(1999)(hierna: de Handleiding) is vermeld dat als criterium voor tonaal geluid geldt dat het tonale karakter van het geluid duidelijk hoorbaar is op het beoordelingspunt. In sommige gevallen kan een (smalbandige) spectrale analyse de aanwezigheid van een zuivere toon aantonen, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van ‘pieken’ in het spectrum. De aanwezigheid van dergelijke ‘pieken’ kan het waargenomen tonale geluid bevestigen, maar het is volgens de Handleiding niet altijd een ‘bewijs’ voor tonaal karakter. 3.
- Blijkens het rapport van 13 oktober 2015 zijn de geluidwaarnemingen en -metingen uitgevoerd door twee representanten van de Omgevingsdienst Groningen. Omdat de windrichting ten tijde van het onderzoek zuid-zuid-oost was en het geluidniveau van de inrichting continu aanwezig was, is behalve bij [locatie 2] ook op vier andere locaties geluisterd en het geluidspectrum gemeten en geanalyseerd. Uit het rapport blijkt dat de andere waarneempunten zich ten westen en noord-westen van de inrichting bevinden, op een kortere afstand van de inrichting dan de [locatie 2]. De conclusie van het rapport is dat op geen enkel waarneempunt het geluid als tonaal is aan te merken en dat dit wordt bevestigd met de spectrum analyse. Nu de heersende windrichting aanleiding was ook andere locaties bij de beoordeling te betrekken, bestaat geen grond voor het oordeel dat het uitgevoerde onderzoek niet volledig is omdat onvoldoende onderkend zou zijn dat de windrichting zuid-zuid-oost was, zoals [appellante] betoogt. De enkele stelling van [appellante] dat het onderzoek plaatsvond in een periode waarin de aardappelen werden geoogst, is voorts niet voldoende om de conclusie van het onderzoek in twijfel te trekken. Het is niet op voorhand aannemelijk dat het geluid van de inrichting, dat volgens het rapport continu waarneembaar was, op alle beoordelingspunten door geluid van landbouwmachines werd gemaskeerd. Ten slotte is het niet in strijd met het recht dat [appellante] niet in kennis is gesteld van het tijdstip van het onderzoek. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het uitgevoerde onderzoek ondeugdelijk is. Nu de resultaten van dit onderzoek voorts in overeenstemming zijn met de bevindingen van DGMR, daargelaten dat DGMR geen auditieve waarnemingen buiten het terrein van de inrichting had verricht, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college ten onrechte is uitgegaan van geluid met een niet-tonaal karakter. Het betoog faalt.
- Het beroep tegen het besluit van 2 april 2015 is, gelet op de tussenuitspraak, gegrond. Het besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Gelet op hetgeen is overwogen onder 3.2, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 2 april 2015 geheel in stand blijven. Dit betekent dat de revisievergunning van kracht blijft.
- Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van De Marne van 2 april 2015; III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven; IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van De Marne tot vergoeding van bij [appellante A], [appellant B] en [appellant C] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.240,00 (zegge: twaalfhonderdveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van De Marne aan [appellante A], [appellant B] en [appellant C] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen. Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier. w.g. Kranenburg w.g. Visser voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2016 148.