(2020)", vastgesteld door de raad op 15 december 2009 (hierna: de parkeernota). Volgens de plantoelichting moet de benodigde parkeergelegenheid worden bepaald aan de hand van de parkeernormen die gelden voor de functie ‘wonen’ in een gebied dat buiten de centrumtangenten ligt. Deze normen zijn onder meer afhankelijk van de prijscategorie waarin een woning valt; duur, middelduur of goedkoop. Aan de hand van de van toepassing zijnde parkeernormen is de totale parkeerbehoefte blijkens de plantoelichting op 435 parkeerplaatsen bepaald. Verder staat in de plantoelichting dat in totaal 464 parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de berekening van de benodigde parkeergelegenheid van onjuiste gegevens is uitgegaan. Weliswaar staat in de parkeernota, zoals [appellant sub 1] betoogt, dat de parkeernormen aangeven hoeveel parkeerplaatsen er minimaal gerealiseerd moeten worden en dat het een initiatiefnemer vrij staat meer parkeerplaatsen te realiseren, maar de Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad om die reden andere parkeernomen had moeten hanteren. Bovendien volgt uit de plantoelichting dat het plan 29 parkeerplaatsen meer mogelijk maakt dan op grond van de normen uit de parkeernota is vereist. Met betrekking tot de stelling van [appellant sub 1] dat geen rekening is gehouden met een bezoekersaandeel overweegt de Afdeling dat uit de parkeernota volgt dat in de parkeernormen die gelden voor de functie ‘wonen’ een bezoekersaandeel van 0,3 parkeerplaatsen per woning is verdisconteerd. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] dat als gevolg van het tekort aan parkeerplaatsen in deelgebied 7 een parkeerprobleem kan ontstaan overweegt de Afdeling verder als volgt. In de plantoelichting is uiteengezet dat het plangebied in het stedenbouwkundig verkavelingsplan Wilhelminahaven is onderverdeeld in tien deelgebieden, en dat in deelgebied 7 een parkeertekort wordt verwacht van vier parkeerplaatsen. De raad heeft zich in de plantoelichting op het standpunt gesteld dat dit tekort acceptabel is, omdat in de aangrenzende deelgebieden 6, 8 en 9 een parkeeroverschot aanwezig is. De Afdeling ziet geen grond om dit standpunt van de raad onredelijk te achten. Het betoog faalt. 14.
- Het betoog van [appellant sub 1] dat een tekort aan parkeerplaatsen zal ontstaan omdat onzeker is dat één van de in het plangebied beoogde parkeergarages kan worden gerealiseerd, omdat de beoogde locatie voor deze parkeergarage zich onder monumentale bomen bevindt, begrijpt de Afdeling aldus, dat het plan - voor zover het de aanleg van die parkeergarage betreft - niet uitvoerbaar is. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar. De raad stelt dat op basis van wortelonderzoek van de bomen is geconcludeerd dat binnen 8 m uit de stam geen vergravingen in de bodem mogen plaatsvinden, en dat de beoogde parkeergarage derhalve op minimaal 8 m uit de stam is geprojecteerd. Voorts heeft de raad onweersproken gesteld dat tijdens de bouw van de parkeergarage maatregelen kunnen worden getroffen waardoor schade aan de bomen kan worden voorkomen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad op voorhand had moeten twijfelen aan de uitvoerbaarheid van het plan, voor zover het de aanleg van de beoogde parkeergarage betreft. Het betoog faalt. Flora en fauna
- [appellant sub 1] betoogt dat het rapport "Ecologische quickscan MPO-terrein Oosterhout" van Regelink Ecologie & Landschap van 15 september 2014 (hierna: de quickscan), waarin de resultaten van het onderzoek naar de effecten van het plan op de in de omgeving aanwezige flora en fauna zijn neergelegd, niet aan het plan ten grondslag had mogen worden gelegd, omdat de quickscan ouder is dan twee jaar. Voorts stelt [appellant sub 1] dat het gedeelte van het plangebied aan de Molenstraat onvoldoende op de aanwezigheid van beschermde soorten is onderzocht. In dat verband voert hij aan dat vanwege de mogelijke functie van die gronden voor de vliegroute van vleermuizen nader had moeten worden bezien of daarvoor een aparte ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) kan worden verleend. 15.
- Ingevolge artikel 3.1.1a van het Bro kan bij de vaststelling van een bestemmingsplan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. 15.
- Het betoog van [appellant sub 1] dat de quickscan niet aan het plan ten grondslag had mogen worden gelegd, begrijpt de Afdeling aldus, dat hij daarmee een beroep beoogt te doen op artikel 3.1.1a van het Bro. In dat verband overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1075, dat artikel 3.1.1a van het Bro er niet aan in de weg staat dat onderzoeksgegevens ouder dan twee jaar aan een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan ten grondslag worden gelegd. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de quickscan zodanig is verouderd, dan wel dat na de totstandkoming van de quickscan zodanige ontwikkelingen in het plangebied hebben plaatsgevonden dat de raad dit onderzoek niet aan het besluit tot vaststelling van het plan ten grondslag heeft mogen leggen. Het betoog faalt. 15.
- De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Niet in geschil is dat Regelink Ecologie en Landschap het perceel aan de Molenstraat in november 2014 op de aanwezigheid van op grond van de Ffw beschermde soorten heeft onderzocht. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in de notitie "Wijziging grens plangebied bestemmingsplan MPO-terrein". In de notitie staat dat het terrein geheel ongeschikt is voor beschermde soorten of functies voor beschermde soorten, met uitzondering van de vliegroute voor vleermuizen. De directe omgeving van het plangebied kan gebruikt worden door vleermuizen. Jaarrond beschermde nesten van broedvogels in de bomen langs het perceel zijn niet aanwezig. Aanwezigheid van (functies voor) beschermde vaatplanten, amfibieën, vissen, reptielen, broedende vogels, zoogdieren, libellen, dagvlinders en overige ongewervelden binnen het plangebied is redelijkerwijs uitgesloten, aldus de notitie. Op basis van de notitie heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat een ontheffing op grond van de Ffw niet nodig is. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat dit standpunt onjuist is, omdat in het onderzoek zelf is onderkend dat het perceel aan de Molenstraat mogelijk een vliegroute voor vleermuizen vormt, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2938) beschermt artikel 11 van de Ffw niet het gehele leefgebied van de vleermuizen, maar slechts nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen. Aantasting van niet met vaste rust- en verblijfplaatsen samenvallende vliegroutes of foerageergebied van vleermuizen valt alleen binnen de reikwijdte van artikel 11 van de Ffw, indien door de aantasting van de vliegroutes of het foerageergebied de ecologische functionaliteit van de buiten het plangebied gelegen vaste rust- of verblijfplaatsen zodanig wordt verstoord, dat de vleermuizen deze plaatsen om die reden zullen verlaten. In de notitie staat dat de groenstrook langs het kanaal direct ten westen van de locatie en het kanaal zelf gebruikt worden als foerageergebied door onder andere de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Aangenomen mag worden dat de directe omgeving van de locatie aan de Molenstraat van veel geringere betekenis is als foerageergebied en geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen vormt, aldus de notitie. Voorts staat in de notitie dat de toename van kunstlicht als gevolg van het plan weliswaar tot aantasting van een vliegroute van vleermuizen kan leiden, maar dat in de directe omgeving alternatieven aanwezig zijn en dat eventuele gevolgen voor de vliegroute derhalve vanwege goede uitwijkmogelijkheden niet significant zullen zijn. Ook in zoverre vormt de ingreep geen overtreding van de Ffw, aldus de notitie. Gelet op deze conclusie, die [appellant sub 1] niet gemotiveerd heeft betwist, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de op het perceel aan de Molenstraat voorziene ontwikkeling een zodanig effect zal hebben op beschermde soorten en functies, waaronder de vliegroute van vleermuizen, dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog faalt. Monumentale bomen
- [appellant sub 1] betoogt dat de in het plangebied aanwezige monumentale bomen onvoldoende zijn beschermd, omdat in artikel 9, lid 9.3.2, sub b, van de planregels niet is bepaald dat altijd een rapportage moet zijn overgelegd alvorens een vergunning voor het verrichten van een werk of werkzaamheid kan worden verleend. Verder betoogt hij dat artikel 9, lid 9.3.2, sub a, van de planregels ten onrechte niet ziet op de toetsing aan de ruimtelijke, monumentale en ecologische betekenis van de bomen. 16.
- Ingevolge artikel 9, lid 9.3.1, van de planregels, samengevat weergegeven, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning binnen de bestemming "Waarde - Monumentale bomen" de in het lid genoemde werkzaamheden te verrichten. Ingevolge lid 9.3.2, sub a, kan de in lid 9.3.1 bedoelde vergunning slechts worden verleend, indien wordt aangetoond dat door het gebruik van de gronden de conditie, levensverwachting, groeiplaats en (beeld)kwaliteit van de bomen niet wordt aangetast. Ingevolge sub b kan het bevoegd gezag voorafgaand aan de beslissing omtrent een vergunning als bedoeld in lid 9.3.1 een rapportage verlangen, waaruit blijkt of de werken en/of werkzaamheden onevenredige gevolgen hebben voor de levensvatbaarheid en de ruimtelijke, monumentale of ecologische betekenis van de boom of bomen. 16.
- In het plangebied is een rij van 65 Amerikaanse eiken aanwezig. Uit de plantoelichting volgt dat de raad deze eiken wil behouden en in dat verband aan de gronden waarop de eiken staan de dubbelbestemming "Waarde - monumentale bomen" heeft toegekend. De raad stelt zich op het standpunt dat met het vergunningenstelsel dat is neergelegd in artikel 9, leden 9.3.1 en 9.3.2, van de planregels is verzekerd dat de waarde van de aanwezige monumentale bomen niet zal worden aangetast. Daarbij heeft de raad gesteld dat het van de aard van de voorgenomen activiteit afhangt of een rapportage als bedoeld in artikel 9, lid 9.3.2, sub b, van de planregels gewenst is en dat dit per activiteit verschilt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de betrokken planregels voldoende is verzekerd dat de kwaliteit van de monumentale bomen niet zal worden aangetast. Daartoe is van belang dat in artikel 9, lid 9.3.2, sub a, van de planregels is bepaald dat een vergunning voor de in lid 9.3.1 vermelde werkzaamheden slechts kan worden verleend indien wordt aangetoond dat door het gebruik van de gronden de conditie, levensverwachting, groeiplaats en (beeld)kwaliteit van de bomen niet wordt aangetast. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad door het opnemen van deze voorwaarde de ruimtelijke, monumentale en ecologische betekenis van de bomen onvoldoende heeft beschermd. Voorts volgt de Afdeling [appellant sub 1] niet in zijn stelling dat voorafgaand aan de beslissing omtrent het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 9, lid 9.3.
- van de planregels altijd een rapportage zou moeten worden opgesteld, nu niet uitgesloten is dat ook op andere manieren inzichtelijk kan worden gemaakt dat aan de voorwaarde van artikel 9, lid 9.3.2, sub a, van de planregels wordt voldaan. Het betoog faalt. Financiële uitvoerbaarheid
- [appellant sub 1] betoogt dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is verzekerd. Daartoe voert hij aan dat de initiatiefnemer van het plan, Tandem Oosterhout Beheer B.V., niet solvabel is. Verder voert hij aan dat de raad onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat voor eventuele saneringskosten vanwege bodemverontreiniging en voor het verrichten van nader onderzoek naar aanwezige munitie en het eventueel onschadelijk maken daarvan voldoende budget beschikbaar is. 17.
- Zoals onder 14.2 van deze uitspraak is weergegeven, kan een betoog in het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar. In de plantoelichting staat Zeeman Vastgoed B.V. en Stichting Thuisvester de gronden in het plangebied in 2007 hebben verworven. Samen hebben zij Tandem Oosterhout Beheer B.V. opgericht, die de locatie zal ontwikkelen. De ontwikkeling van het plangebied zal dan ook volledig vanuit particulier initiatief gerealiseerd en gefinancierd worden, aldus de toelichting. Tandem Oosterhout Beheer B.V. en de gemeente hebben een anterieure overeenkomst gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over de gebruikelijke financiële aspecten van planexploitatie, inclusief het verhalen van eventuele planschade bij de initiatiefnemer. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat Tandem Oosterhout Beheer B.V. geen eigen vermogen heeft en derhalve de kosten van de ontwikkeling niet kan dragen, zodat het plan niet financieel uitvoerbaar is, overweegt de Afdeling dat in deze procedure niet de financiële positie van een concrete projectontwikkelaar ter beoordeling staat, maar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Overigens heeft de raad onweersproken gesteld dat zowel Zeeman Vastgoed B.V. als Stichting Thuisvester ruim voldoende solvabel zijn en dat daarmee de solvabiliteit van Tandem Oosterhout Beheer B.V. is gewaarborgd. Voor zover [appellant sub 1] heeft gewezen op eventuele onverwachte saneringskosten in verband met bodemverontreiniging of kosten vanwege nader onderzoek naar de aanwezigheid van munitie en het eventueel onschadelijk maken daarvan, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de projectontwikkelaar voldoende budget heeft gereserveerd voor deze kosten en dat, indien na de sloop van in het plangebied aanwezige opstallen alsnog opruimwerkzaamheden dienen te worden verricht, de kosten daarvan binnen de exploitatie van het project kunnen worden opgevangen binnen de post ‘onvoorzien’. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er financiële middelen beschikbaar zijn om de bodem geschikt te maken voor de verwezenlijking van de toegekende bestemmingen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand had moeten inzien dat het plan financieel niet uitvoerbaar is. Het betoog faalt. De weg ten zuiden van Tricorp Businesscenter
- [appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek is verricht naar de geluidbelasting van de in het plan voorziene ontwikkelingen op de bestaande woningen aan de Molenstraat, en dat gelet daarop niet is vast te stellen of vanwege de weg die is gelegen tussen het Tricorp Businesscenter en de woningen ten zuiden daarvan geluidhinder ter plaatse van zijn woning zal optreden. Voorts stelt hij dat de raad op grond van artikel 3.3.1, aanhef en onder b, van het Bro een detaillering van de functie van de voornaamste wegen, alsmede het dwarsprofiel of het aantal rijstroken daarvan dan wel de as van de weg waarmee gerekend is had moeten vermelden. Daarbij had het aantal rijstroken beperkt moeten worden tot twee, aldus [appellant sub 1]. 18.
- Ingevolge artikel 3.3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bro geeft het bestemmingsplan, voor zover de uitvoering van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) zulks vereist, de functie van de voornaamste wegen, alsmede het dwarsprofiel of het aantal rijstroken daarvan dan wel de as van de weg waarmee gerekend is, bedoeld in artikel 74 van de Wgh aan. Ingevolge artikel 1 van de Wgh wordt in de Wgh en de daarop berustende bepalingen onder ‘weg’ verstaan: voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande weg of openstaand pad, met inbegrip van de daarin liggende bruggen of duikers, alsmede een spoorweg die niet is aangegeven op de kaart, bedoeld in artikel 106, of de geluidplafondkaart. 18.
- Naar de geluidbelasting van de wegen in het plangebied is akoestisch onderzoek verricht. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Wilhelminahaven Oosterhout" van Agel adviseurs van 28 mei 2015 (hierna: het akoestisch rapport). In het akoestisch rapport is onder meer bezien of de gecumuleerde geluidbelasting op het plangebied van de Bredaseweg, het Wilhelminakanaal Zuid, de Molenstraat, de Houthavenweg en de straten in het plangebied vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. In het akoestisch rapport staat dat voor een beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening is uitgegaan van een toetsing aan de Milieukwaliteitsmaat MKM Lden. Bij de berekening is de wettelijke aftrek conform artikel 110g Wgh niet meegenomen en is het worst case-scenario bezien, aldus het akoestisch rapport. Uit de afbeeldingen die in het akoestisch rapport zijn opgenomen volgt dat de gecumuleerde geluidbelasting van het wegverkeer ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] op een beoordelingshoogte van 1,5 m en 7,5 m binnen de classificering ‘redelijk’ valt. De raad stelt zich op het standpunt dat uit het akoestisch rapport volgt dat de gecumuleerde geluidbelasting van alle in het plan voorziene wegen binnen het plangebied aanvaardbaar is, ook ter plaatse van de woning van [appellant sub 1]. Dit standpunt heeft [appellant sub 1] niet gemotiveerd betwist. Onder voornoemde omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan vanwege de daarin opgenomen weg ten zuiden van Tricorp Businesscenter niet tot onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] zal leiden. Het betoog faalt. 18.
- Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat op grond van artikel 3.3.1, eerste lid, onder b, van het Bro de functie en het dwarsprofiel, het aantal rijstroken of de as van de weg tussen de voorziene woningen en Tricorp Businesscenter in het bestemmingsplan hadden moeten worden vermeld, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de desbetreffende weg niet is aan te merken als een weg waarop artikel 74 van de Wgh van toepassing is. Niet is gebleken dat dit onjuist is. Gelet daarop is artikel 3.3.1, eerste lid, onder b, van het Bro in dit geval niet van toepassing, zodat reeds hierom geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad de functie en het dwarsprofiel, het aantal rijstroken of de as van de desbetreffende weg in het bestemmingsplan had moeten vermelden. Om die reden ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat in het plan had moeten worden vermeld dat de weg uit twee rijstroken bestaat. Het betoog faalt. Hagen in het plangebied
- [appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte niet als voorwaardelijke verplichting in het plan is neergelegd dat op privéterreinen in het plangebied groene hagen moeten worden gerealiseerd. 19.
- De raad stelt dat hij het wenselijk, maar niet vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht dat de toekomstige eigenaren van gronden in het plangebied groene hagen op hun privéterrein realiseren, en dat hij daarom niet genoodzaakt was om daartoe in het plan een voorwaardelijke verplichting op te nemen. Verder betoogt de raad dat de beroepsgrond van [appellant sub 1] geen bespreking behoeft, omdat deze vanwege artikel 8:69a van de Awb niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. 19.
- In de plantoelichting staat dat aanvullend op het groen in het openbaar gebied, het voornemen bestaat om hagen op de erfgrens op privéterrein te realiseren en duurzaam in stand te houden. Groen op de grens openbaar-privé levert vooral in de woonstraten een prettig beeld. Zeker in dit tijdsgewricht, waar steeds meer bewoners hun voortuin lijken te verharden en verstenen. Een en ander is in het beeldkwaliteitsplan uitgewerkt, aldus de plantoelichting. Anders dan [appellant sub 1] kennelijk meent, volgt uit deze passage uit de plantoelichting niet dat de raad het realiseren van de hagen noodzakelijk acht voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan. Gelet daarop, en in aanmerking genomen dat [appellant sub 1] evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat de aanleg van hagen vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan een voorwaardelijke verplichting daartoe had moeten bevatten. Het betoog faalt. Gelet hierop behoeft de stelling van de raad dat artikel 8:69a van de Awb aan de vernietiging van het bestreden besluit op dit punt in de weg staat geen bespreking. De kanaaltoren
- [appellant sub 1] betoogt dat de raad in de belangenafweging omtrent het toestaan van de kanaaltoren onvoldoende rekening heeft gehouden met de schaduwhinder en aantasting van de privacy die als gevolg van de kanaaltoren ter plaatse van zijn woning ontstaat. Daarnaast had volgens [appellant sub 1] ten behoeve van de privacy van de bewoners aan de Molenstraat in het plan moeten worden neergelegd dat het gebouw aan de zijde van de Molenstraat van een blinde gevel moet worden voorzien en dat de toren ten opzichte van een eerdere ontwerpversie wordt verdraaid. Verder stelt [appellant sub 1] dat in het onderzoek naar de privacy van omwonenden, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het door Plannendokter opgestelde rapport "Privacy omgeving Wilhelminahaven-toren" van 28 mei 2015 (hierna: het privacy-onderzoek) er ten onrechte van is uitgegaan dat in de woontoren drie appartementen per etage zullen worden gerealiseerd, aangezien dit niet in de planregels is neergelegd. Tenslotte voert [appellant sub 1] aan dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de windhinder die als gevolg van de toren kan ontstaan. 20.
- Met betrekking tot de door [appellant sub 1] gevreesde schaduwhinder stelt de raad dat gelet op de afstand tussen de kanaaltoren en de woning van [appellant sub 1] niet te verwachten is dat hij als gevolg van de kanaaltoren een vermindering van lichtinval in zijn woning zal ervaren. Volgens de raad zal de privacy van [appellant sub 1] evenmin onevenredig worden aangetast. Voorts stelt de raad dat ter plaatse van de woningen aan de Molenstraat, waaronder de woning van [appellant sub 1], geen windhinder te verwachten te valt. 20.
- De afstand tussen de woning van [appellant sub 1] en de gronden met het bouwvlak waarbinnen de oprichting van de kanaaltoren is voorzien bedraagt ongeveer 125 m. Met betrekking tot de gestelde schaduwhinder heeft de raad zich in de plantoelichting op het standpunt gesteld dat schaduweffecten als gevolg van de ontwikkeling van Wilhelminahaven aanwezig, maar gering zijn en daarom als acceptabel kunnen worden beschouwd. Aan dat standpunt heeft hij het door Plannendokter opgestelde rapport "Bezonning Wilheminahaven" van 18 mei 2015 ten grondslag gelegd. Uit dit rapport blijkt volgens de raad dat de invloed van de schaduw die veroorzaakt wordt door de kanaaltoren op de omringende omgeving, buiten het plangebied, beperkt blijft. In het rapport staat dat voor de omgeving Molenstraat de schaduwinvloed van de kanaaltoren aanwezig is gedurende een deel van de namiddag van de winterperiode, als de zon laag staat. In deze periode geven alle ruimtelijke objecten een lange schaduw. De schaduw van de kanaalkade-beplanting en die van de kanaaltoren valt voor een belangrijk deel samen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op grond van de bevindingen die in het rapport zijn weergegeven in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene kanaaltoren geen onaanvaardbare schaduwhinder ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] zal veroorzaken. Met betrekking tot het aspect privacy heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat vanwege de afstand van de woning van [appellant sub 1] tot de kanaaltoren en vanwege de aanwezigheid van bebouwing, groen en schuttingen tussen de woning van [appellant sub 1] en de kanaaltoren, het zicht vanuit de kanaaltoren op de woning van [appellant sub 1] zeer beperkt zal zijn. [appellant sub 1] heeft dit standpunt niet gemotiveerd betwist, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de kanaaltoren niet tot onevenredige aantasting van zijn privacy leidt. Gelet daarop bestaat evenmin aanleiding om [appellant sub 1] te volgen in zijn stelling dat ter bescherming van de privacy van bewoners van de Molenstraat in het plan had moeten worden bepaald dat de kanaaltoren in die richting van een blinde gevel moet worden voorzien en dat de toren moet worden verdraaid, of in zijn stelling dat in de planregels had moeten worden neergelegd dat op elke etage maximaal drie appartementen mogen worden gerealiseerd. Gelet op het vorenstaande, en in aanmerking genomen dat [appellant sub 1] in een stedelijk gebied woont en derhalve rekening dient te houden met stedelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van zijn woning, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de belangenafweging die aan het plan ten grondslag ligt onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de gevolgen van de kanaaltoren voor de privacy en de lichtinval ter plaatse van de woning van [appellant sub 1]. Het betoog faalt. 20.
- Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de windhinder die als gevolg van de kanaaltoren kan optreden ter plaatse van de bestaande woningen aan de Molenstraat en de aanwezige flora en fauna in de omgeving, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft onderzoek laten verrichten naar de noodzaak van een windklimaatonderzoek voor de hoogbouwdelen binnen het plan, waarvan de resultaten zijn neergelegd in de door Peutz opgestelde notitie "Windklimaat hoogbouw Wilhelminahaven te Oosterhout" van 17 september
- In de notitie staat dat teneinde vast te stellen of er een kans is op het optreden van windhinder in eerste instantie gebruik wordt gemaakt van het beslismodel van de NEN-norm 8100:2006, "Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving". Voor gebouwen met een hoogte vanaf 30 m is nader onderzoek met CFD- of windtunnelsimulatie noodzakelijk, aldus de notitie. Verder staat in de notitie dat het op basis van het beslismodel noodzakelijk is om voor de in het plan voorziene woontoren van 40 m hoogte een windklimaatonderzoek uit te voeren en dat bij de woontoren een kans bestaat op het optreden van windhinder, hetgeen om nader onderzoek vraagt. Ter zitting is komen vast te staan dat dit nader onderzoek nog niet is verricht. De Afdeling stelt vast dat derhalve niet inzichtelijk is of ter plaatse van de bebouwing in de omgeving van de kanaaltoren, met inbegrip van de woning van [appellant sub 1], onaanvaardbare windhinder op kan treden, terwijl in de aan het plan ten grondslag liggende notitie de conclusie is getrokken dat hierop kans bestaat. Voor zover de raad in de stukken en ter zitting heeft gesteld dat nader onderzoek naar windhinder zal plaatsvinden in de ontwerpfase van de kanaaltoren en de andere appartementengebouwen, als meer duidelijkheid bestaat over de vorm die de gebouwen uiteindelijk zullen krijgen, overweegt de Afdeling als volgt. In artikel 13, leden 13.2.2 en 13.2.3, van de planregels is bepaald dat een omgevingsvergunning voor een nieuwe woning of gebouw hoger dan 20 m, alleen kan worden verleend indien de onderzoeksresultaten van een windhinderonderzoek hebben aangetoond dat er voor de monumentale bomen ter plaatse van de aanduiding "overige zone - windhinderzone monumentale bomen" geen onevenredige schade wordt veroorzaakt door de bouw van deze nieuwe woningen en/of gebouwen. Het onderzoek dat in deze bepalingen is voorgeschreven ziet uitsluitend op de gevolgen voor de monumentale bomen, niet op de gevolgen voor de rest van de omgeving. Derhalve kan het uitvoeren van een onderzoek naar die gevolgen, zoals de raad desgevraagd ter zitting heeft erkend, niet in de procedure omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning aan de ontwikkelaars van de kanaaltoren worden voorgeschreven. Gelet hierop staat niet vast dat voordat de kanaaltoren wordt opgericht uit nader onderzoek de zekerheid zal worden verkregen dat door de oprichting daarvan geen onaanvaardbare windhinder voor de omgeving zal ontstaan. De stelling van de raad dat indien uit nader onderzoek zou blijken dat sprake is van windhinder, de vormgeving van de kanaaltoren zal worden aangepast of hiermee rekening zal worden gehouden bij de inrichting van het openbaar gebied, kan dan ook niet worden gevolgd, nu het plan daartoe niet in een regeling voorziet. Nu het verrichten van onderzoek naar de gevolgen van de kanaaltoren wat betreft het aspect windhinder op de omgeving niet in het plan is voorgeschreven, had het op de weg van de raad gelegen om voorafgaand aan de vaststelling van het plan nader onderzoek te verrichten naar de gevolgen van de kanaaltoren voor het windklimaat in de omgeving. De raad heeft niet toereikend gemotiveerd waarom hij hiervan heeft afgezien. Gelet hierop is de vaststelling van het plan, voor zover dat voorziet in de mogelijkheid om een woontoren met een maximale bouwhoogte van 40 m op te richten, onzorgvuldig. Het betoog slaagt. Planregels
- [appellant sub 1] betoogt dat in artikel 15, lid 15.1, van de planregels, op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders de bestemmingsgrenzen kan wijzigen, een voorwaarde ontbreekt waarmee wordt voorkomen dat hinder voor bewoners en bedrijven ontstaat. 21.
- Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van geringe veranderingen in de plaats, ligging en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. bestemmingsgrenzen mogen niet meer dan 5 m worden verschoven; b. het bestemmingsvlak wordt niet meer dan 10% vergroot; c. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad; d. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen worden niet onevenredig geschaad. 21.
- De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de wijzigingsbevoegdheid een standaardbepaling betreft, die niet zal leiden tot aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 1]. Ter zitting heeft hij er in dat verband op gewezen dat de wijzigingsbevoegdheid ziet op het wijzigen van de bestemmingsgrenzen, en niet op de grenzen van bouwvlakken. Gelet hierop kunnen de in het plangebied voorziene woningen niet op grond van de wijzigingsbevoegdheid dichterbij de woning van [appellant sub 1] worden gerealiseerd dan thans is voorzien, aldus de raad. De Afdeling acht het standpunt van de raad niet onredelijk. Daarbij neemt zij in aanmerking dat in artikel 15, lid 15.1, van de planregels de voorwaarde is neergelegd dat de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad, zodat is geborgd dat bij de vaststelling van een wijzigingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen van dat plan voor omwonenden en omliggende bedrijven. Het betoog faalt.
- Voorts richt [appellant sub 1] zich tegen de in artikel 3, lid 3.2.2, en artikel 6, lid 6.2.3, van de planregels opgenomen mogelijkheid om objecten met een maximale hoogte van 15 m te realiseren, omdat hij vreest dat zijn zicht hierdoor onevenredig zal worden belemmerd. 22.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, en artikel 6, lid 6.2.3, van de planregels gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen de bestemmingen "Groen" onderscheidenlijk "Verkeer" de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van palen, masten en portalen voor geleidingen, beveiligingen en regeling voor verkeer bedraagt niet meer dan 15 m; b. de bouwhoogte van kunstobjecten bedraagt niet meer dan 15 m; c. de bouwhoogte van andere/overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 4 m. 22.
- Ter zitting heeft [appellant sub 1] desgevraagd verduidelijkt dat zijn betoog uitsluitend ziet op de mogelijkheid om in het plangebied kunstobjecten met een hoogte van 15 m te realiseren. De afstand tussen de woning van [appellant sub 1] en de meest nabijgelegen gronden met de bestemming "Verkeer" dan wel "Groen", waarop deze kunstobjecten mogen worden gerealiseerd, bedraagt ongeveer 25 m. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op deze afstand, en de toegestane bouwhoogte voor de woningen in het plangebied, de toegestane kunstobjecten niet tot onevenredige aantasting van het zicht van [appellant sub 1] zullen leiden en dat kunstobjecten met een bouwhoogte van maximaal 15 m derhalve ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft mogen stellen. Het betoog faalt.
- Daarnaast richt [appellant sub 1] zich tegen de in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder i, en artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder i, van de planregels voorziene mogelijkheid om ontmoetingsplaatsen voor jongeren en ouderen te realiseren binnen de bestemmingen "Groen" en "Verkeer", omdat hij vreest dat dit tot hinder en geluidsoverlast kan leiden. 23.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder i, en artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder i, van de planregels zijn de voor "Groen" onderscheidenlijk "Verkeer" aangewezen gronden onder meer bestemd voor ontmoetingsplaatsen voor jongeren en/of ouderen. 23.
- De raad heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat het ook is toegestaan dat jongeren of ouderen elkaar ontmoeten zonder dat dit expliciet in de planregels is neergelegd. In de stukken, noch ter zitting heeft de raad onderbouwd waarom hij het desalniettemin vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk heeft geacht om ontmoetingsplaatsen voor jongeren en/of ouderen in de planregels op te nemen. Gelet daarop is het plan, voor zover het artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder i, en artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder i, van de planregels betreft, naar het oordeel van de Afdeling niet deugdelijk gemotiveerd. Het betoog slaagt. 23.
- Voor zover de raad stelt dat de beroepsgrond van [appellant sub 1] met betrekking tot de in de planregels voorziene ontmoetingsplaatsen ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden, overweegt de Afdeling als volgt. Het belang waarvoor [appellant sub 1] in deze procedure bescherming zoekt is gelegen in het voorkomen van negatieve gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkelingen, waaronder de realisatie van ontmoetingsplaatsen moet worden begrepen. In dit geval beroept hij zich op normen voor de bepaling van hetgeen een goede ruimtelijke ordening vereist uit een oogpunt van een goed woon- en leefklimaat. Gelet daarop kan niet worden geoordeeld dat de door hem ingeroepen normen kennelijk niet strekken ter bescherming van zijn belangen. Artikel 8:69a van de Awb staat derhalve niet aan vernietiging van de bestreden planregel in de weg. Verkeerstoename
- [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de Bredaseweg de verkeerstoename die ontstaat als gevolg van het plan niet kan verwerken. Volgens [appellant sub 2] is er in de huidige situatie al dagelijks filevorming op de Bredaseweg en zal de bestaande verkeershinder als gevolg van het plan verder toenemen, te meer omdat de Bredaseweg de enige ontsluiting van het plangebied vormt. [appellant sub 1] stelt dat uit het onderzoek "MPO-terrein te Oosterhout, onderzoek naar de verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling" van Oranjewoud (thans: Antea Group) van 27 november 2013 (hierna: het verkeersonderzoek), dat aan het plan ten grondslag is gelegd, volgt dat de verhouding tussen de intensiteit en capaciteit (hierna: de I/C-verhouding) in de avondspits rond de 90 procent ligt, terwijl de acceptabel geachte I/C-verhouding 80 procent bedraagt. Verder stelt [appellant sub 1] dat in het verkeersonderzoek ten onrechte niet de situatie tot en met 2025 is onderzocht. Daarnaast betoogt [appellant sub 1] dat de haalbaarheid en wenselijkheid van de in het onderzoek "Verkeersafwikkeling MPO-terrein vervolgonderzoek" van Antea Group van 25 april 2014 (hierna: het vervolgonderzoek) voorgestelde oplossingsrichtingen niet nader zijn onderzocht en dat deze een negatief effect kunnen hebben op de ontsluiting van het plangebied op de Molenstraat en van de bestaande woningen op de Bredaseweg. 24.
- De raad onderkent dat de verkeersintensiteit op de Bredaseweg ter hoogte van de kruisingen met de Wilhelminalaan en de Ridderstraat in de bestaande situatie al hoog is en dat het verkeer als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkelingen verder toe zal nemen, maar stelt zich op het standpunt dat de gevolgen van deze verkeerstoename aanvaardbaar kunnen worden geacht. Aan dat standpunt legt de raad ten grondslag dat de I/C-verhouding op de Bredaseweg maximaal 90 procent zal bedragen, aangezien er in de onderzoeken nog van is uitgegaan dat in het plangebied 1000 m2 aan maatschappelijke en commerciële functies zal worden gerealiseerd en deze mogelijkheid in het vastgestelde plan niet langer is voorzien. Een I/C-verhouding van 90 procent tijdens de avondspits acht de raad in dit geval acceptabel, gelet op de omstandigheden dat de I/C-verhouding ook in de situatie dat het plangebied niet zou worden ontwikkeld tot woonwijk al boven de 80 procent zou liggen, de Bredaseweg als een gebiedsontsluitingsweg in een stedelijke omgeving is aan te merken, en de raad in het nog op te stellen verkeers- en mobiliteitsplan maatregelen kan opnemen die de doorstroming op de Bredaseweg zullen bevorderen. 24.
- In het verkeersonderzoek is onderzocht of de in het plan voorziene ontwikkeling van een woonwijk tot een acceptabele verkeersintensiteit en verkeersafwikkeling in 2024 zal leiden. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat, omdat in het verkeersonderzoek robuuste aannames zijn gedaan voor de verwachte verkeerstoename, mag worden aangenomen dat de conclusies uit het verkeersonderzoek ook gelden voor het referentiejaar
- Nu [appellant sub 1] dit niet gemotiveerd heeft betwist, ziet de Afdeling in de door hem gestelde omstandigheid dat in het verkeersonderzoek niet naar de situatie in 2025 is gekeken geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het verkeersonderzoek niet in redelijkheid aan het plan ten grondslag had mogen leggen. Volgens het onderzoek kan als maat voor de verkeersafwikkeling op wegvakniveau de I/C-verhouding worden gehanteerd, en resulteert een I/C-verhouding van onder de 80 procent in een goede verkeersafwikkeling. In de autonome situatie bedraagt de I/C-verhouding op het gedeelte van de Bredaseweg tussen de kruispunten Wilhelminalaan en Ridderstraat ongeveer 60 procent in de ochtendspits en 82 tot 84 procent in de avondspits, zodat kan worden geconcludeerd dat in de avondspits haperingen in de verkeersafwikkeling ontstaan. De ontwikkeling van het MPO-terrein tot woonwijk zorgt voor een verkeerstoename van ongeveer 2340 autobewegingen per werkdagetmaal. De toename van het verkeer in de avondspits zorgt ervoor dat de I/C-verhouding stijgt. Afhankelijk van de verdeling van het verkeer in het centrum van Oosterhout zal de I/C-verhouding in de avondspits rond de 90 procent liggen, aldus het verkeersonderzoek. In het vervolgonderzoek zijn de gevolgen van verschillende oplossingsrichtingen voor het verbeteren van de verkeersdoorstroming onderzocht. In het vervolgonderzoek wordt onder meer de conclusie getrokken dat een rotonde als ontsluiting van het plangebied het verkeer van en naar het plangebied goed kan verwerken en voor een goede verkeersdoorstroming zorgt. Verder zijn de gevolgen van de verkeerstoename op de kruising van de Bredaseweg met de Ridderstraat nader onderzocht. In het vervolgonderzoek staat dat deze kruising naar verwachting niet in staat zal zijn om de verkeersgeneratie in de autonome situatie in 2024, zonder de ontwikkeling van de in het plan voorziene woningbouw, goed te verwerken. Dat geldt zowel bij het huidige regelprogramma als bij een aangepast regelprogramma voor de verkeersregelinstallaties, waarbij langer groen wordt gegeven, aldus het vervolgonderzoek. In het vervolgonderzoek wordt vervolgens over oplossingen waarbij het aantal rijrichtingen wordt beperkt opgemerkt dat deze goede kansen lijken te bieden om de doorstroming ook op termijn voldoende te kunnen garanderen, ook bij de ontwikkeling van het plangebied. Volgens het vervolgonderzoek zorgt deze ontwikkeling in 2024 voor ongeveer 10 procent van de totale verkeersbelasting op de aansluiting Ridderstraat/Bredaseweg. Daarbij wordt in het vervolgonderzoek de kanttekening gemaakt dat de effecten van deze oplossingen op de nabijgelegen woonbuurt en kruising nog niet nader zijn beschouwd en daar wel gevolgen voor kunnen hebben, zodat nog onzeker is in hoeverre de voorstellen haalbaar en wenselijk zijn. De Afdeling stelt vast dat de raad nog geen onderzoek naar de haalbaarheid van de in het vervolgonderzoek voorgestelde oplossingen heeft verricht. Gelet op de hiervoor weergegeven conclusies uit de verkeersonderzoeken die aan het plan ten grondslag zijn gelegd, acht de Afdeling het standpunt van de raad dat de verkeerstoename als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkelingen niet tot onaanvaardbare gevolgen voor de doorstroming op Bredaseweg zal leiden, onvoldoende deugdelijk onderbouwd. Met betrekking tot het standpunt van de raad dat een I/C-verhouding van rond de 90 procent in dit geval aanvaardbaar is omdat de raad voornemens is nader onderzoek naar de in het vervolgonderzoek voorgestelde maatregelen te verrichten in het kader van een nog op te stellen verkeers- en mobiliteitsplan, overweegt de Afdeling dat hieruit volgt dat nog onduidelijk is of de maatregelen die tot een verbeterde doorstroming op de Bredaseweg kunnen leiden, ook daadwerkelijk genomen zullen worden. Gelet daarop heeft de raad onvoldoende inzichtelijk gemaakt of op de Bredaseweg in 2024 sprake zal zijn van een goede doorstroming van het verkeer, met inbegrip van het extra verkeer dat als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkelingen ontstaat. De stelling van de raad dat oplossingen voor de hoge verkeersbelasting op de Bredaseweg niet in het kader van het voorliggende plan moeten worden gezocht omdat de I/C-verhouding ook in de autonome situatie al boven de tachtig procent zal liggen volgt de Afdeling niet, nu juist in een overbelaste verkeerssituatie van de raad mag worden verwacht dat hij alvorens een plan vast te stellen dat tot een toename van de verkeersbelasting leidt, aannemelijk maakt dat de gevolgen van die toename vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening desalniettemin aanvaardbaar zijn. Met de enkele stelling dat de Bredaseweg als een gebiedsontsluitingsweg is aan te merken die in een stedelijk gebied is gelegen, heeft de raad dit naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan, voor zover daarmee in de bestemming "Wonen" is voorzien, ontoereikend onderbouwd. Het betoog slaagt. 24.
- Met betrekking tot het betoog van de raad dat artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het besluit vanwege de beroepsgronden van [appellant sub 1] met betrekking tot extra verkeer over de Bredaseweg in de weg staat, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals hiervoor is overwogen, is het belang waarvoor [appellant sub 1] in deze procedure bescherming zoekt gelegen in het voorkomen van negatieve gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkelingen. In dit geval beroept hij zich op normen voor de bepaling van hetgeen een goede ruimtelijke ordening vereist uit een oogpunt van een goed woon- en leefklimaat. De Afdeling acht niet uitgesloten dat de verkeerstoename op de Bredaseweg als gevolg van het plan een effect op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] aan de Molenstraat kan hebben, ook omdat de Molenstraat aansluit op de Bredaseweg. De door hem ingeroepen norm strekt derhalve ter bescherming van zijn belang, zodat niet kan worden geoordeeld dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit op dit punt. Inlassen zienswijzen
- Voor zover [appellant sub 2] voor het overige heeft verzocht zijn zienswijzen als herhaald en ingelast te beschouwen, wordt overwogen dat in de reactienota zienswijzen is ingegaan op deze zienswijzen. [appellant sub 2] heeft in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van zijn zienswijze in het bestreden besluit onvoldoende of onjuist zou zijn. Conclusie en proceskostenveroordeling
- Gelet op hetgeen is overwogen onder 20.3 ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "maximum bouwhoogte (m) = 40", is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb. Gelet op hetgeen is overwogen onder 23.2 en 24.2 ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het besluit, voor zover het betreft artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder i, en artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder i, van de planregels, en de plandelen met de bestemming "Wonen", is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn gegrond. Gezien de onderlinge samenhang tussen de plandelen met de bestemming "Wonen" en de overige plandelen ziet de Afdeling aanleiding om het besluit geheel te vernietigen.
- Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.
- De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Oosterhout van 20 oktober 2015, kenmerk BI.0150328; III. draagt de raad van de gemeente Oosterhout op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl; IV. veroordeelt de raad van de gemeente Oosterhout tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten als volgt: a. voor [appellant sub 1] een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; b. voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; V. gelast dat de raad van de gemeente Oosterhout aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht als volgt vergoedt: a. voor [appellant sub 1] een bedrag van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro); b. voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] een bedrag van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro), met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander. Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, griffier. w.g. Kranenburg w.g. Tuit voorzitter +griffier Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2016 425-820.