201509036/1/A3. Datum uitspraak: 22 juni 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 28 oktober 2015 in zaak nr. 15/3020 in het geding tussen: [appellant] en de korpschef van politie. Procesverloop Bij besluit van 16 november 2014 heeft de korpschef de aan No Point Security verleende toestemming om [appellant] beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten ingetrokken. Bij besluit van 22 mei 2015 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 oktober 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] en de korpschef hebben nadere stukken ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2016, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. de Vries, advocaat te Noordwijk en zijn echtgenote en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. A.J. Buurma, A.J. van Schaik en K.H. Boer, zijn verschenen. Op verzoek van [appellant] en de korpschef heeft de Afdeling na de zitting de door de korpschef ter zitting bij de Afdeling overgelegde camerabeelden bekeken. De Afdeling heeft het onderzoek gesloten op 19 mei 2016. Overwegingen Inleiding 1. Voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden is voorafgaande toestemming nodig van de korpschef. [appellant] had ten tijde van de intrekking van de toestemming zijn eigen beveiligingsorganisatie, die thans door zijn echtgenote wordt geleid en verrichtte op dat moment al 26 jaar beveiligingswerkzaamheden. Op 3 augustus 2014, tijdens zijn werk als portier in een horecagelegenheid aan [locatie] te Noordwijk, heeft hij een bezoeker opzettelijk een vuistslag tegen diens neus gegeven. Dit feit heeft de korpschef aan de intrekking van de toestemming ten grondslag gelegd. Aan zijn besluit van 22 mei 2015 heeft de korpschef ook ten grondslag gelegd dat de politierechter [appellant] daarvoor heeft veroordeeld tot 100 uren werkstraf subsidiair 50 dagen hechtenis (waarvan 30 uren subsidiair 15 dagen voorwaardelijk) met een proeftijd van twee jaren. De korpschef heeft zijn besluiten gebaseerd op onderdeel 2.3 onder b en c van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Beleidsregels). 1.1. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter van 13 maart 2015. In zijn arrest van 24 maart 2016 heeft het Gerechtshof Den Haag [appellant] ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen: "Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. (…) Gelet op de inhoud van het dossier, het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep - waaronder de ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep uitgekeken camerabeelden en de verklaring van de verdachte (…) stelt het hof de hieronder weergegeven feiten en omstandigheden vast. Het hof onderscheidt daarbij twee fases. Fase 1 Op 3 augustus 2014 was de verdachte als portier werkzaam in [bedrijf] in Noordwijk. [aangever] was daar eveneens aanwezig met zijn broer en een aantal vrienden ter gelegenheid van het vrijgezellenfeest van aangever. Blijkens de verklaring van [broer] van de verdachte, bestond de groep uit ongeveer 15 personen. Rond 01:30 zag de verdachte dat in de zaak de rode lamp brandde. Dat is het signaal voor het personeel dat sprake is van een vechtpartij in de zaak. De verdachte stond op dat moment bij de toegangsdeur van de Bar Dancing. Drie tot vijf klanten, waaronder de aangever, werden door andere personeelsleden de zaak uitgezet. Op de camerabeelden is te zien dat enkele personen kort daarna weer naar binnen probeerden te komen. Tegelijkertijd werden andere klanten - volgens de verdachte ook leden van eerdergenoemde groep - naar buiten gewerkt. Verdachte is op dat moment door een aantal personen uit eerdergenoemde groep omver gelopen waarbij de verdachte (…) geschopt en geslagen werd. Als gevolg daarvan kwam de verdachte ten val en is hij vervolgens op handen en voeten naar buiten gekropen. Fase II Eenmaal buiten is de verdachte onmiddellijk opgestaan. Hierna heeft hij de aangever vastgepakt, hem apart genomen van de groep en hem tegen een muur aan gezet. Aangever vertoonde toen geen agressief gedrag naar de verdachte. Evenmin werd de verdachte op dat moment belaagd door andere personen. De verdachte heeft verklaard op dat moment nog steeds veel pijn te hebben gevoeld als gevolg van het eerdere, op hem toegepaste geweld. Ook was hij door het voorval vol van emotie, verbouwereerd en onthutst. Omdat de groep nog steeds aanwezig was, was hij tevens bang voor een herhaling van het eerdere agressieve incident bij de deur van de Bar Dancing. Een aantal seconden later heeft de verdachte - nadat de aangever blijkens de camerabeelden iets tegen de verdachte zei - de aangever een stomp op/tegen zijn neus gegeven. Als gevolg hiervan heeft de aangever letsel en pijn opgelopen. (…) Het hof heeft al vastgesteld dat er in fase 1 voor de verdachte sprake was van een noodweersituatie. Het hof acht het voorts aannemelijk geworden, (…) dat bij de verdachte in fase 2 als direct gevolg van die heftige confrontatie met voornoemde groep bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging is ontstaan, te weten totale verbouwereerdheid, beduusdheid en angst voor een nieuwe aanval. Alles overziend acht het hof aannemelijk dat de verdachte als onmiddellijk gevolg van deze hevige gemoedsbeweging de aangever de bewuste klap heeft gegeven. Het feit dat er hierbij sprake was van tijdsverloop van ongeveer 7 seconden tussen de aanval door de groep personen en het geven van de bewuste stomp doet hier niet aan af. Het hof acht derhalve het beroep op de strafuitsluitingsgrond van noodweerexces (…) gegrond. De verdachte is derhalve ter zake (…) niet strafbaar. Het hof zal de verdachte dan ook ontslaan van alle rechtsvervolging". Standpunt [appellant] 1.2. [appellant] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat hem een beroep op noodweerexces toekomt, omdat hij handelde uit zelfverdediging en uit angst voor een nieuwe aanval. Hij betoogt dat hij maar éénmaal heeft geslagen en dus professioneel en de-escalerend is opgetreden. Verder voert hij aan dat het hof hem heeft ontslagen van alle rechtsvervolging. Standpunt korpschef 2. De korpschef voert aan dat het arrest van het hof voor hem geen aanleiding vormt een ander standpunt in te nemen dan hij in zijn besluiten van 16 november 2014 en 22 mei 2015 heeft gedaan. Dat [appellant] als burger in strafrechtelijke zin is ontslagen van alle rechtsvervolging betekent volgens de korpschef niet dat hij als beveiliger in bestuursrechtelijke zin niet meer verantwoordelijk kan worden gehouden voor het geven van de vuistslag. De korpschef verwacht juist van een professional in de beveiligingsbranche dat deze ook in spanningsvolle situaties in staat is in zijn rol te blijven, de emoties te beheersen en een de-escalerende houding te blijven innemen. Relevante wet- en regelgeving 3. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Wpbr) stelt een beveiligingsorganisatie geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Ingevolge het vierde lid wordt de toestemming, bedoeld in het tweede lid, onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. Ingevolge het vijfde lid kan de toestemming, bedoeld in tweede lid, worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend. Ingevolge onderdeel 2.3 van de Beleidsregels wordt de toestemming aan een beveiligingsorganisatie om personen te werk te stellen, zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid van de wet onthouden, indien a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.