen de intensiveringsgebieden onvoldoende objectief is begrensd. Ter zitting is gebleken dat de bezwaren van [appellant sub 13] in dit verband zijn toegespitst op de voorwaarde dat het initiatief bijdraagt aan een logische en efficiënte verkaveling van het glasareaal. 62.
- Ingevolge artikel 28, lid 28.2.1, van de planregels zijn gedeputeerde staten bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het realiseren of uitbreiden van één of meer glastuinbouw- of paddenstoelenteeltbedrijven met bijbehorende bedrijfswoningen ter plaatse van de aanduiding "overige zone - intensiveringsgebied", mits de wijziging bijdraagt aan de herstructureringsopgave tuinbouw Bommelerwaard en onder de voorwaarde dat: (…) b. het belang van een logische en efficiënte verkaveling van het beschikbare areaal voor glastuinbouw en paddenstoelenteeltbedrijven in acht wordt genomen; (…). 62.
- Provinciale staten stellen dat deze voorwaarde is gesteld omdat bij glastuinbouwinitiatieven het risico bestaat dat niet per se de meest logische en efficiënte verkaveling van het glasareaal tot stand wordt gebracht, omdat een ondernemer optimaliseert op kavelniveau en niet op gebiedsniveau. Daardoor kunnen onbruikbare stukken grond en/of niet-rendabele kavels overblijven. 62.
- Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6 van de Wro berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd. Vast staat dat duidelijk is ten behoeve van welk gebruik de wijzigingsbevoegdheid kan worden toegepast. Gelet op het streven van provinciale staten om glastuinbouw en paddenstoelenteelt in de Bommelerwaard te herstructureren hebben zij voorts in redelijkheid belang kunnen hechten aan een zo geschikt mogelijke verkaveling voor deze bedrijvigheid. Zoals provinciale staten hebben toegelicht, brengt het belang van een logische en efficiënte verkaveling van het beschikbare areaal voor glastuinbouw en paddenstoelenteeltbedrijven met zich dat vaststelling van een wijzigingsplan zo min mogelijk tot gevolg heeft dat resterende stukken grond wat betreft vorm of omvang redelijkerwijs niet bruikbaar meer zijn voor glastuinbouw of paddenstoelenteelt. De Afdeling ziet niet dat dit criterium vanuit een oogpunt van rechtszekerheid onvoldoende duidelijk is om te gelden als voorwaarde voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid voor één of meer glastuinbouw- of paddenstoelenteeltbedrijven met bijbehorende bedrijfswoningen. Het betoog faalt.
- [appellant sub 13] voert aan dat aan zijn gronden de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1" en "Waarde - Archeologie 3" zijn toegekend. Het opnemen van die dubbelstemmingen acht hij in strijd met het karakter van het intensiveringsgebied, waar concentratie van glastuinbouw is beoogd. Hij wijst erop dat hij in zijn bedrijfsvoering kan worden belemmerd, omdat een bouwverbod van toepassing kan zijn, een nadere onderzoeksverplichting kan gelden en een omgevingsvergunningplicht geldt voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden. Dit kan voor het bedrijf leiden tot omzetverlies, winstderving en waardedaling van de percelen en opstallen, zo betoogt [appellant sub 13]. 63.
- Provinciale staten stellen dat de regeling ter bescherming van archeologische waarden is afgestemd op het gemeentelijke archeologiebeleid. Ten opzichte van dat beleid is voor de glastuinbouw volgens hen een versoepeling aangebracht met inachtneming van de doelstellingen van het archeologiebeleid. Vanwege de relatief lichte constructie van kassen, de doelstellingen van het inpassingsplan en het grote oppervlak van kassen is besloten voor kassen een afwijkende regeling op te nemen ten aanzien van archeologie. Door de relatief lichte constructie zal de bodemroering beperkt zijn. Niet de oppervlakte van de kas is maatgevend maar de daadwerkelijke bodemverstoring die noodzakelijk is voor de (aanleg van een) kas. Indien deze boven de gestelde vrijstellingsgrens uitkomt of meer is dan 10% van de aan te leggen kas, zal er archeologisch onderzoek verricht moeten worden. Er is geen onderzoeksverplichting bij de vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. Afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek kunnen voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning, zo stellen provinciale staten. 63.
- Ter bescherming van archeologische waarden zijn in het inpassingsplan archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. Aan een deel van de gronden van [appellant sub 13] is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" toegekend en aan een ander deel van zijn gronden de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3".
- Dat in intensiveringsgebieden concentratie van glastuinbouw is beoogd en dat een beschermingsregime voor archeologische waarden in dat gebied kan leiden tot onderzoekskosten of extra voorschriften aan te verlenen omgevingsvergunningen ter bescherming van archeologische waarden, acht de Afdeling ontoereikend voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid ervoor hebben kunnen kiezen om ook in intensiveringsgebied te voorzien in een beschermingsregime voor archeologische waarden. De gronden van [appellant sub 13] zijn voorts reeds grotendeels bebouwd en de planregels bij de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1" en "Waarde - Archeologie 3" voorzien in een uitzondering op de onderzoeksplicht voor de aanvrager van een omgevingsvergunning in het geval van vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing. Gelet op het voorgaande geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat met de belangen van [appellant sub 13] bij het opnemen van de bestreden dubbelbestemmingen op zijn gronden voldoende rekening is gehouden. Het betoog faalt.
- Het beroep van [appellant sub 13] is ongegrond. Het beroep van [appellante sub 14]
- [appellante sub 14] exploiteert een glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 15] te Brakel op gronden met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "glastuinbouw". Het perceel is gelegen in extensiveringsgebied.
- Ter zitting heeft [appellante sub 14] een aantal beroepsgronden ingetrokken. Het betreft onder meer het betoog dat in extensiveringsgebieden bij recht meer uitbreiding mogelijk wordt gemaakt dan in intensiveringsgebieden. Daarnaast gaat het om het betoog dat de gronden van [appellante sub 14] ten onrechte zijn aangemerkt als extensiveringsgebied. Verder heeft hij beroepsgronden ingetrokken over enkele wijzigingsbevoegdheden die niet van toepassing zijn op zijn gronden. Het gaat daarbij om een betoog over wijzigingsbevoegdheden voor toevoeging van een agrarische bedrijfswoning op gronden met de bestemming "Agrarisch" of "Agrarisch - Tuinbouw" die niet zijn aangeduid als "bedrijfswoning" en een betoog over wijzigingsbevoegdheden voor bedrijfsuitbreiding binnen intensiveringsgebieden en reserveconcentratiegebieden. Verder heeft [appellante sub 14] het betoog ingetrokken dat de regeling voor gronden met de aanduiding "vrijwaringszone - dijk" rechtsonzeker is.
- [appellant sub 14] voert aan dat met de toegestane uitbreiding van 20% een economisch rendabele uitoefening van zijn bedrijf onmogelijk is. Hij voert aan dat provinciale staten ofwel zijn bedrijf hadden moeten bestemmen zonder beperkingen, ofwel dat tot aankoop of onteigening van zijn gronden had moeten worden overgegaan. 68.
- Omdat de glastuinbouw in extensiveringsgebieden in beginsel wordt afgebouwd is er bewust voor gekozen om bedrijven in extensiveringsgebieden slechts beperkte uitbreidingsmogelijkheden te bieden, aldus provinciale staten. Bedrijven die nu in extensiveringsgebieden zijn gelegen en die met meer dan de geboden uitbreidingsmogelijkheden willen uitbreiden, kunnen volgens provinciale staten verplaatsen naar intensiveringsgebieden of uiteindelijk naar reserveconcentratiegebieden. Volgens provinciale staten is de bedrijvigheid van [appellante sub 14] als zodanig bestemd door toekenning van de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "glastuinbouw", waaronder is begrepen een uitbreiding met 24.500 m² die onherroepelijk is vergund. Daarnaast staat het plan toe dat de totale oppervlakte van de kassen en bijbehorende bedrijfsgebouwen eenmaal met ten hoogste 20% van het aanduidingsvlak wordt vergroot. 68.
- In het deskundigenbericht staat dat de huidige kassen aan de [locatie 15] in 2007 zijn gebouwd; [appellante sub 14] exploiteert sinds 2008 ter plaatse een orchideeënkwekerij. Op het perceel is ongeveer 3,78 hectare glasopstand aanwezig. Tevens is ter plaatse onder meer een waterreservoir en een kantoorgebouw aanwezig. De huidige aanwezige glasopstand betreft de eerste fase van het bedrijf en is volgens [appellante sub 14] zeker voor 20 gebruiksjaren gebouwd. Voor de tweede fase is reeds een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verleend voor een uitbreiding met 3 hectare glasopstand. Volgens [appellante sub 14] kan een orchideeënkwekerij een omvang hebben van 12 tot 13 hectare glasopstand. 68.
- Vast staat dat de orchideeënkwekerij van [appellante sub 14] reeds sinds 2008 wordt geëxploiteerd en dat de bestaande oppervlakte aan kassen 3,78 hectare bedraagt. Deze oppervlakte kan in ieder geval met de reeds vergunde 3 hectare worden uitgebreid. [appellante sub 14] heeft zijn stelling dat zijn bedrijfsvoering met 6,78 hectare niet rendabel kan worden geëxploiteerd niet aannemelijk gemaakt. Gelet daarop hebben provinciale staten zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voortzetting van de bestaande bedrijvigheid op de huidige locatie reëel is. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten onder de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat geen noodzaak bestaat tot uitkoop of onteigening. Het betoog faalt.
- [appellante sub 14] betoogt dat de wijzigingsbevoegdheid voor het verwijderen van de aanduiding "glastuinbouw" in artikel 28, lid 28.5.2, van de planregels rechtsonzeker is. Volgens [appellante sub 14] is niet duidelijk of de wijzigingsbevoegdheid al kan worden toegepast als hij zijn glastuinbouwactiviteiten beëindigt, maar de activiteiten door een andere partij worden voortgezet. In dat geval komt de wijzigingsbevoegdheid volgens [appellante sub 14] neer op een vorm van persoonsgebonden overgangsrecht en is de regeling te beperkend. Mocht dit niet bedoeld zijn, zodat bij voortzetting van de activiteiten door een ander bedrijf de wijzigingsbevoegdheid niet kan worden toegepast, dan lijkt toch niet uitgesloten dat direct na het staken van het gebruik van de gronden voor glastuinbouw gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid tot het verwijderen van de glastuinbouwfunctie. Hiervoor zou volgens [appellante sub 14] met het oog op rechtszekerheid in ieder geval een bepaalde termijn moeten worden gehanteerd, van bijvoorbeeld een jaar. Verder is volgens [appellante sub 14] onduidelijk wat in de wijzigingsbevoegdheid is bedoeld met "het glastuinbouwbedrijf" en "alle overtollige bedrijfsopstallen". 69.
- Ingevolge artikel 28, lid 28.5.2, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen en de aanduiding glastuinbouw te verwijderen mits het glastuinbouwbedrijf ter plaatse zijn glastuinbouwactiviteiten definitief heeft beëindigd en alle overtollige bedrijfsopstallen zijn gesloopt. 69.
- Provinciale staten stellen dat deze wijzigingsbevoegdheid regelt dat indien de glastuinbouwactiviteiten ter plaatse worden beëindigd en alle overtollige bedrijfsopstallen zijn gesloopt, het college van burgemeester en wethouders bevoegd is het plan te wijzigen en de aanduiding glastuinbouw te verwijderen. Het artikel ziet dus op de beëindiging van glastuinbouwactiviteiten ter plaatse. Als de ondernemer zijn glastuinbouwbedrijf ter plaatse verkoopt en een ander de activiteiten op die locatie voortzet is er dus geen sprake van beëindiging van glastuinbouwactiviteiten ter plaatse. De koper kan de bedrijfsactiviteiten op de locatie gewoon voortzetten. 69.
- De Afdeling stelt vast dat het begrip "het glastuinbouwbedrijf" niet nader is omschreven in de planregels. Voor de door [appellante sub 14] gevreesde uitleg dat daaronder in zijn geval alleen moet worden verstaan zijn glastuinbouwbedrijf, zodat de wijzigingsbevoegdheid ook kan worden toegepast bij voortzetting van de activiteiten ter plaatse door een ander glastuinbouwbedrijf, biedt het plan geen aanknopingspunten. Provinciale staten hebben naar het oordeel van de Afdeling terecht gesteld dat de enkele voortzetting van de bedrijvigheid ter plaatse van de gronden van [appellante sub 14] door een ander bedrijf niet inhoudt dat de voorwaarde uit de bestreden wijzigingsbevoegdheid dat het glastuinbouwbedrijf zijn glastuinbouwactiviteiten ter plaatse definitief heeft beëindigd, is vervuld. Bovendien moet voor het geven van toepassing aan de wijzigingsbevoegdheid zijn voldaan aan de voorwaarde dat alle overtollige bedrijfsopstallen zijn gesloopt. Het begrip "overtollige bedrijfsopstallen" is niet nader omschreven in de planregels. Volgens het Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal (hierna: Van Dale) is de betekenis van "overtollig": "boven het juist nodige aanwezig, het vereiste getal of aantal overtreffend". De betekenis van "opstal" is volgens Van Dale: "wat boven de grond gebouwd is". Gelet hierop moet onder "overtollige bedrijfsopstallen" worden verstaan: de bouwwerken bij het glastuinbouwbedrijf die niet meer nodig zijn vanwege de definitieve beëindiging van de glastuinbouwactiviteiten. Naar het oordeel van de Afdeling geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de bestreden wijzigingsbevoegdheid rechtsonzeker is. Nu van de wijzigingsbevoegdheid geen gebruik kan worden gemaakt als niet alle overtollige bedrijfsopstallen zijn gesloopt, is de Afdeling vo
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.