201408365/1/R
- Datum uitspraak: 29 juni 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- de stichting Stichting Milieugroep Zuilen, gevestigd te Utrecht,
- [appellante sub 2], gevestigd te Utrecht,
- [appellante sub 3] e.a., gevestigd onderscheidenlijk wonend te [woonplaats],
- [appellante sub 4], gevestigd te [plaats],
- [appellante sub 5] en anderen, gevestigd te Utrecht,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Exploitatiemaatschappij Uithoek B.V., gevestigd te Rotterdam,
- [appellante sub 7], gevestigd te [plaats],
- [appellante sub 8], gevestigd te [plaats],
- [appellante sub 9], gevestigd te Utrecht,
- de naamloze vennootschap Strukton Groep N.V. e.a., gevestigd te Maarssen,
- [appellante sub 11], gevestigd te Utrecht,
- [appellante sub 12], wonend te Utrecht, en de raad van de gemeente Utrecht, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 17 juli 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Lage Weide" (hierna: het plan) vastgesteld. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De raad van de gemeente Utrecht heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal appellanten en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. De Stichting, [appellante sub 11], [appellante sub 12] en de raad hebben een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 en 29 september 2015, waar een aantal appellanten is verschenen en/of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Overwegingen Toetsingskader en planbeschrijving
- Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
- Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het bedrijventerrein Lage Weide in Utrecht. Het bedrijventerrein Lage Weide is ontstaan in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw en is volledig uitgegeven. Binnen het plangebied gold een groot aantal bestemmingsplannen die voor het merendeel verouderd waren. In de plantoelichting staat dat vanwege deze sterk verouderde planologische kaders relatief veel vrijstellingen zijn verleend om individuele bedrijfsontwikkelingen mogelijk te maken. De raad heeft bij de vaststelling van het plan als uitgangspunt gehanteerd de bestaande bebouwing en het gebruik van de gronden als zodanig te bestemmen en daarvoor bij recht een beperkte uitbreidingsmogelijkheid te bieden. In het plan zijn voorts afwijkingsbevoegdheden opgenomen die voorzien in de mogelijkheid om onder voorwaarden een verdere bedrijfsuitbreiding te faciliteren. Het beroep van de Stichting Milieugroep Zuilen Ladder voor duurzame verstedelijking
- De Stichting kan zich niet verenigen met de bestemming "Bedrijventerrein" ter plaatse van de gronden tussen de spoorlijn en het Amsterdam-Rijnkanaal voor zover bedrijven tot en met milieucategorie 4.1 zijn toegestaan en na afwijking van het plan tot en met milieucategorie 5.
- Volgens de Stichting zijn ter plaatse van deze gronden voornamelijk bedrijven met milieucategorie 3.2 en lager gevestigd, zodat het plan hier voorziet in uitbreidingsruimte. Uit het plan blijkt evenwel niet dat sprake is van een actuele regionale behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) om bedrijven in een hogere milieucategorie toe te staan. Voorts betoogt de Stichting dat wat betreft artikel 3, lid 3.6.3, van de planregels niet inzichtelijk is of sprake is van een actuele regionale behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro. 3.
- De raad stelt dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro omdat het plan leidt tot een beperking van de bouw- en gebruiksmogelijkheden, zodat geen sprake is van nieuw ruimtebeslag. 3.
- Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, voor zover hier van belang, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden: a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. 3.
- Aan de gronden tussen de spoorlijn en het Amsterdam-Rijnkanaal is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1". Op grond van artikel 3, lid 3.1, onder a, van de planregels zijn de gronden met deze bestemming en aanduiding bestemd voor bedrijven zoals genoemd in de Lijst van bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 tot en met 4.
- Op grond van lid 3.6.2 kan het college van burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1: a. om bedrijven toe te laten in één of twee categorieën hoger of lager dan in lid 3.1 genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm alsmede getoetst aan de aangegeven maatgevende milieuaspecten) geacht kan worden gelijk te zijn aan de in lid 3.1 genoemde categorieën van de Lijst van Bedrijfsactiviteiten. Op grond van lid 3.6.3 kan het college van burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5, onder c, ten behoeve van het vestigen van Bevi-inrichtingen, mits per geval van de betreffende Bevi-inrichting de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico of, indien van toepassing, de afstand zoals bedoeld in artikel 5, lid 3 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen juncto artikel 2, lid 1 van de Regeling externe veiligheid inrichtingen, is gelegen: a. binnen het bouwperceel van de Bevi-inrichting, of b. daarbuiten uitsluitend op gronden met de bestemming Groen, Verkeer, Verkeer - Verblijfsgebied of Water en gelegen binnen het grondgebied van gemeente Utrecht. 3.
- Voor de toepasselijkheid van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, dient allereerst te worden vastgesteld of het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In dat verband is van belang of het plan ten opzichte van het vorige planologische regime voorziet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het vorige plan dat gold voor de plandelen die door de Stichting worden bestreden betreft het "Uitbreidingsplan in hoofdzaak Lageweide", dat op 13 augustus 1962 door het college van gedeputeerde staten gedeeltelijk is goedgekeurd en in werking is getreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 maart 2010 in zaak nr. 200907266/1/H1), moet uit de artikelen 9.3.2 en 9.1.4, vierde lid, van de Invoeringswet Wro, in onderlinge samenhang bezien, worden afgeleid dat de onder de Woningwet 1901 tot stand gekomen uitbreidingsplannen hun rechtsgevolg behouden tot vijf jaar na inwerkingtreding van de Wro. Dit betekent dat het "Uitbreidingsplan in hoofdzaak Lageweide" zijn rechtsgevolg per 1 juli 2013 heeft verloren. Het onderhavige plan voorziet in een planologische regeling voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de bedrijven op Lage Weide, welk industrieterrein blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting geheel is uitgegeven. Het plan sluit wat betreft de bouw- en gebruiksmogelijkheden die bij recht zijn opgenomen aan bij de feitelijk bestaande situatie die op grond van het vorige plan is gerealiseerd dan wel nadien door middel van verleende vergunningen. De Afdeling is van oordeel dat het plan onder deze omstandigheden niet bij recht voorziet in nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden waardoor sprake is van nieuw ruimtebeslag of verruiming van de gebruiksmogelijkheden ten opzichte van de bestaande situatie. Ten aanzien van de afwijkingsbevoegdheden in artikel 3, lid 3.6.2 en 3.6.3, van de planregels overweegt de Afdeling dat voor zover wordt voorzien in een functiewijziging van de bedrijfsactiviteiten, met een verruiming van de gebruiksmogelijkheden geen nieuw beslag op de ruimte plaatsvindt. Evenmin betreft dit een zodanige functiewijziging dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor zover in lid 3.6.3 de mogelijkheid wordt geboden tot het vestigen van Bevi-inrichtingen, overweegt de Afdeling in aansluiting op hetgeen hiervoor is overwogen, dat het gehele bedrijventerrein is uitgegeven, zodat bij het benutten van deze afwijkingsmogelijkheid geen sprake zal zijn van nieuw ruimtebeslag ten opzichte van de bestaande situatie. Gelet op het vorenstaande is wat betreft de plandelen ter plaatse van de gronden tussen de spoorlijn en het Amsterdam-Rijnkanaal geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Nu geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing. Het betoog faalt. Geluidzone 3.
- De Stichting betoogt dat uit recente akoestische onderzoeken blijkt dat de beschikbare geluidruimte op het bedrijventerrein beperkt is, zodat kan worden betwijfeld of een intensivering van de bedrijfsactiviteiten mogelijk is binnen de geluidzone. Volgens de Stichting is niet aangetoond dat het plan wat betreft het aspect geluid uitvoerbaar is. 3.
- De raad stelt dat niet elke wijziging gepaard hoeft te gaan met een toename van geluid en dat daarnaast de mogelijkheid bestaat voor bedrijven om geluidwerende maatregelen te treffen. De beschikbare geluidruimte staat volgens de raad dan ook niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het plan. 3.
- Bij besluit van 22 juni 1993 is rondom het bedrijventerrein Lage Weide een geluidzone vastgesteld, zodat sprake is van een geluidgezoneerd industrieterrein als bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder. Dit brengt met zich dat de totale geluidbelasting vanwege de bedrijven op het industrieterrein wordt gereguleerd door het bepaalde in de Wet geluidhinder, waarin maximale geluidgrenswaarden zijn opgenomen voor gronden binnen en buiten de geluidzone. Voor zover de Stichting onder verwijzing naar een aantal akoestische onderzoeken betoogt dat de beschikbare geluidruimte op het industrieterrein beperkt is en dat kan worden betwijfeld of het plan uitvoerbaar is, overweegt de Afdeling dat, daargelaten de vraag naar de resterende beschikbare geluidruimte, de raad zich terecht op het standpunt stelt dat een wijziging in de bedrijfsvoering niet per definitie gepaard hoeft te gaan met een (relevante) toename van de geluidbelasting. Dit is immers afhankelijk van de specifieke bedrijfsvoering en de aard van de wijziging. Daarnaast bestaat de mogelijkheid, en onder omstandigheden de plicht, voor bedrijven om bij uitbreiding geluidwerende maatregelen te treffen alvorens wijziging van de bedrijfsvoering kan plaatsvinden. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat vanwege de geluidzone op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan dient te worden getwijfeld. Nu dit betoog faalt behoeft het betoog van de raad dat het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Awb aan de vernietiging van het besluit in zoverre in de weg staat geen bespreking. Spoorweg
- De Stichting kan zich niet verenigen met de aanduiding "spoorweg" die aan een gedeelte van de gronden tussen de spoordijk en het Amsterdam-Rijnkanaal is toegekend. Volgens haar wordt hierdoor een aanzienlijke uitbreiding mogelijk gemaakt van spoorwegen met bijbehorende op- en overslagvoorzieningen zonder dat hiervoor een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing is gegeven. De Stichting wijst er in dit verband in het bijzonder op dat onduidelijk is of met deze toegestane ontwikkeling kan worden voldaan aan de geluidgrenswaarden die ingevolge de geluidzone vanwege het industrieterrein in acht moeten worden genomen en de afstanden die op grond van de VNG-brochure worden aanbevolen. 4.
- De raad stelt dat op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" de aanleg van een spoorwegemplacement niet mogelijk is en dat met de aanduiding "spoorweg" de bestaande spoorlijn als zodanig is bestemd. Wat betreft een mogelijke intensivering van de gebruiksmogelijkheden, wijst de raad wat betreft mogelijke geluidhinder op de maximale geluidgrenswaarden die op grond van de geluidzone vanwege het industrieterrein gelden. 4.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder f, van de planregels is ter plaatse van de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "spoorweg" een spoorweg ten dienste van goederenvervoer toegestaan met bijbehorende voorzieningen niet zijnde een spoorwegemplacement. 4.
- De Afdeling overweegt dat, omdat sprake is van een geluidgezoneerd industrieterrein als bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder, de totale geluidbelasting vanwege de bedrijven op het industrieterrein wordt genormeerd door de maximale geluidgrenswaarden die ingevolge de Wet geluidhinder gelden binnen en op de grens van de geluidzone. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt de geluidbelasting in dB(A) vanwege een industrieterrein gedefinieerd als: etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau in dB(A) op een bepaalde plaats, veroorzaakt door de gezamenlijke inrichtingen op een industrieterrein. Hieruit volgt dat uitsluitend het geluid dat wordt veroorzaakt door de inrichtingen op het industrieterrein onderdeel van het geluidgezoneerde industrieterrein uitmaakt, waarvoor de maximale geluidgrenswaarden uit de Wet geluidhinder gelden. Voor de vraag of het geluid afkomstig van spoorwegen binnen de aanduiding "spoorweg" wordt genormeerd door de maximale geluidgrenswaarden vanwege de geluidzone rond het industrieterrein, zoals de raad stelt, is derhalve doorslaggevend of de spoorwegen als onderdeel van één of meer inrichtingen op het industrieterrein kunnen worden aangemerkt. De Afdeling stelt vast dat de aanduiding "spoorweg" is toegekend aan een aantal gronden grenzend aan het Amsterdam-Rijnkanaal met de bestemming "Bedrijventerrein". Deze gronden grenzen aan de bestemming "Verkeer-Railverkeer" die onder meer zijn bestemd voor railverkeer en goederensporen, zodat een aansluiting kan worden aangelegd en het goederenvervoer vanwege de bedrijven haar route via het hoofdspoor kan vervolgen. Gelet hierop en op het feit dat binnen de aanduiding "spoorweg" geen nadere beperking is opgenomen wat betreft het aantal, de situering en het gebruik van spoorwegen, staat naar het oordeel van de Afdeling niet vast dat deze spoorwegen onderdeel zijn van één of meer van de ter plaatse aanwezige inrichtingen. Hiermee staat derhalve evenmin vast dat het geluid vanwege deze spoorwegen wordt genormeerd door de maximale geluidgrenswaarden vanwege de geluidzone rond het industrieterrein. Het betoog van de Stichting dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat het opnemen van de aanduiding "spoorweg" uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is slaagt, zodat de aanduiding "spoorweg" binnen de bestemming "Bedrijventerrein" ter plaatse van de gronden aan het Amsterdam-Rijnkanaal is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Luchtkwaliteit 4.
- Voorts staat volgens de Stichting niet vast dat het plan in overeenstemming is met artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Daartoe betoogt zij dat in het onderzoek naar de luchtkwaliteit ten onrechte niet de mogelijke toename van de emissies van de bedrijven zijn onderzocht terwijl het plan bedrijven in hoge milieucategorieën toestaat. De raad erkent volgens haar dat de planologische aanvaardbaarheid van de bedrijven bij de vaststelling van het plan opnieuw dient te worden beoordeeld en heeft bovendien de stikstofdepositie vanwege de bedrijven wel betrokken in het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor het Natura 2000-gebied. Ook zijn de gevolgen van de toename van zwaar vrachtverkeer over het water en de weg niet onderzocht en strekt het onderzoek zich ten onrechte niet uit over de woningen aan de Amsterdamsestraatweg, aldus de Stichting. 4.
- De raad stelt dat bij de vaststelling van het plan onderzoek heeft plaatsgevonden naar de effecten daarvan op de luchtkwaliteit. Daarbij is geen aanleiding gezien om nader onderzoek te doen naar de emissies van toekomstige bedrijven, omdat sprake is van een reeds jarenlang bestaand bedrijventerrein. Volgens dit luchtkwaliteitsonderzoek wordt op de ontsluitingswegen van en naar Lage Weide in 2015 en 2020 ruimschoots voldaan aan de grenswaarde voor stikstofdioxide. Ook voor fijn stof wordt overal voldaan aan de grenswaarden, aldus de raad. Nu voorts de bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn beperkt ten opzichte van het vorige regime, acht de raad het niet aannemelijk dat realisering van het plan zal leiden tot overschrijding van de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. 4.
- Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer maken bestuursorganen bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk: a. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde; b. dat, met inachtneming van het vijfde lid en de krachtens dat lid gestelde regels: 1°. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of 2°. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert; c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen; d. (...) 4.
- Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Beoordeling luchtkwaliteit bestemmingsplan Lage Weide" van 20 juni
- In het onderzoek is vermeld dat berekeningen ten behoeve van de luchtkwaliteit zijn uitgevoerd voor de relevante wegen (hoofdwegen en ontsluitingswegen) in het plangebied voor de jaren 2015 en
- Als basisjaar voor autoverkeer is 2010 genomen en het vrachtverkeer is nader gedifferentieerd naar middelzware en zware voertuigen, zo staat in dit onderzoek. De conclusie van het onderzoek is dat het plan voor het jaar 2015-2020 voldoet aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. 4.
- Voor zover de Stichting betoogt dat in het onderzoek naar de luchtkwaliteit geen rekening is gehouden met zwaar vrachtverkeer, faalt dit betoog nu in het onderzoek naar de luchtkwaliteit is vermeld dat wat betreft het vrachtverkeer is gerekend met middelzware en zware voertuigen. Verder stelt de Afdeling vast dat voornoemd onderzoek naar de luchtkwaliteit ziet op de gevolgen vanwege het wegverkeer in en buiten het plangebied. Het standpunt van de raad in het verweerschrift dat uit het onderzoek naar de luchtkwaliteit blijkt dat vanwege de wegen in Lage Weide ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof en dat mede gelet op de zeer beperkte uitbreidingsmogelijkheden in het plan niet aannemelijk is dat vanwege de emissies van (toekomstige) bedrijven sprake zal zijn van een overschrijding van de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof, acht de Afdeling zonder nadere (gekwantificeerde) onderbouwing ontoereikend gemotiveerd. In het licht van de bezwaren van de Stichting, die zien op het woon- en leefklimaat van de bewoners in de wijk Zuilen, had het naar het oordeel van de Afdeling op de weg van de raad gelegen deze stelling nader te onderbouwen, temeer nu het in dit geval gaat om een bedrijventerrein waar (zware) industrie is toegestaan met emissie van stikstofdioxide en fijn stof. Voorts blijkt uit het onderzoek niet of en zo ja, op welke wijze de effecten van het scheepvaartverkeer in het onderzoek zijn betrokken. 4.8.
- Naar aanleiding van de reactie van de Stichting op het verweerschrift, heeft de raad op 16 september 2015 een nadere onderbouwing gegeven op zijn standpunt. Daartoe heeft de raad er allereerst op gewezen dat uit metingen die zijn verricht door de gemeente Utrecht en waarvan de resultaten zijn neergelegd in de "Rapportage Luchtmeetnet Utrecht 2013", is gebleken dat ter plaatse van de Amsterdamsestraatweg geen sprake is van een overschrijding van de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide. Verder wijst de raad op de "Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland" van 2013, uitgebracht door het RIVM (hierna: GCN). Uit de bijgevoegde tabel met betrekking tot de opbouw van de concentratie stikstofdioxide voor Utrecht vloeit voort dat de hoogte van de achtergrondconcentratie vooral wordt bepaald door het (weg)verkeer. De bijdrage vanwege bedrijven, landbouw, industrie en de energiesector bedroeg in 2012 volgens de GCN 2,8 µg/m3 van het totaal van 24,7 µg/m
- Uitgaande van de maximale planologische uitbreidingsmogelijkheid van 16,8% van het brutovloeroppervlak voor het gehele bedrijventerrein die na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.4.4, van de planregels kan plaatsvinden, en in aanmerking genomen dat bedrijven na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in lid 3.6.2 tot maximaal twee milieucategorieën hoger zijn toegestaan mits deze naar aard en invloed op de omgeving geacht kunnen worden gelijk te zijn aan de bij recht toegestane bedrijfscategorieën, leidt dit volgens de raad tot een maximale toename van de emissie met 0,47 µg/m
- Deze toename zal gelet op de metingen ter plaatse van de Amsterdamsestraatweg niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden in de Wet milieubeheer, aldus de raad. Ook indien van een worstcasescenario wordt uitgegaan, te weten dat de totale emissie van stikstofdioxide van 24,7 µg/m3 in zijn geheel zou worden veroorzaakt door de emissie van bedrijven, leidt het plan met een uitbreidingsmogelijkheid van 16,8% tot een maximale toename van 4,1 µg/m3, zodat ook in dat geval de grenswaarde in de Wet milieubeheer ter plaatse van de Amsterdamsestraatweg niet wordt overschreden, aldus de raad. De Stichting heeft de in dit nadere stuk door de raad gehanteerde concentraties stikstofdioxide die zijn gemeten ter plaatse van de Amsterdamsestraatweg Noord alsmede de opbouw van de concentratie stikstofdioxide voor Utrecht zoals opgenomen in de tabel die is overgenomen van de GCN op zichzelf niet betwist. De Stichting heeft ter zitting wel naar voren gebracht dat de tabel waarin de opbouw van stikstofdioxide in Utrecht is opgenomen grofmazig is en daarmee niet representatief is voor Lage Weide. De raad erkent dit in het nadere stuk van 16 september 2015 waarin hij wijst op het verschil tussen de berekende en de gemeten concentratie stikstofdioxide. Volgens de raad zijn de achtergrondconcentraties die het Planbureau voor de Leefomgeving aanlevert gebaseerd op een grofmazige invoer van bronnen (1 bij 1 kilometer) zodat de daadwerkelijke achtergrondconcentratie in de directe omgeving van snel- en vaarwegen enigszins hoger is dan de berekende concentratie. Nu de raad de mogelijke toename van de emissie vanwege de bedrijven op Lage Weide (gerekend met een maximale uitbreidingsmogelijkheid van 16,8%) heeft afgezet tegen de concentratie stikstofdioxide zoals deze in de GCN tabel is weergegeven voor heel Utrecht ten aanzien van de bijdrage van bedrijven, landbouw, industrie en de energiesector (16,8% van 2,8 µg/m3= 0,47 µg/m3), waarbij hij die toename vervolgens heeft opgeteld bij de gemeten jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide ter plaatse van de Amsterdamsestraatweg Noord, is naar het oordeel van de Afdeling onduidelijk in hoeverre de uitkomst van deze berekening representatief kan worden geacht voor de woningen aan de Amsterdamsestraatweg. Daarbij is van belang dat de gemeten jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide ter plaatse van de Amsterdamsestraatweg Noord aanzienlijk hoger ligt dan waarvan in de GCN voor heel Utrecht wordt uitgegaan. In 2012 bedroeg de concentratie stikstofdioxide volgens de GCN in Utrecht 24,7 µg/m3, terwijl uit metingen ter plaatse van de Amsterdamsestraatweg Noord volgt dat deze concentratie daar in 2012 36,1 µg/m3 bedroeg. Gelet op het vorenstaande is het plan, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Bedrijventerrein" ter plaatse van de gronden tussen de spoorlijn en het Amsterdam-Rijnkanaal, vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Dit betoog van de Stichting slaagt. Flora- en fauna 4.
- De Stichting betoogt verder dat niet vaststaat dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Daartoe wijst de Stichting erop dat de bomenrij langs het Amsterdam-Rijnkanaal van belang is voor verschillende soorten broedvogels en als foerageergebied voor vleermuizen. De mogelijke verstoring van deze soorten als gevolg van de intensivering van de bedrijfsactiviteiten zijn ten onrechte niet beoordeeld, noch de mogelijkheden voor het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen, aldus de Stichting. 4.
- De raad stelt dat in het onderzoek naar de flora- en fauna is geconcludeerd dat in het gebied diverse beschermde soorten voorkomen die zich veelal hebben aangepast aan het leven in stedelijk gebied. Omdat het plan conserverend van aard is, zal het plan niet in strijd komen met de Ffw, aldus de raad. 4.
- Ingevolge artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten. Ingevolge artikel 11 is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren. Ingevolge artikel 75, eerste lid, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, vrijstelling worden verleend van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde verboden. 4.
- De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. 4.
- Ten behoeve van het plan is ecologisch onderzoek verricht waarvan de resultaten zijn neergelegd in de "Notitie beschermde soort Lage Weide, Utrecht", opgesteld op 12 december 2013 door Bureau Waardenburg B.V. (hierna: het ecologisch onderzoek). In het ecologisch onderzoek is vermeld dat tijdens het veldbezoek in het plangebied vier vogelsoorten zijn waargenomen met een jaarrond beschermd nest. Ter zitting heeft de Stichting erkend dat deze vogelsoorten niet voorkomen ter plaatse van de bomenrij aan het Amsterdam-Rijnkanaal. Zoals uit het ecologisch onderzoek volgt en ter zitting is bevestigd, dient het gebied wel als foerageergebied voor vleermuizen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 18 juli 2012 in zaak nr. 201109200/1/R3), wordt een foerageergebied of vaste vliegroute niet gerekend tot een vaste rust- of verblijfplaats die op grond van artikel 11 van de Ffw bescherming geniet, tenzij deze als zodanig samenvalt met een vaste rust- of verblijfplaats. Daarvan is in dit geval niet gebleken. Het vorenstaande laat onverlet dat artikel 11 van de Ffw desalniettemin wordt overtreden, indien door het verdwijnen van het foerageergebied de ecologische functionaliteit van de buiten het plangebied gelegen vaste rust- of verblijfplaatsen van de desbetreffende vleermuissoorten zodanig wordt verstoord, dat ze deze plaatsen om die reden zullen verlaten. Ter zitting heeft de raad gesteld dat elders in de omgeving van het plangebied voldoende foerageergebied aanwezig is. De Afdeling acht dit aannemelijk. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat, ook al zou het gebied ter plaatse van de bomenrij langs het Amsterdam-Rijnkanaal niet langer geschikt zijn als foerageergebied, de ecologische functionaliteit van de vaste rust- of verblijfplaatsen in het geding komt. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Dit betoog van de Stichting faalt. Gelet hierop behoeft het betoog van de raad dat ten aanzien van het beroep van de Stichting artikel 8:69a van de Awb in zoverre aan de vernietiging van het besluit in de weg staat geen bespreking. Richtafstanden VNG-brochure 4.
- De Stichting betoogt dat niet wordt voldaan aan de richtafstanden die zijn genoemd in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: VNG-brochure) ten aanzien van de woningen aan de Amsterdamsestraatweg. Volgens haar kwalificeert de raad dit gebied ten onrechte als gemengd gebied, waardoor is uitgegaan van een afstand van 100 meter in plaats van 200 meter. In dat verband betoogt de Stichting dat het gebied voornamelijk een woonfunctie heeft. De Amsterdamsestraatweg kan volgens haar niet worden gekwalificeerd als hoofdinfrastructuur als bedoeld in de VNG-brochure omdat het verkeer vanuit Zuilen gebruikt maakt van de parallel gelegen Norbruislaan. De gemeente Utrecht heeft ook het beleidsvoornemen om de verkeersintensiteit op deze weg te verminderen. De Stichting wijst verder op de Beheersverordening Zuilen waarin het gebied langs de Amsterdamsestraatweg volgens haar niet is aangeduid als gebied met "functiemenging". Ten aanzien van het gedeelte van de Amsterdamsestraatweg ter hoogte van de Wethouder D.M. Plompstraat is volgens de Stichting geen sprake van een "woongebied met veel verkeer" als bedoeld in de Geluidnota Utrecht. Om die reden had dit gebied volgens haar als "rustige woonwijk" moeten worden aangemerkt. Tot slot betoogt de Stichting dat ten aanzien van de tweedelijns woningen aan de Amsterdamsestraatweg niet wordt voldaan aan de richtafstanden in de VNG-brochure. 4.
- De raad stelt dat het gebied direct aan de Amsterdamsestraatweg kan worden getypeerd als een "gemengd gebied" als bedoeld in de VNG-brochure omdat naast woningen andere functies voorkomen zoals winkels, horeca en andere kleine bedrijven en de Amsterdamsestraatweg bovendien als hoofdinfrastructuur moet worden aangemerkt. Daarnaast liggen de woningen in de geluidzone van het industrieterrein. Ook in de Beheersverordening Zuilen wordt de zone ‘Amsterdamsestraatweg en omstreken’ getypeerd als een gebied waar verschillende functies elkaar afwisselen, aldus de raad. 4.
- Bij de vaststelling van het plan is het gebied direct aan de Amsterdamsestraatweg als gemengd gebied gekwalificeerd gelet op de diversiteit van de daar aanwezige functies en de ligging aan de Amsterdamsestraatweg. Voor het overige is de wijk Zuilen aangemerkt als rustige woonwijk. In de VNG-brochure zijn de bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een aanbevolen afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder van de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De afstanden die in de brochure worden aanbevolen, gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een bedrijf en de gevel van een woning die is gelegen in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. De VNG-brochure maakt voor de toepassing van de richtafstandenlijsten voor de twee omgevingstypen onderscheid tussen het begrip "rustige woonwijk" of een vergelijkbaar omgevingstype zoals een rustig buitengebied, en het begrip "gemengd gebied". Het omgevingstype "rustige woonwijk" wordt omschreven als een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied, aldus de VNG-brochure. Volgens de VNG-brochure is een "gemengd gebied" een gebied met een matige tot sterke functiemenging; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren volgens de VNG-brochure eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied, omdat daar de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van de te hanteren afstand voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden kan rechtvaardigen. 4.
- De Afdeling acht het niet onjuist dat de raad de Amsterdamsestraatweg gelet op de gebiedsontsluitende functie heeft aangemerkt als hoofdinfrastructuur als bedoeld in de VNG-brochure. De raad is er bij de vaststelling van het plan dan ook terecht van uitgegaan dat de omgeving ter plaatse van de woningen aan de Amsterdamsestraatweg dient te worden gekwalificeerd als "gemengd gebied". Het betoog van de Stichting dat uit een door haar verrichte inventarisatie is gebleken dat functiemenging thans beperkt is, maakt dit gelet op het vorenstaande niet anders. Ook de verwijzing van de Stichting naar de Beheersverordening Zuilen leidt niet tot een ander oordeel. In dit verband heeft de raad ter zitting toegelicht dat de typering van de wijk in de Beheersverordening Zuilen een ander doel heeft dan de typering op grond van de VNG-brochure omdat bij het opstellen van de Beheersverordening het uitgangspunt is geweest in kaart te brengen welke bedrijfsmatige functies aanwezig zijn en wat ter plaatse aan bedrijfsmatige functies wenselijk wordt geacht. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich gelet hierop op het standpunt kunnen stellen dat de kwalificatie van het gebied in de Beheersverordening niet behoeft te worden overgenomen bij de toepassing van de VNG-brochure. Evenmin was de raad gehouden het gebied ten noorden van de Wethouder D.M. Plompstraat als "rustige woonwijk" te kwalificeren omdat het gebied volgens de Stichting op grond van de Geluidnota Utrecht niet kan worden aangemerkt als "woongebied met veel verkeer" gelet op de geluidbelasting, nu ook dit gedeelte van de Amsterdamsestraatweg een gebiedsontsluitende functie heeft en daarmee kan worden aangemerkt als hoofdinfrastructuur als bedoeld in de VNG-brochure. Dit betoog van de Stichting faalt. 4.
- Ten aanzien van het betoog van de Stichting dat ten opzichte van de tweedelijnsbebouwing aan de Amsterdamsestraatweg niet wordt voldaan aan de richtafstand in de VNG-brochure overweegt de Afdeling het volgende. Blijkens de stukken heeft de raad dit gebied aangemerkt als "rustige woonwijk". Ter plaatse van de gronden aan het Amsterdam-Rijnkanaal zijn in het plan bedrijven tot en met categorie 4.1 toegestaan, zodat in beginsel een richtafstand van 200 meter geldt. De raad heeft ter zitting gesteld dat weliswaar ten opzichte van de tweedelijns bebouwing niet overal aan de afstand van 200 meter wordt voldaan, maar dat het toekennen van milieucategorie 4.1 in dit geval aanvaardbaar is omdat, zo heeft hij ter zitting toegelicht, de overschrijding van de richtafstand beperkt is en voor een groot gedeelte van de tweedelijns bebouwing wel wordt voldaan aan de richtafstand van 200 meter. Daarnaast heeft de raad bij zijn afweging betrokken dat de eerstelijns woningen een afschermende werking hebben. De Afdeling ziet in hetgeen de Stichting heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad geen deugdelijke afweging heeft gemaakt en dat het plan in zoverre niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Dit betoog van de Stichting faalt. Bouwhoogte 4.
- De Stichting betoogt dat in het gebied tussen het spoor en het Amsterdam-Rijnkanaal ten onrechte een bouwhoogte van maximaal 24 en 30 meter is toegestaan. Zij wijst erop dat de bestaande bebouwing een gemiddelde bouwhoogte heeft van circa 9 meter. Onduidelijk is hoe deze bouwhoogten zich verhouden tot het uitgangspunt van de raad van een visuele groene afscheiding van het bedrijventerrein. Voorts is volgens de Stichting onduidelijk of er behoefte bestaat aan deze bouwhoogten. Ook richt de Stichting zich tegen artikel 3, lid 3.4.3, van de planregels waarin het mogelijk is gemaakt dat voor silo’s en vergelijkbare installaties wordt afgeweken van de standaard bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van 15 meter tot een maximale bouwhoogte van 45 meter. De wijziging van de bouwhoogte van 30 naar 45 meter ten opzichte van het ontwerpplan had volgens de Stichting niet ambtshalve mogen worden doorgevoerd. Verder is onduidelijk of in het bezonningsonderzoek rekening is gehouden met deze bouwhoogte, is niet gemotiveerd hoe deze hoogte zich verhoudt tot het belang van een groene afscherming van het bedrijventerrein en is onduidelijk wat dient te worden verstaan onder "vergelijkbare installaties" in de tekst van lid 3.4.
- 4.
- De raad stelt dat bij het bepalen van de maximale bouwhoogte aansluiting is gezocht bij de geldende bouwmogelijkheden. De raad acht deze hoogten aanvaardbaar mede gelet op het bebouwingspercentage van 60 waarmee grootschalige bebouwing volgens de raad is uitgesloten. 4.
- Ter plaatse van de gronden tussen het spoor en het Amsterdam-Rijnkanaal mag ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte" niet worden overschreden. Voor het zuidelijke deel is de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)=24" opgenomen en voor het noordelijke deel de aanduiding "maximum bouwhoogte (m)=30)". Ingevolge lid 3.4.3, kan het college van burgemeester en wethouders door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2, onder a, voor de bouw van silo’s en vergelijkbare installaties met een bouwhoogte tot maximaal 45 meter onder de voorwaarde dat dit noodzakelijk is voor en de silo/installatie deel uitmaakt van de bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf. 4.
- In de plantoelichting is voor het gebied tussen het spoor en het Amsterdam-Rijnkanaal vermeld dat dit de zichtbare rand van Lage Weide naar Zuilen toe is. De bomenrij langs het kanaal is een karakteristiek element dat bij het kanaal hoort en tegelijkertijd de bedrijfsbebouwing visueel afschermt. De bebouwingsmogelijkheden zijn hierop afgestemd, zo staat in de plantoelichting. Voorts is aansluiting gezocht bij de geldende bouwhoogte op grond van de Bouwverordening van de gemeente Utrecht, die 24 meter bedraagt. Ter zitting heeft de raad toegelicht belang te hechten aan een visuele afscherming en heeft hij tegelijkertijd erkend dat het zicht op bebouwing met een hoogte van 24 respectievelijk 30 meter niet geheel door de bomenrij zal worden weggenomen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een bebouwingshoogte van 24 respectievelijk 30 meter voor de gronden langs het Amsterdam-Rijnkanaal aanvaardbaar is. Hierbij betrekt de Afdeling dat een dergelijke hoogte voor bedrijfsbebouwing op een industrieterrein niet ongebruikelijk is, terwijl de afstand van de gronden waar een maximale bouwhoogte van 24 meter is toegestaan tot de woningen aan de Amsterdamsestraatweg circa 130 meter bedraagt. De bebouwingshoogte van 30 meter is opgenomen voor het noordelijke deel van de gronden langs het Amsterdam-Rijnkanaal, ter hoogte van de sportvelden, waar de bebouwingsconcentratie aanzienlijk minder is. De raad heeft zich blijkens de stukken voorts niet ten doel gesteld dat het zicht op de bedrijfsbebouwing geheel zou moeten worden weggenomen. Dit betoog van de Stichting faalt. 4.
- Ten aanzien van de mogelijkheid om na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in lid 3.4.3 silo’s en vergelijkbare installaties van maximaal 45 meter op te richten, stelt de Afdeling voorop dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan hierin wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vaststaat dat de raad in dit geval het plan gewijzigd heeft vastgesteld in die zin dat de bouwhoogte voor silo’s en vergelijkbare installaties, zoals opgenomen in lid 3.4.3, is verhoogd van 30 naar 45 meter. Deze afwijking ten opzichte van het ontwerp is naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Wat betreft de reikwijdte van de bepaling heeft de raad ter zitting toegelicht dat onder "vergelijkbare installaties" dient te worden verstaan installaties die vergelijkbaar zijn met of verband houden met de werking van silo’s, zoals transportbanden. Naar het oordeel van de Afdeling komt deze uitleg van de raad onvoldoende tot uitdrukking in voornoemd artikellid, nu daaruit niet volgt dat installaties een (functionele) binding dienen te hebben met de toegestane silo’s en ook anderszins niet duidelijk is wat onder installaties vergelijkbaar met een silo moet worden verstaan. Gelet hierop heeft de raad in zoverre niet geregeld wat hij heeft beoogd en biedt de bepaling onvoldoende rechtszekerheid, zodat het plan, voor zover het betreft artikel 3, lid 3.4.3, van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en het rechtszekerheidsbeginsel. Dit betoog van de Stichting slaagt. Geurhinder 4.
- De Stichting kan zich niet verenigen met het bepaalde in artikel 3, lid 3.5 en lid 3.6.1, van de planregels waarin is voorzien in een afwijkingsbevoegdheid voor de oprichting, uitbreiding en wijziging van bedrijven waaraan voorwaarden zijn gekoppeld die zien op het aspect geur. Volgens haar is voor het verlenen van een omgevingsvergunning ten onrechte een koppeling gelegd met de geurbelasting zoals deze aanwezig was ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat indien een bedrijf minder geurhinder veroorzaakt, deze ruimte opnieuw kan worden benut. De Stichting acht dit onwenselijk omdat in de huidige situatie nog geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is bereikt ten aanzien van het aspect geur. Voorts acht de Stichting het onduidelijk hoe het in paragraaf 5.6 van de plantoelichting vermelde zich verhoudt tot deze planregels. 4.
- De raad stelt dat de geurhinder op het bedrijventerrein afkomstig is van een aantal mengvoederbedrijven. Daarvoor geldt, aldus de raad, de Bijzondere Regeling A3 van de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (www.infomil.nl). Hierin is onderscheid gemaakt tussen bestaande situaties, waarvoor een acceptabel geurhinderniveau geldt van 1,4 odourunit per kubieke meter (hierna: Oue/m3) als 98-percentiel, en nieuwe situaties, waarvoor een acceptabel geurhinderniveau geldt van 0,7 Oue/m3 als 98-percentiel. In de plantoelichting is weergegeven dat in de bestaande situatie de norm van 1,4 Oue/m3 als 98-percentiel nergens ter plaatse van de woonbebouwing in de wijk Zuilen wordt overschreden. Aldus is volgens de raad in de huidige situatie geen sprake van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dit licht bezien acht de raad het acceptabel dat eventueel beschikbare geurruimte opnieuw wordt opgevuld. 4.
- Ten aanzien van het betoog dat is gericht tegen artikel 3, lid 3.5 en lid 3.6.1, van de planregels verwijst de Afdeling naar hetgeen hierna wordt overwogen onder 5.34 bij de bespreking van het beroep van [appellante sub 2] Nu de Afdeling in hetgeen door [appellante sub 2] wordt aangevoerd aanleiding ziet voor het oordeel dat artikel 3, lid 3.6.1 van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en dient te worden vernietigd, slaagt het betoog van de Stichting eveneens en behoeven de beroepsgronden die de Stichting in dit verband aanvoert geen afzonderlijke bespreking meer. Risicovolle inrichtingen 4.
- De Stichting kan zich niet verenigen met artikel 3, lid 3.6.3, van de planregels waarin de mogelijkheid is opgenomen om na afwijking van het plan inrichtingen toe te staan die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi-inrichtingen). Volgens haar is het groepsrisico niet berekend en beoordeeld, is een mogelijk domino effect niet afgewogen en zijn de effecten van een toename van transportbewegingen niet beoordeeld. 4.
- De raad acht de afwijkingsbevoegdheid aanvaardbaar en wijst op het onderzoek naar de externe veiligheid dat aan het plan ten grondslag is gelegd. Volgens de raad wordt in de bestaande situatie de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico niet overschreden, is geen sprake van cumulatieve risico’s van bij elkaar gelegen bestaande inrichtingen die de grenswaarden overschrijden, is het in dit geval niet evident dat domino-effecten kunnen optreden en wordt bij de toetsing aan de grenswaarden uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) indirect rekening gehouden met domino-effecten. 4.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.6.3, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5, onder c, ten behoeve van het vestigen van Bevi-inrichtingen, mits per geval van de betreffende Bevi-inrichting de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico of, indien van toepassing, de afstand zoals bedoeld in artikel 5, lid 3 van het Bevi juncto artikel 2, lid 1 van de Regeling externe veiligheid inrichtingen, is gelegen: a. binnen het bouwperceel van de Bevi-inrichting, of b. daarbuiten uitsluitend op gronden met de bestemming Groen, Verkeer, Verkeer-Verblijfsgebied of Water en gelegen binnen het grondgebied van de gemeente Utrecht en mits het groepsrisico kan worden verantwoord en als aanvaardbaar beschouwd kan worden. 4.
- Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. Met deze bepaling kan de bevoegdheid worden gecreëerd op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. 4.
- Indien de raad in een nieuw plan ontwikkelingen mogelijk wil maken met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid, zal de raad bij de vaststelling daarvan deze afwijkingsbevoegdheid moeten beoordelen. Bij algemene afwijkingsbevoegdheden die geen betrekking hebben op specifieke locaties, zoals hier het geval is, kan de raad volstaan met een afweging of deze in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kunnen worden toegepast. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat belanghebbenden tegen de toepassing van deze afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden rechtsmiddelen kunnen aanwenden. In het onderzoek naar de externe veiligheid, dat op 18 april 2014 is opgesteld en aan het plan ten grondslag is gelegd, is onder meer vermeld dat er op dit moment twee bedrijven in het plangebied aanwezig zijn die onder het Bevi vallen. Voor deze twee bedrijven is het plaatsgebonden risico berekend en het groepsrisico verantwoord. In het onderzoek is evenwel niet ingegaan op de mogelijkheid om na afwijking van het plan nieuwe bevi-inrichtingen toe te staan. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat de raad bij het opnemen van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.6.3, van de planregels niet heeft afgewogen of deze in het algemeen op een ruimtelijk aanvaardbare wijze kan worden toegepast. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb zodat dit betoog van de Stichting slaagt. Hetgeen de Stichting voor het overige heeft aangevoerd met betrekking tot deze afwijkingsbevoegdheid, behoeft gelet hierop geen bespreking. Natuurbeschermingswet en milieueffectrapportage 4.
- De Stichting betoogt dat ten onrechte geen passende beoordeling is opgesteld als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), terwijl niet is uitgesloten dat het plan leidt tot een toename van de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied "Oostelijke Vechtplassen". In de aan het plan ten grondslag gelegde Natuurtoets zijn volgens de Stichting voorts ten onrechte niet de gevolgen voor de Natura 2000-gebieden "Nieuwkoopse Plassen" en "Botshol" beoordeeld. Omdat het opstellen van een passende beoordeling noodzakelijk is had op grond van artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer tevens een milieueffectrapport (hierna: plan-MER) moeten worden opgesteld, aldus de Stichting. 4.
- Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de statuten heeft de Stichting ten doel de leef- en woonkwaliteit van de wijk Zuilen en omstreken te verbeteren. Haar activiteiten zijn met name gericht op het verminderen van de nadelige effecten van industrie en verkeer vooral wat betreft luchtkwaliteit, stof, stank en geluid. Onder de doelstelling valt mede het behouden en het verbeteren van de natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, flora en de fauna, de kwaliteit van het milieu waaronder de lucht, de bodem en het water en de gezondheid van mensen en een goede ruimtelijke ordening, het verrichten van alle verdere handelingen die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn. Ingevolge het tweede lid tracht de Stichting dit doel te bereiken door: a. onderhouden van contacten met en het stimuleren en realiseren van communicatie tussen overheidsinstanties, publieke organisaties, regionale overlegorganen, particulieren etc.; b. het organiseren van diverse activiteiten op het gebied van natuur en milieu en het bundelen en op elkaar afstemmen van dergelijke activiteiten georganiseerd door anderen; c. het uitgeven van publicaties; d. het verzorgen van educatieve activiteiten; e. in rechte optreden; Ingevolge het derde lid betreft het werkgebied van de Stichting de gemeente Utrecht en aangrenzende gemeenten. 4.
- Naar het oordeel van de Afdeling strekken de normen van de Nbw 1998 die op de bescherming van de onder 4.32 genoemde Natura 2000-gebieden zijn gericht, kennelijk niet tot bescherming van de belangen die de Stichting blijkens haar statutaire doelstelling behartigt. Deze doelstelling ziet op de verbetering van het woon- en leefklimaat van de wijk Zuilen en omstreken. Ter zitting heeft de Stichting verklaard dat met de term ‘werkgebied’ in haar statuten het gebied is bedoeld waarbinnen nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien die mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben voor het woon-en leefklimaat in de wijk Zuilen. Daaronder is niet begrepen de bescherming van de Natura 2000-gebieden "Oostelijke Vechtplassen", "Nieuwkoopse Plassen" en "Botshol". Met betrekking tot het beroep op artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer overweegt de Afdeling dat nu de bepalingen uit de Nbw 1998 kennelijk niet strekken ter bescherming van de belangen van de Stichting, zij zich evenmin op die normen kan beroepen ten behoeve van het betoog dat een plan-MER diende te worden gemaakt. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking van het betoog van de Stichting dat ten onrechte geen passende beoordeling is opgesteld als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 alsmede dat ten onrechte geen milieueffectrapport als bedoeld in artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer is opgesteld. Daarbij betrekt de Afdeling dat het plan niet binnen de werkingssfeer valt van Richtlijn 2011/92/EU inzake de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 2012 L 26; vergelijk het arrest van het Hof van 15 oktober 2015 in zaak C-137/14, Commissie/Duitsland, ECLI:EU:C:2015:683, punten 33 en 90 tot en met 92). Conclusie 4.
- In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Bedrijventerrein" ter plaatse van de gronden tussen de spoorlijn en het Amsterdam-Rijnkanaal ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Voorts is het plan ten aanzien van de aanduiding "spoorweg" binnen de bestemming "Bedrijventerrein" ter plaatse van de gronden grenzend aan het Amsterdam-Rijnkanaal vastgesteld in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb en is artikel 3, lid 3.4.3, lid 3.6.1 en lid 3.6.3 van de planregels vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van de Stichting is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellante sub 2]
- Ter zitting heeft [appellante sub 2] haar beroepsgrond dat op haar gronden de opslag van meer dan 10.000 kilogram consumentenvuurwerk had moeten worden toegestaan, ingetrokken. Toegestane bedrijfsactiviteiten 5.
- [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met de in het plan voor haar percelen [locatie 1] tot en met [locatie 2] opgenomen regeling. Een deel van deze percelen verhuurt zij aan andere bedrijven en op de overige percelen exploiteert zij zelf bedrijfsactiviteiten. Zij voert aan dat verschillende bedrijfsactiviteiten ten onrechte niet zijn bestemd, nu sommige bedrijfsactiviteiten niet zijn opgenomen in de bij de planregels behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten. Voorts is op diverse percelen een lagere maximale milieucategorie toegestaan dan de milieucategorie waarin de activiteiten vallen die op die percelen plaatsvinden, aldus [appellante sub 2] Ten aanzien van de eerste categorie bedrijfsactiviteiten wijst [appellante sub 2] op de activiteiten reiniging van zandige afvalstoffen in een was- en grondreinigingsinstallatie, stationering en inbedrijfname van mobiele verwerkingsinstallaties, op- en overslag van zandige en steenachtige afvalstoffen voor doorvoer en externe bewerking, stabilisatie en immobilisatie van bouwstoffen, verkleinen A-, B- en C-hout (shredder), zanddroger, (mobiele) zeef voor bouw- en afvalstoffen, opslag, zeven en samenvoegen van grond en productie van e-pellets. Ten aanzien van de tweede categorie bedrijfsactiviteiten wijst [appellante sub 2] erop dat op het terrein van [bedrijf A], het perceel [locatie 1], overslag en bewerking van schroot plaatsvindt. Dit is volgens haar een bedrijfsactiviteit in milieucategorie 5.1, terwijl het bestemmingsplan daar ten onrechte slechts activiteiten toestaat in maximaal milieucategorie 4.
- Verder voert [appellante sub 2] aan dat op het perceel [locatie 3], waaraan in het plan maximaal milieucategorie 4.1 is toegekend, thans activiteiten plaatsvinden in milieucategorie 4.2, zoals de containerterminal voor de overslag van containers. 5.
- De raad stelt dat weliswaar niet alle bedrijfsactiviteiten die op de gronden van [appellante sub 2] plaatsvinden afzonderlijk worden genoemd in de Lijst van bedrijfsactiviteiten, maar dat dit niet wil zeggen dat deze activiteiten niet langer zijn toegestaan. Hiertoe wijst de raad erop dat de Lijst van bedrijfsactiviteiten categorieën van bedrijfsactiviteiten bevat en dat de door [appellante sub 2] genoemde activiteiten binnen één of meer van deze categorieën kunnen worden ondergebracht. Ten aanzien van de opslag en bewerking van schroot merkt de raad op dat die activiteiten in milieucategorie 4.2 vallen en derhalve als zodanig zijn bestemd. Tot slot stelt de raad zich op het standpunt dat op het terrein waarop de containerterminal is gevestigd inderdaad maximaal milieucategorie 4.2 had moeten worden toegestaan en dat het plan in zoverre onjuist is. 5.
- Aan de percelen van [appellante sub 2] is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend. Aan het grootste deel van de percelen is de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2" toegekend. Aan een deel is de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" toegekend. Daarnaast is aan een deel van de percelen de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - puinbreker" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor de bestemming "Bedrijventerrein" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" uitsluitend bestemd voor bedrijven uit de in de als bijlage bij de planregels gevoegde Lijst van bedrijfsactiviteiten genoemde categorieën 1 tot en met 4.
- Ingevolge dat lid zijn de voor de bestemming "Bedrijventerrein" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2" uitsluitend bestemd voor bedrijven uit de in de als bijlage bij de planregels gevoegde Lijst van bedrijfsactiviteiten genoemde categorieën 1 tot en met 4.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, zijn gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - puinbreker" onder meer bestemd voor het puinbreken en het reinigen van afvalstoffen zoals verontreinigde grond en het afvoeren ervan, behorend tot maximaal milieucategorie 5.
- 5.
- [appellante sub 2] is eigenaar van een aantal percelen aan de Isotopenweg op het bedrijventerrein Lage Weide. Enkele van deze percelen worden verhuurd aan andere bedrijven, die aldaar hun bedrijfsactiviteiten verrichten. Op het perceel [locatie 1] zijn de bedrijven Sita Recycling en [bedrijf A] gevestigd. Sita voert daar werkzaamheden uit als het op- en overslaan, sorteren, verdichten, breken, ontwateren en shredderen van afvalstoffen, alsmede het op- en overslaan van bulkgoederen en frituurvet. [bedrijf A] is een bedrijf dat zich bezighoudt met het be- en verwerken van metaalafval (ferro en non-ferro) met een opslagcapaciteit voor metaalafval van 8.000 ton. Het ingenomen schroot wordt verwerkt om vervolgens als grondstof te kunnen worden gebruikt. Bij de verwerking wordt gebruikgemaakt van een schrootschaar. Op de percelen [locatie 4]-[locatie 5] is het recyclebedrijf van [appellante sub 2] gevestigd. De werkzaamheden van dat bedrijf bestaan onder meer uit op- en overslag van primaire bouwstoffen, secundaire bouwstoffen, het bewerken van minerale bedrijfsafvalstoffen, steenachtige fractie uit bouw- en sloopafval, zandige afvalstoffen en thermisch reinigbare grond, sloopafval en bagger. Op het bedrijfsterrein zijn puinbrekers en een was- en grondreinigingsinstallatie aanwezig. Voorts wordt hout en glasafval op- en overgeslagen en worden baanvakken gedemonteerd. Daarnaast is een zoutloods aanwezig. Op het gehele terrein zijn weegbruggen, keerwanden, mobiele kranen en mobiele brekers aanwezig. Verder is op het perceel [locatie 5] het hoofdkantoor gevestigd. Op het perceel [locatie 3] is een containerterminal aanwezig waarbinnen containers worden op- en overgeslagen, waaronder containers met gevaarlijke stoffen. Aan de zijde van het kanaal is ten behoeve van de containerterminal een containerkraan aanwezig. 5.
- Met betrekking tot de bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie 1], waar Sita Recycling en [bedrijf A] actief zijn, overweegt de Afdeling het volgende. [appellante sub 2] heeft aangevoerd dat in het plan aan dit perceel een te lage maximale milieucategorie is toegekend, gelet op de specifieke bedrijfsactiviteiten van [bedrijf A]. De overslag en bewerking van schroot zoals die daar plaatsvindt is volgens [appellante sub 2] een activiteit in milieucategorie 5.2, terwijl daar in het plan slechts bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 4.2 zijn toegestaan. De raad heeft dienaangaande gesteld dat de activiteiten van [bedrijf A] vallen binnen de categorieën "Overige groothandel in afval en schroot" en "Vuiloverslagstations", activiteiten in onderscheidenlijk de milieucategorieën 3.2 en 4.2 en dat daarom geen hogere milieucategorie hoefde te worden toegekend. Over de activiteiten van [bedrijf A] wordt in het deskundigenbericht opgemerkt dat op het bedrijfsterrein van [bedrijf A] niet enkel sprake is van een groothandel in afval en schroot en ook niet enkel van een vuiloverslagstation, gelet op de verwerking van metalen en schroot met behulp van een schrootschaar die daar ook plaatsvindt. Volgens het deskundigenbericht passen laatstgenoemde activiteiten binnen de categorie "Metaal- en autoshredders", een activiteit die in de Lijst van bedrijfsactiviteiten onder milieucategorie 5.1 valt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad miskend dat op het bedrijfsterrein van [bedrijf A] bedrijfsactiviteiten plaatsvinden die een groothandel in afval en schroot en een vuiloverslagstation overstijgen. De raad heeft onvoldoende onderbouwd waarom die bedrijfsactiviteiten in het plan niet als zodanig zijn bestemd. Het plan is daarom in strijd met artikel 3:46 van de Awb, voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2" ter plaatse van het perceel [locatie 1]. Het betoog slaagt. 5.
- Voorts heeft [appellante sub 2] aangevoerd dat in het plan geen juiste regeling is opgenomen voor de gronden waarop haar recyclebedrijf is gevestigd, omdat daar bedrijfsactiviteiten plaatsvinden die niet in de bij de planregels behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten zijn opgenomen. Zij wijst hierbij in het bijzonder op de laad-, los- en overslagactiviteiten. Niet in geschil is dat op het bedrijfsperceel van [appellante sub 2] bedrijfsactiviteiten plaatsvinden die niet expliciet genoemd worden in de bij de planregels behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten. In het deskundigenbericht wordt dienaangaande opgemerkt dat de bewuste bedrijfsactiviteiten ook niet zijn opgenomen in de Lijst van bedrijfsactiviteiten in de VNG-brochure, maar dat deze bedrijfsactiviteiten kunnen worden verstaan onder enerzijds de categorie puinbreken en het reinigen van afvalstoffen in milieucategorie 5.2 en anders vallen onder bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 4.2 of lager, zoals afvalscheidingsinstallaties. Dit geldt volgens het deskundigenbericht evenzeer voor de laad-, los- en overslagactiviteiten. Ingevolge artikel 3 van de planregels zijn ter plaatse van aanduidingen met betrekking tot categorieën bedrijven toegestaan uit de in de als bijlage bij de regels gevoegde Lijst van bedrijfsactiviteiten opgenomen categorieën. In de Lijst van bedrijfsactiviteiten zijn veel verschillende soorten bedrijven opgenomen. Bij die verschillende soorten bedrijven worden echter niet alle individuele activiteiten genoemd die bij die bedrijven worden verricht en inherent zijn aan hun bedrijfsvoering. Naar het oordeel van de Afdeling brengt dat niet met zich dat die individuele activiteiten planologisch niet zijn toegestaan: zolang die individuele activiteiten passen binnen een in de Lijst van bedrijfsactiviteiten opgenomen categorie bedrijfsactiviteiten die is toegestaan op het perceel in kwestie, zijn die individuele activiteiten planologisch toegestaan. [appellante sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar genoemde individuele activiteiten die deel uitmaken van haar bedrijfsvoering niet passen binnen een dergelijke categorie. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in zoverre in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een passende regeling is opgenomen voor de gronden van [appellante sub 2] waarop haar recyclebedrijf is gevestigd. Het betoog faalt. 5.
- [appellante sub 2] heeft aangevoerd dat het plan voor het deel van haar gronden waarop de containerterminal is gevestigd, voorziet in een te lage maximale milieucategorie. De activiteiten aldaar vallen volgens haar in milieucategorie 4.2, terwijl daar maximaal activiteiten in milieucategorie 4.1 zijn toegestaan. In reactie op het beroep van [appellante sub 2] heeft de raad te kennen gegeven dat hij de milieucategorie die maximaal is toegestaan op de gronden waarop de containerterminal is gevestigd ook onjuist acht, nu het gebruik van die gronden voor de op- en overslag van containers een activiteit is die valt in milieucategorie 4.
- Volgens de raad had bij nader inzien in het plan aan de containerterminal een specifieke aanduiding moeten worden toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" ter plaatse van de containerterminal van [appellante sub 2] niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Het betoog slaagt. Bebouwingsmogelijkheden 5.
- [appellante sub 2] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in een sterke beperking van de mogelijkheden voor uitbreiding van bedrijfsbebouwing. De resterende uitbreidingsruimte is volgens haar te beperkt en ten onrechte afhankelijk gesteld van de bestaande oppervlakte aan bedrijfsbebouwing. Zij wijst er hierbij op dat bedrijven met een beperkte hoeveelheid gebouwen door de in het plan opgenomen regeling extra worden benadeeld, nu het opnemen van een maximaal uitbreidingspercentage van de brutovloeroppervlakte met zich brengt dat in die gevallen slechts beperkte uitbreidingsmogelijkheden bestaan, net als bedrijven die bebouwing hebben met een beperkt grondbeslag maar met meerdere verdiepingen. [appellante sub 2] voert aan dat de in het plan opgenomen beperking van de uitbreiding van de brutovloeroppervlakte zich niet verhoudt tot de aard van het gebied, een bedrijventerrein waarop veel zwaardere vormen van bedrijvigheid aanwezig zijn. Voorts stelt zij dat niet zonder meer een relatie bestaat tussen het uitbreiden van bedrijfsbebouwing en de milieugevolgen van het bedrijf dat de bebouwing uitbreidt. Verder is deze beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van bedrijfsbebouwing in tegenspraak met de ruime bebouwingsmogelijkheden voor horeca en kantoren, die mogen worden gebouwd totdat het in het plan aangegeven maximale bebouwingspercentage op een perceel is bereikt, aldus [appellante sub 2] 5.
- De raad stelt dat de beperking van de uitbreidingsmogelijkheden voor bebouwing noodzakelijk is om het bedrijventerrein ook in de toekomst bereikbaar te houden. De raad acht het van belang dat ook bij een groei van de bedrijfsbebouwing op het bedrijventerrein Lage Weide een aanvaardbare verkeersdoorstroom gewaarborgd blijft. Daarom heeft de raad ervoor gekozen de groei van het brutovloeroppervlak van de bedrijfsbebouwing in het plangebied te beperken en slechts extra brutovloeroppervlak toe te staan als dat geen onaanvaardbare aantasting met zich brengt van de bereikbaarheid van het bedrijventerrein en de aldaar gevestigde bedrijven. Voorts zijn de uitbreidingsmogelijkheden van bedrijfsbebouwing voor horeca en kantoren volgens de raad ook beperkt, alleen op een andere wijze. 5.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder c, van de planregels mag het bebouwingspercentage ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage" niet worden overschreden, met inachtneming van het bepaalde genoemd onder e. Ingevolge lid 3.2.1, onder d, mag de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte" niet worden overschreden, met inachtneming van het bepaalde genoemd onder e. Ingevolge lid 3.2.1, onder e, mag het bestaande aantal vierkante meters brutovloeroppervlak van de op het bouwperceel aanwezige gebouwen met maximaal 10% worden vergroot, met inachtneming van het bepaalde onder c. en d. Ingevolge lid 3.4.4, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1, onder e, voor het toestaan van extra brutovloeroppervlak, onder de volgende voorwaarden:
- er in totaal voor het hele plangebied niet meer dan 170.000 m2 brutovloeroppervlak mag worden toegevoegd;
- er geen onaanvaardbare aantasting van de bereikbaarheid van het bedrijventerrein of de daar gevestigde bedrijven plaatsvindt door de vestiging van bedrijven die volgens de Lijst van Bedrijfsactiviteiten een indicatie 3G of 3P voor verkeer hebben;
- dit niet leidt tot milieuhygiënische bezwaren. 5.
- Over de door [appellante sub 2] gemaakte vergelijking met de volgens haar veel ruimere bebouwingsmogelijkheden op percelen waarop ook horeca of kantoren zijn toegestaan, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat in de gevallen waarin voor de als horeca of kantoren bestemde gronden geen maximaal bebouwingspercentage is opgenomen, geen onbebouwde gronden aanwezig zijn. Als voor horeca of kantoren aangewezen gronden wel deels onbebouwd zijn, dan is volgens de raad een maximaal bebouwingspercentage opgenomen dat aanzienlijk lager is dan dat voor de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein". In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 2] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt. 5.
- [appellante sub 2] heeft aangevoerd dat de in het plan opgenomen maximale uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijfsbebouwing te beperkt zijn. Voorts heeft zij aangevoerd dat de keuze voor de in de planregels opgenomen begrenzing van de uitbreidingsmogelijkheden onvoldoende is onderbouwd. Dienaangaande overweegt de Afdeling het volgende. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat de geboden uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijfsbebouwing bestaan uit twee delen. Enerzijds wordt een algemene uitbreidingsmogelijkheid van 10% van het brutovloeroppervlak geboden. Daarnaast wordt voor het gehele bedrijventerrein de mogelijkheid geboden maximaal 170.000 m2 brutovloeroppervlak extra te realiseren. De in het plan opgenomen regeling behelst dat alle bedrijven op het bedrijventerrein een deel van die 170.000 m2 kunnen benutten als zij dat wensen. Daarbij kan zich de situatie voordoen dat de beschikbare extra uitbreidingsruimte wordt vervuld voordat alle bedrijven die daarvoor belangstelling hebben, daarvan gebruik hebben kunnen maken. 5.
- Zoals hiervoor onder 2 is overwogen is het uitgangspunt van het plan dat in beginsel de bestaande bedrijfsvoering en -bebouwing worden bestemd. Om de in het plangebied gevestigde bedrijven enige uitbreidingsmogelijkheden te gunnen heeft de raad een algemene uitbreidingsmogelijkheid van 10% van het brutovloeroppervlak in het plan opgenomen en heeft de raad bovenop die 10% een mogelijkheid willen bieden voor enige extra uitbreiding van het brutovloeroppervlak. Deze uitgangspunten van de raad acht de Afdeling in beginsel niet onredelijk. Vervolgens ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld of de raad in redelijkheid heeft kunnen kiezen de extra uitbreidingsruimte boven de genoemde standaarduitbreidingsmogelijkheid van 10% te beperken tot 170.000 m2 brutovloeroppervlak voor het gehele bedrijventerrein. De raad heeft toegelicht dat deze beperking noodzakelijk is om een onaanvaardbare verslechtering van de verkeerssituatie rond het bedrijventerrein en de bereikbaarheid van het bedrijventerrein te voorkomen. Hiertoe heeft hij verwezen naar het aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeksrapport "Verkeersintensiteiten Lage Weide 2014 & 2024" van de afdeling Expertise en Mobiliteit van de gemeente Utrecht van oktober 2013 (hierna: het verkeersonderzoek), waaruit volgens hem blijkt dat bij een extra uitbreiding van het brutovloeroppervlak bedrijfsbebouwing met meer dan 170.000 m2 extra sprake is van een omslagpunt met betrekking tot de verkeerssituatie. Voorts heeft de raad gesteld dat niet aannemelijk is dat zich de situatie zal voordoen dat de beschikbare extra uitbreidingsruimte door de uitbreidingsplannen van slechts enkele bedrijven volledig zal worden verbruikt, zodat andere bedrijven achter het net vissen, nu niet aannemelijk is dat op het bedrijventerrein voldoende uitbreidingsplannen bestaan om binnen de planperiode de volledige extra uitbreidingsruimte te benutten. 5.
- In het verkeersonderzoek wordt ervan uitgegaan dat zich bij een uitbreiding van het brutovloeroppervlak bedrijfsbebouwing een daaraan evenredige toename van de hoeveelheid verkeersbewegingen van en naar het bedrijventerrein zal voordoen. Verschillende appellanten, waaronder [appellante sub 2], hebben bestreden dat zonder meer een dergelijk verband bestaat. Hierbij hebben zij als voorbeeld de situatie genoemd waarin een terrein voor opslag van materialen wordt overkapt: in die situatie zal zich een sterke toename van het bebouwd oppervlak voordoen zonder dat dit een toename van het aantal verkeersbewegingen met zich brengt. In het verkeersonderzoek is niet inzichtelijk gemaakt welke gegevens zijn gebruikt om de verkeerseffecten van een bepaalde toename van het brutovloeroppervlak bedrijfsruimte te bepalen en is niet inzichtelijk gemaakt dat daarbij rekening is gehouden met situaties als door appellanten genoemd. Voorts wordt in het verkeersonderzoek slechts tot de conclusie gekomen dat een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing met 170.000 m2 extra in beginsel geen (over)belaste kruispunten veroorzaakt. Uit het verkeersonderzoek blijkt niet dat bij een uitbreiding van het brutovloeroppervlak met meer dan de 170.000 m2 extra uitbreidingsruimte sprake zal zijn van een onaanvaardbare verkeerssituatie. Het standpunt van de raad dat bij een uitbreiding met die oppervlakte sprake is van een omslagpunt vindt dan ook geen steun in het verkeersonderzoek. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich niet in redelijkheid onder verwijzing naar het verkeersonderzoek op het standpunt kunnen stellen dat niet meer dan 170.000 m2 extra brutovloeroppervlak bedrijfsruimte kon worden toegestaan. Ten aanzien van het standpunt van de raad dat het onwaarschijnlijk is dat de volledige beschikbare uitbreidingsruimte gedurende de planperiode zal worden benut en dat het in het plan opgenomen maximum daarom geen belemmering zal vormen voor de bedrijven op Lage Weide overweegt de Afdeling het volgende. Ter zitting is door enkele appellanten naar voren gebracht dat zij diverse concrete bouwwensen in voorbereiding hebben en dat daarmee tienduizenden vierkante meters van de beschikbare uitbreidingsruimte zullen worden benut. Volgens hen zal een belangrijk deel van de beschikbare uitbreidingsruimte reeds daarmee worden gevuld. De raad heeft die stelling niet weersproken. Gelet op het voorgaande heeft de raad zijn standpunt dat de in het plan opgenomen maximale uitbreidingsruimte geen belemmering zal vormen voor bedrijven met uitbreidingswensen onvoldoende onderbouwd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de raad de keuze in het plan naast een uitbreidingsruimte van 10% een extra uitbreidingsruimte toe te staan die is beperkt tot 170.000 m2 brutovloeroppervlak niet voldoende gemotiveerd. Artikel 3, lid 3.4.4, onder 1, van de planregels is daarom in strijd met artikel 3:46 van de Awb. 5.
- De Afdeling merkt nog op dat bij de bespreking van het beroep van [appellante sub 4] aan de hand van haar beroepsgronden nog zal worden ingegaan op de rechtszekerheid van artikel 3, lid 3.4.4, van de planregels. Maximale bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde 5.
- [appellante sub 2] betoogt dat het plan voor haar percelen voorziet in een te lage maximale bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De daarvoor in het plan toegestane bouwhoogte sluit niet aan bij de benodigde bouwhoogte van de op haar percelen toegestane bedrijven. Zij wijst hierbij in het bijzonder op silo’s en (mobiele) installaties, zoals die ook in gebruik zijn op haar percelen. Dat van de maximale bouwhoogte kan worden afgeweken is volgens [appellante sub 2] niet voldoende, nu zij niet afhankelijk wil zijn van medewerking van het gemeentebestuur om hogere silo’s op te mogen richten. 5.
- De raad stelt dat het beperken van de bij recht toegestane maximale bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot 15 meter redelijk is. 5.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, onder a, van de planregels mag de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 15 meter bedragen. Ingevolge lid 3.4.3 kunnen burgemeester en wethouders door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2, onder a, voor de bouw van silo’s en vergelijkbare installaties met een bouwhoogte tot maximaal 45 meter onder de voorwaarde dat dit noodzakelijk is voor en de silo/installatie deel uitmaakt van de bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf. 5.
- Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de beperking van de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot 15 meter een algemene regel is die op het gehele bedrijventerrein wordt gehanteerd. De raad heeft echter niet onderbouwd waarom specifiek voor die toegestane hoogte is gekozen. Zeker in het licht van de omstandigheden dat het bedrijventerrein Lage Weide is bedoeld voor grootschalige, zwaardere bedrijvigheid, waarbij vaak hogere bouwwerken worden gebruikt, en dat op grote delen van het bedrijventerrein de bouw van aanmerkelijk hogere gebouwen bij recht is toegestaan (op het terrein van [appellante sub 2] is bijvoorbeeld voor gebouwen een maximale bouwhoogte van 45 meter toegestaan), acht de Afdeling deze keuze onvoldoende gemotiveerd. Artikel 3, lid 3.2.2, onder a, van de planregels is dan ook vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Nadere eisenregeling 5.
- [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met het bepaalde in artikel 3, lid 3.3, van de planregels. Volgens haar is dit voorschrift in strijd met andere planregels en is het rechtsonzeker. De met dit voorschrift geïntroduceerde bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om nadere eisen te stellen aan de plaats en afmeting van bebouwing kan leiden tot een verdere beperking van de bouwmogelijkheden, zonder dat kan worden voorspeld wanneer daarvan sprake zal zijn, aldus [appellante sub 2] Voorts is volgens haar onvoldoende duidelijk onder welke omstandigheden het college van burgemeester en wethouders tot toepassing van deze bevoegdheid mag overgaan. 5.
- De raad stelt zich op het standpunt dat voldoende duidelijk is wanneer en waarvoor het college van burgemeester en wethouders gebruik mag maken van de bevoegdheid nadere eisen te stellen en dat het plan in zoverre niet rechtsonzeker is. 5.
- Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels ten aanzien van in het plan omschreven onderwerpen of onderdelen nadere eisen kunnen stellen. 5.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.3, van de planregels kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van: a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c. de milieusituatie; d. de sociale veiligheid; e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken. 5.
- Het betoog van [appellante sub 2] komt erop neer dat voornoemd artikeldeel rechtsonzeker en in strijd met andere planregels is. Met artikel 3, lid 3.3, van de planregels wordt toepassing gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wro. Laatstgenoemd artikeldeel maakt het mogelijk het college van burgemeester en wethouders bevoegd te verklaren ten aanzien van bepaalde (incidentele) gevallen, wanneer een aanvraag om vergunning daartoe aanleiding geeft, op bepaalde punten nadere eisen te stellen. Met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wro is niet beoogd toe te staan dat nadere eisen kunnen worden gesteld die op ernstige wijze afbreuk doen aan de in een plan rechtstreeks geboden mogelijkheden van een perceel. Kort gezegd kunnen met een nadere eisenregeling alleen eisen worden gesteld aan de invulling van de planologische mogelijkheden. Dit betekent dat met artikel 3, lid 3.3, van de planregels weliswaar nadere eisen kunnen worden gesteld aan de plaats en afmeting van bebouwing, gelet op enkele ruimtelijke aspecten, maar dat met deze nadere eisenregeling geen afbreuk kan worden gedaan aan de algemene bouw- en gebruiksmogelijkheden die het plan biedt. De nadere eisenregeling die in het plan is opgenomen is naar haar aard beperkt van omvang, nu zij alleen ziet op de plaats en afmetingen van bebouwing. Naar het oordeel van de Afdeling is de nadere eisenregeling daarom niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of in strijd met andere planregels. Hierbij merkt de Afdeling nog op dat [appellante sub 2] en anderen de mogelijkheid openstaat beroep in te stellen als nadere eisen worden gesteld waarmee zij zich niet kunnen verenigen. De raad heeft er dan ook in redelijkheid voor kunnen kiezen genoemde nadere eisenregeling in het plan op te nemen. Het betoog faalt. Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) 5.
- [appellante sub 2] betoogt dat aan de gronden waarop de containerterminal is gelegen ten onrechte niet de aanduiding "veiligheidszone - bevi" is toegekend. Zij voert hiertoe aan dat zij haar bedrijfsvoering ter plaatse van de containerterminal wil kunnen uitbreiden en dat zij in toenemende mate verzoeken krijgt om daar gevaarlijke stoffen over te slaan. In de toekomst wil zij aan die verzoeken tegemoet kunnen komen. De genoemde aanduiding is daarvoor noodzakelijk. In dit verband wijst [appellante sub 2] erop dat al een aanvraag van een revisievergunning in voorbereiding is waarin deze gewenste toekomstige activiteiten zijn betrokken. Dat voor het toestaan van Bevi-inrichtingen een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen is volgens [appellante sub 2] niet voldoende, omdat zij bij een uitbreiding van de bedrijfsvoering niet afhankelijk wil zijn van nadere besluitvorming. 5.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder c, van de planregels geldt met betrekking tot het gebruik de regel dat Bevi-inrichtingen niet zijn toegestaan, behoudens bestaande ter plaatse van de aanduiding "veiligheidszone - bevi". Ingevolge lid 3.6.3 kunnen burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5, onder c, ten behoeve van het vestigen van Bevi-inrichtingen, mits per geval van de betreffende Bevi-inrichting de 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico of, indien van toepassing, de afstand zoals bedoeld in artikel 5, lid 3, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen juncto artikel 2, lid 1, van de Regeling externe veiligheid inrichtingen, is gelegen: a. binnen het bouwperceel van de Bevi-inrichting, of b. daarbuiten uitsluitend op gronden met de bestemming "Groen", "Verkeer", "Verkeer - Verblijfsgebied" of "Water" en gelegen binnen het grondgebied van de gemeente Utrecht; en mits het groepsrisico kan worden verantwoord en als aanvaardbaar beschouwd kan worden. 5.
- Tussen partijen is niet in geschil dat de bestaande bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de containerterminal niet met zich brengen dat de bestaande containerterminal moet worden aangemerkt als Bevi-inrichting. Het toekennen van de aanduiding "veiligheidszone - Bevi" was dus niet noodzakelijk om de bestaande bedrijfsactiviteiten binnen de containerterminal als zodanig te bestemmen. [appellante sub 2] heeft echter aangevoerd dat zij de bedrijfsvoering binnen de containerterminal wil uitbreiden en daarbij ook in toenemende mate gevaarlijke stoffen wil kunnen overslaan. Volgens [appellante sub 2] zou dat van de containerterminal een Bevi-inrichting maken, hetgeen planologisch niet is toegestaan. Ter zitting is gebleken dat [appellante sub 2] met het college van gedeputeerde staten van Utrecht contact heeft gehad over het mogelijk uitbreiden van de omvang van de overslag van gevaarlijke stoffen, maar niet is komen vast te staan dat bij het gemeentebestuur ten tijde van het vaststellen van het plan bekend was dat [appellante sub 2] die activiteit wilde gaan verrichten in een zodanige omvang dat dit van de containerterminal een Bevi-inrichting zou maken. De raad heeft er dan ook in redelijkheid van kunnen afzien de aanduiding "veiligheidszone - bevi" toe te kennen aan de gronden van [appellante sub 2] Dit sluit overigens niet uit dat het college van burgemeester en wethouders bij omgevingsvergunning tot afwijken van het plan wellicht alsnog een Bevi-inrichting kan toestaan. Het betoog faalt. Uitsluiting bepaalde m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten 5.
- [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met artikel 3, lid 3.5, onder e, van de planregels. Het daarin opgenomen verbod op inrichtingen en installaties als bedoeld in bijlagen C en D van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het Besluit m.e.r.), waarbij de drempelwaarde genoemd in kolom 2 van de betreffende onderdelen wordt overschreden, is volgens haar niet aanvaardbaar. Zij voert in dit verband aan dat deze uitsluiting van bepaalde inrichtingen en installaties geen ruimtelijke relevantie heeft en daarom niet in het plan had mogen worden opgenomen. Hierbij wijst zij erop dat sommige activiteiten, zoals het shredderen van hout, wel of niet m.e.r.-beoordelingsplichtig kunnen zijn, afhankelijk van het kader waarin en het doel waarmee die activiteiten plaatsvinden, terwijl de ruimtelijke uitstraling hetzelfde blijft. Het categorisch uitsluiten van m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten is volgens [appellante sub 2] ook niet in overeenstemming met het karakter van het bedrijventerrein, waarop bedrijfsactiviteiten in hoge milieucategorieën zijn toegestaan. [appellante sub 2] betoogt dat met deze planregel slechts is beoogd de toepassing van het Besluit m.e.r. en daarmee van de Europese m.e.r.-regelgeving te blokkeren. Dit is niet acceptabel, aldus [appellante sub 2] Ook voert [appellante sub 2] aan dat deze planregeling rechtsonzeker is. Ten aanzien van haar eigen bedrijfsactiviteiten voert [appellante sub 2] aan dat die bedrijfsactiviteiten weliswaar in zoverre planologisch nog zijn toegestaan, maar dat elke wijziging of uitbreiding daarvan niet is toegestaan, gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 3.5, onder e, van de planregels. Volgens haar had het plan niet mogen voorzien in een zodanige beperking van de mogelijkheden van haar bedrijf. 5.
- De raad stelt dat hij ervan uitgaat dat formeel m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten in de regel een hogere milieubelasting met zich brengen dan activiteiten die dat niet zijn. Hij acht het wenselijk dat het toestaan van formeel m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten afzonderlijk wordt afgewogen. 5.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder e, van de planregels geldt met betrekking tot het gebruik de regel dat inrichtingen en/of installaties als bedoeld in bijlage C of D van het Besluit milieueffectrapportage, waarbij de betreffende drempelwaarde genoemd in kolom 2 van de betreffende onderdelen worden (lees: wordt) overschreden, niet zijn toegestaan. 5.
- [appellante sub 2] heeft betoogd dat een planregel die het gebruik van gronden voor inrichtingen en installaties die m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn verbiedt, niet ruimtelijk relevant is. De raad heeft toegelicht dat het opnemen van dit gebruiksverbod is ingegeven door de wens de milieubelasting vanwege activiteiten op het bedrijventerrein in de hand te houden. Hierbij heeft de raad van belang geacht dat activiteiten die m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn over het algemeen een hogere milieubelasting met zich zullen brengen dan activiteiten die dat niet zijn. Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de door [appellante sub 2] bestreden planregel niet ruimtelijk relevant is. De raad heeft erop gewezen dat het plan conserverend van aard is en dat het weliswaar enige uitbreidingsmogelijkheden biedt, maar dat hij er uitdrukkelijk voor heeft gekozen deze mogelijkheden te beperken ten opzichte van het eerder geldende regime om te voorkomen dat de bestemmingen niet goed aansluiten op de (woon)bestemmingen in de onmiddellijke omgeving van het plangebied. In het licht hiervan stelt [appellante sub 2] naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte dat deze planregel alleen in het plan is opgenomen omdat de raad de toepassing van het Besluit m.e.r. of de daaraan ten grondslag liggende Europese regelgeving wil blokkeren. Dat de raad voor het opnemen van deze planregel heeft gekozen om de milieubelasting vanwege de activiteiten op het bedrijventerrein Lage Weide in de hand te houden, acht de Afdeling als uitgangspunt niet onredelijk. Wel is de Afdeling van oordeel dat het voorschrift, zoals het nu is geformuleerd, onvoldoende rechtszeker is. Hiertoe acht de Afdeling van belang dat het mogelijk is dat gedurende de planperiode een wijziging wordt aangebracht in de bijlagen bij het Besluit m.e.r.. Door de directe koppeling in de planregels met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. kan dat met zich brengen dat de planologische mogelijkheden van gronden in het plangebied gedurende de planperiode worden gewijzigd of beperkt. Dit had kunnen worden voorkomen door in de planregel duidelijk te maken van welke drempelwaarden moet worden uitgegaan, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de drempelwaarden uit de bijlagen bij het Besluit m.e.r. zoals die op een bepaalde datum golden. Daarin voorziet het plan echter niet. Het betoog van [appellante sub 2] dat artikel 3, lid 3.5, onder e, van de planregels rechtsonzeker is, slaagt in zoverre. Geur 5.
- [appellante sub 2] betoogt dat het plan niet had mogen voorzien in een voorschrift dat inhoudt dat oprichting, uitbreiding en wijziging van bedrijven waarvoor voor geur een richtafstand van 100 meter of meer wordt aangehouden, slechts is toegestaan wanneer het college van burgemeester en wethouders daaraan medewerking verlenen en in het geval dat de totale geurbelasting op woningen binnen en buiten het plangebied niet toeneemt. Zij betwijfelt of deze planregeling rechtszeker en uitvoerbaar is. 5.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder b, van de planregels is oprichting, uitbreiding en wijziging van bedrijven waarbij in de Lijst van bedrijfsactiviteiten voor het aspect ‘geur’ een afstand van 100 meter of meer is aangegeven, slechts toegestaan met inachtneming van het bepaalde in regel 3.6.
- Ingevolge lid 3.6.1 kunnen burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning medewerking verlenen aan het bepaalde in lid 3.5, onder b, ten behoeve van de oprichting, uitbreiding of wijziging van bedrijven waarbij in de Lijst van bedrijfsactiviteiten voor het aspect ‘geur’ een afstand van 100 meter of meer is aangegeven, mits daardoor de totale geurbelasting op woningen, niet zijnde bedrijfswoningen, bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, binnen en buiten het plangebied niet toeneemt. 5.
- [appellante sub 2] en andere appellanten hebben vraagtekens gezet bij de rechtszekerheid en uitvoerbaarheid van artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder b, en lid 3.6.1, van de planregels. Het is voor hen onduidelijk wat deze bepalingen praktisch gezien behelzen voor de mogelijkheden van hun bedrijven. Zij hebben betoogd dat deze bepalingen geen goede weerslag vormen van de bedoeling die de raad had met het in het plan opnemen van deze regeling en menen dat voor op Lage Weide gevestigde bedrijven onvoldoende duidelijk is aan welke norm individuele bedrijven moeten voldoen om niet in strijd met het bestemmingsplan te handelen. Ter zitting heeft de raad een toelichting gegeven op de bedoeling die hij had met het vaststellen van deze planregeling. De raad wil het woon- en leefklimaat in de nabijgelegen woonwijk Zuilen beschermen. Het uitgangspunt van de raad is daarbij dat zich in Zuilen geen nieuwe geurhinder mag voordoen door een toename van de totale geurbelasting op woningen. Ten behoeve daarvan heeft de raad willen regelen dat de geurcontouren van bedrijven op Lage Weide binnen de grenzen van hun bedrijfsterreinen moeten blijven, heeft hij ter zitting uiteengezet. De hiervoor aangehaalde planregeling voorziet echter niet in een daartoe strekkende regeling. Verder heeft de raad toegelicht dat hij heeft willen verzekeren dat de totale geurbelasting op de woonwijk Zuilen niet toeneemt. Uit de planregeling wordt echter niet duidelijk wat onder de totale geurbelasting op de woonwijk Zuilen wordt verstaan, gelet op de stelling van de raad ter zitting dat de onderscheiden geuren van de bedrijven op Lage Weide sterk van karakter verschillen en daarvan niet een eenduidige totale geurbelasting op woningen kan worden bepaald. Gelet op het voorgaande heeft de raad met artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder b, en lid 3.6.1, van de planregels in zoverre niet geregeld wat hij heeft beoogd te regelen en zijn deze voorschriften onvoldoende rechtszeker. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook in strijd met artikel 3:2 van de Awb en met het rechtszekerheidsbeginsel. Nu reeds hierom tot een vernietiging wordt gekomen, komt de Afdeling aan bespreking van de overige beroepsgronden tegen deze planregeling niet meer toe. Conclusie 5.
- In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hiervoor omschreven plandelen is genomen in strijd met de rechtszekerheid, dan wel in strijd met artikel 3:2 of artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellante sub 3]
- Ter zitting heeft [appellante sub 3] haar beroepsgronden ten aanzien van het kantoorgebouw op de locatie Kernkade ingetrokken. Locatie Ruimteweg
- [appellante sub 3] kan zich niet verenigen met de in het plan voor haar bedrijfslocatie aan de Ruimteweg opgenomen regeling. Daartoe betoogt zij dat op dat perceel bij recht een grotere maximale bouwhoogte had moeten worden toegestaan dan in het plan is opgenomen. Weliswaar is in de planregels een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarmee op die locatie een grotere maximale bouwhoogte kan worden toegestaan, maar de voorwaarden die aan deze afwijkingsbevoegdheid zijn verbonden zijn volgens haar onduidelijk en onnodig beperkend. Ook is de noodzaak van deze voorwaarden onvoldoende onderbouwd, aldus [appellante sub 3] In dit verband voert zij aan dat niet duidelijk is wat wordt bedoeld met de voorwaarde dat de bouwhoogte met maximaal 30% mag worden verhoogd. Verder betoogt [appellante sub 3] dat zij niet afhankelijk wil zijn van nadere besluitvorming wanneer zij haar bedrijfsbebouwing wil uitbreiden, nu zij op afzienbare termijn de hele bedrijfslocatie wil kunnen herontwikkelen. Daarvoor is op de gehele bedrijfslocatie een hogere maximale bouwhoogte noodzakelijk. Dat de raad vreest dat een massieve wand zal ontstaan als op het gehele bedrijfsterrein een grotere maximale bouwhoogte wordt toegestaan, is volgens [appellante sub 3] onvoldoende om de keuze voor de in het plan opgenomen beperking van de maximale bouwhoogte te onderbouwen. Hierbij wijst zij erop dat deze bedrijfslocatie erg groot is, waardoor de ruimtelijke effecten van een grotere bouwhoogte beperkt zullen blijven, en dat in de omgeving van het bedrijfsterrein reeds een industrieterrein aanwezig is waarop de ruimtelijke effecten van een grotere maximale bouwhoogte zich nauwelijks zullen doen gevoelen. Tot slot voert zij aan dat het bepaalde in artikel 3, lid 3.4.5, aanhef en onder 2, van de planregels voor haar onnodig beperkend is. 7.
- In het plan is aan de locatie Ruimteweg de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduidingen "wetgevingszone - afwijkingsgebied - 2", "bedrijf tot en met categorie 4.2", "maximum bebouwingspercentage 70%" en "maximum bouwhoogte = 15 meter" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.4.4, van de planregels, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1, onder e, voor het toestaan van extra brutovloeroppervlak, onder de volgende voorwaarden:
- er in totaal voor het hele plangebied niet meer dan 170.000 m2 brutovloeroppervlak mag worden toegevoegd;
- er geen onaanvaardbare aantasting van de bereikbaarheid van het bedrijventerrein of de daar gevestigde bedrijven plaatsvindt door de vestiging van bedrijven die volgens de Lijst van Bedrijfsactiviteiten een indicatie 3G of 3P voor verkeer hebben;
- dit niet leidt tot milieuhygiënische bezwaren; Ingevolge artikel 3, lid 3.4.5, van de planregels kunnen burgemeester en wethouders ter plaatse van de aanduiding "wetgevingszone - afwijkingsgebied - 2" door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1, onder d, voor het toestaan van een hogere bouwhoogte, onder de volgende voorwaarden:
- de bouwhoogte mag met maximaal 30% worden verhoogd naar 30 meter;
- voldaan wordt aan het bepaalde genoemd onder lid 3.4.4 onder 1, 2, en
- 7.
- In reactie op het beroep van [appellante sub 3] heeft de raad erkend dat de voorwaarde voor het afwijken van de maximum bouwhoogte die betrekking heeft op het percentage van 30%, niet juist in de planregels is opgenomen. Hierbij heeft de raad toegelicht dat in deze planregel de zinsnede "voor maximaal 30% van het bouwvlak" had moeten worden opgenomen. Nu de raad in zoverre niet heeft bestemd hetgeen hij heeft beoogd te bestemmen, moet worden geoordeeld dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt. 7.
- De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of de raad er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen de maximum bouwhoogte op de locatie Ruimteweg te beperken tot 15 meter en voor een gedeelte van het bouwvlak hogere bouwhoogten tot 30 meter slechts toe te staan door toepassing van een afwijkingsbevoegdheid. Niet in geschil is dat de in de bestaande situatie op de locatie Ruimteweg aanwezige bebouwing een maximumhoogte heeft van ongeveer 9 tot 10 meter. [appellante sub 3] heeft aangevoerd dat bij haar al langere tijd het voornemen bestaat de locatie Ruimteweg te herstructureren en dat voor bedrijfsactiviteiten als die zij daar ontplooit tegenwoordig een grotere maximale bouwhoogte noodzakelijk is van ten minste 25 meter. De raad heeft een dergelijke maximale bouwhoogte in het plan niet bij recht willen toestaan, omdat hij wil voorkomen dat ter plaatse een massieve wand van bebouwing zal ontstaan die een visuele barrière zal vormen. Hij acht dergelijke bebouwing niet stedenbouwkundig aanvaardbaar. De raad heeft echter niet gemotiveerd waarom het bij recht toestaan van dergelijke bebouwing op deze locatie stedenbouwkundig niet aanvaardbaar zou zijn. Hierbij betrekt de Afdeling dat in de omgeving van de locatie Ruimteweg slechts andere bedrijfsbebouwing en een hotel aanwezig zijn. Van een negatieve uitstraling voor het zicht vanaf een woonwijk kan dan ook geen sprake zijn. Bovendien is in het plan voor het nabijgelegen hotel bij recht een bouwhoogte van 30 meter toegestaan. Voorts ligt de locatie Ruimteweg naast een verhoogde weg, die bebouwing op die locatie deels aan het zicht onttrekt. Gelet op het voorgaande is de voor de locatie Ruimteweg in het plan voorziene beperking van de bij recht toegestane maximale bouwhoogte tot 15 meter in het licht van de door [appellante sub 3] gewenste verhoging van de bebouwing onvoldoende gemotiveerd. Het plan is in zoverre dan ook vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Nu de Afdeling reeds hierom tot een vernietiging komt, wordt niet meer toegekomen aan bespreking van de overige beroepsgronden van [appellante sub 3] met betrekking tot de maximale bouwhoogte en de mogelijkheid daarvan af te wijken. Locatie Atoomweg/Neutronweg 7.
- [appellante sub 3] kan zich niet verenigen met de in het plan voor haar gronden aan de Atoomweg en de Neutronweg opgenomen regeling. Hiertoe voert zij aan dat in het plan voor die locatie ten onrechte een minimale milieucategorie van 3.2 is opgenomen. Het uitgangspunt van de raad dat aldaar sprake is van één bedrijf in milieucategorie 3.2, namelijk een bedrijf voor goederenvervoer over de weg en het afleveren van LPG, is volgens [appellante sub 3] onjuist, nu daar verschillende bedrijven zijn gevestigd. Zij wijst er hierbij op dat voornoemd bedrijf voor goederenvervoer en het afleveren van LPG volgens de milieuvergunning ook niet de hoofdactiviteit is op deze locatie: dat is namelijk een groothandel in milieucategorie
- De in het plan opgenomen regeling kan tevens een belemmering vormen bij het splitsen of verkopen van bedrijven of onderdelen daarvan, aldus [appellante sub 3] 7.
- De raad stelt dat de op de locatie Atoomweg/Neutronweg plaatsvindende bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 3] passen in milieucategorie 3.2 en dat eventuele andere activiteiten die daar plaatsvinden bij die bedrijfsactiviteiten horen. Hij acht het niet wenselijk als zich op deze locatie zelfstandige bedrijven in een lagere milieucategorie vestigen. 7.
- Aan de locatie Atoomweg/Neutronweg zijn in het plan de bestemming "Bedrijventerrein" en onder meer de aanduiding "bedrijf van categorie 3.2 tot en met categorie 5.1" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn gronden met die bestemming en aanduiding bestemd voor bedrijven uit de in de bij de planregels behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten genoemde categorieën 3.2 tot en met 5.
- 7.
- In het deskundigenbericht wordt kort gezegd het volgende opgemerkt over de locatie Atoomweg/Neutronweg. [appellante sub 3] heeft de locatie Atoomweg/Neutronweg in eigendom. Een deel van de daar aanwezige gebouwen is in gebruik voor bedrijven van [appellante sub 3]. Binnen die bedrijven vinden onder meer de bedrijfsactiviteiten opslag, waaronder koeling en diepvries, overslag, het snijden van paperboard en scholing plaats. Ook zijn er kantoren, een bedrijfswoning en sociale ruimtes aanwezig. Zij verhuurt ook enkele gebouwen aan derden, die daar hun eigen bedrijfsactiviteiten ontplooien. Het betreft onder meer een autobedrijf, een bandenfirma, een stoffenhandelaar en een ompakker. Volgens het deskundigenbericht valt een aantal van deze bedrijfsactiviteiten in een lagere milieucategorie dan de minimale milieucategorie 3.2 die volgens het plan op deze locatie is toegestaan. Ook wordt in het deskundigenbericht vastgesteld dat niet alle activiteiten van [appellante sub 3] en van de op de locatie Atoomweg/Neutronweg gevestigde derden vallen onder de bedrijfscategorie "Goederenvervoerwegbedrijf" uit de bij de planregels behorende Lijst van bedrijfsactiviteiten. 7.
- De raad heeft uiteengezet dat de beslissing om op de locatie Atoomweg/Neutronweg een minimale milieucategorie van 3.2 toe te staan, is ingegeven door de wens juist op deze locatie zich bedrijven te laten vestigen in hogere milieucategorieën. Alleen dit deelgebied van het bedrijventerrein Lage Weide is hiervoor volgens de raad geschikt, gelet op de afstand tot de omliggende woonwijken. Vast staat echter dat op de locatie Atoomweg/Neutronweg ook bedrijfsactiviteiten plaatsvinden in lagere milieucategorieën dan 3.
- De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat deze activiteiten in organisatorisch opzicht deel uitmaken van [bedrijf B] en daarom tot het aldaar gevestigde goederenvervoerbedrijf in milieucategorie 3.2 kunnen worden gerekend. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich echter niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat doorslaggevende betekenis toekomt aan het feit dat de verschillende bedrijfsactiviteiten organisatorisch gezien deel uitmaken van één overkoepelende groep. De raad miskent hiermee dat de verschillende bedrijfsactiviteiten behoren tot individuele op de locatie Atoomweg/Neutronweg gevestigde bedrijven die elk zelfstandig hun specifieke activiteiten ontplooien en waarvoor in sommige gevallen aparte vergunningen zijn verleend. Voorts heeft de raad hiermee naar het oordeel van de Afdeling miskend dat ook bedrijven van derden, die geen deel uitmaken van [bedrijf B], op de locatie Atoomweg/Neutronweg activiteiten in lagere milieucategorieën ontplooien, op gronden die zij van [appellante sub 3] hebben gehuurd. Door het in het plan opnemen van de minimale milieucategorie 3.2 voor de locatie Atoomweg/Neutronweg zijn bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 3] en van derden dan ook niet als zodanig bestemd, terwijl de raad niet heeft beoogd deze activiteiten planologisch niet langer toe te staan. Gelet op het voorgaande heeft de raad het bestreden besluit niet genomen met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid voor zover daarbij op de locatie Atoomweg/Neutronweg met de aanduiding "bedrijf van categorie 3.2 tot en met categorie 5.1" een minimale milieucategorie van 3.2 is toegestaan. 7.
- [appellante sub 3] betoogt dat op de locatie Atoomweg/Neutronweg ten onrechte ten hoogste bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 5.1 zijn toegestaan. Dit is volgens haar niet in overeenstemming met het gemeentelijke beleid, dat inhoudt dat op dit gedeelte van het industrieterrein Lage Weide aan de hand van de richtafstanden uit de VNG-brochure de hoogst mogelijke milieucategorie wordt toegelaten. In dit verband wijst zij erop dat verschillende woonwijken in de omgeving van het industrieterrein ten onrechte zijn gekwalificeerd als rustige woonwijken. [appellante sub 3] meent dat die wijken als gemengd gebied moeten worden aangemerkt. In dat geval zijn de afstanden tussen die wijken en de locatie Atoomweg/Neutronweg zodanig dat voor de meeste bedrijfsgebouwen op die locatie aan de richtafstand kan worden voldaan en dat daar dus ook bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 5.2 hadden kunnen worden toegelaten, aldus [appellante sub 3] Ook hadden volgens haar op één perceel verschillende maximale milieucategorieën kunnen worden toegestaan door de richtafstanden uit de VNG-brochure aan te houden en is met die mogelijkheid in het plan ten onrechte geen rekening gehouden. 7.
- De raad heeft in eerste instantie gesteld dat de beperking van de maximaal toegestane milieucategorie op de locatie Atoomweg/Neutronweg tot 5.1 is ingegeven door de tot woonwijken in de omgeving van het bedrijventerrein in acht te nemen richtafstanden. [appellante sub 3] heeft er in dit verband op gewezen dat het ook als die richtafstanden worden aangehouden mogelijk is op een deel van de locatie Atoomweg/Neutronweg bedrijfsactiviteiten in een hogere milieucategorie toe te staan. Naar aanleiding daarvan heeft de raad ter zitting te kennen gegeven bij nader inzien de opvatting te zijn toegedaan dat dat ook mogelijk is en dat niets eraan in de weg staat op een deel van de locatie Atoomweg/Neutronweg bedrijfsactiviteiten in een hogere milieucategorie toe te staan en op een ander deel bedrijfsactiviteiten in een lagere milieucategorie, afhankelijk van de te onderscheiden richtafstanden voor bedrijfsactiviteiten in die categorieën. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, voor zover daarbij op de locatie Atoomweg/Neutronweg met de aanduiding "bedrijf van categorie 3.2 tot en met categorie 5.1" een maximale milieucategorie van 5.1 is toegestaan. Rustplaatsen 7.
- [appellante sub 3] betoogt dat in de planregels had moeten worden vastgelegd dat rustplaatsen voor chauffeurs en voor werknemers tussen diensten zijn toegestaan binnen de aan de locaties Ruimteweg en Atoomweg/Neutronweg toegekende bedrijfsbestemming. Zij vreest dat bij het aanvragen van een omgevingsvergunning een verschil van inzicht zal ontstaan over de vraag of een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het realiseren van dergelijke rustplaatsen. 7.
- De raad stelt dat het gebruik van gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" voor rustplaatsen voor chauffeurs en voor werknemers tussen diensten in het plan is toegestaan, voor zover dit gebruik onderschikt is aan de hoofdfunctie. 7.
- Bij [appellante sub 3] bestaat de behoefte rustplaatsen te kunnen realiseren voor chauffeurs en loodsmedewerkers. Die medewerkers van [appellante sub 3] moeten op of in de nabijheid van het bedrijventerrein kunnen overnachten in verband met verplichte rusttijden en nachtdiensten. De raad heeft ter zitting bevestigd dat hij het gebruik van gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" voor dit doel heeft willen toestaan, zolang dit gebruik maar onderschikt is aan de hoofdfunctie. Volgens hem omvat het gebruik dat op gronden met voornoemde bestemming is toegestaan ook het gebruik voor rustplaatsen voor chauffeurs en werknemers zolang dit deel uitmaakt van een daar gevestigd bedrijf, maar is een zelfstandig hotel of andere zelfstandige horecavoorziening daar niet toegestaan. In hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [appellante sub 3] gewenste rustplaatsen als zodanig zijn bestemd. Het betoog faalt. Conclusie 7.
- In hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hiervoor omschreven plandelen is genomen in strijd met artikel 3:2, dan wel in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 3] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellante sub 4]
- [appellante sub 4] kan zich niet verenigen met de in het plan voor haar bedrijfslocatie aan de Sophialaan opgenomen regeling. Daartoe voert zij aan dat bij de vaststelling van het plan ten onrechte geen rekening is gehouden met een concreet bouwplan dat zij heeft. [appellante sub 4] wijst erop dat zij voornemens is twee nieuwe hallen voor de distributie van goederen te bouwen op haar bedrijfslocatie, maar dat het plan onvoldoende mogelijkheden biedt om dit bouwplan te realiseren. De gewenste hallen zijn volgens [appellante sub 4] noodzakelijk voor haar bedrijfsvoering en dienen ter overkapping van de opslag van goederen die op haar terrein reeds plaatsvindt. In dit verband betoogt zij voorts dat het plan voorziet in een te laag maximaal uitbreidingspercentage voor uitbreidingen van het brutovloeroppervlak van bedrijfsbebouwing en dat het maximale bebouwingspercentage van 60 dat geldt voor haar perceel te laag is. Na realisering van de door haar gewenste hallen zou op haar bedrijfsterrein in totaal sprake zijn van een bebouwingspercentage van 63, aldus [appellante sub 4] Tot slot voert [appellante sub 4] aan dat de in het plan opgenomen voorwaarden waaronder extra uitbreiding kan worden toegestaan rechtsonzeker zijn. Haar is niet duidelijk wat het beoordelingsmoment is om vast te kunnen stellen dat een deel van de beschikbare extra uitbreidingsruimte wordt benut. Voorts zijn de voorwaarden dat er geen onaanvaardbare aantasting van de bereikbaarheid van het bedrijventerrein mag plaatsvinden en dat een uitbreiding niet mag leiden tot milieuhygiënische bezwaren te onbepaald, aldus [appellante sub 4] 8.
- De raad stelt dat ten tijde van de vaststelling van het plan nog geen concreet bouwplan beschikbaar was. Volgens de raad behoefde hij daarmee dan ook geen rekening te houden. 8.
- Aan het bedrijfsterrein van [appellante sub 4] zijn in het plan de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduidingen "bedrijf tot en met categorie 4.1", "maximum bebouwingspercentage = 60%" en "maximum bouwhoogte = 24 meter" toegekend. 8.
- In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. [appellante sub 4] heeft erop gewezen dat zij een concreet initiatief heeft voor het realiseren van twee nieuwe hallen op haar bedrijfslocatie aan de Sophialaan. In het plan is met dit initiatief geen rekening gehouden. Ter zitting heeft [appellante sub 4] erop gewezen dat zij dit initiatief meermaals bij het gemeentebestuur kenbaar heeft gemaakt en dat het initiatief daar al voor de vaststelling van het plan bekend was. In reactie hierop heeft de raad toegelicht dat dit initiatief inderdaad reeds voor de planvaststelling, namelijk in juni 2014, bij hem bekend was, maar dat hij het initiatief van [appellante sub 4] op dat moment onvoldoende concreet achtte. Niet in geschil is dat [appellante sub 4] het initiatief voor de vaststelling van het plan aan het gemeentebestuur kenbaar heeft gemaakt en dit heeft toegelicht aan de hand van rekenvoorbeelden, waarin de omvang en de kosten van de door haar gewenste nieuwe bedrijfsbebouwing tot op enig detailniveau zijn betrokken. Gelet hierop heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het initiatief onvoldoende concreet was om dat te kunnen betrekken bij het besluit tot vaststelling van het plan. De raad had derhalve bij de vaststelling van het bestemmingsplan rekening moeten houden met het initiatief van [appellante sub 4] en had daarbij ook het op genoemd perceel toegestane bebouwingspercentage moeten betrekken. Dat nog geen concrete vergunningaanvraag voorlag maakt dat niet anders. De in het plan voor de bedrijfslocatie van [appellante sub 4] aan de Sophialaan opgenomen regeling is dan ook in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid. Omdat op grond van het hiervoor overwogene reeds tot een vernietiging van het plan wordt gekomen voor het bedrijfsterrein van [appellante sub 4] wordt aan een verdere bespreking van de beroepsgronden met betrekking tot het maximaal toegestane bebouwingspercentage niet meer toegekomen. 8.
- [appellante sub 4] heeft betoogd dat het plan ten onrechte voorziet in te beperkte mogelijkheden om bebouwing uit te breiden. Zoals hiervoor onder 5.14 is overwogen in het kader van het beroep van [appellante sub 2] heeft de raad niet in redelijkheid kunnen kiezen voor de in het plan voorziene beperking van de maximaal toegestane uitbreiding van het brutovloeroppervlak van de bedrijfsbebouwing op het bedrijventerrein boven de 10% uitbreiding die in ieder geval is toegestaan. Dit betoog van [appellante sub 4] slaagt daarom eveneens. 8.
- Ten aanzien van de extra beschikbare uitbreidingsruimte heeft [appellante sub 4] nog aangevoerd dat de regeling voor die extra uitbreidingsruimte verschillende rechtsonzekere elementen bevat. Zij heeft erop gewezen dat uit de planregels niet blijkt op welk moment een deel van de extra uitbreidingsruimte als benut moet worden beschouwd. Voorts heeft [appellante sub 4] betoogd dat de voorwaarden dat er geen onaanvaardbare aantasting van de bereikbaarheid van het bedrijventerrein mag plaatsvinden en dat een uitbreiding niet mag leiden tot milieuhygiënische bezwaren te onbepaald zijn. De planregels verschaffen geen duidelijkheid over de vraag of bijvoorbeeld het moment van een vergunningaanvraag betekent dat een deel van de extra uitbreidingsruimte als vergeven moet worden beschouwd of dat daarvan pas sprake is als daadwerkelijk tot realisering van de gewenste bebouwing is of wordt overgegaan. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling de in artikel 3, lid 3.4.4, van de planregels opgenomen regeling voor de extra uitbreidingsruimte rechtsonzeker. Conclusie 8.
- In hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hiervoor omschreven plandelen is genomen in strijd met de rechtszekerheid, dan wel met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 4] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellante sub 5] en anderen [locatie 6] en [locatie 7]
- [appellante sub 5] en anderen betogen dat het garagebedrijf en het verhuurbedrijf op het perceel [locatie 6] en [locatie 7] niet geheel als zodanig zijn bestemd omdat de toegekende functieaanduidingen zich niet uitstrekken over het noordelijke deel van de percelen. Voorts is het gebruik van het kantoorgebouw volgens hen ten onrechte niet als zodanig bestemd omdat, anders dan de raad stelt, met het huidige gebruik geen sprake is van ondergeschikte kantoorruimte. Tevens is het gebruik van de opstallen op het perceel aan de [locatie 7] niet als zodanig bestemd. [appellante sub 5] en anderen betogen verder dat artikel 3, lid 3.6.1, van de planregels onnodig beperkend is nu met de milieuzonering reeds wordt bereikt dat geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geurhinder. Uit het vaststellingsrapport van de raad blijkt voorts dat de bepaling is opgenomen vanwege twee diervoederbedrijven in het plangebied terwijl dit niet als zodanig in de planregels is opgenomen. Dat betekent, anders dan de raad kennelijk heeft beoogd, dat voor alle geurbelastende bedrijven geldt dat de gecumuleerde geurbelasting niet mag toenemen, aldus [appellante sub 5] en anderen. 9.
- Onder verwijzing naar artikel 3, lid 3.1, onder c, sub 4, van de planregels stelt de raad dat het kantoor als zodanig is bestemd. Voorts acht de raad het bepaalde in artikel 3, lid 3.6.1, van de planregels niet onnodig bezwarend. Daartoe wijst hij erop dat met het treffen van maatregelen een toename van geurhinder kan worden voorkomen. 9.
- Ten aanzien van de functieaanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf" en "specifieke vorm van bedrijf - verhuurbedrijf" heeft de raad in de reactie op het beroepschrift erkend dat deze aanduidingen ten onrechte niet zijn opgenomen voor het noordelijke deel van de percelen. Nu de raad zich aldus op een ander standpunt stelt dan bij het nemen van het besluit, zonder dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, is het plan wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" ter plaatse van het perceel [locatie 6] en [locatie 7] in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Dit beto
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.