(2009)313 definitief; hierna: de richtsnoeren, waarin staat dat de nationale autoriteiten zo nodig het bestaan van de middelen, de rechtmatigheid ervan, alsook het bedrag en de beschikbaarheid ervan, mogen verifiëren. 4.
- Uit het arrest Singh e.a. volgt dat volgens vaste jurisprudentie van het Hof (arrest van 10 december 2013, Alokpa en Moudoulou, ECLI:EU:C:2013:645) het begrip 'beschikken' over voldoende bestaansmiddelen in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verblijfsrichtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het volstaat dat die bestaansmiddelen de burgers van de Unie ter beschikking staan, zonder dat die bepaling het minste vereiste stelt met betrekking tot de herkomst van die middelen, welke met name door de derdelander ter beschikking kunnen zijn gesteld (zie punt 74 van het arrest Singh e.a.). Het toevoegen van een vereiste met betrekking tot de herkomst van de bestaansmiddelen zou een onevenredige inmenging vormen in de uitoefening van het door artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gewaarborgde fundamentele recht van vrij verkeer en verblijf, aangezien dat niet noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het beoogde doel, te weten de bescherming van de overheidsfinanciën van de lidstaten (zie punt 75 van het arrest Singh e.a.). Dat een deel van de bestaansmiddelen waarover de burger van de Unie beschikt, afkomstig is van middelen die de echtgenoot, die derdelander is, haalt uit de activiteit die hij in het gastland uitoefent, belet niet dat aan de voorwaarde inzake toereikende bestaansmiddelen van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verblijfsrichtlijn is voldaan (zie de punten 76 en 77 van het arrest Singh e.a.). 4.
- Uit de in 4.
- weergegeven jurisprudentie van het Hof volgt dat voor de vaststelling of de burger van de Unie over voldoende bestaansmiddelen voor zich zelf en zijn familieleden beschikt het volstaat dat die middelen de burger van de Unie ter beschikking staan en dat deze middelen ook afkomstig mogen zijn uit middelen van de derdelander. 4.
- De vreemdeling heeft in de besluitvormingsfase een arbeidscontract en salarisspecificaties overgelegd waaruit blijkt dat de vreemdeling sinds 17 november 2014 inkomsten uit arbeid heeft. De rechtbank heeft door te overwegen dat de staatssecretaris met deze inkomsten terecht geen rekening heeft gehouden niet onderkend dat gelet op het arrest Singh e.a. bij de beoordeling of een burger van de Unie over voldoende bestaansmiddelen beschikt, de staatssecretaris ook het inkomen van zijn echtgenoot, de derdelander, dient te betrekken voor zover dat die burger van de Unie ter beschikking staat. Deze uitleg sluit aan bij het doel dat het vereiste om over voldoende bestaansmiddelen te beschikken dient, namelijk de bescherming van de overheidsfinanciën van de lidstaten. De omstandigheid dat de vreemdeling is begonnen met werken op een tijdstip dat referente daarmee al was gestopt, maakt het voorgaande niet anders omdat de staatssecretaris diende te beoordelen of referente ten tijde van het nemen van het besluit van 31 maart 2015 over voldoende bestaansmiddelen beschikte. De staatssecretaris heeft de mogelijkheid om het bestaan van de middelen, de rechtmatigheid ervan, alsook het bedrag en de beschikbaarheid ervan te verifiëren, als bedoeld in de hiervóór in 4.
- beschreven passage uit de richtsnoeren, maar het enkele feit dat een derdelander inkomsten in het gastland heeft verworven voordat is vastgesteld of een burger van de Unie rechtmatig verblijf heeft, maakt niet dat de inkomsten reeds daarom niet rechtmatig zijn. De staatssecretaris had gelet op het arrest Singh e.a. bij de beoordeling of referente over voldoende bestaansmiddelen beschikt rekening moeten houden met de door de vreemdeling gegenereerde inkomsten. De rechtbank heeft derhalve niet onderkend dat de staatssecretaris in het besluit van 31 maart 2015 een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 8.12, eerste lid, onder b, van het Vb
- De grief slaagt.
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van de staatssecretaris van 31 maart 2015 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
- De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 14 juli 2015 in zaak nr. 15/6984; III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 31 maart 2015, V-nummer [nummer]; V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.984,00 (zegge: negentienhonderdvierentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 415,00 (zegge: vierhonderdvijftien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier. w.g. Lubberdink w.g. Graat voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2016 307.