← Nederland

ECLI:NL:RVS:2016:1421

201406676/2/A3 Datum: 25 mei 2016 Staatsraad Advocaat-Generaal Mr. R.J.G.M. Widdershoven Conclusie inzake het hoger beroep van: [appellante], gevestigd te [plaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 juli 2014, in zaak nr. ROT 13/5451, in het geding tussen; [appellante], gevestigd te [plaats], en de burgemeester van Vlaardingen. Deze conclusie betreft het hoger beroep van [appellante] over de vestiging van een speelautomatenhal aan het Veerplein 132-134 te Vlaardingen. Het pand Veerplein 132-134 is de enige locatie in Vlaardingen waar een speelautomatenhal kan worden gevestigd. [appellante] en Hommerson, een concurrent, hebben allebei een exploitatievergunning aangevraagd voor de vestiging van een speelautomatenhal op deze locatie. De vergunning is verleend aan Hommerson, de aanvraag van [appellante] is geweigerd. [appellante] stelt - kort gezegd - dat zij in de besluitvormingsprocedure geen reële kans heeft gehad om mee te dingen naar de exploitatievergunning. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, mr. J.E.M. Polak, heeft mij bij brief van 28 januari 2016 verzocht een conclusie, als bedoeld in artikel 8:12a Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), te nemen over onder meer de vragen of er naar Nederlands recht een rechtsnorm bestaat die ertoe strekt dat bij de verdeling van schaarse vergunningen door het bestuur op enigerlei wijze aan potentiële gegadigden ruimte wordt geboden om naar de beschikbare vergunningen mee te dingen, op welke rechtsgrondslag die norm is gebaseerd en of er uitzonderingen op de norm zouden kunnen bestaan. In deze conclusie wordt betoogd dat de door de voorzitter bedoelde rechtsnorm inderdaad bestaat. Zij is gebaseerd op het formele gelijkheidsbeginsel, het beginsel van gelijke kansen. De rechtsnorm sluit in beginsel geen enkele verdelingsprocedure uit, ook niet de verdeling op volgorde van binnenkomst. Wel moet het bestuur ter realisering van het beginsel van gelijke kansen een ‘passende mate van openbaarheid’ garanderen met betrekking tot de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de verdelingsprocedure, het aanvraagtijdvak en de toe te passen criteria. Om als ‘passend’ te kwalificeren moet deze informatie tijdig wordt verstrekt (voor het begin van de aanvraagperiode), moet zij adequaat bekend worden gemaakt en moeten de verdeelregels duidelijk, precies en ondubbelzinnig zijn geformuleerd. De eis van passende openbaarheid wordt bij voorkeur gebaseerd op een contextueel te erkennen nationaal beginsel van transparantie. De verwezenlijking van de rechtsnorm kan worden beperkt door het formeel-wettelijk kader van de schaarse vergunning zelf of door dat van andere vergunningen die voor de realisering van de te vergunnen activiteit nodig zijn. Bovendien kunnen rechten van anderen een rechtvaardiging vormen voor beperking van de rechtsnorm. Ten slotte kan op de rechtsnorm uitzondering worden gemaakt in het geval van uniciteit. 1. Feiten en procesverloop 1.1 De Wet op de Kansspelen (Wok) eist dat de gemeenteraad, indien in een speelautomatenhal wordt voorzien, een verordening vaststelt waarin aan de burgemeester de bevoegdheid wordt gegeven vergunningen te verlenen voor het exploiteren van een speelautomatenhal en het aanwezig hebben van speelautomaten. 1.2 De gemeenteraad van Vlaardingen heeft zich lange tijd op het standpunt gesteld dat geen verordening op grond van de Wok wordt vastgesteld en dat speelautomaten slechts zijn toegestaan in horecabedrijven met een maximum van twee per bedrijf. 1.3 [appellante] heeft zich vanaf 1987 met enige regelmaat gewend tot het gemeentebestuur met het verzoek medewerking te verlenen aan de vestiging van een speelautomatenhal op verschillende locaties in Vlaardingen. Op 3 december 2004 verzocht [appellante] om medewerking te verlenen aan de vestiging van een speelautomatenhal in het pand Veerplein 134, dat na het vertrek van V&D in 2004 leegstond. Het college berichtte haar in februari 2005 dat de verordening geen mogelijkheid biedt voor de vestiging van een speelautomatenhal en dat het geen aanleiding ziet aan de gemeenteraad een voorstel te doen om de verordening te wijzigen. Vervolgens wendde [appellante] zich in februari 2005 met hetzelfde verzoek tot de raadscommissie en de gemeenteraad. In reactie hierop berichtte het college haar op 4 mei 2005 dat er meer tijd nodig is om het verzoek van [appellante] en andere verzoeken te bespreken. 1.4 Op 24 mei 2005 verscheen een persbericht van de gemeente Vlaardingen waarin staat dat het college op initiatief van ING Real Estate, de toenmalige eigenaar van het pand Veerplein 134, heeft besloten de vestiging van een bioscoop, casino en restaurant in dat pand te onderzoeken. 1.5 In juni 2005 informeerde [appellante] bij ING Real Estate naar de verhuurmogelijkheden van het pand Veerplein 134. ING Real Estate bericht haar bij brief van 9 juni 2005 dat zij vanaf 2004 gezamenlijk met een exploitant bezig is een invulling te geven aan het pand met een bioscoop en mogelijk een casino. "Van verhuur aan [appellante] of andere huurgegadigden in het amusementsegment is dan ook geen sprake". Bij brief van 10 november 2005 heeft [appellante] vervolgens aan het college meegedeeld een speelautomatenhal te willen ontwikkelen op het perceel Westhavekade 35/36. 1.6 Op 22 december 2005 heeft de raadscommissie in een openbare vergadering de Nota bioscoop met amusementshal besproken. Blijkens het verslag werd tijdens die vergadering alleen gesproken over het ontwikkelen van een amusementshal in het pand aan het Veerplein 134 en niet over de door [appellante] voorgestelde locatie Westhavenkade 35/36, die op ongeveer 500 meter van het Veerplein 134 ligt. 1.7 Begin 2006 heeft ING Real Estate een verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan ingediend als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor onder meer een bioscoop, een speelautomatenhal en horeca in het pand aan het Veerplein 134 en een aanvraag om een bouwvergunning. 1.8 In een brief aan [appellante] van 14 juni 2006 heeft het college geschreven dat het van mening is dat een amusementshal thuishoort in het centrum en deel dient uit te maken van een zogenoemd leisureconcept. 1.9 In juli 2007 sluiten het college en ING Real Estate B.V. de Studieovereenkomst project Leisureconcept Veerplein. Doel van de overeenkomst is dat ING de tijd krijgt om de nodige onderzoeken te doen voor de vestiging van een amusementscentrum met een bioscoop, amusementszaal en een eetgelegenheid aan het Veerplein 134. Dit resulteert in het Onderzoeksrapport Project Leisureconcept Veerplein van 13 november 2007. 1.10 Op 18 december 2008 heeft de gemeenteraad ingestemd met het voorstel van het college om de Verordening Speelautomaten Vlaardingen 2008 (hierna: de verordening of VSV 2008) vast te stellen. In de verordening is bepaald dat de burgemeester bevoegd is voor maximaal één speelautomatenhal een exploitatievergunning te verlenen, gevestigd in het gebied zoals aangegeven op de bij de verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart. Dat gebied omvat het Veerplein en één aansluitend blok bebouwing begrensd door de Waalstraat, de Kuiperstraat en het Liesveld. De Westerhavekade 35/36 valt buiten dit gebied. Verder is onder meer bepaald dat de ondernemer bij de aanvraag een verklaring dient te overleggen waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de ruimte te beschikken. De vergunning wordt onder meer geweigerd als het maximaal aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen is verleend, als de speelautomatenhal, waarop de aanvraag betrekking heeft, zal worden gevestigd buiten het op de gewaarmerkte kaart aangewezen gebied, en als de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd oplevert met het bestemmingsplan. De inwerkingtreding van de verordening is uitgesteld tot een nader te bepalen tijdstip. Op die wijze kan worden voorkomen dat aanvragen voor exploitatievergunningen worden ingediend, terwijl nog geen besluit is genomen over de planologische aanvaardbaarheid van een vestiging van een speelautomatenhal uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. 1.11 Tegelijk met het voorstel tot vaststelling van de verordening heeft het college aan de raad het voorstel gedaan in te stemmen met de realisatieovereenkomst voor een zogenoemd leisureconcept tussen de gemeente Vlaardingen en ING Real Estate B.V.. Het concept omvat een bioscoop met zes zalen, een casino en een restaurant. Volgens het voorstel hangen de verordening en de overeenkomst met elkaar samen, wat een gelijktijdige behandeling noodzakelijk maakt. De gemeenteraad heeft op 18 november 2008 met het voorstel en de overeenkomst ingestemd. 1.12 Op 13 juli 2009 wordt door Green Retail House B.V., de nieuwe eigenaar van het pand Veerplein 134, een bouwvergunning voor de verbouw van het pand Veerplein 134 tot onder meer bioscoop, amusementshal en fitnesscentrum ingediend. Hommerson dient op 27 januari 2010 een aanvraag voor een exploitatie- en aanwezigheidsvergunning in voor een speelautomatenhal in het pand Veerplein 134. 1.13 Bij besluit van 12 oktober 2010 stelt het college het projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening vast, ten behoeve van de vestiging van een leisurecentrum met bioscoop, amusementscentrum, fitnesscentrum en grandcafé door Green Retail House B.V.. Op 21 oktober 2010 wordt de bouwvergunning fase 1 voor het verbouwen van het winkelpand aan het Veerplein 134 (bioscoop, leisure en fitness) verleend aan Green Retail House B.V.. De bouwvergunning tweede fase wordt begin 2011 verleend. Tegen deze besluiten zijn geen rechtsmiddelen ingesteld, zodat ze in rechte onaantastbaar zijn geworden. 1.14 De verordening treedt op 23 maart 2011 in werking. 1.15 [appellante] heeft op 6 april 2011 een aanvraag voor een exploitatie- en aanwezigheidsvergunning voor een speelautomatenhal aan het Veerplein 134 ingediend. Bij brieven van 27 mei 2011 en 12 september 2011 heeft de burgemeester verzocht de aanvraag aan te vullen. 1.16 De gemeenteraad heeft op 29 september 2011 het bestemmingsplan Stadshart vastgesteld. Aan de gronden Veerplein 134 is de bestemming "Centrum" en de functieaanduiding ‘cultuur en ontspanning’ toegekend. Deze bestemming voorziet in een amusementscentrum met een oppervlakte van ten hoogste 900 m2. Tegen het bestemmingsplan zijn geen zienswijzen ingediend en is geen beroep ingesteld. 1.17 Hommerson heeft op 20 oktober 2011 een huurovereenkomst gesloten met Green Retail House B.V. voor een deel van het pand Veerplein 134. 1.18 De burgemeester heeft bij besluit van 21 december 2012 aan Hommerson een exploitatievergunning verleend voor de duur van vijf jaar en heeft bij besluit van dezelfde datum een aanwezigheidsvergunning voor 200 speelautomaten verleend met een geldigheidsduur tot 31 december 2012. Bij besluit van 16 januari 2013 is aan Hommerson een aanwezigheidsvergunning verleend tot 31 december 2013. De aanvragen van [appellante] zijn door de burgemeester bij besluit van 28 december 2012 geweigerd, omdat [appellante] niet de beschikking heeft over het pand, een eis die de verordening stelt, en omdat al vergunningen zijn verleend aan Hommerson. 1.19 [appellante] heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt en nadat het bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond was verklaard, beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 1 juli 2014 het beroep tegen de aanwezigheidsvergunningen niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. 1.20 [appellante] betoogt in hoger beroep onder meer dat de verordening waarop de vergunningen zijn gebaseerd onverbindend is. De verordening maakt de vestiging van een speelautomatenhal op slechts één locatie en ten behoeve van slechts één exploitant mogelijk. Het bij de verordening aangewezen gebied waarbinnen een vergunning kan worden verleend is weliswaar groter dan het perceel Veerplein 134, maar binnen het aangewezen gebied zijn geen andere panden aanwezig die geschikt zijn voor een speelautomatenhal met 200 automaten al dan niet als onderdeel van een leisureconcept, aldus de Vries. Voorts blijkt uit de tussen ING Real Estate B.V. en de gemeente gesloten overeenkomsten dat met de vaststelling van de verordening de vestiging van een speelautomatenhal werd beoogd op uitsluitend het perceel Veerplein 134. Het besluit de verordening pas in werking te laten treden nadat de planologische besluitvorming over Veerplein 134 is afgerond, bevestigt volgens [appellante] dat de verordening alleen is vastgesteld om de vestiging van een speelautomatenhal in het pand Veerplein 134 mogelijk te maken. [appellante] betoogt verder dat de in de verordening opgenomen voorwaarde dat de ondernemer bij de aanvraag voor een exploitatievergunning een verklaring dient te overleggen dat hij over de ruimte kan beschikken, onredelijk is, nu daardoor ondernemers die al over een ruimte beschikken worden bevoordeeld. Op dit punt is bij de vaststelling van de verordening onder meer gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. [appellante] uit verder bezwaren tegen de wijze waarop de vergunningen aan Hommerson zijn verleend. Andere potentiële gegadigden dan Hommerson hebben volgens [appellante] geen reële mogelijkheid gehad mee te dingen naar de vergunning. De verordening bevat voorts geen bepaling dat andere exploitanten na afloop van de periode waarvoor de vergunning is verleend alsnog kunnen meedingen naar het verkrijgen van een vergunning. [appellante] stelt dat de bevoegdheid te beslissen over de aanvraag materieel is overgedragen aan de eigenaar van het pand Veerplein 134. De eigenaar beslist met wie hij een huurovereenkomst aangaat en op basis van de verordening kan een vergunning alleen worden verleend aan degene die kan beschikken over het pand. [appellante] stelt dat niet voldaan is aan het vereiste van transparantie. Er is geen openheid gegeven over de exacte afspraken tussen ING Real Estate B.V. en de gemeente over de onlosmakelijke koppeling van het leisureconcept. De publicatie van de verordening is volgens [appellante] niet voldoende om aan de transparantieverplichting te voldoen, omdat op dat moment al duidelijk was dat de vergunning alleen kon worden verleend aan de huurder van ING Real Estate B.V.. 1.21 De zaak is op 16 maart 2015 ter zitting van de Afdeling behandeld door een meervoudige kamer waarin zitting hadden M. Vlasblom (voorzitter), J.W. van de Gronden (rapporteur) en G.T.J.M. Jurgens. [appellante] werd vertegenwoordigd door mr. S.J. Nauta, advocaat te Barendrecht, de burgemeester van Vlaardingen door mr. M.J. de Groot, advocaat te Rotterdam, en Hommerson door mr. J. Wassink, advocaat te Wychen. De zaak is vervolgens verwezen naar een grote kamer als bedoeld in artikel 8:10, vierde lid, van de Awb, waarin zitting hadden M. Vlasblom (voorzitter), J.W. van de Gronden (rapporteur), G.T.J.M. Jurgens, C.J. Borman en H. Bolt. De nadere behandeling van de zaak vond plaats op de zitting van 7 maart 2016. [appellante] werd vertegenwoordigd door mr. S.J. Nauta en mr. M.P.K. Grootenboer, beiden advocaat te Barendrecht, de burgemeester van Vlaardingen door mr. M.J. de Groot, advocaat te Rotterdam, en mr. drs. Eikelenboom, en Hommerson door mr. J.L. Vissers, advocaat te Kerkdriel, en mr. J. Wassink, advocaat te Wychen. Tijdens de zitting was ik in mijn hoedanigheid als Staatsraad Advocaat-Generaal aanwezig en heb ik aan partijen vragen kunnen stellen. 2. Het verzoek om een conclusie en de opbouw van de conclusie 2.1 Bij brief van 7 januari 2016 zijn partijen op de hoogte gesteld van het feit dat de zaak aanleiding heeft gegeven mij om een conclusie te vragen en zijn partijen in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op het concept verzoek. Nadat partijen hun reacties hebben gegeven heeft de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak mij bij brief van 28 januari 2016 verzocht om een conclusie, als bedoeld in artikel 8:12a van de Awb, te nemen, en heeft hij mij het gehele dossier, waarover de Afdeling beschikt inclusief de reacties van partijen op het verzoek om een conclusie te nemen, doen toekomen. Bij een brief van dezelfde datum zijn partijen op de hoogte gesteld van het definitieve verzoek. De aan mij gerichte brief is in kopie bij deze aan partijen gerichte brief gevoegd. Naderhand is een afschrift van het proces-verbaal van de zitting van 16 maart 2015 en de daarbij gevoegde pleitnota’s aan mij gezonden. 2.2 De aan mij gerichte brief bevat, behalve het verzoek om de conclusie te nemen, een beschrijving van de relevante feiten van de zaak en de relevante besluiten. Daarbij is vermeld dat beoordeeld moet worden of er een rechtsnorm is die voorschrijft dat het bestuur bij de verdeling van schaarse vergunningen ruimte schept voor enige vorm van reële mededinging. De inleiding tot het verzoek wordt hierna integraal weergegeven: "Uit de rechtspraak van de Afdeling (zie noot 1) kan worden afgeleid dat er een rechtsnorm is die eist dat bij de verdeling van een publiek recht waarvoor meer aanvragers dan rechten zijn een vorm van mededinging dan wel transparantie moet worden betracht. Ook rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven geeft blijk van het bestaan van zo’n rechtsnorm. (zie noot 2) Ten behoeve van de rechtsontwikkeling en met het oog op rechtseenheid wordt u verzocht conclusie te nemen over de gelding en de strekking van zo een rechtsnorm bij de verlening van vergunningen waarvan het aantal aan een maximum is gebonden. Een beperking van het aantal vergunningen voor de vestiging van speelautomatenhallen in een gemeentelijke verordening is niet in strijd met de Wet op de Kansspelen, ook niet als de beperking inhoudt dat geen enkele speelautomatenhal in een gemeente wordt toegelaten. Het verzoek ziet niet op de rechtvaardiging van het beperken van het aantal vergunningen tot in dit geval één. Het verzoek ziet evenmin op de vraag welke soort verdelingsprocedures zijn toegestaan en aan welke voorwaarden die moeten voldoen. Het verzoek ziet op de vraag of er naar nationaal recht een rechtsnorm is, ertoe strekkende dat bij de verlening van schaarse vergunningen door het bestuur op enigerlei wijze reële ruimte wordt geboden voor (potentiële) gegadigden om naar de beschikbare vergunning(

  1. en)mee te dingen. U wordt verzocht in de conclusie te onderzoeken of, ook als in de toepasselijke regelgeving geen regels zijn opgenomen over de wijze van verdeling, waaronder voorlichting en te voren bekende maatstaven, een rechtsnorm als hiervoor genoemd in acht moet worden genomen bij de verlening van de beschikbare vergunning. De Afdeling wenst in het bijzonder van u te vernemen of deze rechtsnorm een bepaalde mate van mededinging vereist waardoor ook derden een reële kans moeten hebben gehad naar de vergunning mee te dingen. Het gaat daarbij om de wijze waarop de vergunningverlener de potentiële gegadigden op de hoogte stelt van de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de te volgen procedure en hoe rekening dient te worden gehouden met de verschillende aanvragen. Verder is het van belang wanneer en hoe de informatie daarover aan de potentiële gegadigden moet worden verstrekt. De Afdeling vraagt u in uw conclusie te betrekken dat een verordening zo is vormgegeven dat uit overwegingen van algemeen belang, zoals openbare orde, en planologische overwegingen op voorhand slechts één locatie geschikt is. Daarbij verzoekt de Afdeling u rekening te houden met het feit dat de ruimtelijke besluitvorming, waarbij belanghebbenden de gelegenheid hebben gehad hun belangen aan de orde te stellen, reeds is afgerond en het feit dat het pand op die ene geschikte locatie eigendom is van een particuliere ondernemer, die beslist met welke onderneming hij een overeenkomst aan wil gaan voor de exploitatie van het pand, waardoor de keuze aan wie de vergunning wordt verleend, gelet op de voorwaarde aantoonbaar te kunnen beschikken over de ruimte, feitelijk niet aan het bestuursorgaan wordt gelaten. Indien u tot de conclusie komt dat in beginsel een bepaalde mate van mededinging bij de verdeling van een schaarse vergunning, zoals aan de orde in deze zaak, is vereist, vraagt de Afdeling u ook te onderzoeken of er uitzonderingen op deze verplichting zouden kunnen bestaan en zo ja, wanneer die aan de orde zijn. Daarnaast wordt u verzocht in de conclusie aandacht te besteden aan de vraag waarop de verplichting voor bestuursorganen om schaarse vergunningen in een vorm van mededinging te verdelen voor zover de wet daaromtrent geen nadere regels voorschrijft, berust. Daarbij wordt u gevraagd te bezien of aan het vereiste van transparantie naar nationaal recht de status van zelfstandig rechtsbeginsel toekomt of dat dit vereiste moet worden verondersteld onderdeel uit te maken van andere in het bestuursrecht reeds algemeen erkende beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel of het verbod op willekeur. Indien u daartoe aanleiding ziet, kunt u bij uw onderzoek het op het gelijkheidsbeginsel gebaseerde Unierechtelijke transparantiebeginsel betrekken. (zie noot 3)" De door mij genomen conclusie geeft voorlichting aan het college, maar bindt het college niet (art. 8:12a, achtste lid, Awb). 2.3 Het verzoek van de voorzitter bevat vragen met een algemene strekking en vragen die specifiek te maken hebben met de onderhavige zaak. Wat betreft de eerste groep is de kernvraag of er naar Nederlands recht een (ongeschreven) rechtsnorm bestaat, die ertoe strekt dat het bestuur, ook als in de toepasselijke regelgeving daarover geen regels zijn opgenomen, bij de verlening van schaarse vergunningen aan (potentiële) gegadigden op enigerlei wijze reële ruimte moet bieden om naar de beschikbare vergunning(
  2. en)mee te dingen. Deze vraag heeft uitdrukkelijk niet betrekking op de kwestie welke verdelingsprocedures mogelijk zijn en aan welke voorwaarden die moeten voldoen. Wel moet, in het geval een dergelijke rechtsnorm inderdaad bestaat, aandacht worden besteed aan diverse specifieke kwesties in verband met het bieden van reële mededingingskansen aan derden, meer in het bijzonder aan de wijze waarop potentiële gegadigden worden geïnformeerd over de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, over de te volgen procedure en over de wijze waarop met de verschillende aanvragen rekening zal worden gehouden, alsmede aan de vraag wanneer en hoe al deze informatie aan potentiële gegadigden wordt verstrekt. Deze specifieke kwesties betreffen aldus de informatieverplichting aan potentiële gegadigden. Bovendien verzoekt de voorzitter mij om onderzoek te doen naar mogelijke uitzonderingen op de vermelde rechtsnorm en aandacht te besteden aan de grondslag van de rechtsnorm. Daarbij worden twee opties genoemd, namelijk een zelfstandig rechtsbeginsel van transparantie of een transparantievereiste dat onderdeel uitmaakt van al algemeen erkende beginselen van behoorlijk bestuur (zorgvuldigheidsbeginsel, verbod van willekeur, gelijkheidsbeginsel). De zaaksspecifieke kwestie betreft de vraag hoe een eventuele bestuurlijke verplichting om bij de verdeling van schaarse vergunningen potentiële gegadigden reële mededingingsruimte te bieden, zich verhoudt tot de wijze waarop verlening van de exploitatievergunning in de VSV 2008 - die er op neerkomt dat op grond van overwegingen van algemeen belang (openbare orde) en planologische overwegingen "op voorhand slechts één locatie geschikt is" en de keuze aan wie de vergunning wordt verleend "feitelijk niet aan het bestuursorgaan wordt gelaten", maar aan de eigenaar van het pand is - is vormgegeven. Deze kwestie komt er in wezen op neer of de wijze waarop de verlening van de exploitatievergunning in de VSV 2008 is vormgegeven, de verplichting om reële mededingingsruimte te bieden op ontoelaatbare wijze beperkt. 2.4 In deze conclusie bespreek ik de vragen van de voorzitter in de volgorde die hiervoor is aangebracht. Eerst ga ik dus in op de algemene vragen over het bestaan van een ongeschreven Nederlandse rechtsnorm op grond waarvan aan potentiële gegadigden reële ruimte moet worden geboden om mee te dingen naar schaarse vergunningen, de op grond daarvan geldende verplichtingen met het oog op het informeren van potentiële gegadigden, de mogelijkheid van beperking van die rechtsnorm en de rechtsgrondslag ervan. Kwesties die niet gerelateerd zijn aan deze vragen, bijvoorbeeld de bij de verdeling geldende motiveringsplicht en de rechtsbescherming, blijven grotendeels buiten beschouwing. Deze vragen worden eerst, in paragraaf 3, onderzocht in het licht van het recht van de Europese Unie (hierna: Unie- of EU-recht). Dat ligt voor de hand, omdat het Unierecht aan de basis staat van het denken in termen van mededinging bij de verlening van schaarse vergunningen en Nederlandse bestuursorganen op grond van het Unierecht verplicht kunnen zijn om bij de verdeling van bepaalde schaarse publieke rechten aan potentiële gegadigden reële mededingingsruimte te bieden. In paragraaf 4 bespreek ik de vragen aan de hand van het Nederlands recht, waarbij de nadruk ligt op de rechtspraak. In paragraaf 5 ga ik in op de opvattingen in de literatuur. (zie noot 4) Op basis van de bevindingen in beide paragrafen worden in paragraaf 6 de algemene vragen van de voorzitter beantwoord. In paragraaf 7 wordt, mede aan de hand van de bevindingen in paragraaf 6, ingegaan op de zaaksspecifieke vragen van de voorzitter. 2.5 Voordat ik overstap op paragraaf 3, past in de eerste plaats een opmerking over het begrip ‘schaarse vergunningen’. Schaarse vergunningen zijn een species van het genus schaarse publieke rechten. Tot de groep van schaarse publieke rechten behoren behalve vergunningen, andere schaarse overheidstoestemmingen, zoals concessies, ontheffingen of vrijstellingen, schaarse verhandelbare publieke rechten, zoals emissierechten of quota, en schaarse subsidies of andere financiële aanspraken. (zie noot 5) Deze conclusie betreft schaarse vergunningen en andere schaarse overheidstoestemmingen, waarmee een verbod om een bepaalde handeling te verrichten opzij wordt gezet, meer in het bijzonder schaarse vrijstellingen en ontheffingen. Op onderdelen wordt ook aandacht besteed aan andere schaarse publieke rechten, vooral aan schaarse subsidies. Volgens een algemeen (en ook door mij) gehanteerde definitie is sprake van schaarse publieke rechten "als de som van de omvang van de aanvragen het aantal beschikbare publieke rechten overtreft". (zie noot 6) Deze definitie impliceert dat het aantal beschikbare publieke rechten beperkt is en dat voor wat betreft het aantal te verlenen rechten een maximum of plafond bestaat. Dat plafond kan voortvloeien uit de schaarste aan beschikbare natuurlijke hulpbronnen (fysieke schaarste) of aan bruikbare technische mogelijkheden (technische schaarste), maar kan ook om beleidsmatige redenen worden vastgesteld. Van dat laatste is bijvoorbeeld sprake bij de verlening van exploitatievergunningen voor speelautomatenhallen, die aan de orde is in de zaak waarin deze conclusie wordt genomen: in de VSV 2008 is het aantal te verlenen vergunningen gemaximeerd op één. Typisch voor een dergelijk beleidsmatig plafond is dat het vaststellen hiervan zelf ook kan worden beperkt door het recht, vooral door het Unierecht (zie punt 3.5), maar ook door het nationale recht. (zie noot 7) Deze kwestie gaat conceptueel vooraf aan de verdeling van de aldus gelimiteerde publieke rechten en aan de specifieke eisen die daaraan worden gesteld, maar kan hierop toch van invloed zijn omdat ter rechtvaardiging van die limitering soms bepaalde eisen aan die verdeling worden gesteld. 2.6 In de tweede plaats verdienen de verdelingsprocedures nadere aandacht. Zoals al aangegeven ziet het verzoek van de voorzitter niet op de vraag welke soort verdelingsprocedures van schaarse publieke rechten zijn toegestaan en aan welke voorwaarden die moeten voldoen. Deze beperking zal ik hierna zo veel mogelijk in acht nemen, met dien verstande dat ik er niet aan ontkom om bij de analyse en beantwoording van de vraag over de informatieverplichtingen onderscheid te maken tussen de diverse verdelingsprocedures en specifiek aandacht te besteden aan de verdeling op volgorde van binnenkomst (hierna ook wel aangeduid als ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’-procedure). Bovendien is het voor een goed begrip van de rechtspraak en literatuur noodzakelijk om aan te geven welke andere verdelingsprocedures, naast de verdeling op volgorde van binnenkomst, met betrekking tot schaarse publieke rechten worden toegepast. In de literatuur worden op basis van de toe te passen verdelingscriteria de volgende procedures onderscheiden: (zie noot 8) de veiling, waarbij wordt beslist op basis van het financiële bod, de loting (op basis van het lotnummer), de vergelijkende toets (op basis van een criterium niet zijnde het moment van binnenkomst, het financieel bod of lotnummer). Ten slotte is er de aanbesteding, waarvoor als criterium geldt de laagste prijs of de economisch meest gunstige inschrijving, die ook kan worden aangemerkt als een bijzondere vergelijkende toets. De term ‘vergelijkende toets’ behoeft enige toelichting. In ruime zin is elke verdelingsprocedure een vergelijkende toets, zij het dat het verdelingscriterium verschilt: bij verdeling op volgorde van binnenkomst is het criterium het moment van binnenkomst, bij de veiling het financiële bod et cetera. In deze conclusie wordt de term - in lijn met de literatuur en de rechtspraak van het CBB (zie noot 9) - in een meer beperkte, maar nog steeds ruime betekenis gehanteerd, namelijk ter aanduiding van procedures waarbij de verdeling niet plaatsvindt op basis van het moment van binnenkomst, het financieel bod of lotnummer, maar op grond van een inhoudelijke vergelijking. Synoniemen hiervoor zijn de kwalitatieve selectie, de tender of de beauty contest. De inhoudelijke criteria op basis waarvan de vergelijking plaatsvindt, zijn afhankelijk van de belangen die volgens de wettelijke voorschriften bij de verlening van het publieke recht in kwestie een rol kunnen of moeten spelen. Bij schaarse vergunningen blijken deze belangen vooral uit de weigeringsgronden voor de vergunning, bij schaarse subsidies zijn die belangen veelal positiever geformuleerd en kunnen zij betrekking hebben op beleidsmatige overwegingen, op overwegingen van kwaliteit et cetera. 3. Mededingingsruimte en schaarse vergunningen: het EU-perspectief Inleiding 3.1 Voor het denken van de verdeling van schaarse publieke rechten in termen van mededinging is het Unierecht van groot belang geweest. Het in dit verband relevante Unierecht betreft in de eerste plaats de Uniewetgeving, waarin sinds begin jaren negentig van de vorige eeuw in verband met de verdeling van schaarse publieke rechten op specifieke terreinen eisen worden gesteld, die ertoe strekken om reële mededinging voor gegadigden te waarborgen. In de tweede plaats - en voor deze conclusie belangrijker - heeft het Hof van Justitie de verplichting om bij de verdeling van schaarse publieke rechten daadwerkelijk mededinging te waarborgen verruimd naar schaarse publieke rechten, waarin deze verplichting niet door Unieregelgeving was voorgeschreven. Deze verplichting is gebaseerd op het primaire Unierecht, meer in het bijzonder op de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van dienstverlening van (thans) artikel 49 en 56 VWEU, en daarvan afgeleide beginselen zoals gelijke behandeling, non-discriminatie, evenredigheid en transparantie. In dit onderdeel wordt deze Unierechtelijke invloed - en vooral die door de rechtspraak van het Hof - nader geanalyseerd. Leidende vragen bij die analyse zijn: voor de verlening van welke schaarse publieke rechten geldt op grond van het Unierecht een verplichting om bij de verlening daadwerkelijke mededinging te waarborgen? Welke specifieke eisen worden daartoe aan de verdelingsprocedure gesteld? In hoeverre kan die verplichting worden beperkt? En, waarop wordt zij gebaseerd? Europese wetgeving 3.2 Over de Uniewetgeving, waarin een bij de verdeling van specifieke schaarse publieke rechten het bieden van reële mededingingskansen wordt voorgeschreven, ben ik relatief kort, omdat deze al vaak is beschreven en in principe bovendien een beperkte strekking heeft. Het meest belangrijk zijn de richtlijnen betreffende de aanbesteding van overheidsopdrachten voor werken, levering, diensten en inmiddels ook concessieovereenkomsten, (zie noot 10) die uitdrukkelijk beogen dat deze opdrachten "worden opengesteld voor mededinging", (zie noot 11) en daartoe specifieke openbaarheids- en andere procedure-eisen voorschrijven. Verder kunnen enkele richtlijnen worden genoemd, die voor de verdeling van schaarse publieke rechten op een specifiek terrein - zoals telecommunicatie en het terrein van de broeikasemissierechten - meer of minder specifiek geregelde competitieve verdelingsprocedures voorschrijven. (zie noot 12) Mogelijk interessant voor het vervolg is dat het op grond van artikel 32 van Richtlijn 2014/24/EU in heel bijzondere omstandigheden is toegestaan dat een overheidsopdracht wordt gegund volgens een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking. (zie noot 13) Kort gezegd kan dit, indien in de eerdere procedure geen geschikte inschrijving is ingediend, indien de werken, leveringen of diensten alleen kunnen worden verricht door een bepaalde ondernemer omdat de aanbesteding als doel heeft het vervaardigen van een uniek kunstwerk of het leveren van een artistieke prestatie of mededinging ontbreekt om technische redenen, of indien dwingende, onvoorzienbare spoed daartoe noopt. 3.3 Een richtlijn waarbij ik wat langer stilsta omdat zij relevant is voor veel besluiten in het bestuursrecht, is de Dienstenrichtlijn. (zie noot 14) Deze richtlijn stelt eisen aan dienstenvergunningen, dat zijn vergunningen voor de toelating tot en uitoefening van diensten. Op grond van artikel 9 is een vergunningstelsel - als beperking van de vrijheid van vestiging - hiervoor niet toegestaan, tenzij, kort gezegd, is voldaan aan het beginsel van non-discriminatie, het stelsel gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang en evenredig is. Is een vergunningstelsel binnen het kader van artikel 9 op zichzelf toegestaan, dan moeten op grond van artikel 10 van de richtlijn de criteria waaronder de vergunning kan worden verleend aan diverse criteria voldoen, ten einde "te beletten dat de bevoegde instanties hun beoordelingsvrijheid op willekeurige wijze uitoefenen" (lid 1). Deze criteria zijn (lid 2): niet discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar gemaakt; transparant en toegankelijk. Ook voor de procedure van vergunningverlening geldt op grond van artikel 13 van de richtlijn dat zij duidelijk moet zijn, vooraf kenbaar gemaakt moet worden en de aanvragers de garantie moet bieden dat hun aanvraag objectief en onpartijdig wordt behandeld. De richtlijn bevat bijzondere eisen voor de verlening van schaarse dienstenvergunningen, als die schaarste het gevolg is van schaarste van beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de bruikbare technische mogelijkheden. (zie noot 15) In beide gevallen moet het bestuur een selectie uit de gegadigden maken volgens een selectieprocedure die alle waarborgen biedt voor onpartijdigheid en transparantie, met inbegrip van met name een toereikende bekendmaking van de opening, uitvoering en sluiting van de procedure (art. 12, eerste lid). De vergunning moet voor een passende beperkte duur worden verleend en mag niet automatisch worden verlengd; bovendien mag niet enig ander voordeel worden toegekend aan de dienstverrichter wiens vergunning zojuist is verlopen (art. 12, tweede lid). Volgens het Handboek voor de implementatie van de Dienstenrichtlijn moet de selectieprocedure "open concurrentie waarborgen". (zie noot 16) De richtlijn schrijft geen specifieke selectieprocedure voor. Volgens Wolswinkel sluiten de eisen van transparantie en onpartijdigheid op zichzelf geen van in punt 2.6 genoemde verdelingsprocedures (loting, op volgorde van binnenkomst, vergelijkende toets of veiling) bij voorbaat uit, (zie noot 17) mits natuurlijk de opening, uitvoering en sluiting toereikend wordt bekendgemaakt. Volgens het Handboek moet de overheid daartoe in het bijzonder "alle relevante informatie over de procedure bekendmaken, met inbegrip van het onderwerp van het vergunningstelsel, de redenen waarom het aantal vergunningen wordt beperkt, eventuele termijnen en de criteria die zullen worden gehanteerd bij de selectie van gegadigden". (zie noot 18) De Dienstenrichtlijn bevat geen bijzondere bepalingen voor de verlening van schaarse vergunningen, als het aantal vergunningen om beleidsmatige redenen is gemaximeerd. Dat wil niet zeggen dat deze beperking niet is toegestaan en evenmin dat de Dienstenrichtlijn hiervoor irrelevant is. Voor dergelijke stelsels gelden de - hiervoor genoemde - algemene eisen en criteria van artikel 9 en 10. Bovendien bevat artikel 11, eerste lid, hiervoor een uitzondering op de algemene eis dat dienstvergunningen geen ‘beperkte geldigheidsduur’ mogen hebben. 3.4 Ten slotte kan melding worden gemaakt van de regels omtrent de verlening van Europese subsidies in het Financieel Reglement 2002. (zie noot 19) Deze zijn ook van toepassing op de verlening van Europese subsidies door een nationaal bestuursorgaan. Op grond van artikel 109, eerste lid, geschiedt de toekenning van subsidies met inachtneming van met name het transparantiebeginsel en beginsel van gelijke behandeling. Hoewel een verplichting om bij de verdeling van schaarse subsidies gegadigden reële mededingingskansen te bieden niet met zoveel woorden in het reglement is opgenomen, leidt het Gerecht van de EU - zoals onder punt 3.11 nader aan de orde komt - deze verplichting af uit het beginsel van gelijke behandeling en de daaraan gerelateerde transparantieverplichting. Rechtspraak 3.5 De belangrijkste rechtspraak van het Hof voor de vraag naar een op het EU-recht gebaseerde rechtsplicht om bij de verdeling van schaarse vergunningen reële mededinging te garanderen, heeft betrekking op nationale beperkingen van het aanbod van kansspelen door middel van concessies of vergunningen. Op grond van de discriminatieverboden voor permanente of tijdelijke dienstverlening van artikel 49 VWEU (vrijheid van vestiging), respectievelijk artikel 56 VWEU (vrij verkeer van diensten), mogen dergelijke stelsels niet discrimineren op grond van nationaliteit. Echter, ook wanneer deze stelsels zonder discriminatie op grond van nationaliteit van toepassing zijn, maar de uitoefening van de dienstverlening door burgers of bedrijven uit andere lidstaten kan verhinderen, belemmeren of minder aantrekkelijk maken, is sprake van een beperking van de genoemde vrijheden. (zie noot 20) Deze beperking kan evenwel worden gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, mits zij geschikt is om de verwezenlijking van het daarmee nagestreefde doel te waarborgen, niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken en evenredig is aan dat doel. Met behulp van de hiervoor genoemde criteria heeft het Hof in een groot aantal zaken beoordeeld of een nationaal concessie- of vergunningsstelsel voor kansspelen, waarin het aantal te verstrekken publieke rechten is beperkt, kan worden gerechtvaardigd. Een voorbeeld biedt de zaak Betfair, (zie noot 21) waarin het Hof oordeelde dat het Nederlandse stelsel op grond waarvan slechts één vergunning kon worden verleend per toegestaan kansspel, niet in strijd is met (thans) artikel 56 VWEU, omdat het stelsel kan worden gerechtvaardigd door de doelstellingen om consumentenbescherming te waarborgen en om criminaliteit en gokverslaving te bestrijden. (zie noot 22) Wel stelt het Hof in Betfair en in veel andere zaken eisen aan de inrichting en toepassing van zo’n stelsel, die ik in punt 3.7 bespreek. Behalve aan de rechtspraak van het Hof over artikel 49 en 56 VWEU besteed ik hierna ook kort aandacht aan zijn rechtspraak met betrekking tot de Dienstenrichtlijn en de verlening van Europese subsidies op grond van het Financieel Reglement. 3.6 Alvorens op de rechtspraak in te gaan, past eerst een opmerking over de reikwijdte ervan. De rechtspraak van het Hof over artikel 49 en 56 VWEU betreft de grensoverschrijdende vrijheid van vestiging en het grensoverschrijdend vrij verkeer van diensten en heeft in beginsel daarom niet betrekking op zogenoemde zuiver interne situaties, waarin alle elementen van de casus zich afspelen binnen één lidstaat. Van dit uitgangspunt wijkt het Hof af in een aantal situaties, onder meer als er aanwijzingen bestaan dat bepaalde grensoverschrijdende gevolgen van de betwiste nationale regeling niet kunnen worden uitgesloten. (zie noot 23) De rechtspraak van het Hof over deze uitzondering is bekritiseerd als nogal incoherent en onvoorspelbaar, en omdat het Hof het bestaan van de uitzondering te gemakkelijk zou aannemen. (zie noot 24) Deze onduidelijkheid werkt door in de reikwijdte van hoofdstuk III van de Dienstenrichtlijn. Omdat dit hoofdstuk de vrijheid van vestiging reguleert en dit concept in het primaire Unierecht grensoverschrijdend is, kan worden gesteld dat de eisen van dat hoofdstuk alleen van toepassing zijn op dienstenvergunningen in grensoverschrijdende situaties en niet in zuiver interne situaties, waarbij dan wel onduidelijk is wanneer een situatie ‘echt’ zuiver intern is of toch een beetje grensoverschrijdend. Van de andere kant wordt echter ook met kracht van argumenten verdedigd - bijvoorbeeld door Advocaat-Generaal Szpunar in de zaak Trijber & Harmsen - dat hoofdstuk III van de richtlijn zonder meer van toepassing is op zuiver interne situaties, omdat het de eisen van vergunningstelsels harmoniseert zonder dat onderscheid wordt gemaakt tussen interne en grensoverschrijdende situaties. (zie noot 25) De vraag naar de toepasselijkheid van hoofdstuk III van de richtlijn in zuiver interne situaties is door de Afdeling verwezen in de zaak Trijber & Harmsen, maar is in die zaak door het Hof omzeild. (zie noot 26) Kennelijk zit men in Luxemburg nog niet op één lijn. Begin 2016 heeft de Afdeling de kwestie opnieuw verwezen in de zaak Visser Vastgoed Beleggingen. (zie noot 27) Het heeft weinig zin om te speculeren over de afloop van deze zaak. De enige conclusies (met een hoog ‘open-deurgehalte’) die ik voor het vervolg trek, is dat lidstaten veiligheidshalve beter niet kunnen uitgaan van een te enge reikwijdte van een op artikel 49 of 56 VWEU gebaseerde verplichting om bij de verdeling van schaarse publieke rechten reële mededinging te garanderen, en dat bovendien niet moet worden uitgesloten dat het Hof hoofdstuk III van de Dienstenrichtlijn van toepassing zal verklaren op zuiver interne dienstenvergunningen. 3.7 Het Hof stelt, als gezegd, eisen aan de toepassing van een stelsel van schaarse publieke rechten in het licht van artikel 49 en/of 56 VWEU. Deze eisen worden gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel, het transparantiebeginsel of -vereiste en soms ook op het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van objectiviteit of onpartijdigheid, beginselen die de lidstaten bij de beperking van de genoemde verkeersvrijheden in acht moeten nemen. De eisen zijn ontleend aan de rechtspraak van het Hof op het - door middel van richtlijnen gereguleerde (zie punt 3.2) - terrein van de aanbesteding van overheidsopdrachten. Vervolgens zijn de eisen en beginselen door het Hof toegepast buiten dat terrein, (zie noot 28) eerst op dienstenconcessies, daarna op de van de richtlijnen uitgezonderde opdrachten, zoals de zogenoemde IIB-diensten en opdrachten onder de drempelwaarde, en inmiddels - in de al genoemde zaak Betfair - op een exclusief of éénvergunningstelsel. (zie noot 29) Mede gelet op de zaak Garkalns, waarin het Hof de eisen en beginselen zelfs van toepassing acht op de verlening van diverse niet-schaarse kansspelvergunningen, (zie noot 30) mag worden aangenomen dat zij ook gelden voor schaarse vergunningsstelsels waarvan het plafond hoger is dan één. De betreffende eisen, en de rechtsgrondslag ervan, worden door het Hof in 2012, in de context van de verlening van schaarse kansspelconcessies, als volgt samengevat in de zaak Costa & Cifone. (zie noot 31) "Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de overheidsinstanties die concessies verlenen met betrekking tot kansspelen de fundamentele regels van de Verdragen in acht dienen te nemen, in het bijzonder [de artikelen 49 en 56 VWEU], het beginsel van gelijke behandeling en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, alsmede de transparantieverplichting. Zonder noodzakelijk te vereisen dat een aanbesteding wordt uitgeschreven, houdt deze transparantieverplichting […] in dat de concessieverlenende overheid elke potentiële inschrijver een passende mate van openbaarheid waarborgt, zodat de concessie voor mededinging openstaat en de aanbestedingsprocedures op onpartijdigheid kunnen worden getoetst. De aanbesteding van dergelijke concessies moet bijgevolg zijn gebaseerd op objectieve criteria die niet-discriminerend zijn en vooraf bekend zijn, zodat een grens wordt gesteld aan de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid van de nationale autoriteiten. Het beginsel van gelijke behandeling eist bovendien dat alle inschrijvers dezelfde kansen krijgen en impliceert dus dat voor hen allen dezelfde voorwaarden gelden. […] Het transparantiebeginsel, dat een logisch uitvloeisel is van het gelijkheidsbeginsel, heeft […] in wezen tot doel te verzekeren dat elke geïnteresseerde exploitant kan beslissen in te schrijven op de aanbestedingen op basis van het geheel van relevante informatie en dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgesloten. Het impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de aanbesteding duidelijk, precies en ondubbelzinnig worden geformuleerd, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte ervan kunnen begrijpen en ze op dezelfde manier kunnen interpreteren, en anderzijds, de discretionaire bevoegdheid van de concessieverlenende overheid wordt afgebakend en ze in staat is om daadwerkelijk na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken procedure van toepassing zijn." Deze overwegingen vertonen grote gelijkenis met de samenvatting van de eisen (inclusief de rechtsgrondslag) die het Hof al in 2004 gaf in de zaak Succhi di Frutta, in de context van een Europese aanbesteding. (zie noot 32) Wel is het Hof in die zaak duidelijker over de grondslag van de verplichting om bij de aanbesteding van een opdracht reële mededinging te waarborgen. In dit verband overweegt het: "Het beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de aan een overheidsopdracht deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van het in hun offertes gedane voorstel dezelfde kansen krijgen. Het betekent derhalve dat voor deze offertes voor alle mededingers dezelfde voorwaarden moeten gelden." Uit de overwegingen in beide zaken kunnen diverse eisen worden afgeleid voor de verlening van schaarse concessies en - zoals hiervoor is betoogd - schaarse vergunningen. Deze worden hierna weergegeven en nader uitgewerkt aan de hand van andere rechtspraak van het Hof, vooral de al genoemde zaak Betfair. (zie noot 33) In de eerste plaats is duidelijk dat schaarse concessies "voor mededinging open" moeten staan. Daartoe moet de verlenende overheid op grond van de transparantieverplichting "elke potentiële inschrijver een passende mate van openbaarheid" waarborgen. (zie noot 34) Deze verplichting beoogt bovendien het uitsluiten van "elke vorm van favoritisme en willekeur" door de verdelende instantie en de toetsing van de verdelingsprocedure op onpartijdigheid. De eis om bij de verdeling van de schaarse rechten daadwerkelijke mededingingsruimte te bieden zelf, vloeit niet voort uit de transparantieverplichting, maar - zoals het Hof overweegt in de zaak Succhi di Frutta - uit het beginsel van gelijke behandeling. De eis geldt niet alleen voor de verlening van het schaarse recht, maar ook voor de verlenging ervan. (zie noot 35) Dat aan alle potentiële gegadigden een ‘passende mate van openbaarheid’ moet worden geboden, betekent niet dat voor de verdeling van de schaarse rechten een officiële aanbesteding moet worden uitgeschreven. (zie noot 36) Evenmin kan echter - zo leert de zaak Betfair (zie noot 37) - een schaars recht "zonder enige oproep tot mededinging" worden verleend of verlengd, omdat dan zou worden belet dat "andere exploitanten hun interesse in de uitoefening van de betrokken activiteit kenbaar kunnen maken" en zij dus worden verhinderd om gebruik te maken van het in artikel 56 VWEU neergelegde vrij verkeer van diensten. Uit de rechtspraak van het Hof kan geen voorkeur voor een bepaalde verdelingsprocedure worden afgeleid. De ‘passende mate van openbaarheid’ betreft de verdelingsprocedure en de criteria, voorwaarden en modaliteiten die bij de verdeling zullen worden toegepast. Deze moeten "vooraf bekend zijn", zodat potentiële gegadigden op "basis van het geheel aan relevante informatie" kunnen beslissen om aan de procedure deel te nemen. Welke medium de verdelende overheid hiertoe moet gebruiken, hangt mede af van de inhoud en de omvang van het te verdelen recht. (zie noot 38) Aangezien het in het kader van artikel 49 en 56 VWEU gaat om schaarse rechten, waarin ook buitenlandse gegadigden geïnteresseerd kunnen zijn, zal een medium moet worden gekozen, waarmee ook zij kunnen worden bereikt. (zie noot 39) De verdelingscriteria moeten "objectief en niet-discriminerend" zijn en "duidelijk, precies en ondubbelzinnig" zijn geformuleerd. Aldus kunnen alle "behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers" de juiste draagwijdte ervan begrijpen en wordt de discretionaire bevoegdheid van de verlenende overheid afgebakend en wordt voorkomen dat de criteria op willekeurige wijze worden gebruikt. (zie noot 40) Overigens is een nadere precisering van de criteria na afloop van het aanvraagtijdvak wel mogelijk, mits zij niet leidt tot wijziging ervan en geen elementen bevat die, ware zij bekend geweest bij de voorbereiding van de aanvragen, die voorbereiding hadden kunnen beïnvloeden. (zie noot 41) De criteria moeten gedurende de procedure op alle aanvragen op gelijke wijze worden toegepast. Een afwijkende interpretatie ervan ten gunste van één aanvrager - en bevoordeling van die aanvrager - is niet mogelijk. In het verlengde hiervan geldt bovendien dat essentiële bepalingen van een eenmaal verleende schaarse vergunning gedurende de looptijd ervan in beginsel niet wezenlijk mogen worden gewijzigd. (zie noot 42) Een wijziging is wezenlijk indien zij, ware zij bekend geweest bij het begin van het aanvraagtijdvak, had kunnen leiden tot een keuze voor een andere aanvrager. Zo’n wijziging is wel toelaatbaar, indien de bevoegdheid daartoe in de bij de oorspronkelijke verdeling toepasselijke verdelingsregels was voorzien. Ten slotte past een opmerking over de status van transparantie. Zoals blijkt uit Costa & Cifone, is het Hof op dit punt niet erg consistent. Terwijl transparantie eerst wordt gekwalificeerd als een "verplichting", duidt het deze eis in een latere overweging aan als "beginsel". (zie noot 43) Hoe dan ook is transparantie "een logisch uitvloeisel" van het gelijkheidsbeginsel en dient het ter realisering van dat beginsel en ook van de beginselen van rechtszekerheid en objectiviteit. 3.8 In de rechtspraak van het Hof worden twee situaties genoemd, waarin een uitzondering kan bestaan op de plicht om bij de verdeling van schaarse rechten reële mededinging te garanderen en daartoe aan potentiële gegadigden een ‘passende mate van openbaarheid’ te waarborgen. In de eerste plaats is dat - aldus het Hof in de zaak Betfair - mogelijk indien de betrokken lidstaat de vergunning zou verlenen aan of verlengen voor: (zie noot 44) "[…] een openbare exploitant wiens beheer onder rechtstreeks toezicht staat van de Staat of om een particuliere exploitant op wiens activiteiten de overheid een strenge controle kan uitoefenen." In dat geval kwalificeert de uitzondering als een gerechtvaardigde beperking van (thans) artikel 56 VWEU en is de verlening van een exclusief recht voor de exploitatie van kansspelen, zonder oproep tot mededinging, niet onevenredig gelet op de doelstellingen die de nationale regeling nastreeft (consumentenbescherming en de bestrijding van criminaliteit en gokverslaving). Deze uitzondering lijkt te zijn geïnspireerd door de in het gereguleerde aanbestedingsrecht onder voorwaarden geaccepteerde uitzondering op een openbare aanbesteding van diensten in geval van ‘inbesteding’, waarin de aanbestedende dienst de dienst zelf uitvoert, of van ‘quasi-inbesteding’, waarin de activiteit wordt verricht door een dienst waarop de aanbestedende dienst toezicht houdt zoals op haar eigen diensten. (zie noot 45) In de tweede plaats formuleert het Hof in de zaak CASTA een uitzondering op de uit artikel 49 en 56 VWEU voortvloeiende mededingings- en transparantieverplichting. (zie noot 46) Deze komt erop neer dat de genoemde verdragsvrijheden zich niet verzetten tegen een nationale regeling, die de lokale overheden toestaat, (zie noot 47) "[…] een opdracht voor het verrichten van medische vervoersdiensten rechtstreeks en zonder enige vorm van bekendmaking te gunnen aan vrijwilligersorganisaties, mits het wettelijk en contractuele kader waarbinnen die organisaties werken, daadwerkelijk bijdraagt aan het sociaal doel en aan de doelstellingen van solidariteit en kostenefficiëntie". Het Unierecht verlangt in dat geval evenmin dat de overheidsinstantie die met dergelijke organisaties wil contracteren, de aanbiedingen van verschillende organisaties van te voren vergelijkt. 3.9 In zijn verzoek om conclusie stelt de voorzitter de specifieke kwestie aan de orde hoe een eventueel bestaande bestuurlijke plicht om bij de verdeling van schaarse vergunningen aan potentiële gegadigden reële mededingingsruimte te garanderen, kan worden gerealiseerd in de omstandigheden van het geval, waarin "op voorhand slechts één locatie geschikt is" en die locatie eigendom is van een particuliere ondernemer die zelf beslist met wie hij een overeenkomst sluit, zodat de keuze aan wie de schaarse vergunning kan worden verleend, "feitelijk niet aan het bestuursorgaan wordt gelaten". Op deze vraag ga ik in punt 7.7 nader in. Wel maak ik op deze plaats melding van de uitspraak van het Hof in de zaak Ordine degli Architetti, (zie noot 48) omdat die voor deze kwestie wellicht interessant is. In deze zaak had de gemeente Milaan de aanleg van een openbaar gebouw, het theater van Bicocca, vergund door verlening van een bouwvergunning aan de eigenaar van het terrein waarop de bouw zou plaatsvinden, die deze voorziening in eigen beheer kon aanleggen, zonder dat daarbij richtlijn 93/37/EEG, betreffende de coördinatie van de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken in acht was genomen. In de zaak acht het Hof deze wijze van verlening in strijd met de richtlijn. In verband met de stelling dat niet de overheid, maar de exploitant-houder van de bouwvergunning de marktdeelnemer kiest die met de uitvoering van de werken wordt belast, overweegt het Hof als volgt. "Dat betekent niet, dat de richtlijn in geval van aanleg van een infrastructurele voorziening slechts wordt nageleefd, indien het gemeentebestuur zelf de in de richtlijn omschreven aanbestedingsprocedures toepast. Het nuttig effect daarvan zou evengoed worden verzekerd, indien het gemeentebestuur op grond van de nationale wetgeving de exploitant-vergunninghouder door middel van de met hem gesloten overeenkomsten kon verplichten de overeengekomen werken uit te voeren volgens de in de richtlijn omschreven procedures, zulks ter vervulling van de verplichtingen die dienaangaande krachtens de richtlijn op het gemeentebestuur rusten. […] Deze mogelijkheid dat de voorschriften van de richtlijn inzake bekendmaking worden toegepast door andere personen dan de aanbestedende dienst, is in artikel 3, lid 4, van de richtlijn uitdrukkelijk geregeld voor concessieovereenkomsten voor openbare werken." Deze uitspraak maakt duidelijk dat, in de context van de gereguleerde aanbesteding van werken, de daarbij voor het bestuur geldende verplichtingen om mededinging en transparantie te garanderen ook kunnen worden gerealiseerd doordat het bestuur de naleving ervan contractueel oplegt aan de eigenaar van het terrein die de werken op grond van een vergunning in eigen beheer uitvoert. 3.10 Wat betreft de Dienstenrichtlijn is voor de vraag naar een op het EU-recht gebaseerde rechtsplicht om bij de verdeling van schaarse vergunning reële mededinging te garanderen, de zaak Trijber van belang. (zie noot 49) In die zaak staat overigens niet de verdelingsprocedure zelf ter beoordeling, maar gaat het om de vraag of, indien het aantal dienstenvergunningen is beperkt vanwege dwingende redenen van algemeen belang, ook de geldigheidsduur van de vergunning moet worden beperkt. Het Hof is met deze vraag snel klaar. Het verwijst naar artikel 11, eerste lid, van de richtlijn, waaruit volgt dat aan dienstverrichters verleende vergunningen in beginsel geen beperkte geldigheidsduur hebben, tenzij (onder meer) het aantal vergunningen is beperkt door een dwingende reden van algemeen belang. Hieruit volgt: "[…] dat wanneer het aantal beschikbare vergunningen om een dergelijke dwingende reden van algemeen belang beperkt is, deze vergunningen evenwel een beperkte geldigheidsduur moeten hebben." Dienaangaande kan aan de nationale instanties "geen beoordelingsbevoegdheid worden gelaten zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het doel dat artikel 11 van [de Dienstenrichtlijn] nastreeft, te weten toegang van diensverrichters tot de betrokken markt." Vervolgens stelt het Hof vast dat de beperking van de betreffende vergunningen inderdaad wordt gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, en concludeert het dat de "verleende vergunningen niet van onbepaalde duur kunnen zijn". Hoewel de uitspraak betrekking heeft op de beperkte vergunningsduur van ‘beleidsmatig gecreëerde’ schaarse dienstenvergunningen, kan eruit mijn inziens ook worden afgeleid dat het bestuur bij de verdeling van deze vergunningen op enigerlei wijze reële mededingingsruimte moet bieden. Anders heeft die beperkte vergunningsduur weinig zin. Bovendien acht ik het, in het verlengde van de uitspraak, heel waarschijnlijk dat het Hof aan procedures voor de verlening van ‘beleidsmatig gecreëerde’ schaarse vergunningen min of meer dezelfde eisen zal stellen als die in artikel 12 Dienstenrichtlijn worden gesteld aan de verdeling van schaarse vergunningen, voor zover die schaarste het gevolg is van schaarste van beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de bruikbare technische mogelijkheden. (zie noot 50) Deze eisen vloeien immers al voort uit de beginselen van gelijkheid, transparantie en onpartijdigheid, beginselen die op grond van artikel 10 en 13 van de richtlijn gelden voor (de procedure tot verlening van) alle, ook schaarse dienstenvergunningen, en worden in de rechtspraak ook gesteld op basis van artikel 49 VWEU (punt 3.7). In dat geval geldt ook voor ‘beleidsmatig gecreëerde’ schaarse dienstenvergunningen dat voor de verlening hiervan een selectieprocedure moet worden vastgesteld die alle waarborgen biedt voor onpartijdigheid en transparantie en dat de opening, uitvoering en sluiting van de procedure toereikend moeten worden bekendgemaakt (punt 3.3). Het valt wellicht op dat de eis dat schaarse rechten niet voor onbepaalde tijd mogen worden verleend, niet is genoemd bij de bespreking van de uit artikel 49 en 56 VWEU voortvloeiende eisen (punt 3.7). De reden hiervoor is, dat het Hof zich in dat kader nog niet expliciet over dit punt heeft uitgelaten. Wel beschouwt het Hof de verlening van dergelijke rechten voor lange tijd als een zelfstandige beperking van het vrij verkeer van diensten die afzonderlijk moet worden gerechtvaardigd. (zie noot 51) Een dergelijke rechtvaardiging kan bijvoorbeeld zijn dat de houder van het schaarse recht voldoende tijd moet hebben om de noodzakelijke investeringen om van dat recht gebruik te maken, terug te verdienen. In het licht van deze rechtspraak lijkt het mij vrijwel uitgesloten dat het Hof in het kader van artikel 49 en 56 VWEU de verlening van een schaars recht voor onbepaalde tijd toelaatbaar zal achten. Ik kan althans geen rechtvaardiging voor een dergelijke onbepaalde duur bedenken. 3.11 Ten slotte kan melding worden gemaakt van de zaak IPK Internationaal, (zie noot 52) waarin het Gerecht van de EU helderheid schept over de betekenis van artikel 109, eerste lid, Financieel Reglement 2002, waarin is bepaald dat de toekenning van Europese subsidies geschiedt met inachtneming van onder meer het transparantiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling. Volgens het Gerecht veronderstelt dit: (zie noot 53) "[…] dat potentiële aanvragers van financiële bijstand, gelet op het beperkte budget dat beschikbaar is voor de financiering van dergelijke subsidies, gelijk worden behandeld ten aanzien van, ten eerste, de mededeling, in de uitnodiging tot het indienen van voorstellen, van relevante informatie over de criteria voor de selectie van de in te dienen projecten en, ten tweede, de vergelijkende beoordeling van die projecten die tot de selectie ervan zal leiden en tot de toekenning van subsidie. Deze bepaling vormt dus de uitdrukking van het algemeen beginsel van gelijke behandeling". Uit het voorgaande blijkt dat het Gerecht ervan uitgaat dat over de toekenning van schaarse Europese subsidies in "vergelijkende beoordeling" wordt beslist, en dat die verplichting en de daarvoor geldende eisen zijn gerelateerd aan het algemeen beginsel van gelijke behandeling. Vervolgens geeft het Gerecht aan welke betekenis het transparantiebeginsel in de subsidieprocedures heeft. Uitdrukkelijk verwijzend naar de betekenis van dit beginsel bij de aanbesteding van overheidsopdrachten, stelt het: (zie noot 54) "Op begrotingsgebied heeft de verplichting tot doorzichtigheid, als het logisch uitvloeisel van gelijke behandeling […], in essentie tot doel te waarborgen dat elke vorm van favoritisme en willekeur door de begrotingsautoriteit wordt uitgebannen. Deze verplichting impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de toekenningsprocedure op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze in de uitnodiging voor het indienen van voorstellen worden geformuleerd. Alle informatie die relevant is voor een goed begrip van de uitnodiging […] moet dus zo snel mogelijk ter beschikking worden gesteld van alle marktdeelnemers die er potentieel een belang bij hebben om deel te nemen aan een procedure voor de toekenning van subsidies, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende aanvragers de juiste draagwijdte ervan kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier kunnen interpreteren, en anderzijds, de begrotingsautoriteit in staat is om metterdaad na te gaan of de voorgestelde projecten beantwoorden aan de vooraf bekendgemaakte selectie- en toekenningscriteria". Aldus ziet men de eisen die het Hof heeft geformuleerd voor de verdeling van schaarse concessies en vergunningen op grond van artikel 49 en 56 VWEU terug bij de verdeling van schaarse Europese subsidies. Bevindingen 3.12 Uit het voorgaande blijkt dat op grond van het Unierecht voor de lidstaten een verplichting kan bestaan om bij de verlening van schaarse publieke rechten reële mededingingsruimte te bieden. Deze verplichting wordt soms voorgeschreven in secundaire Unieregelgeving, zoals bij de aanbesteding van overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten en de verdeling van dergelijke rechten op het terrein van telecommunicatie en openbaar vervoer (punt 3.2). Bovendien geldt zij op grond van de Dienstenrichtlijn ook voor de verlening van schaarse vergunningen, voor zover die schaarste het gevolg is van schaarste van beschikbare natuurlijke hulpbronnen of de bruikbare technische mogelijkheden (punt 3.3). Naar alle waarschijnlijkheid geldt zij, binnen de reikwijdte van die richtlijn, ook voor de verdeling van ‘beleidsmatig gecreëerde’ schaarse dienstenvergunningen (punt 3.10). Volgens het Hof vloeit de verplichting om bij de verdeling van schaarse publieke rechten reële mededingingsruimte te bieden ook voort uit artikel 49 en 56 VWEU, en de daarbij geldende beginselen (punt 3.7). Op basis van die beginselen acht het Gerecht de verplichting ook van toepassing bij de verdeling van schaarse Europese subsidies (punt 3.11). De verplichting om bij de verdeling van schaarse rechten reële mededinging te garanderen, is gebaseerd op het beginsel van gelijke behandeling. Ter realisering ervan moet de verlenende instantie op grond van de transparantieverplichting elke potentiële inschrijver een passende mate van openbaarheid waarborgen. Deze verplichting, die in veel uitspraken ook wordt aangeduid als ‘beginsel’, is - aldus het Hof - een ‘logisch uitvloeisel van het gelijkheidsbeginsel (punt 3.7 en 3.11). 3.13 De door het Hof geaccepteerde beperkingen op de verplichting zijn nogal specifiek (punt 3.8). In de eerste plaats - zo blijkt uit Betfair - is de verlening of verlenging van een kansspelvergunning, zonder enige oproep tot mededinging, niet in strijd met artikel 56 VWEU, als het een openbare exploitant betreft wiens beheer onder rechtstreeks toezicht staat van de Staat of om een particuliere exploitant op wiens activiteiten de overheid een strenge controle kan uitoefenen. In de tweede plaats kan volgens de zaak CASTA een opdracht voor het verrichten van medische vervoersdiensten rechtstreeks en zonder enige vorm van mededinging worden gegund aan vrijwilligersorganisaties, althans wanneer het wettelijk en contractueel kader waarbinnen zij werken bijdraagt aan een sociaal doel en aan de doelstellingen van solidariteit en kostenefficiëntie. Verder is in punt 3.2 opgemerkt dat het op grond van Richtlijn 2014/24 in bijzondere omstandigheden is toegestaan om een opdracht voor onder meer diensten te gunnen volgens een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, namelijk als bij een eerdere procedure geen geschikte inschrijving is ingediend, als de dienst om technische of artistieke redenen alleen kan worden verricht door een bepaalde ondernemer of als dwingende, onvoorzienbare spoed daartoe noopt. Aangezien de rechtspraak van het Hof over de verplichting om bij de verlening van schaarse publieke rechten reële mededingingsruimte te bieden, is geïnspireerd door zijn rechtspraak over de aanbestedingsrichtlijnen, zijn deze beperkingsmogelijkheden wellicht ook van toepassing op die verplichting. Ten slotte is gesignaleerd dat, in de context van het gereguleerde aanbestedingsrecht voor werken, het bestuur zijn verplichtingen om mededinging en transparantie te garanderen ook kan realiseren door de naleving ervan contractueel op te leggen aan de eigenaar van het terrein die de werken op grond van een bouwvergunning in eigen beheer uitvoert (punt 3.9). 3.14 In zijn rechtspraak stelt het Hof diverse eisen aan de competitieve verdeling(sprocedure) van nationale schaarse vergunningen binnen de reikwijdte van artikel 49 en 56 VWEU, die waarschijnlijk ook gelden voor vergunningen binnen de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn. Zij dienen twee doelstellingen, in de eerste plaats het garanderen van reële mededinging en gelijke kansen voor alle potentiële gegadigden bij die verdeling, en in de tweede plaats de uitsluiting van elke vorm van favoritisme en willekeur door het beslissend bestuursorgaan. Mits aan deze eisen wordt voldaan, is geen enkele verdelingsprocedure in beginsel uitgesloten. De eisen worden genoemd in de punten 3.7 en 3.10. Het betreft: - De verdelende overheid moet voorafgaande aan de verdeling alle potentiële gegadigden een passende mate van openbaarheid bieden over de verdelingsprocedure en de criteria die bij de verdeling zullen worden toegepast. - de verdelingscriteria moeten objectief, niet-discriminerend, duidelijk, precies en ondubbelzinnig zijn. Nadere precisering ervan na afloop van het aanvraagtijdvak is alleen mogelijk, als zij niet leidt tot wijziging ervan en geen elementen bevat die, waren zij bekend geweest bij de voorbereiding van de aanvragen, die voorbereiding hadden kunnen beïnvloeden. - de verdelingscriteria moeten gedurende de procedure op alle aanvragen op gelijke wijze worden toegepast. Essentiële bepalingen van een eenmaal verleende schaarse vergunning mogen gedurende de looptijd ervan niet wezenlijk worden gewijzigd, tenzij de bevoegdheid daartoe was voorzien in de bij de oorspronkelijke verdeling toegepaste regels. Ten slotte kunnen schaarse vergunningen niet voor onbepaalde tijd worden verleend. 4. Mededingingsruimte bij schaarse vergunningen: het nationale perspectief Inleiding 4.1 In deze paragraaf ga ik in op de voor de beantwoording van de vragen van de voorzitter relevante rechtspraak van de Nederlandse rechter. Eerst bespreek ik de rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBB of College), daarna die van de Afdeling, en ten slotte ga ik kort in op de rechtspraak van de Hoge Raad. Hierna worden ook twee uitspraken besproken over de verdeling van - door het vaststellen van een subsidieplafond - schaars gemaakte (tender)subsidies. Voor deze verdeling bevat de Awb een aantal bepalingen, die ik voor een goed begrip van de zaken kort vermeld. Volgens de Awb kunnen een subsidieplafond en de wijze van verdeling van het bedrag slechts bij of krachtens wettelijk voorschrift worden vastgesteld (art. 4:25, eerste lid, en 4:26, eerste lid). Op grond van artikel 4:26, tweede lid, Awb, wordt die wijze van verdeling bij de bekendmaking van het subsidieplafond vermeld. Deze bekendmaking moet in beginsel plaatsvinden voor aanvang van het aanvraagtijdvak (art. 4:27, eerste lid). Daardoor kan - aldus de MvT bij de derde tranche van de Awb - elke aanvrager bij het indienen van zijn aanvraag rekening houden met de hoogte van het subsidieplafond en de gekozen verdelingsprocedure. (zie noot 55) Op deze regel bevat artikel 4:28 Awb een aantal uitzonderingen, onder meer in het geval dat bij de bekendmaking van het plafond is gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen. Gelet op het voorgaande gaat de wetgever ervan uit dat (potentiële) gegadigden reële kansen moeten hebben om naar schaarse subsidies mee te dingen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven 4.2 Voor de beantwoording van de vraag of er naar Nederlands recht een rechtsplicht bestaat om bij de verdeling van schaarse publieke rechten aan potentiële gegadigden reële mededingingsruimte te bieden, ook als de toepasselijke regelgeving daartoe niet dwingt en het Unierecht daartoe niet noopt, is de rechtspraak van het CBB van groot belang geweest. De klassieke uitspraak in dit verband is de uitspraak van het College van 3 juni 2009 in de zaak Swiss Leisure Group. (zie noot 56) Deze zal daarom als eerste worden besproken, ook al komt de problematiek ook al in (soms veel) oudere rechtspraak van het College aan de orde. (zie noot 57) De rechtspraak van het CBB betreft vooral twee schaarse publieke rechten, namelijk de lokale speelautomatenhalvergunning, die ook in de onderhavige zaak aan de orde is, en de lokale ontheffing van het verbod voor winkels om op zon- en feestdagen voor het publiek open te zijn. In alle zaken speelt het Unierecht, voor zover relevant voor mijn betoog, geen rol. 4.3 In de zaak Swiss Leisure Group

(2009)limiteerde de Haagse Verordening op de Kansspelen het aantal te verlenen vergunningen voor speelautomatenhallen op acht. Omdat dat plafond was bereikt, kon een vergunning voor een nieuwe locatie alleen worden verleend als een vergunning voor een bestaande locatie zou vervallen of zou worden ingetrokken. De burgemeester had een vergunning voor een nieuwe locatie in het centrum van Den Haag verleend aan Hommerson, nadat dat bedrijf zijn vergunning voor een locatie in Scheveningen had ingetrokken. Een concurrerende exploitant, Swiss Leisure Group, stelt tegen de vergunning beroep in bij het CBB. Het College overweegt: "Het College is van oordeel dat de verlening aan Hommerson van de derde halvergunning in het centrum van Den Haag [in de onderhavige situatie] op gespannen voet staat met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat besluiten met de vereiste zorgvuldigheid worden voorbereid en genomen. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Het zorgvuldigheidsbeginsel vergt in een geval als het onderhavige - dat er door wordt gekenmerkt dat de mogelijkheid wordt gecreëerd van een vergunning voor een derde speelautomatenhal in het centrum, maar er geen ruimte bestaat voor het verstrekken van een vergunning zolang niet een reeds verleende vergunning komt te vervallen dan wel wordt ingetrokken - dat op het moment dat er ruimte ontstaat een vergunning te verlenen, andere ondernemers in beginsel de mogelijkheid wordt geboden mee te dingen naar deze schaarse vergunning. Verweerder heeft, door in het onderhavige geval de vergunning voor de derde speelautomatenhal in het centrum van Den Haag te verlenen onder gelijktijdige intrekking van de vergunning voor de Strandweg in Scheveningen, een situatie in het leven geroepen waarin derden niet van te voren op de hoogte konden worden gebracht van het feit dat een vergunning was vrijgekomen en het maximum van acht vergunningen niet langer was bereikt. Het onder deze omstandigheden verlenen van een vergunning aan Hommerson voldoet dus in beginsel niet aan de eisen die op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel kunnen worden gesteld aan de besluitvorming. Dit zou anders zijn, indien voor verweerder bij voorbaat vaststond dat alleen de litigieuze locatie op de Spuimarkt, waarover Hommerson gerechtigd is te beschikken, aan de wettelijke voorschriften voldeed, en elke andere aanvraag voor een derde halvergunning in het centrum zou moeten worden afgewezen. Uit het bestreden besluit noch overigens is duidelijk geworden of dit ten tijde van belang het geval was. De enkele ter zitting betrokken stelling van Hommerson dat alleen haar aanvraag aan de geldende criteria voldeed, acht het College onvoldoende. Het College is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering mist". Volgt vernietiging wegens schending van artikel 7:12 Awb. In de uitspraak stelt het College met zoveel woorden dat het bestuur in de aan de orde zijnde situatie, waarin een vergunning pas kan worden verstrekt als een eerder verleende vergunning is vervallen of ingetrokken, op het moment dat het laatste gebeurt, verplicht is aan andere ondernemers de mogelijkheid te bieden om "mee te dingen naar deze schaarse vergunning". Vanwege deze verplichting kan het bestuur een aanvraag dus niet honoreren als deze aan de wettelijke criteria voldoet, maar pas als daarbovenop aan andere ondernemers die mededingingskans is geboden. De verplichting om aan andere ondernemers mededingingskansen te bieden, wordt gebaseerd op het algemene beginsel van behoorlijk bestuur dat "besluiten met de vereiste zorgvuldigheid worden voorbereid en genomen", ook al vernietigt het College het bestreden besluit wegens schending van het motiveringsbeginsel. (zie noot 58) Het bedoelde zorgvuldigheidsbeginsel is, nu het College artikel 3:2 Awb niet noemt, vermoedelijk ruimer dan die bepaling. Bovendien formuleert het CBB een uitzondering op de mededingingsverplichting. Zij geldt niet als "bij voorbaat vaststaat" dat alleen de locatie van Hommerson aan de wettelijke voorschriften voldoet en elke andere aanvraag zou moeten worden afgewezen. Over de wijze waarop het bestuur de verplichting tot het bieden van mededingingsruimte moet vormgeven, biedt de uitspraak beperkte informatie. Duidelijk is dat op het bestuur een informatieplicht rust om andere ondernemers op een of andere wijze op de hoogte te stellen van de ontstane ruimte, aangezien de omstandigheid dat "derden niet van te voren op de hoogte konden worden gebracht van het feit dat een vergunning was vrijgekomen", voor het College reden is om de vergunningverlening aan Hommerson onzorgvuldig te achten. Voor het overige laat het CBB in het midden via welke verdelingsprocedure de vergunning moet of kan worden verleend, mits andere ondernemers maar naar die vergunning kunnen meedingen. Een vraag die daarom boven de markt hing, was of daartoe ook als systeem de verlening op volgorde van binnenkomst van de aanvragen (‘wie het eerst komt, het eerst maalt’) kan worden toegepast. (zie noot 59) 4.4 Deze vraag wordt door het College bevestigend beantwoord in de zaak Pierik & Meson. (zie noot 60) De zaak betrof de Zwolse Verordening Speelautomatenhallen, waarin het vergunningsplafond, voor zover relevant, was gesteld op één. Deze vergunning was door de burgemeester voor het jaar 2008 verleend aan Flash, nadat dit bedrijf in de gelegenheid was gesteld om zijn aanvraag aan te vullen en het ontwerp van de vergunning, met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb, ter inzage was gelegd. Twee concurrenten, Pierik en Meson, hadden in deze procedure zienswijzen ingediend, en stellen tegen de verlening aan Flash beroep in bij het CBB. Dat beroep betreft ook de weigeringen door de burgemeester van de aanvragen die beide, toen het ontwerp van de vergunning voor Flash al ter inzage lag, hadden ingediend om voor de vergunning in aanmerking te komen. Beide aanvragen voldeden niet aan wettelijke indieningseisen, maar aan hen was geen ruimte voor aanvulling geboden. Het beroep richt zich mede daartegen. Het College overweegt: "Voor zover Pierik betoogt dat haar uit het oogpunt van zorgvuldigheid de gelegenheid had moeten worden geboden om haar aanvraag aan te vullen, wordt overwogen dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval op dat moment deze gelegenheid niet meer behoefde te worden gegeven. Slechts indien verweerder een systeem van vergelijkende toets tussen verschillende volledige aanvragen zou hebben gehanteerd, zou aanleiding hebben bestaan voor het bieden van de mogelijkheid om de aanvraag aan te vullen, zolang de beschikbare schaarse vergunning nog niet was verleend. Nu uit de verordening echter een systeem van volgorde van binnenkomst van aanvragen dient te worden afgeleid en de Wet op de Kansspelen, noch enige andere wettelijke regeling zich hiertegen verzet, is het College van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor het bieden van de gelegenheid van het aanvullen van de aanvraag van 4 december 2007 geen plaats meer was. Immers was er ten tijde van de aanvraag van Pierik reeds een volledige aanvraag van Flash en lag het ontwerp van de vergunning voor Flash reeds ter inzage. Het bieden van de gelegenheid tot het aanvullen van de aanvraag van Pierik zou gelet op het systeem van volgorde van binnenkomst van aanvragen en het stadium van de procedure, geen enkel doel meer dienen. Het betoog van Meson dat andere gegadigden hadden moeten worden geïnformeerd over de aanvraag van Flash kan, gelet op het voorgaande, evenmin slagen. In dit verband acht het College van belang dat, indien bij de verlening van een schaarse vergunning gebruik wordt gemaakt van een systeem van volgorde van binnenkomst van de aanvraag, voor potentiële gegadigden kenbaar moet zijn of deze vergunning beschikbaar is of komt en wat de te volgen procedure is. In dit geval was het appellanten bekend of had hun bekend kunnen zijn dat de verleende vergunning voor het exploiteren van een speelautomatenhal in het centrum van Zwolle op 31 december 2007 zou komen te vervallen en was de procedure ten aanzien van het verlenen van de vergunning duidelijk. Het stond appellanten vrij om voor de exploitatie van een speelautomatenhal voor het jaar 2008 en volgende, tijdig een volledige aanvraag in te dienen. Dat zij dit hebben nagelaten en zij, pas nadat Flash een volledige aanvraag had ingediend en het ontwerp van het besluit was gepubliceerd, onvolledige aanvragen hebben ingediend, is voor hun risico’. Uit de uitspraak blijkt dat ook het systeem van verlening van schaarse vergunningen op volgorde van binnenkomst, in beginsel voldoet aan het vereiste dat bij de verdeling van schaarse vergunningen aan andere gegadigden ruimte worden geboden om naar de vergunning mee te dingen. Wel geldt daarbij als voorwaarde dat voor "potentiële gegadigden kenbaar moet zijn of deze vergunning beschikbaar is of komt en wat de te volgen procedure is". Dat laatste was in dit geval duidelijk, aangezien de uitgebreide uniforme voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb was voorgeschreven. Aan de kenbaarheid van het ‘beschikbaar komen’ van de vergunning stelt het College in de zaak geen hoge eisen. Dat had in dit geval aan appellanten "bekend kunnen zijn", zonder dat het College aangeeft waarom dat zo is. Het bestuur lijkt op dit punt geen actieve informatieplicht te hebben. In de uitspraak maakt het CBB wat betreft de toepassing door het bestuur van de bevoegdheid van artikel 4:5, eerste lid, Awb, om de aanvrager in de gelegenheid te stellen een onvolledige aanvraag aan te vullen, onderscheid tussen de toepassing van een verdelingssysteem van een "vergelijkende toets" en het systeem van verlening op volgorde van binnenkomst. Bij het eerste systeem kan, zolang de schaarse vergunning nog niet is verdeeld, daartoe aanleiding bestaan. Bij het tweede systeem dient dat geen doel meer als er, zoals in casu het geval is, al een volledige aanvraag (van Flash) ligt. 4.5 De vraag naar de toelaatbaarheid van een systeem van verlening op volgorde van binnenkomst in het licht van de verplichting tot het bieden van reële mededingingsruimte bij de verdeling van schaarse publieke rechten, komt opnieuw aan de orde in de uitspraak van het CBB in de zaak EM-TÉ
(2011). (zie noot 61) In die zaak was dat bedrijf opgekomen tegen de aan Super de Boer en Plus verleende ontheffing voor zondagopenstelling. In deze zaak overweegt het College als volgt: "Over de wijze waarop burgemeester en wethouders de ontheffingen aan gegadigden dienden toe te wijzen, is noch in de Winkeltijdenwet, noch in de Verordening een bepaling opgenomen. Burgemeester en wethouders hebben in de procedures die tot de in beroep bestreden besluiten hebben geleid, de ontheffingen verleend op volgorde van binnenkomst van de verzoeken. Deze verdelingsmethode is in beginsel niet in strijd met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Niet is in geschil dat op het moment waarop burgemeester en wethouders aan Super de Boer en Plus een ontheffing verleenden, zij de eerste supermarkten waren die een verzoek om ontheffing hadden ingediend. Van een situatie waarin alle ruimte om ontheffingen te verlenen reeds was benut en nieuwe ruimte werd gecreëerd zonder dat andere ondernemers de gelegenheid is geboden mee te dingen naar die vrijgekomen ruimte - zoals het geval was in de zaak waarover het College in haar uitspraak van 3 juni 2009 oordeelde - is met betrekking tot de in casu verleende ontheffingen (dus de ontheffingen die duurden tot 1 juli 2010) geen sprake. De door EM-TÉ getrokken vergelijking gaat dan ook niet op. Burgemeester en wethouders mochten aldus de ontheffingen aan Super de Boer en Plus verlenen die in deze procedure aan de orde zijn". Ook in deze zaak maakt het CBB duidelijk dat bij schaarse ontheffingen een verdelingssysteem op volgorde van binnenkomst toelaatbaar, want niet in strijd met het "rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel", is. Ook volgt uit de uitspraak dat de keuze voor dit verdeelsysteem impliciet kan worden gedaan; zij kan blijken uit de omstandigheid dat de wettelijke voorschriften geen (ander) verdelingssysteem voorschrijft. Interessant is dat het College de situatie in de onderhavige zaak onderscheidt van die in de zaak Swiss Leisure Group (punt 4.3) Was in de laatste zaak sprake van de situatie dat alle ruimte om vergunningen te verlenen al was benut en nieuwe ruimte werd gecreëerd zonder dat andere ondernemers de gelegenheid werd geboden om naar die vrij komende ruimte mee te dingen, in de onderhavige zaak heeft EM-TÉ kennelijk wel reële kansen gehad om naar de ontheffing mee te dingen, maar heeft zij te laat van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Daarbij lijkt mij van belang dat in de zaak Swiss Leisure Group de nieuwe ruimte om een vergunning te verlenen ontstond toen Hommerson zijn vergunning voor een andere locatie introk en Hommerson daarom per definitie als eerste van de ontstane ruimte gebruik kon maken. 4.6 Vanaf 2010 hanteert het CBB in zijn rechtspraak de standaardoverweging dat aan de besluitvorming over de toekenning van schaarse publieke rechten ‘onder meer uit het oogpunt van rechtszekerheid zware eisen dienen te worden gesteld’. Men treft deze overweging aan in een uitspraak van het College van begin 2010 in de zaak Albert Heijn over een ontheffing voor zondagopenstelling in Heemstede. (zie noot 62) Op grond van de toepasselijk wettelijke voorschriften gold voor deze ontheffingen een plafond van één. In de zaak had het college van b en w de als eerste binnengekomen aanvraag (van Dekamarkt) aangehouden, omdat het wilde onderzoeken welke andere supermarkten interesse zouden hebben. Het wilde onder meer de mogelijke overlast en voldoende parkeergelegenheid bij de besluitvorming betrekken en bood andere supermarkten één maand de tijd om ook een aanvraag in te dienen. Nadat Albert Heijn van deze gelegenheid gebruik had gemaakt en een ontheffingaanvraag had ingediend, verleent het college de ontheffing aan Dekamarkt, omdat dit bedrijf als eerste een aanvraag heeft ingediend. Albert Heijn stelt beroep in bij het CBB. Het College overweegt als volgt: "Het College overweegt dat aan de besluitvorming met betrekking tot de toekenning van een schaarse ontheffing als hier in geding onder meer uit een oogpunt van rechtszekerheid zware eisen dienen te worden gesteld. Dat betekent dat een bestuursorgaan, nadat het gekozen heeft voor een methode aan de hand waarvan zal worden bepaald aan wie de ontheffing wordt verleend en deze keuze ook bekend heeft gemaakt, niet hangende de besluitvormingsprocedure tot wijziging van die methode behoort over te gaan indien daardoor afbreuk wordt gedaan aan het belang van een aanvrager die overeenkomstig het bekendgemaakte toewijzingsbeleid zijn aanvraag heeft ingediend en zijn handelwijze heeft bepaald. Het stond verweerders derhalve, na hun uitdrukkelijke keuze voor de vergelijkende toets, die zij ook bekend hebben gemaakt aan de potentiële gegadigden voor de ontheffing, en onder toepassing waarvan zij aanvankelijk ook voornemens zijn geweest de ontheffing aan appellante te verlenen, niet vrij om bij het nemen van de primaire besluiten en het bestreden besluit geen onverminderde toepassing meer te geven aan deze toets. Verweerders hebben derhalve gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel door bij evengenoemde besluiten zwaarwegende betekenis toe te kennen aan het feit dat de ontheffingsaanvraag van Dekamarkt als eerste was binnengekomen, zoals hiervoor in 6.2.1 door het College is vastgesteld." Het besluit wordt vervolgens vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De boodschap van het CBB is duidelijk. Aan de besluitvorming met betrekking tot de toekenning van een schaars publiek recht worden "zware eisen" gesteld. Dat betekent in de zaak dat het bestuur, als dat heeft gekozen voor een systeem van verdeling van dat recht op grond van een "vergelijkende toets", en deze keuze "bekend heeft gemaakt aan de potentiële gegadigden voor de ontheffing", niet meer kan overstappen naar een verdelingssysteem op volgorde van binnenkomst. Dat is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Dit ‘switch-verbod’ geldt in elk geval vanaf het moment dat een gegadigde een aanvraag heeft ingediend, maar mogelijk al vanaf het moment dat aanvragen kunnen worden ingediend. Bovendien blijkt uit de uitspraak dat het in de praktijk voorkomt dat het bestuur, pas nadat de eerste aanvraag is ingediend, een keuze voor een bepaald verdelingssysteem maakt (vergelijkende toets). Kennelijk kan uit de omstandigheid dat de wettelijke voorschriften over het verdeelsysteem zwijgt, niet zonder meer worden afgeleid dat het bestuur (impliciet) heeft gekozen voor verdeling op volgorde van binnenkomst. In de zaak hoeft het CBB zich niet uit te spreken of deze handelwijze is toegestaan, omdat dit punt niet in geding is. In de zaak Heiloo doet zij dat wel en acht zij de handelwijze mogelijk. 4.7 De zaak Heiloo betrof ontheffingen voor de openstelling van supermarkten op zondagavond. (zie noot 63) In de zaak waren vier aanvragen binnengekomen, die alle aan de wettelijke criteria voldeden, maar kon slechts één ontheffing worden verleend. Pas nadat de aanvragen waren binnengekomen, stelt het college van b en w beleid vast op grond waarvan aan alle aanvragers de komende vier jaar achtereenvolgens een ontheffing voor één jaar wordt verleend en de volgorde van verlening wordt bepaald door een loting. In beroep voert appellante aan dat er ten tijde van de primaire besluiten geen deugdelijk ontheffingsbeleid was en loting geen deugdelijk verdeelmiddel is. Het CBB oordeelt als volgt. "Het betoog dat er ten tijde van de primaire besluiten geen deugdelijk beleid was […], treft geen doel. Verweerders zijn bij de ontheffingsverlening voor 2011 met een schaarste geconfronteerd toen meerdere partijen geïnteresseerd bleken te zijn in de enige beschikbare ontheffing." Vervolgens hebben zij "aangekondigd beleid voor de ontheffingverlening voor de zondagavondopenstelling te gaan ontwikkelen. Daarbij is kenbaar gemaakt dat er waarschijnlijk een op loting gebaseerd systeem zou worden gekozen. Appellante is vervolgens bij brief […] uitgenodigd om bij de loting […] aanwezig te zijn. Verweerders hebben in die brief gemeld dat de ontheffing voor de duur van één jaar wordt verleend en dat door middel van loting voor de komende vier jaar wordt vastgesteld in welke volgorde de betrokken aanvragers […] op zondag open mogen zijn. Gelet op het voorgaande oordeelt het College dat appellante ten tijde van het primaire besluit bekend was […] met de hoofdlijnen van het beleid van verweerders en dat niet kan worden staande gehouden dat er ten tijde van de primaire besluiten geen deugdelijke beleid was. […] Indien, zoals in het onderhavige geval, sprake is van schaarste in te verlenen ontheffingen, is het hanteren van een loting als zodanig niet een rechtens ongeoorloofd middel om een rangorde in overigens vergelijkbare aanvragen aan te brengen." Volgens deze overwegingen is het toegestaan dat het bestuur pas na binnenkomst van de aanvragen een beleid ontwikkelt voor de verdeling van de schaarse ontheffingen. Aldus kan uit het wettelijk zwijgen over het verdeelsysteem niet zonder meer (impliciet) worden afgeleid dat de verdeling zal plaatsvinden op volgorde van binnenkomst. Anders gezegd: overstappen van een impliciete ‘keuze’ voor verdeling op volgorde van binnenkomst naar een andere verdeelprocedure is niet in strijd met de ‘zware eisen’, die voor de verdeling van schaarse vergunningen gelden. Dat ligt, analoog aan de zaak Albert Heijn (punt 4.6), vermoedelijk anders als het bestuur expliciet heeft gekozen voor een verdeling op volgorde van binnenkomst en deze keuze ook bekend heeft gemaakt. Conform het oordeel van het CBB in die zaak lijkt mij ook dan de rechtszekerheid van degenen die tijdig een aanvraag hebben ingediend in de weg te staan aan het overstappen op een andere verdelingsprocedure. In de zaak oordeelt het College, in lijn met eerdere rechtspraak, (zie noot 64) dat loting een rechtens geoorloofd middel is om een rangorde aan te brengen in overigens vergelijkbare aanvragen. Omdat verweerder heeft gekozen voor dit middel is het niet problematisch dat hij het verdelingsbeleid pas heeft ontwikkeld en bekendgemaakt nadat de aanvragen waren ingediend. Had verweerder gekozen voor een vergelijkende toets, dan was deze handelwijze mijns inziens niet mogelijk geweest, omdat aanvragers dan geen rekening hadden kunnen houden met de daarbij toegepaste criteria. 4.8 De zware eisen die onder meer om reden van rechtszekerheid gelden voor de besluitvorming over de verlening van schaarse publieke rechten, komt men ook tegen in een uitspraak van het CBB uit 2012 in de zaak Wassenaar. (zie noot 65) In die zaak hadden b en w van Wassenaar de enige ontheffing voor zondagopenstelling die zij konden verlenen, voor onbepaalde tijd verleend aan E, omdat diens ontheffing eerder was ontvangen dan die van C. Het verzoek van C was daarom geweigerd. C stelt tegen deze besluiten beroep in bij het CBB. Het College stelt - conform de in punt 4.4 en 4.5 vermelde rechtspraak - dat de verlening op volgorde van binnenkomst in beginsel "aanvaardbaar is". De zaak spitst zich vervolgens toe op de verlening van de ontheffing aan E voor onbepaalde tijd. Het College overweegt: Volgens vaste jurisprudentie van het College dienen aan de besluitvorming met betrekking tot de toekenning van een schaarse ontheffing zoals hier in geding onder meer uit het oogpunt van rechtszekerheid zware eisen te worden gesteld. Naar het oordeel van het College betekent dit dat in het geval van een schaarse ontheffing andere gegadigden — waarvan bekend is dat zij interesse hebben in de beschikbare ontheffing omdat zij ook een aanvraag hebben ingediend — in beginsel de gelegenheid moet worden geboden om mee te dingen naar de ontheffing. Door de ontheffing voor onbepaalde tijd aan E te verlenen hebben verweerders de belangen van C om in de toekomst mee te kunnen dingen naar de ontheffing miskend. De ontheffingverlening voor onbepaalde tijd sluit immers uit dat C in de toekomst alsnog een ontheffing kan krijgen. Voor zover bij het bestreden besluit de ontheffingverlening aan E voor onbepaalde tijd is gehandhaafd, hebben verweerders gehandeld in strijd met de in artikel 3:4 Awb neergelegde zorgvuldigheidsnorm. De desbetreffende beroepsgrond van C treft doel. Uit deze zaak blijkt in de eerste plaats dat schaarse ontheffingen niet voor onbepaalde tijd mogen worden verleend. Het College acht dat in strijd met het (materiële) zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:4 Awb. In de tweede plaats stelt het CBB dat, ook in het onderhavige geval van verdeling van schaarse ontheffingen op volgorde van binnenkomst, aan andere gegadigden - "waarvan bekend is dat zij interesse hebben in de beschikbare ontheffing omdat zij ook een aanvraag hebben ingediend" - in beginsel de gelegenheid moet worden geboden om naar de ontheffingen mee te dingen. Voor zover daarover nog twijfel bestond, wordt aldus duidelijk dat volgens het College ook het systeem van verlening op volgorde van binnenkomst kwalificeert als een systeem waarin reële mededingingskansen bestaan. De gegadigden die zo’n kans moeten worden geboden, lijken te worden beperkt tot hen, waarvan bekend is dat zij interesse hebben in de beschikbare ontheffing. Of het hierbij gaat om een principiële beperking, betwijfel ik echter aangezien het College in hiervoor vermelde zaken in dit verband de veel ruimere categorie van (potentiële) gegadigden hanteert. Ook in de hierna te bespreken zaak hanteert het College een ruimere categorie. 4.9 Die zaak betreft de gemeente Castricum. (zie noot 66) De zaak betreft wederom een schaarse ontheffing voor zondagopenstelling, die ditmaal via een systeem van loting wordt verdeeld. Het College stelt ook in deze zaak voorop dat volgens vaste rechtspraak aan de besluitvorming met betrekking tot de toekenning van een schaarse ontheffing onder meer uit het oogpunt van rechtszekerheid zware eisen dienen te worden gesteld. Volgens het CBB is hieraan in dit geval niet voldaan. Het overweegt: "Voor verdeling was in de andere kernen dan Limmen in de gemeente Castricum één ontheffing beschikbaar. Omdat er meer gegadigden waren, hebben verweerders besloten de methode van loting toe te passen. Deze methode acht het College, zoals al in eerdere jurisprudentie overwogen, op zichzelf aanvaardbaar. Alvorens tot loting over te gaan hebben verweerders een aantal supermarkten in de gelegenheid gesteld hun belangstelling kenbaar te maken. Zij hebben evenwel niet alle winkels en wellicht - op dit punt staan de standpunten van appellante en verweerders tegenover elkaar - ook niet alle supermarkten in de betrokken kernen aangeschreven. […] Bovendien hebben verweerders de ontheffing verleend voor onbepaalde tijd. Hiermee hebben zij het belang van de andere gegadigden om in de toekomst te kunnen meedingen naar de ontheffing miskend. De ontheffingverlening voor onbepaalde tijd sluit immers uit dat andere gegadigden in de toekomst alsnog een ontheffing kunnen krijgen. […] Op grond van een en ander is het College van oordeel dat de procedure die door verweerders is gevolgd bij de toedeling van de schaarse ontheffing onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat verweerders zich te weinig rekenschap hebben gegeven van de bij de verlening van de ontheffing voor onbepaalde tijd betrokken belangen […]. Aldus hebben verweerders bij het nemen van hun besluit de ontheffing te verlenen gehandeld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 Awb." Ook in deze uitspraak maakt het CBB duidelijk dat een schaarse ontheffing niet voor onbepaalde tijd mag worden verleend. Bovendien kiest het College voor een ruime kring van winkels en supermarkten die door het bestuur in de gelegenheid moeten worden gesteld om naar te verdelen ontheffing mee te dingen. De vernietiging wordt gebaseerd op de schending van zowel artikel 3:2 als 3:4 Awb. 4.10 Een volgende relevante uitspraak van het CBB betreft de zaak Lanaut. (zie noot 67) In die zaak kon volgens de Culemborgse verordening één vergunning voor een automatenhal worden verleend en had het bestuur er in zijn beleidsregels voor gekozen om de vergunning door middel van een vergelijkende toets te verlenen. Nadat geen enkele aanvraag aan de criteria van deze toets voldeed, verleende de burgemeester, met afwijking van de beleidsregels, de vergunning aan Amutron. Lanaut stelt beroep in bij het CBB. "Het College overweegt in dit verband voorts dat het verweerder niet vrijstond om gedurende de besluitvormingsfase over te gaan tot een wijziging van de Beleidsregels. Verweerder heeft de enige beschikbare vergunning verleend op basis van een vergelijking tussen de verschillende aanvragen, de zogenoemde vergelijkende toets. Vanuit een oogpunt van objectiviteit, transparantie en rechtszekerheid dienen bij het toepassen van een vergelijkende toets de criteria waaraan de aanvragen worden getoetst, tevoren te worden vastgelegd en kunnen deze criteria gedurende de besluitvormingsfase niet worden gewijzigd; hooguit verduidelijkt. Gezien de wijze waarop verweerder de criteria van de Beleidsregels heeft gehanteerd, kan van zulk een verduidelijking niet worden gesproken. Het vorenoverwogene brengt het College tot de slotsom dat verweerder zowel in primo als in bezwaar op ontoelaatbare wijze is afgeweken van de beleidsregels, en dusdoende heeft gehandeld in strijd met artikel 4:84 Awb." Uit de uitspraak blijkt dat als het bestuur kiest voor de verdeling van schaarse vergunningen op grond van een vergelijkende toets, de toe te passen criteria tevoren moeten worden vastgelegd en wijziging daarvan gedurende de besluitvorming niet meer mogelijk is. Op dit punt vertoont de uitspraak gelijkenis met die in de zaak Albert Heijn (punt 4.6). De criteria mogen overigens worden vastgelegd in een beleidsregel, maar afwijking daarvan op grond van artikel 4:84 Awb lijkt niet mogelijk, hoogstens ‘verduidelijking’. De uitspraak is bovendien interessant, omdat de hiervoor genoemde eis van vastlegging vooraf en het verbod van wijziging worden gebaseerd op de beginselentrits ‘objectiviteit, transparantie en rechtszekerheid’, een trits die men ook aantreft in de rechtspraak van het Hof van Justitie (zie punt 3.7). 4.11 Ten slotte vermeld ik één uitspraak van het College, (zie noot 68) waarin het gaat om een door vaststelling van een subsidieplafond schaars gemaakte subsidie, omdat deze licht werpt op de eisen die het College stelt aan het vooraf kenbaar maken van de criteria die bij een vergelijkende toets zullen worden toegepast. Het ging in die zaak om een innovatiesubsidie. Het bestuur had de beoordelingscriteria in een regeling vastgelegd, maar ervoor gekozen om deze verder te ontwikkelen na ontvangst van de aanvragen. Aldus kon het rekening houden met nieuwe inzichten die uit de voorstellen naar voren kwamen en kreeg het bovendien zicht op onderdelen die juist niet meer als vernieuwend beschouwd konden worden omdat zij al in een groot aantal aanvragen waren opgenomen. Het College acht dit systeem niet in strijd met artikel 4:26 Awb, omdat de wel wettelijke vastgelegde criteria voldoende inzicht gaven in de wijze van verdeling. Ter compensatie overweegt het College wel, dat (…) "[…] ter bevordering van een voldoende mate van transparantie wel eisen gesteld moeten worden aan de wijze waarop achteraf van de wegingen en waarderingen die hebben plaatsgevonden, verslag wordt gedaan en verantwoording wordt afgelegd." Omdat dit onvoldoende was gebeurd, wordt het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 Awb. Uit deze uitspraak blijkt dat het bij deze vergelijkende toets wel mogelijk is dat de wettelijk vastgestelde verdelingscriteria na afloop van het aanvraagtijdvak nader worden ontwikkeld. Daarbij is het volgens mij van belang dat de zaak betrekking heeft op de verdeling van innovatiesubsidies en het dan inderdaad lastig kan zijn om ook nadere criteria al vooraf vast te stellen. Bovendien stelt het College ter compensatie hoge eisen aan de motivering van de besluiten. Deze eisen dienen ter bevordering van een voldoende mate van "transparantie". De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 4.12 Rechtspraak waarin de Afdeling op grond van uitsluitend ongeschreven Nederlands recht klip en klaar stelt dat bij de verdeling van schaarse publieke rechten aan potentiële gegadigden reële mededingingsruimte moet worden geboden, bestaat eigenlijk niet. In de enige uitspraak, waarin de Afdeling een dergelijke rechtsplicht aanneemt - de zaak Schindler waarnaar de voorzitter in zijn conclusieverzoek verwijst - baseert zij deze plicht op het Unierecht. Daarnaast is er de recente zaak JVH, waarin de Afdeling het bestaan van deze verplichting impliciet accepteert. Ten slotte is er veel rechtspraak van de Afdeling, waarin zij eisen stelt aan de verdeling van schaarse publieke rechten in de situatie dat het bestuur of de wet- of regelgever voor een vergelijkende toets heeft gekozen. Van die laatste rechtspraak bespreek ik twee uitspraken, omdat zij licht werpen op bijzondere eisen die in dat geval gelden. 4.13 De enige uitspraak waarin de Afdeling met zoveel woorden stelt dat het bestuur bij de verdeling van schaarse publieke rechten potentiële gegadigden reële mededingingsruimte moet bieden, is - als gezegd - de zaak Schindler. (zie noot 69) De zaak betrof de afwijzing door de Minister van Justitie van een aanvraag om een vergunning voor het organiseren van een goede doelenloterij van het Duitse bedrijf Schindler. De afwijzing was gebaseerd op het kansspelbeleid dat de minister voerde en dat inhield dat aan drie loterijen (postcodeloterij, bankgiroloterij en de sponsorloterij) steeds voor een periode van vijf jaar een vergunning werd verleend en dat er geen ruimte was voor nieuwe loterijen. In hoger beroep bij de Afdeling stelt Schindler dat de afwijzing in strijd is met het Unierecht. In haar uitspraak oordeelt de Afdeling dat de afwijzing een beperking inhoudt van het vrij verkeer van diensten van (thans) artikel 56 VWEU. Beperkingen hiervan zijn op zich mogelijk, maar op grond van de rechtspraak van het Hof, waarnaar de Afdeling verwijst, alleen als deze: "[…] hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang; zij moeten geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en zij mogen niet verder gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is. Zij dienen in elk geval zonder discriminatie te worden toegepast." Vervolgens gaat de Afdeling na of het beleid van de Minister en de daarop gebaseerde afwijzing in het licht van deze eisen gerechtvaardigd is. Uiteindelijk overweegt zij als volgt. "Voor zover de Minister er in zou slagen aannemelijk te maken dat er gegronde redenen zijn om niet meer dan de drie bestaande houders van (semi)permanente vergunningen op basis van artikel 3 van de Wks toe te laten, valt voorts niet in te zien dat die vergunningen, die telkens voor een periode van vijf jaar worden verleend, en die wat betreft de postcodeloterij, bankgiroloterij en de sponsorloterij aflopen op respectievelijk 31 december 2007, 30 april 2008 en 31 december 2010, telkens aan dezelfde vennootschappen als de huidige, worden verleend. Ter zitting heeft de Minister bevestigd dat thans bij de verlening van deze vergunningen, noch bij de elders in de wet geregelde vergunningen voor kansspelen, die met uitzondering van die voor de staatsloterij en casinospelen eveneens telkens voor een periode van vijf jaar worden verleend, enige vorm van aanbesteding plaatsvindt. Dit kan, in het licht van de in de jurisprudentie van het Hof gestelde eisen van geschiktheid en proportionaliteit, zoals verwoord in de arresten […] en […], niet worden gerechtvaardigd door de verwijzing naar het belang van het houden van greep op de markt, nu dit belang voldoende wordt gediend door de vergunningverlening aan objectieve criteria te binden, waarbij elke potentiële aanbieder op dezelfde voorwaarden naar het verkrijgen daarvan kan meedingen." De Afdeling concludeert "dat de Minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat het door hem gevoerde kansspelbeleid een geschikt en proportioneel middel is om de uit de weigering van de gevraagde vergunning voortvloeiende beperking van het vrij verkeer van diensten te rechtvaardigen." De beslissing is "in zoverre onvoldoende gemotiveerd". Het is duidelijk dat potentiële aanbieders bij de verdeling van de aan de orde zijnde schaarse vergunningen op dezelfde voorwaarden moeten kunnen meedingen en dat deze verplichting gebaseerd is op het Unierecht. Hoe de ‘mededingingsprocedure’ er precies moet uitzien is minder duidelijk. De Afdeling spreekt weliswaar van "enige vorm van aanbesteding", maar of zij daarmee de aanbestedingsprocedure in de zin van de in punt 3.2 genoemde richtlijnen bedoelt, is onzeker en lijkt mij onwaarschijnlijk. 4.14 Een volgende uitspraak van de Afdeling die vermelding verdient, is de recente uitspraak in de zaak JVH. (zie noot 70) Deze zaak betreft, zoals veel van de hiervoor vermelde uitspraken van het CBB, een vergunningenstelsel voor de vestiging en exploitatie van een speelautomatenhal, geregeld in de Rotterdamse APV 2012, waarvoor een plafond van 12 vergunningen gold. In de APV was geen verdelingsmechanisme voor deze vergunningen opgenomen. De burgemeester van Rotterdam had - op basis van volgorde van binnenkomst - de twaalfde vergunning verleend aan Silver Plaza en had de aanvraag van JVH daarom afgewezen. JVH stelt uiteindelijk hoger beroep in bij de Afdeling, waarbij hij gronden aanvoert over de toepassing van het systeem van verlening op volgorde van binnenkomst en tegen de wijze waarop kenbaar is gemaakt dat er nog maar één vergunning kon worden verleend. Wat betreft het eerste punt stelt de Afdeling voorop dat de burgemeester onder de gelding van de APV 2008 "de bestendige gedragslijn" volgde dat verlening plaatsvond "op volgorde van binnenkomst" en dat de APV 2012 daarin geen wijziging heeft gebracht. Vervolgens overweegt zij: "Voorts heeft de rechtbank de bestendige gedragslijn van de burgemeester terecht niet in strijd met het zorgvuldigheids- en gelijkheidsbeginsel bevonden. Zij is JVH terecht niet gevolgd in haar beroep op voormelde rechtspraak van het CBB [de zaak Swiss Leisure Group, zie punt 4.3 - RW]. Anders dan in de zaak waar die uitspraak op zag, waren in dit geval niet reeds alle speelautomatenhallenvergunningen verleend en werd geen ruimte gecreëerd voor het verlenen van een nieuwe speelautomatenhalvergunning, zonder andere ondernemers de gelegenheid te bieden naar de vrijgekomen plek mee te dingen. Verder is de rechtbank JVH terecht niet gevolgd in het betoog dat de burgemeester haar kenbaar had moeten maken dat nog één speelautomatenhalvergunning kon worden verleend. Met de inwerkingtreding van de APV 2012 is het maximum aantal van twaalf te verlenen speelautomatenhalvergunningen niet gewijzigd. JVH exploiteert reeds jaren twee speelautomatenhallen in Rotterdam en was derhalve bekend, althans had bekend kunnen en moeten zijn met het geldende maximum aantal vergunningen. In dat verband heeft de burgemeester aangetoond dat op de gemeentelijke website was vermeld dat nog één speelautomatenhalvergunning te verlenen was. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de burgemeester niet verplicht was om daarnaast door publicatie in het Gemeenteblad, via een brief of op andere wijze kenbaar te maken dat nog één speelautomatenhalvergunning kon worden verleend. De gevolgen van het feit dat JVH geen aanvraag tot verlening van de laatst beschikbare speelautomatenhalvergunning heeft ingediend toen deze vergunning nog beschikbaar was, komen daarom voor haar rekening […]." De uitspraak vertoont gelijkenis met de - in punt 4.5 vermelde - uitspraak van het CBB in de zaak EM-TÉ. Evenals in die zaak acht de Afdeling een systeem van verlening van schaarse vergunningen op volgorde van binnenkomst toelaatbaar - want niet in strijd met het "zorgvuldigheids- en gelijkheidsbeginsel" - en onderscheidt zij de situatie in de zaak uitdrukkelijk van die in de zaak Swiss Leisure Group. Aldus lijkt ook de Afdeling van oordeel dat een systeem van verlening op volgorde van binnenkomst pas problematisch is in de situatie van die zaak, omdat in die situatie - zoals in punt 4.3 aangegeven - de nieuwe ruimte om een vergunning te verlenen ontstond toen Hommerson zijn vergunning voor een andere locatie introk en Hommerson daarom per definitie als eerste van de ontstane ruimte gebruik kon maken. Onder die omstandigheden is verlening op volgorde van binnenkomst van aanvragen niet zonder meer mogelijk, omdat dan "andere ondernemers" niet de gelegenheid hebben "naar de vrijgekomen plek mee te dingen". Impliciet blijkt uit deze overweging, dat ook de Afdeling van mening is dat aan andere gegadigden bij de verdeling van een schaarse vergunning reële mededingingsruimte moet worden geboden. De uitspraak is bovendien interessant voor de eisen die worden gesteld aan het kenbaar maken van het feit dat nog maar één vergunning kon worden verleend. De Afdeling acht het in dit verband van belang dat de burgemeester heeft "aangetoond" dat hij dit punt heeft vermeld op de gemeentelijke website. In dat geval is het niet nodig dat dit punt daarnaast ook nog door publicatie in het Gemeenteblad, via een brief of op andere wijze kenbaar wordt gemaakt. Uit deze overweging kan worden afgeleid dat de beschikbaarheid van die ene vergunning in elk geval op enigerlei wijze moet zijn bekendgemaakt via een voor gegadigden toegankelijk medium. Dat dit gebeurd is, moet door het bestuur bovendien worden aangetoond, niet slechts ‘aannemelijk’ worden gemaakt. 4.15 Andere rechtspraak van de Afdeling betreffen situaties waarin het bestuur of de wet- of regelgever zelf heeft gekozen voor verdeling van de publieke rechten door middel van een vergelijkende toets. Van deze rechtspraak bespreek ik twee uitspraken omdat daaruit eisen blijken die vermoedelijk voor de verlening van schaarse publieke rechten via een vergelijkende toets in algemene zin gelden. De eerste uitspraak betreft de zaak Albert Cuyp. (zie noot 71) In die zaak ging het om een zogenoemde kraamzetvergunning, een vergunning voor het plaatsen en verhuren van kramen op de Albert Cuyp markt. Op grond van het beleid van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid 2005 gold hiervoor een maximum van vier, op grond van beleid 2008 een maximum van één. Volgens het beleid in beide jaren werd(en) de vergunning(en) verleend via een openbare inschrijving, waaraan iedere gegadigde kon deelnemen. Over de selectie werd het stadsdeel geadviseerd door een commissie, die daarbij de aanvragen moest vergelijken op basis van kwaliteit, prijs en eventuele ‘extra’s’. Het geschil bij het Afdeling spitste zich uiteindelijk toe op de vraag of de besluitvorming van het dagelijks bestuur, die erop neerkwam dat de onder het beleid 2005 ingediende aanvraag van appellant niet was gehonoreerd, in bezwaar ex tunc, op grond van het beleid 2005, moest worden beoordeeld (zoals het dagelijks bestuur had gedaan) of ex nunc, op grond van het beleid 2008 (zoals de rechtbank had bepaald). De Afdeling overwoog als volgt: "Het dagelijks bestuur voert, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2008 in zaak nr. 200805138/1 en de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 8 januari 2010 in zaak nr. 09/1035 [zaak Albert Heijn, zie punt 4.6], evenwel terecht aan dat in een geval als dit, waarbij de beoordeling van aanvragen om schaarse vergunningen via een zogenoemd tendersysteem verloopt, als uitgangspunt geldt dat het beleid dient te worden toegepast zoals dat gold op de laatste dag waarop de aanvragen konden worden ingediend, en een bestuursorgaan dat beleid niet hangende de besluitvormingsprocedure ten nadele van een of meer aanvragers kan wijzigen. Uit artikel 1, vijfde lid, van het beleid 2005 volgt dat de aanvragen konden worden ingediend tot en met 31 augustus 2005. De aanvraag van [appellant sub 1] van 13 juli 2005 is op 20 juli 2005 door het dagelijks bestuur ontvangen en derhalve voor afloop van de inschrijvingstermijn. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat het beleid 2005 voor [appellant sub 1] gunstiger was dan het beleid 2008, aangezien het beleid 2005 vergunningverlening aan maximaal vier kramenzetters en -verhuurders toelaat en het beleid 2008 slechts aan één." De uitspraak maakt duidelijk dat een bezwaar tegen de verdeling van schaarse vergunningen via een tendersysteem - in de terminologie van het CBB en deze conclusie, een vergelijkende toets (punt 2.6) - ex tunc moet worden beoordeeld. Tot welk tijdstip die beoordeling precies moet teruggaan is minder duidelijk, aangezien de Afdeling eerst stelt dat het beleid moet worden toegepast "dat gold op de laatste dag waarop aanvragen konden worden ingediend", maar in dezelfde zin ook van oordeel is dat het beleid "niet hangende de besluitvormingsprocedure ten nadele van een van de aanvragers kan worden gewijzigd". Die laatste formulering sluit aan bij die van het CBB in de zaak Albert Heijn (zie punt 4.6), waarnaar de Afdeling expliciet verwijst, en in de zaak Lanaut (punt 4.10). Volgens het CBB is in het geval van een vergelijkende toets wijziging van het ter zake toe te passen beleid wellicht al niet meer mogelijk vanaf het moment dat het beleid aan gegadigden is gecommuniceerd, maar is dit hoe dan ook niet toegestaan vanaf het moment dat de eerste aanvraag is ingediend. Beide momenten liggen ruim voor de laatste dag waarop de aanvragen konden worden ingediend. Ten slotte merk ik op dat de Afdeling - anders dan het CBB - het voor de onderbouwing van haar oordeel niet nodig acht te verwijzen naar de ‘zware eisen die op grond van onder meer het rechtszekerheidsbeginsel’ aan de besluitvorming met betrekking tot schaarse vergunningen worden gesteld (Albert Heijn) of naar de eisen van objectiviteit, transparantie en rechtszekerheid (Lanaut). 4.16 Ten slotte kan melding worden gemaakt van de uitspraak van de Afdeling in de zaak VSO. (zie noot 72) Deze zaak betrof de weigering door de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van de aanvraag van VSO voor een - als gevolg van de vaststelling van een subsidieplafond - schaarse subsidie. De verdeling van het plafond vond plaats aan de hand van de uitkomsten van een kwalitatieve beoordeling overeenkomstig de maatstaven van diverse beleidsregels. Zoals aangeven in punt 4.1, moet bij de bekendmaking van een subsidieplafond de wijze van verdeling worden vermeld en moet deze bekendmaking plaatsvinden voor aanvang van het aanvraagtijdvak (art. 4:26, eerste lid, juncto 4:27, eerste lid, Awb). In hoger beroep bij de Afdeling voert VSO aan dat de staatssecretaris in haar geval had moeten afwijken van de beleidsregels en dat niet alle verdelingsmaatstaven voor aanvang van het aanvraagtijdvak zijn bekendgemaakt. De Afdeling overweegt als volgt: "Kenmerkend voor de verdeling van subsidie via een tendersysteem is dat alle aanvragen op basis van gelijke criteria onderling worden vergeleken en beoordeeld. Voorop gesteld wordt dat bij een dergelijke procedure in beginsel geen ruimte bestaat om in individuele gevallen uitzonderingen toe te staan. Bij de toepassing van artikel 4:84 Awb moet het gaan om bijzondere, dat wil zeggen bij het vaststellen van de beleidsregels niet verdisconteerde omstandigheden. De door VSO gestelde bijzondere organisatiestructuur is niet een zodanige omstandigheid. […] De beoordelingscriteria en -aspecten zijn opgenomen in de - vóór aanvang van het aanvraagtijdvak gepubliceerde - Beleidsregels en tevens in het Aanvraagstramien MFS II. Voorts is in het Aanvraagstramien MFS II ieder beoordelingsaspect van een toelichting voorzien. Daar komt bij dat, zoals door de staatssecretaris is gesteld, voorlichtingsbijeenkomsten zijn georganiseerd en potentiële subsidieaanvragers op die bijeenkomsten en per e-mail vragen mochten stellen. Alleen het beoordelingsstramien, met daarin opgenomen de eerdergenoemde indicatoren, heeft de staatssecretaris niet tevoren bekendgemaakt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een dergelijk systeem verenigbaar is met artikel 4:26 van de Awb, op voorwaarde dat de beoordelingscriteria helder zijn omschreven en de aanvrager voldoende duidelijk kunnen zijn. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat in dit geval de toepasselijke beoordelingscriteria onvoldoende transparant zijn. Het betoog faalt." Deze uitspraak, waarin het gaat om een wettelijk voorgeschreven tendersysteem of vergelijkende toets, is om twee redenen van belang. In de eerste plaats stelt de Afdeling dat in een dergelijk systeem, waarbij alle aanvragen "op basis van gelijke criteria worden vergeleken en beoordeeld", in beginsel geen ruimte bestaat voor uitzonderingen hierop in een individueel geval, zij het dat afwijking van die regel wellicht toch mogelijk is in het geval van bijzondere, in de beleidsregel niet verdisconteerde omstandigheden. In de tweede plaats maakt de Afdeling duidelijk dat een systeem, waarin de beoordelingscriteria en -aspecten wel in de vóór de aanvang van het aanvraagtijdvak gepubliceerde beleidsregels zijn opgenomen, maar het beoordelingsstramien (en de daarin opgenomen indicatoren) niet tevoren zijn bekendgemaakt, verenigbaar is met artikel 4:26 Awb, mits de beoordelingscriteria helder zijn omschreven en de aanvrager voldoende duidelijk kunnen zijn. Interessant is dat de Afdeling in dit verband het begrip ‘transparant’ bezigt. Wat betreft het laatste aspect vertoont de uitspraak nogal wat gelijkenis met de in punt 4.11 besproken uitspraak van het CBB, zij het dat de Afdeling de lat wellicht iets hoger legt. Als dat het geval is, dan kan dat volgens mij worden verklaard doordat het in de CBB-uitspraak ging om een innovatiesubsidie en het dat geval niet onbegrijpelijk is dat de toe te passen criteria nog nader moeten worden ontwikkeld. De Hoge Raad 4.17 Zoals eerder aangegeven (punt 3.7) zijn de Unierechtelijke eisen voor de verdeling van schaarse vergunningen door het Hof ontleend aan zijn rech

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.