← Nederland

ECLI:NL:RVS:2016:2114

201603239/1/V

  1. Datum uitspraak: 18 juli 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 3 mei 2016 in zaak nr. 16/8151 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Procesverloop Bij besluit van 18 april 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 3 mei 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. De vreemdeling heeft krachtens artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bezwaar gemaakt tegen zijn feitelijke overdracht. De staatssecretaris heeft dit doorgezonden aan de Afdeling. Het bezwaarschrift is aangehecht. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen
  2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:353), vloeit uit hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraken van 21 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788, en 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1995, voort dat het systeem van rechtsbescherming van de Vw 2000, en het uitzonderlijke karakter van artikel 72, derde lid, daarbinnen, ertoe dwingen dat een vreemdeling geen bezwaar krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 kan maken tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting, als de in de Awb en hoofdstuk 7 van de Vw 2000 genoemde rechtsmiddelen om de rechtmatigheid van een besluit, waaruit de bevoegdheid tot feitelijke uitzetting voortvloeit, in rechte aan de orde te stellen, nog openstaan. Een andere benadering doet afbreuk aan het aan voormelde uitspraken ten grondslag liggende uitgangspunt van concentratie van rechtsbescherming.
  3. Indien een vreemdeling geen rechtsmiddel uit de Awb en hoofdstuk 7 van de Vw 2000 bij de bevoegde bestuursrechterlijke instantie heeft aangewend, terwijl zodanig rechtsmiddel wel nog openstaat, dient een door die vreemdeling onder verwijzing naar artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 gemaakt bezwaar tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting te worden aangemerkt als een rechtsmiddel genoemd in de Awb en hoofdstuk 7 van de Vw 2000 tegen het besluit dan wel een uitspraak over het besluit waaruit de bevoegdheid tot feitelijke uitzetting voortvloeit bij de op dat moment bevoegde bestuursrechterlijke instantie.
  4. Dit betekent dat het op 4 mei 2016 doorgezonden bezwaarschrift tegen de feitelijke overdracht moet worden aangemerkt als rechtsmiddel tegen de uitspraak van de rechtbank van 3 mei
  5. Hetgeen de vreemdeling daarin heeft aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
  6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier. w.g. Lubberdink w.g. Annen lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2016 765.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.