← Nederland

ECLI:NL:RVS:2016:2331

201507665/1/R

  1. Datum uitspraak: 24 augustus 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),
  3. [appellant sub 2], wonend te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
  4. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]),
  5. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],
  6. [appellant sub 5], wonend te Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel,
  7. de vereniging Natuurgroep Gestel, gevestigd te Sint-Michielsgestel,
  8. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college),
  9. [appellant sub 8] en anderen, allen wonend te Den Dungen, gemeente Sint Michielsgestel,
  10. [appellante sub 9], gevestigd te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
  11. de vereniging Vereniging Het Groene Hart Brabant, gevestigd te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,
  12. [appellant sub 11A] en [appellant sub 11B], beiden wonend te Sint-Michielsgestel,
  13. [appellante sub 12], gevestigd te Berlicum, appellanten, en de raad van de gemeente Sint-Michielsgestel, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 16 juli 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Actualisatieplan Buitengebied St. Michielsgestel" vastgesteld (hierna: het plan fase 1). Tegen dit besluit hebben onder meer [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], Natuurgroep Gestel, het college, [appellant sub 8] en anderen, [appellante sub 9] en Het Groene Hart beroep ingesteld. Bij besluit van 17 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Actualisatieplan Buitengebied - Fase 2" vastgesteld (hierna: het plan fase 2). Tegen dit besluit hebben Natuurgroep Gestel, Het Groene Hart, [appellanten sub 11] en [appellante sub 12] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Een aantal appellanten en belanghebbenden hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6, 7, en 8 juni 2016, waar een deel van de partijen is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Overwegingen Intrekkingen ter zitting
  14. Ter zitting heeft het college zijn beroepsgronden tegen het plandeel van het plan fase 1 dat ziet op het perceel Zegenwerp 1c te Sint-Michielsgestel ingetrokken. 1.
  15. Ter zitting heeft Het Groene Hart haar beroepsgronden ingetrokken die zijn gericht tegen de plandelen van het plan fase 1, die zien op de volgende percelen: - Loopsteegje 2 te Sint-Michielsgestel - Hasseltsedijk 22 te Berlicum - [locatie 9] te Berlicum - Diepenbroek 1 te Gemonde - Hooghemertseweg 2 te Gemonde - Diepenbroek 7 te Gemonde - St. Lambertusweg 9 te Gemonde - Hemelrijkstraat ongenummerd (perceel L412) te Sint-Michielsgestel. Planbeschrijving en beroepen van rechtswege
  16. Het plan fase 1 en het plan fase 2 voorzien voor een groot aantal losse percelen in het buitengebied van Sint-Michielsgestel in een aanpassing van het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2010 (hierna: het plan Buitengebied 2010). De verbeelding van het plan fase 1 is een partiële herziening van het plan Buitengebied
  17. Het plan fase 1 bevat daarbij in het bijzonder een planologisch kader, dat voor een groot aantal percelen in nieuwe ontwikkelingen aldaar voorziet. Voorts bevat het plan fase 1 een planologisch kader voor een aantal andere percelen, waarvan de Afdeling de planologische regeling in het plan Buitengebied 2010 bij uitspraak van 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1730 heeft vernietigd. Tevens voorziet het plan fase 1 nog in enkele ambtshalve wijzigingen in de verbeelding van het plan Buitengebied
  18. Daarnaast is met het plan fase 1 een integrale, herziene versie van de planregels vastgesteld. Het plan fase 2 voorziet in een aantal andere nieuwe initiatieven en is in dat opzicht ook een partiële herziening van het plan Buitengebied
  19. Tevens is met het plan fase 2 voor een aantal plandelen uit het plan fase 1 een gewijzigde regeling vastgesteld. Daarnaast is met het plan fase 2 opnieuw een integrale, herziene versie van de planregels vastgesteld. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling op dat de regels die zijn vastgesteld bij het besluit van 17 december 2015 tot vaststelling van het plan fase 2, ingevolge dat besluit niet alleen van toepassing zijn op het plan fase 1 en het plan fase 2, maar tevens op alle overige gronden die behoren tot het oorspronkelijke plangebied van het plan Buitengebied
  20. Waar in het navolgende wordt gesproken over de planregels, worden dan ook de planregels bedoeld zoals die gelden op grond van het plan fase
  21. 2.
  22. Gelet op het vorenstaande hebben de beroepen van [appellant sub 4], Natuurgroep Gestel, het college, [appellante sub 9] en Het Groene Hart tegen het besluit van 16 juli 2015, ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van rechtswege mede betrekking op het besluit van 17 december 2015 voor zover dit besluit het besluit van 16 juli 2015 vervangt of wijzigt. Toetsingskader
  23. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plannen strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of de bestreden besluiten anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Leeswijzer
  24. De Afdeling gaat hierna allereerst in op de ontvankelijkheid van verschillende appellanten (onder 5 en 6), waarna vervolgens de procedurele beroepsgronden van [appellanten sub 11] (onder 7 tot en met 11) en Het Groene Hart (onder 12) en de algemene beroepsgronden van Het Groene Hart (onder 13 tot en met 15) aan de orde worden gesteld. In de daaropvolgende overwegingen worden de beroepsgronden besproken die zijn gericht tegen plandelen die zijn opgenomen in het plan fase 1 en tegen de desbetreffende plandelen voor zover die zijn gewijzigd in het plan fase 2, op alfabetische volgorde per kern, (onder 16 tot en met 74). Daarna gaat de Afdeling in op de beroepsgronden die zien op plandelen en planregels die alleen in het plan fase 2 zijn opgenomen (onder 75 tot en met 80). Als laatste komen nog enkele slotoverwegingen aan de orde (onder 81 en 82). De regelgeving die ten grondslag ligt aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, is opgenomen in de uitspraak of in de bijlage bij deze uitspraak. Ontvankelijkheid van de beroepen tegen het plan fase 1
  25. Het beroep van Natuurgroep Gestel, voor zover gericht tegen de plandelen met de bestemming "Wonen" voor de percelen [locatie 5]/[locatie 6] en Zandstraat 49/51 te Berlicum, de percelen Hoek 2 en Hoek 3a te Den Dungen, de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" voor het perceel Hasseltsedijk 22 te Berlicum en de bestemming "Maatschappelijk" voor de percelen Haanwijk 4, 4A en 5B te Sint-Michielsgestel, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb, en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb en artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich voor de bovengenoemde plandelen niet voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de omstandigheid dat omwille van tijdsgebrek in de zienswijze in het algemeen naar voren is gebracht dat sprake is van onjuistheden en ten onrechte wordt gekozen voor legalisering van bestaande illegale situaties. Wat betreft het perceel [locatie 5]/[locatie 6] is evenmin een rechtvaardiging gelegen in de omstandigheid dat dit planonderdeel bij de gewijzigde vaststelling van het plan fase 1 is gewijzigd, nu de voorziene woningsplitsing waartegen het beroep is gericht al in het ontwerpplan was voorzien. Het beroep van Natuurgroep Gestel tegen het plan fase 1 is in zoverre niet-ontvankelijk. 5.
  26. Het beroep van Het Groene Hart, voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 5]/[locatie 6] te Berlicum, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb, en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb en artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Weliswaar is het planonderdeel bij de vaststelling van het plan gewijzigd, maar de woningsplitsing waartegen het beroep is gericht, was al in het ontwerpplan voorzien. Het beroep van Het Groene Hart tegen het plan fase 1 is in zoverre niet-ontvankelijk. 5.
  27. [appellant sub 8] en anderen wonen in de omgeving van het perceel [locatie 13] te Den Dungen. [appellant sub 8] en [appellant sub 8A] wonen aan de [locatie 1] en [locatie 2], op een afstand van ongeveer 130 m van het hier relevante gedeelte van het plangebied. Niet is gebleken dat zij vanaf hun perceel zicht hebben op dit deel van het plangebied. [appellant sub 8B], [appellante sub 8C] en [appellant sub 8 D] wonen aan de [locatie 3] en [locatie 4], op een afstand van ongeveer 45 m van het hier relevante gedeelte van het plangebied. Zij hebben daar ook zicht op. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant sub 8B], [appellante sub 8C] en [appellant sub 8 D] een objectief en persoonlijk belang dat rechtstreeks door het bestreden besluit wordt geraakt. Dit is evenwel niet het geval voor [appellant sub 8] en [appellant sub 9A], gelet op de genoemde afstand, het ontbreken van zicht op het perceel [locatie 13] en het ontbreken van andere omstandigheden die maken dat een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit wordt geraakt. De conclusie is dat [appellant sub 8] en [appellant sub 8A] geen belanghebbenden zijn bij dit deel van het plan fase 1 als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep van [appellant sub 8] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 8] en [appellant sub 8A], is niet-ontvankelijk Hierna wordt het beroep, voor zover ontvankelijk, aangeduid als het beroep van [appellant sub 8B] en anderen. 5.
  28. [belanghebbende A]en [belanghebbende B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]), die partij zijn bij het plandeel dat ziet op [locatie 5] en [locatie 6] te Berlicum, betogen dat het beroep van het college niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het buiten de termijn daarvoor is ingediend. De Afdeling overweegt hierover het volgende. Het beroep van het college is ingediend op 4 november
  29. Hoewel [belanghebbende] publicaties heeft overgelegd waaruit blijkt dat het vastgestelde plan fase 1 tot en met 29 oktober 2015 ter inzage lag en de beroepstermijn derhalve eindigde op 30 oktober 2015, is het besluit later opnieuw gepubliceerd. In die publicatie is vermeld dat het vastgestelde plan fase 1 tot en met 5 november 2015 ter inzage is gelegd. Gelet op deze latere publicatie eindigde de beroepstermijn op 6 november
  30. Het college heeft het beroep tegen het plan fase 1 dan ook binnen de beroepstermijn ingediend. Het betoog van [belanghebbende] faalt. Ontvankelijkheid van het beroep tegen het plan fase 2 ([appellanten sub 11])
  31. Het beroep van [appellanten sub 11] is onder meer gericht tegen de afwijkingsbevoegdheid voor het bouwen voor de voorgevelrooilijn binnen de bestemming "Bedrijf" in artikel 7, lid 7.4.3, van de planregels. [appellant sub 11A] woont aan de [locatie 7] te Sint-Michielsgestel, op een afstand van ongeveer 500 m van het dichtstbijzijnde perceel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 21]/[locatie 22] te Sint-Michielsgestel. [appellant sub 11B] woont aan de [locatie 8], op een afstand van ongeveer 150 m van dit bedrijfsperceel. Vanaf hun percelen hebben zij geen zicht op de voorzijde van de daar aanwezige en de in het plan fase 1 voorziene bedrijfsbebouwing. Naar het oordeel van de Afdeling is deze afstand te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. [appellanten sub 11] hebben aangevoerd dat zij ondanks de genoemde afstanden belanghebbenden zijn bij de afwijkingsbevoegdheid, omdat voor de mogelijke bouwplannen op het perceel [locatie 21]/[locatie 22] de desbetreffende afwijkingsbevoegdheid zal worden toegepast. Dit belang heeft niet rechtstreeks betrekking op de overschrijding van de voorgevelrooilijn als zodanig. De Afdeling is van oordeel dat hierdoor geen sprake is van een belang dat rechtstreeks door het besluit wordt geraakt, maar van een afgeleid belang. De conclusie is dat [appellanten sub 11] geen belanghebbenden zijn bij artikel 7, lid 7.4.3, van de planregels als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep van [appellanten sub 11] tegen het plan fase 2 is in zoverre niet-ontvankelijk. 6.
  32. Het beroep van [appellanten sub 11] is ook gericht tegen het voorziene Landgoed Theede en de daarin voorziene woningen aan de Gagellaan. Het perceel van [appellant sub 11B] grenst aan het voorziene landgoed en de locatie waar de woningen zijn voorzien. [appellant sub 11A] woont op ongeveer 160 m van Landgoed Theede en heeft vanaf zijn perceel zicht op de voorziene woningen. Mede gelet op de aard en de omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die binnen dit gedeelte van het plangebied mogelijk worden gemaakt, is de Afdeling van oordeel dat zowel [appellant sub 11A] als [appellant sub 11B] een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang hebben. Het beroep van [appellanten sub 11] tegen het plan fase 2 is in zoverre ontvankelijk. Procedurele beroepsgronden tegen het plan fase 2 [appellanten sub 11]
  33. [appellanten sub 11] betogen dat belanghebbenden ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld om een zienswijze over het ontwerpplan fase 2 naar voren te brengen. Daartoe voeren zij aan dat de publicatie van het ontwerpplan fase 2 onduidelijk is, omdat daarin slechts wordt verwezen naar Landgoed Theede, zonder dat de locatie is genoemd of de aard van de ontwikkelingen is beschreven. Verder voeren zij aan dat het ontwerpplan fase 2 ten onrechte in de vakantieperiode ter inzage is gelegd. Tevens voeren [appellanten sub 11] aan dat het huis-aan-huisblad in het buitengebied niet goed wordt bezorgd en de terinzagelegging niet is genoemd in de digitale gemeentelijke nieuwsbrief of in een nieuwsbericht via www.overheid.nl. Voorts betogen [appellanten sub 11] dat het ontwerpbestemmingsplan fase 2 teveel informatie bevat, waardoor de informatie over Landgoed Theede niet snel te vinden was. Tot slot stellen [appellanten sub 11] dat [appellant sub 11A] is ontmoedigd om een zienswijze in te dienen. 7.
  34. De kennisgeving over de terinzagelegging van het ontwerpplan is gepubliceerd in de Staatscourant en het huis-aan-huisblad De Brug. In de kennisgeving is onder meer vermeld dat het ontwerpplan fase 2 ziet op de locatie "Landgoed Theede aan de Gagellaan/Monseigneur Hermuslaan te Sint-Michielsgestel". Hiermee bevat de kennisgeving naar het oordeel van de Afdeling voldoende informatie om te kunnen beoordelen of het wenselijk was om de ter inzage gelegde stukken in te zien en eventueel naar aanleiding daarvan een zienswijze in te dienen. Ten aanzien van het betoog van [appellanten sub 11] dat het ontwerpplan ten onrechte in een vakantieperiode ter inzage heeft gelegen, wordt overwogen dat de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) noch de Awb zich tegen die handelwijze verzet. Wat betreft de gestelde gebreken in de bezorging van het huis-aan-huisblad, hebben [appellanten sub 11] niet aannemelijk gemaakt dat de bezorging zodanige gebreken vertoont dat de raad dit blad niet als middel ter kennisgeving van het ontwerpplan had mogen gebruiken. Verder bevat de Awb noch de Wro de verplichting om de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpplan te plaatsen in de gemeentelijke digitale nieuwsbrief of via een apart nieuwsbericht op www.overheid.nl onder de aandacht van mogelijke belanghebbenden te brengen. De Afdeling ziet in de omstandigheid dat [appellanten sub 11] niet eenvoudig de voor hen relevante informatie konden vinden, geen aanleiding voor het oordeel dat belanghebbenden onvoldoende kennis hebben kunnen nemen van het ontwerpplan. Tot slot bestaat geen aanleiding voor de vernietiging van het bestreden besluit van 17 december 2015, omdat een betrokken ambtenaar zou hebben medegedeeld dat de zienswijzetermijn was verstreken, terwijl dit niet het geval was. In de kennisgeving is de juiste termijn genoemd, zodat [appellanten sub 11] konden weten dat de zienswijzetermijn nog niet was verstreken. Het betoog faalt.
  35. [appellanten sub 11] betogen dat de raad de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan fase 2 ten onrechte niet expliciet heeft genoemd in het raadsbesluit. Volgens [appellanten sub 11] wordt ten onrechte verwezen naar onderliggende stukken. 8.
  36. In het raadsbesluit staat dat de raad instemt met de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan zoals die zijn beschreven in de nota van wijzigingen, het bestemmingsplan dient te worden aangepast conform die beschreven wijzigingen en de raad het gewijzigde bestemmingsplan vaststelt. In hetgeen [appellanten sub 11] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze wijze van besluiten, die overigens gebruikelijk is, in strijd is met enige rechtsregel of rechtsbeginsel. Het betoog faalt.
  37. [appellanten sub 11] betogen dat de raad een wezenlijk ander plan fase 2 heeft vastgesteld dan hij als ontwerpplan ter inzage heeft gelegd. Hierbij wijzen zij op de toevoeging van artikel 7, lid 7.4.3, aan de planregels. Volgens hen had de raad daarom moeten besluiten tot een nieuwe terinzagelegging van het ontwerpplan. 9.
  38. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vaststaat dat de raad in dit geval het plan fase 2 heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen, waaronder de toevoeging van artikel 7, lid 7.4.3, aan de planregels. De afwijking van het ontwerpplan door de toevoeging van lid 7.4.3 is niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Het betoog faalt.
  39. [appellanten sub 11] betogen dat de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbesluit ten onrechte niet in de publicatie van het bestreden besluit zijn genoemd. Daarnaast betogen zij dat de kennisgeving van het vastgestelde bestemmingsplan opnieuw niet is gepubliceerd in de digitale gemeentelijke nieuwsbrief of via een bericht op www.overheid.nl. Deze mogelijke onregelmatigheden dateren van na de datum van het bestreden besluit en kunnen reeds daarom de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheden kunnen dan ook geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.
  40. [appellanten sub 11] stellen tevens dat de door hen naar voren gebrachte zienswijzen onvolledig en onjuist zijn beantwoord. 11.
  41. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellanten sub 11] aldus dat zij betogen dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde argumenten of bezwaren niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt. Het Groene Hart
  42. Het Groene Hart betoogt dat de bij het plan fase 2 op ruimtelijkeplannen.nl gepubliceerde stukken onvolledig zijn. Volgens Het Groene Hart ontbreken de stukken die behoren bij het besluit tot herbegrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) wat betreft de herbegrenzing van Golfclub De Dommel en Haanwijk 4, 4a en 5b. 12.
  43. De door Het Groene Hart genoemde stukken die ten grondslag liggen aan het verzoek van de raad om de grens van de EHS aan te passen, liggen niet ten grondslag aan het plan fase
  44. De genoemde plandelen zijn opgenomen in het plan fase
  45. Bij dat plan zijn de ruimtelijke onderbouwingen opgenomen. De raad behoefde de door Het Groene Hart genoemde stukken dan ook niet ter inzage te leggen bij het ontwerp van het plan fase
  46. Het betoog van Het Groene Hart faalt. Algemeen Gehanteerde beleidskader voor kwaliteitsverbetering
  47. Het Groene Hart betoogt dat als uitgangspunt van de plannen terecht is gekozen dat nieuwe ontwikkelingen een betere ruimtelijke kwaliteit tot gevolg dienen te hebben. Zij meent echter dat voor het oordeel of sprake is van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit als referentiekader niet gekeken moet worden naar de huidige feitelijke situatie omdat de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied al generaties lang is afgenomen. Daarom moet volgens haar de potentieel mogelijk te bereiken kwaliteit als streefdoel worden genomen. Bij toepassing van dit kader heeft de resterende groene ruimte, waaronder het "gewone" agrarische groen, een hoge potentiële ontwikkelingswaarde. Het Groene Hart betoogt dat de waarde die de raad in het kader van kwaliteitsverbetering toekent aan het omvormen van deze gewone groene ruimte naar natuur gelet op het door haar geschetste kader onterecht is. Zij betoogt dat het verbeteren van de bestaande groene ruimte door ander beleid op termijn ook wel tot stand zal komen. Het Groene Hart pleit ervoor zogenaamde "rode" ontwikkelingen die tot extra ruimtebeslag leiden enkel toe te staan als gelijkwaardige compensatie door het amoveren van bebouwing plaatsvindt. Het Groene Hart heeft tien criteria geformuleerd waaraan de ontwikkelingen moeten voldoen om van een kwaliteitsverbetering te spreken. Dit zijn kortgezegd: a. minder verstening in het buitengebied, amovering waar mogelijk en geen nieuwe bebouwing zonder gelijkwaardige compensatie, b. minder ruimtelijke versnippering of opheffing daarvan, c. geen nieuwbouw of uitbreiding in beekdalen, broeklanden en dergelijke, d. geen intensivering van gebiedsgebruik door aard werkzaamheden of verkeersaantrekkende werking, e. geen aantasting van landschaps-, natuur-, en cultuurhistorische waarden of belemmering van herstel daarvan, f. geen aantasting van abiotische waarden door egalisatie of ontgrondingen en dergelijke, g. sanering van landschappelijk, natuurlijk en functioneel ongunstig gelegen bedrijven, h. geen landschapsvervreemding door nieuwe fantasielandschappen of landgoederen, i versterking van kleinschaligheid en diversiteit landschap, j. versterking extensieve recreatieve betekenis. Het Groene Hart toetst vervolgens de verschillende initiatieven aan de door haar opgestelde criteria. 13.
  48. In de toelichting op het plan fase 1 staat dat in het plan Buitengebied 2010 meer ontwikkelingsmogelijkheden zijn geboden voor ontwikkelingen in het buitengebied, en wel of rechtstreeks of door in dat plan opgenomen binnenplanse afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. Toetsingscriterium in dat plan is dat de ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. In het plan fase 1 worden ontwikkelingen mogelijk gemaakt waarvoor een herziening van het plan of een wijzigingsplan nodig is omdat deze niet toegestaan zijn of kunnen worden op grond van het plan Buitengebied 2010 inclusief de daarin opgenomen afwijkingsbevoegdheden. De raad hanteert als toetsingskader voor de beoordeling van de planologische aanvaardbaarheid van de betreffende ontwikkelingen de wijzigingsvoorwaarden uit het plan Buitengebied
  49. Als een ontwikkeling niet binnen het kader van een wijzigingsbevoegdheid past, dan hanteert de raad de uitgangspunten uit de Structuurvisie Buitengebied Sint-Michielsgestel uit 2011 (hierna: de structuurvisie) en de aanvulling daarop (hierna: de aanvulling op de structuurvisie). Daarnaast toetst de raad aan de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening). In de structuurvisie staat dat landbouw, recreatie, natuur en waterberging de hoofdfuncties zijn van het buitengebied. Het gemeentelijk beleid voor het buitengebied richt zich in eerste instantie op deze functies. Binnen de gebieden in het buitengebied die zijn aangewezen als bebouwingsconcentraties dient ruimte te zijn voor nieuwe bedrijvigheid. Daarnaast zijn in deze gebieden ook mogelijkheden voor de bouw van ruimte-voor-ruimtewoningen. Bedrijven in het buitengebied dienen een kleinschalig karakter te hebben, te passen in het gebied en mogen geen oneerlijke concurrentie (met bedrijventerreinen) veroorzaken. De ruimtelijke kwaliteit van de bebouwingsconcentraties staat voorop. De structuurvisie stelt echter dat de ruimtelijke kwaliteit alleen wordt behaald als nieuwe economische activiteiten mogelijk zijn als financiële drager van de te ontwikkelen kwaliteit. Nieuwe (rode) ontwikkelingen zijn echter alleen mogelijk volgens het vereveningsprincipe uit het provinciale beleid (voor wat hoort wat benadering). Verder staat in de structuurvisie dat ook in het overig buitengebied buiten de bebouwingsconcentraties, waar de bebouwing meer verspreid is, mogelijkheden zijn voor nieuwe economische activiteiten, al zijn die minder ruim dan in de bebouwingsconcentraties. Hierbij wordt nog een onderscheid gemaakt tussen cultuurhistorische panden en gebouwen zonder cultuurhistorische waarde. Er dient altijd een ruimtelijk planologische toetsing plaats te vinden. De voorwaarden voor het overig buitengebied zijn verder uitgewerkt in hoofdstuk 3 van de structuurvisie. De voorwaarden voor de verschillende bebouwingsconcentraties zijn in hoofdstuk 4 uitgewerkt. In de aanvulling op de structuurvisie is het beleid ten aanzien van de ruimte-voor-ruimteregeling aangevuld met eisen voor zogenoemde privaatrechtelijke ruimte-voor-ruimteregelingen en is een kader gegeven voor de uitwerking van kwaliteitsverbetering zoals bedoeld in artikel 3.2 van de Verordening. 13.
  50. Het Groene Hart heeft in haar beroepschrift haar visie op het wensbeeld van het buitengebied van Sint-Michielsgestel geschetst. Zij meent dat alleen sprake is van een bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit als de plannen de situatie dichter bij dit wensbeeld brengen. Het Groene Hart heeft criteria geformuleerd waaraan volgens haar moet worden voldaan om dat wensbeeld te bereiken. Vervolgens stelt zij dat aan de hand van deze criteria moet worden beoordeeld of sprake is van verbetering van de ruimtelijke kwaliteit bij de betrokken initiatieven. De Afdeling dient echter te beoordelen of de initiatieven voldoen aan de van toepassing zijnde regelgeving en in lijn zijn met het beleid van de raad en of dit beleid niet apert onredelijk is. Het Groene Hart heeft geen gronden aangevoerd waarin de Afdeling aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat de raad het beleid in de structuurvisie en de aanvulling daarop niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen en niet in zijn algemeenheid als toetsingskader voor het al dan niet mogelijk maken van de betrokken initiatieven heeft kunnen hanteren. Datzelfde geldt voor de wijzigingsvoorwaarden uit het plan Buitengebied
  51. Voor zover Het Groene Hart heeft willen betogen dat de raad het door haar geschetste toetsingskader had moeten hanteren, faalt dit betoog. De Afdeling leest in het vervolg van deze uitspraak de beroepsgronden van Het Groene Hart aldus dat de initiatieven, waarin wordt voorzien, op de door haar aangevoerde punten niet voldoen aan de voorwaarden uit de structuurvisie en de aanvulling op de structuurvisie of, ingeval in ruimtelijke onderbouwingen is verwezen naar deze voorwaarden, aan de wijzigingsvoorwaarden uit het plan Buitengebied
  52. Artikel 42, lid 42.1 van de planregels
  53. Het Groene Hart en Natuurgroep Gestel voeren over een aantal plandelen aan dat de aldaar voorziene ontwikkelingen zullen leiden tot een aantasting van de landschappelijke kwaliteit en dat daarnaast de landschappelijke inpassing zoals die is vastgelegd in de desbetreffende inrichtingsplannen onvoldoende is gewaarborgd. De raad heeft met betrekking tot deze beroepsgronden onder meer gesteld dat de toekomstige inrichting van de desbetreffende percelen wat betreft de landschappelijke inpassing via de voorwaardelijke verplichting in artikel 42, lid 42.1 van de planregels is gewaarborgd. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om te bezien of deze bepaling strekt tot hetgeen de raad heeft beoogd. 14.
  54. De eerste zin van artikel 42, lid 42.1, bepaalt dat de landschappelijke inpassing van (bedrijfs)gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en buitenopslag [die worden gerealiseerd in verband met de nieuwe initiatieven waarin het plan voorziet en waarvoor in bijlage 3 bij de planregels een inrichtingsplan is opgenomen] vóór 1 januari 2018 moet zijn gerealiseerd overeenkomstig de verschillende inrichtingsplannen die in bijlage 3 bij de planregels zijn opgenomen en vervolgens conform het desbetreffende inrichtingsplan in stand dient te worden gehouden. De Afdeling stelt vast deze bepaling niet voorziet in een voorwaardelijke verplichting, maar in de directe plicht om voor 1 januari 2018 de desbetreffende landschappelijke inpassing te realiseren, onafhankelijk van de omstandigheden of het betrokken initiatief wordt gerealiseerd en ook is gerealiseerd op die datum. Dit gebod verdraagt zich niet met het aan de Wro ten grondslag liggende uitgangspunt dat een bestemmingsplan grondgebruikers niet kan verplichten tot het zonder meer uitvoeren van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld. Hierdoor is deze bepaling in strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro vastgesteld. Tevens is deze bepaling in dat opzicht ook niet in overeenstemming met hetgeen de raad heeft beoogd. Gelet hierop dient de eerste zin van artikel 42, lid 42.1, van de planregels te worden vernietigd. 14.
  55. De Afdeling ziet aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, zoals hierna onder VII in de beslissing vermeld. Hiertoe overweegt de Afdeling dat zonder de voornoemde bepaling voor alle 23 initiatieven waarvoor een inrichtingsplan in bijlage 3 bij de regels is opgenomen, de noodzakelijk geachte inpassing ervan niet is gewaarborgd. Om te voorkomen dat de desbetreffende ontwikkelingen worden gerealiseerd, en zonder dat dan de benodigde inpassing daarvan plaatsvindt of kan worden afgedwongen, zal de Afdeling bij wijze van voorlopige voorziening een voorwaardelijke verplichting formuleren en daarbij bepalen dat deze komt te vervallen op het moment dat voor dit planonderdeel een nieuw besluit in werking treedt. Tevens ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het onder 14.1 vermelde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe planregel vast te stellen. 14.
  56. De Afdeling ziet uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting aanleiding de beroepsgronden die zien op de landschappelijke inpassing van nieuwe initiatieven ook inhoudelijk te bespreken. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad wordt opgedragen met inachtneming van deze uitspraak alsnog de door de raad beoogde voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen en dat tot het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe planregel met de beoogde voorwaardelijke verplichting de in de door de Afdeling te treffen voorlopige voorziening opgenomen voorwaardelijke verplichting geldt. Bestemming Landgoed
  57. Het Groene Hart betoogt in haar beroep tegen het plan fase 2 dat de bestemming "Landgoed" ontbreekt. Zij betoogt dat de wijze van het bestemmen van de landgoederen vaag en onduidelijk is en tot rechtsonzekerheid leidt. 15.
  58. De raad heeft niet gekozen voor een bestemming "Landgoed". In de plaats daarvan is gekozen voor een systematiek waarin de landgoederen of onderdelen daarvan een bij het betrokken inrichtingsplan passende bestemming hebben, bijvoorbeeld "Agrarisch", "Bos", "Natuur" of "Wonen". Daarnaast hebben de gronden van de landgoederen de aanduiding "landgoed". Op grond van de bestemmingsomschrijvingen in de planregels voor de verschillende bestemmingen zijn gronden met deze aanduiding mede bestemd voor het behoud en herstel van de waarden en de instandhouding van onverharde wegen en lanenstelsels bij een landgoed. 15.
  59. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de plansystematiek waarmee de raad de gronden voor de landgoederen heeft bestemd, niet duidelijk is. De verbeelding geeft duidelijkheid over waar de aanduiding "landgoed" geldt en de planregels bevatten een bestemmingsomschrijving daarvan. Het betoog van Het Groene Hart dat deze wijze van bestemmen rechtsonzeker is, faalt daarom. Nieuwe initiatieven en plandelen in het plan fase 1, en voor zover deze zijn gewijzigd bij het plan fase 2 ook die plandelen van het plan fase 2 Brugstraat 9 te Berlicum
  60. Het Groene Hart richt zich tegen het plandeel aan de Brugstraat 9 te Berlicum met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "landgoed" voor zover dit plandeel voorziet in de verplaatsing van het dierenverblijf en de uitbreiding van de materiaalberging. Deze worden beide gebruikt voor het naastgelegen landgoed De Rietwiel. De gronden met de bestemming "Bedrijf" zijn op dit perceel overigens in gebruik voor een textielgroothandel. Het bestreden plandeel is opgenomen in het plan fase
  61. In de verbeelding van plan fase 2 is het bouwblok met de bestemming "Bedrijf" deels vergroot ten behoeve van de beoogde uitbreiding van de materiaalberging. Het beroep van Het Groene Hart is van rechtswege tevens tegen het plan fase 2 gericht. Het Groene Hart betoogt dat versnippering en aantasting van de ruimtelijke kwaliteit ontstaat doordat op twee losstaande locaties op het perceel een dierenverblijf en een materiaalberging zijn voorzien. Dit dient volgens Het Groene Hart te worden voorkomen door de materiaalberging en het dierenverblijf te concentreren op het perceel. 16.
  62. De gronden waar het bestaande dierenverblijf staat, hebben in de plannen de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" zonder bouwvlak. Daarmee is het dierenverblijf niet als zodanig bestemd. Het nieuwe dierenverblijf is voorzien binnen het bouwvlak van de bestemming "Bedrijf". Dit is dichterbij en meer in lijn met de bestaande bedrijfsbebouwing dan thans het geval is. De plannen voorzien in een uitbreiding van de bestaande materiaalberging, direct aansluitend daaraan. De Afdeling ziet niet in hoe dit tot meer versnippering leidt. Het Groene Hart heeft niet gemotiveerd waarom de plannen, ondanks de hiervoor geschetste feitelijke situatie en de voorziene verplaatsing en uitbreiding, toch tot meer versnippering leiden. Het betoog van Het Groene Hart tegen het plan fase 2 faalt in zoverre. 16.
  63. Ten gevolge van de vaststelling van het plan fase 2 heeft het plan fase 1 voor het bestreden plandeel geen betekenis meer. Nu ook overigens niet is gebleken van enig belang ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat Het Groene Hart in zoverre geen belang meer heeft bij een inhoudelijke bespreking van haar beroep tegen het plan fase
  64. Gelet hierop dient het beroep van Het Groene Hart tegen het besluit van 16 juli 2015 tot vaststelling van het plan fase 1 met betrekking tot het bestreden plandeel niet-ontvankelijk te worden verklaard. Loofaert 63 te Berlicum
  65. Het Groene Hart richt zich tegen de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - constructie- en lasbedrijf" op het plandeel aan de Loofaert 63 te Berlicum. Het Groene Hart betoogt dat deze aanduiding leidt tot een vergroting van het niet agrarisch ruimtegebruik in het buitengebied. 17.
  66. Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch met waarden- Landschapswaarden" toegekend met een bouwvlak en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - constructie- en lasbedrijf". Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder k, van de planregels zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - constructie- en lasbedrijf" bestemd voor een constructie- en lasbedrijf tot 250 m
  67. 17.
  68. De raad stelt dat het een vergunde situatie betreft die nu in het plan is vastgelegd. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat ten behoeve van een handhavingsdossier onderzoek is verricht naar de vergunningen voor de laswerkzaamheden die plaatsvonden op Loofaert
  69. Uit dat onderzoek is gebleken dat op kaarten bij vergunningen van voor 1994 staat vermeld dat een deel van de gebouwen voor laswerkzaamheden wordt gebruikt. In 2010 is een bouwvergunning verleend voor de uitbreiding van de loods. Gelet op deze bevindingen is de conclusie van de raad dat niet handhavend kan worden opgetreden tegen het gebruik en is het gebruik derhalve overeenkomstig bestemd. 17.
  70. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1845, dient een bestaand legaal bouwwerk in beginsel bij de vaststelling van een bestemmingsplan als zodanig te worden bestemd. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestaande en vergunde las- en constructiewerkzaamheden overeenkomstig het bestaand gebruik worden bestemd. Het betoog van Het Groene Hart faalt. [locatie 5] en [locatie 6] te Berlicum
  71. Het college en [appellant sub 5] kunnen zich niet verenigen met de planregeling voor de gesplitste woning op het perceel [locatie 5]/[locatie 6] te Berlicum. [appellant sub 5] woont in de directe omgeving van het perceel en heeft een varkenshouderij op zijn perceel. Op het perceel staat een woning die 44 jaar geleden is gesplitst in twee woningen. Deze woningsplitsing heeft tot het plan fase 1 nimmer een planologische regeling gevonden. Het plan fase 1 voorziet in de bestemming "Wonen" met twee bouwvlakken voor de aanwezige woningen. 18.
  72. Het college en [appellant sub 5] betogen dat de bestaande woning op het perceel [locatie 5]/[locatie 6] niet kan worden beschouwd als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De voorziene woningsplitsing is volgens hen dan ook in strijd met artikel 7.7, eerste en derde lid, onder b, van de Verordening. [appellant sub 5] voert in dit kader ook aan dat de voorziene woningsplitsing in strijd is met artikel 23, lid 23.7.1, onder a, van de planregels en artikel 23, lid 23.10.1, van de planregels van het plan Buitengebied
  73. 18.
  74. Het perceel [locatie 5]/[locatie 6] is gelegen in gemengd landelijk gebied, zoals dat is aangeduid op kaart 4 "Themakaart agrarische ontwikkeling en windturbines" bij de Verordening. Splitsing van woningen binnen gemengd landelijk gebied is op grond van de Verordening alleen toegestaan waar het betreft cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De Afdeling stelt vast dat de bebouwing op het perceel [locatie 5]/[locatie 6] niet is genoemd in bijlage 1 "Cultuurhistorisch waardevol aangeduide objecten" bij de planregels. Uit de ruimtelijke onderbouwing Schellekesveld volgt ook niet dat de aanwezige bebouwing cultuurhistorisch waardevol is. Bovendien heeft de raad ter zitting gesteld dat zijns inziens de aanwezige bebouwing niet cultuurhistorisch waardevol is, maar dat enkel is gezocht naar een mogelijkheid om de bestaande situatie als zodanig te bestemmen. Het voorgaande leidt de Afdeling tot de conclusie dat de aanwezige bebouwing geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing betreft en dat het plan fase 1 dientengevolge in strijd met artikel 7.7 van de Verordening voorziet in splitsing van een bestaande woning. De betogen slagen. 18.
  75. Met het oog op definitieve geschilbeslechting, overweegt de Afdeling nog als volgt. In de ruimtelijke onderbouwing Schellekesveld is de planologische splitsing van de woningen getoetst aan de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 23, lid 23.10.1, van de planregels van het plan Buitengebied 2010, waarin onder meer is bepaald dat splitsing alleen is toegestaan als het een karakteristieke boerderij betreft. Daargelaten dat deze wijzigingsbevoegdheid inmiddels is vervangen door artikel 23, lid 23.7.1, van de planregels, waarin staat dat splitsing alleen is toegestaan als het cultuurhistorisch waardevolle bebouwing betreft, overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat de aanwezige bebouwing niet kan worden beschouwd als een karakteristieke boerderij, omdat de aanwezige bebouwing geen kenmerkend type boerderij betreft. 18.
  76. Nu de aanwezige bebouwing geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing betreft en de woningsplitsing daardoor thans niet kan worden gelegaliseerd, bestaat geen aanleiding om de beroepsgronden van [appellant sub 5] over de beperking van zijn bedrijf door de splitsing te bespreken. 18.
  77. In hetgeen het college en [appellant sub 5] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" dat ziet op [locatie 5]/[locatie 6] te Berlicum in het plan fase 1, is genomen in strijd met artikel 7.7 van de Verordening. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. [locatie 9] te Berlicum
  78. [appellant sub 1] richt zich tegen het plandeel voor de gronden op [locatie 9] te Berlicum. [appellant sub 1] woont naast dit perceel op [locatie 10] te Berlicum. [locatie 9] en [locatie 10] vormen tezamen een voormalige boerderij. Het perceel [locatie 9] heeft de bestemming "Wonen" en de functieaanduiding "bed & breakfast". De raad heeft met het plan een bed & breakfast in het boerderijdeel op [locatie 9] mogelijk willen maken en in het bestaande vrijstaande bijgebouw op [locatie 9] een woning. [appellant sub 1] vreest dat hij overlast zal ondervinden als gevolg van het verplaatsen van de woning naar een bijgebouw en het realiseren van de bed & breakfast in het boerderijdeel. Omdat hij in het andere deel van de boerderij woont zal hij daarvan overlast ondervinden, terwijl de initiatiefnemers in de vrijstaande loods gaan wonen en minder overlast zullen hebben, aldus [appellant sub 1]. Hij acht dat niet aanvaardbaar. [appellant sub 1] stelt daarnaast dat de toevoeging van de aanduiding bed & breakfast onnodig is nu de bestemming wonen al een bed & breakfast toestaat in het hoofdgebouw met een maximum van 5 kamers en 10 personen. Hij betoogt dat hetgeen de raad wenst mogelijk te maken met het plan niet kan worden gerealiseerd. Daartoe voert hij aan dat het plan bewoning van een bijgebouw in artikel 23, lid 23.5, aanhef en onder f, van de planregels verbiedt. Het realiseren van een woning in het bestaande bijgebouw voldoet daarnaast niet aan de bouwregels van artikel 23, lid 23.2.2, onder e, van de planregels, aldus [appellant sub 1]. Daarin staat dat een woning ten opzichte van de weg zodanig dient te worden gepositioneerd dat deze in lijn staat met de woningen van aanliggende percelen. Het bijgebouw ligt achter de bestaande boerderij en ligt dus niet in lijn met de woning van [appellant sub 1]. Ook is het plan volgens hem in strijd met artikel 7.7, eerste lid, onder b, van de Verordening. [appellant sub 1] stelt dat de uitstraling en inhoud van de bebouwing zal veranderen en toenemen. Het toestaan van de wijziging van de functie van de gebouwen levert ook geen kwaliteitsverbetering op, aldus [appellant sub 1]. 19.
  79. De raad stelt dat met de aanduiding is beoogd te voorzien in een functiewisseling tussen het hoofd- en bijgebouw. Met het realiseren van de bed & breakfast in het boerderijdeel moet dit deel volgens de raad niet langer als hoofdgebouw worden aangemerkt, maar als bijgebouw. De woning wordt gerealiseerd in de loods die nu bijgebouw is, maar na realisering van de woning als hoofdgebouw moet worden aangemerkt. Door het opnemen van de aanduiding "bed & breakfast" wordt volgens de raad bewerkstelligd dat de nieuwe woning wordt aangemerkt als hoofdgebouw. Met de aanduiding is voorts beoogd om een bed & breakfast in bijgebouwen toe te staan. De raad betoogt dat artikel 23, lid 23.2.2, onder e van de planregels is geschreven voor lintbebouwing waarbij sprake is van woningen op aangrenzende percelen. Dit is hier niet het geval volgens de raad. De raad stelt dat door het opknappen van de boerderij en de bijgebouwen de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd. De bebouwing neemt niet toe, aldus de raad. De bestemming leidt niet tot een noemenswaardige toename van het verkeer. Er zijn maximaal 5 kamers voor de bed & breakfast toegestaan. Het parkeren wordt op eigen terrein gerealiseerd. 19.
  80. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat het met het plan beoogde gebruik van het bijgebouw als woning in strijd is met artikel 7.7, eerste lid, onder b, van de Verordening omdat het bewonen van het bijgebouw zelfstandige bewoning van andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is, overweegt de Afdeling als volgt. In artikel 23, lid 23.5, aanhef en onder f, van de planregels staat dat onder een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt gerekend, het gebruik voor permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijgebouwen betreft. Het bewonen van een vrijstaand bijgebouw is derhalve niet toegestaan in het plan. In zoverre is het plan dus niet in strijd met artikel 7.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening. 19.
  81. Het boerderijdeel waar de raad beoogt een bed & breakfast mogelijk te maken, maakt deel uit van een voormalige boerderij. Dit deel is aan de weg gelegen en vormt tezamen met de andere helft van de boerderij één geheel. De loods ligt verder naar achteren op het perceel los van het gebouw. Deze loods heeft een oppervlakte van 270 m
  82. Het boerderijdeel is 180 m
  83. Gelet op de definitie van hoofd- en bijgebouwen in artikel 1 van de planregels moet het boerderijdeel, waar beoogd wordt een bed & breakfast te vestigen, worden aangemerkt als hoofdgebouw en de loods, waar een woning is beoogd, moet worden aangemerkt als een bijgebouw. Een functiewisseling en het verbouwen van de voormalige loods tot woning maakt niet dat het boerderijdeel een bijgebouw wordt en de voormalige loods een hoofdgebouw. Daarbij is van belang dat het boerderijdeel samen met het aansluitende deel op [locatie 10] één geheel vormt. Dit deel is het dichtst bij de weg gelegen. Het boerderijdeel moet ook als de functies wijzigen vanwege zijn constructie, bouwmassa, ruimtelijke uitstraling en afmetingen als hoofdgebouw worden aangemerkt. Gelet op de ligging van de voormalige loods ten opzichte van de gesplitste boerderij blijft deze loods ook als de functie ervan wordt omgezet naar woning, onderscheiden van het hoofdgebouw en is deze in architectonisch opzicht ondergeschikt. Nu ingevolge artikel 23, lid 23.5, aanhef en onder f, van de planregels het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor permanente of tijdelijke bewoning niet toegestaan is, voorzien de planregels niet in de beoogde functiewisseling van de gebouwen. Daarnaast staat ook artikel 23, lid 23.2.2, onder e, van de planregels in de weg aan het gebruik van de voormalige loods als woning, nu de loods ten opzichte van de weg niet zodanig is gepositioneerd dat deze in lijn staat met de woningen van aanliggende percelen. Het boerderijdeel op [locatie 10] staat immers dichter bij de weg. Dat deze bepaling enkel ziet op lintbebouwing, zoals de raad stelt, blijkt niet uit deze bepaling. Ten slotte staat artikel 23, lid 23.2.3, aanhef en onder a, bijgebouwen toe van maximaal 100 m2, tenzij anders aangegeven. Op de verbeelding staat geen ander maximum aangegeven. Het boerderijdeel heeft een oppervlakte van 180 m2 en overschrijdt derhalve het maximum van toegestane bijgebouwen. De conclusie is dat de raad, anders dan zijn bedoeling was, met het plan de beoogde functiewisseling niet mogelijk heeft gemaakt. 19.
  84. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling derhalve aanleiding voor het oordeel dat het plan fase 1, voor zover het betreft het plandeel [locatie 9] met de bestemming "Wonen", niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het plan fase 1 is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het plan fase 1 dient voor zover het betreft het plandeel [locatie 9] te Berlicum met de bestemming "Wonen" te worden vernietigd. Zandstraat 49/51 te Berlicum
  85. Het Groene Hart kan zich niet verenigen met de planregeling op het perceel Zandstraat 49/51 te Berlicum. Op het perceel Zandstraat 49/51 staat een langgevelboerderij met ten zuiden daarvan een noodwoning uit de jaren ’
  86. In het plan Buitengebied 2010 was aan dit perceel de bestemming "Wonen" met een bouwvlak toegekend. In het plan fase 1 is aan het perceel opnieuw de bestemming "Wonen" toegekend. In het plan fase 1 is ook beoogd het bouwvlak zonder een vergroting ervan te veranderen en te splitsen, waardoor de noodwoning wordt wegbestemd en ten noorden van de langgevelboerderij ruimte ontstaat voor een nieuwe woning. Voor de ruimtelijke ontwikkeling heeft Verkuylen de "ruimtelijke onderbouwing Zandstraat 51, Berlicum" van 6 juni 2014 (hierna: de ruimtelijke onderbouwing Zandstraat) opgesteld. 20.
  87. Het Groene Hart betoogt dat de raad ten onrechte heeft besloten op het perceel een extra woning toe te staan, terwijl volgens Het Groene Hart splitsing van de langgevelboerderij een goed alternatief is. Het Groene Hart wijst erop dat door de nieuwe woning het bebouwd oppervlak toeneemt en geen sprake is van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Daarnaast betoogt Het Groene Hart dat in de ruimtelijke onderbouwing Zandstraat de ruimtelijke inbreuk in een te lage categorie is ingedeeld. 20.
  88. De raad stelt zich op het standpunt dat splitsing van de bestaande langgevelboerderij geen recht doet aan de bestaande rechten van de eigenaren. 20.
  89. In de ruimtelijke onderbouwing Zandstraat is de voorziene ontwikkeling getoetst aan de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 3, lid 3.9.17, van de planregels van het plan Buitengebied
  90. De raad heeft uiteengezet dat niet is gekozen voor de splitsing van de bestaande langgevelboerderij, omdat op grond van het vorige bestemmingsplan al twee woningen waren toegestaan en het wegbestemmen van de noodwoning en het splitsen van de andere woning zou leiden tot een inbreuk op de bestaande rechten van de eigenaar. Verder heeft de raad toegelicht dat met deze ontwikkeling geen verbetering van de ruimtelijke kwaliteit is nagestreefd, omdat dat op grond van de wijzigingsvoorwaarden niet nodig is. De bestaande ruimtelijke kwaliteit blijft volgens de raad gelijk. Het Groene Hart heeft dit laatste niet gemotiveerd bestreden. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de beoogde splitsing en vormverandering van het bouwvlak in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. 20.
  91. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de voorziene ontwikkelingen niet juist in het plan fase 1 zijn vastgelegd. Aan de benodigde gronden voor de vormverandering is de bestemming "Wonen" met twee bouwvlakken toegekend. Aan het resterende bouwvlak met de bestemming Wonen is in het plan fase 1 abusievelijk niet de bestemming "Agrarisch" toegekend. Die gronden hebben de bestemming "Wonen" met het bijbehorende bouwvlak uit het plan Buitengebied 2010 behouden. Hierdoor zijn de bestemming "Wonen" en het bouwvlak ten opzichte van het vorige bestemmingsplan vergroot en is de noodwoning ten onrechte niet onder het overgangsrecht gebracht. De Afdeling stelt vast dat de raad zich hiermee op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en dat niet is gebleken van gewijzigde omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gegeven. Voorts volgt uit deze ter zitting gegeven toelichting dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de voorziene ontwikkeling in categorie 2 valt, nu deze categoriekeuze is gebaseerd op de veronderstelling dat de oppervlakte van het bouwvlak gelijk blijft. Het bestreden besluit van 16 juli 2015 is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en berust niet op een draagkrachtige motivering. Het betoog slaagt. 20.
  92. In hetgeen Het Groene Hart heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel in het plan fase 1 met de bestemming "Wonen" dat ziet op het perceel Zandstraat 49/51 te Berlicum is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond. Het plan fase 1 dient in zoverre te worden vernietigd. [locatie 11]/[locatie 12] te Den Dungen Inleiding
  93. De beroepen van Natuurgroep Gestel en Het Groene Hart zijn mede gericht tegen de planregeling voor de percelen [locatie 11]/[locatie 12] te Den Dungen. Op het perceel [locatie 12] is een grondverzet- en loonbedrijf gevestigd. Op het perceel [locatie 11] is een melkveehouderij gevestigd. Beide percelen zijn in eigendom van [bedrijf A]. Blijkens de verbeelding van het plan fase 1 zijn aan het perceel [locatie 12] de bestemmingen "Bedrijf" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" toegekend. Aan de noordzijde van het perceel is de functieaanduiding "gronddepot" toegekend en aan het gehele perceel is, voor zover hier van belang, de gebiedsaanduiding "overige zone - beekdal" toegekend. Aan het perceel [locatie 11] is de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" met, voor zover hier van belang, de gebiedsaanduiding "overige zone - beekdal" toegekend. Het plan fase 1 voorziet met deze planregeling in de ontwikkeling van een gronddepot aan de noordzijde van het perceel [locatie 12], de uitbreiding van het grondverzet- en loonbedrijf op dit perceel en een stal voor jongvee op het perceel [locatie 11]. Voor de ruimtelijke ontwikkelingen is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld, namelijk de door Wintraecken Advies B.V. opgestelde ruimtelijke onderbouwing "Ruimtelijke ontwikkelingen [locatie 11] en [locatie 12] Den Dungen" van 13 augustus 2014 (hierna: ruimtelijke onderbouwing Beusingsedijk). Kwaliteitswinst
  94. Natuurgroep Gestel en Het Groene Hart betogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat door het project Dynamisch Beekdal voldoende kwaliteitswinst wordt geboekt. Het Groene Hart voert in dit kader aan dat het project Dynamisch Beekdal niet conform het inrichtingsplan "Eindontwerp Inrichtingsplan Dynamisch Beekdal" van 22 september 2006 (hierna: het koepelplan) wordt uitgevoerd. Hierdoor en door de voorziene ontwikkelingen treedt volgens Het Groene Hart een verslechtering van de ruimtelijke kwaliteit op. Het Groene Hart voert tevens aan dat de gronden waarop het project Dynamisch Beekdal is voorzien ten onrechte zijn uitgeruild tegen een verdere bedrijfsontwikkeling op het perceel [locatie 11]/[locatie 12]. Daarnaast wijst zij erop dat aan de gronden de gebiedsaanduiding "overige zone - beekdal" is toegekend, waardoor deze gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van het beekdalsysteem. De in het plan voorziene ontwikkelingen verhouden zich niet met deze functieaanduiding, aldus Het Groene Hart en Natuurgroep Gestel. 22.
  95. De raad stelt dat de voorziene ontwikkelingen op de percelen het gevolg zijn van de medewerking van de grondeigenaren aan het project Dynamisch Beekdal en het saneren van een varkensbedrijf van [bedrijf A] aan de Hoek in Den Dungen. Volgens de raad is door deze projecten voldoende de ruimtelijke kwaliteitswinst behaald om de voorziene ontwikkelingen toe te staan, ook als het project Dynamisch Beekdal niet conform het koepelplan wordt uitgevoerd en de oorspronkelijke loop van de Aa niet wordt hersteld. 22.
  96. Uit de ruimtelijke onderbouwing Beusingsedijk volgt dat de ruimtelijke kwaliteit op de percelen [locatie 11]/[locatie 12] zelf door de daar voorziene ontwikkelingen niet verbetert. De gewenste verbetering van de ruimtelijke kwaliteit wordt in dit geval bereikt door de sanering van een varkenshouderij van [bedrijf A] aan de Hoek in Den Dungen en de uitvoering van het project Dynamisch Beekdal. Het project Dynamisch Beekdal betreft de herinrichting van het beekdal van de Aa, waardoor meer ruimte moet ontstaan voor waterberging en de Aa een natuurlijker beekverloop krijgt. [bedrijf A] heeft voor het project Dynamisch Beekdal gronden verkocht. In de daarvoor opgestelde overeenkomst zijn ook de thans voorziene ontwikkelingen op de percelen [locatie 11]/[locatie 12] betrokken. Anders dan Natuurgroep Gestel en Het Groene Hart menen is er geen rechtsregel die zich hiertegen verzet, mits de ontwikkelingen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft gesteld dat het project Dynamisch Beekdal leidt tot de door hem gewenste kwaliteitsverbetering, omdat aan de Aa nieuwe natuur en waterbergingen voor hoogwater worden aangelegd. Volgens de raad wordt deze kwaliteitsverbetering ook behaald als wordt afgeweken van het indicatieve koepelplan. Naar het oordeel van de Afdeling hebben Natuurgroep Gestel en Het Groene Hart, onder verwijzing naar de afwijkingen van het koepelplan en de stelling dat de Aa niet haar vroegere verloop uit 1930 terugkrijgt, niet aannemelijk gemaakt dat deze ruimtelijke kwaliteitswinst niet wordt behaald. Derhalve geeft hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende kwaliteitswinst wordt behaald voor de ontwikkelingen op de [locatie 11]/[locatie 12]. 22.
  97. In het plan fase 1 is aan de percelen [locatie 11]/[locatie 12], evenals in het vorige plan "Buitengebied 2010", de gebiedsaanduiding "overige zone - beekdal" toegekend. De raad heeft toegelicht dat hij hiervoor heeft gekozen om de waterbergende functie van het gebied bij de Aa te beschermen. Met het oog op de bescherming van die functie is aan de gebiedsaanduiding ook een aanlegvergunningenstelsel gekoppeld, bijvoorbeeld om ongewenste verhardingen te kunnen weren, aldus de raad. Daarnaast staat in de ruimtelijke onderbouwing Beusingsedijk dat de voorgenomen landschappelijke inpassing bijdraagt aan het behoud van de aanwezige waarden. In hetgeen Natuurgroep Gestel en Het Groene Hart hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" door bovengenoemde gebiedsaanduiding niet uitvoerbaar is. De betogen falen. Het gronddepot
  98. Natuurgroep Gestel en Het Groene Hart betogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het gronddepot aan de noordzijde van het perceel [locatie 12] is toegestaan. Volgens Natuurgroep Gestel en Het Groene Hart is de ruimtelijke impact van het depot kleiner als deze achter de loodsen was voorzien. Verder voeren zij aan dat de maximumhoogte van 4 m niet handhaafbaar is, omdat deze nu al wordt overschreden. 23.
  99. In het plan fase 1 heeft de raad ervoor gekozen om het reeds aanwezige gronddepot aan de noordzijde van de [locatie 12] als zodanig te bestemmen. De raad heeft dit gronddepot hier ruimtelijk aanvaardbaar geacht, omdat dit leidt tot de meest praktische invulling van het perceel. Daarnaast heeft de raad van belang geacht dat in het door Projectbureau Orbis B.V. opgestelde "Landschappelijk inpassingsplan [locatie 11] Den Dungen" van 24 juni 2014 de landschappelijke inpassing van het gronddepot is verzekerd. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de thans gekozen locatie voor het gronddepot in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Voorts ziet de Afdeling in hetgeen Natuurgroep Gestel en Het Groene Hart hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat de maximumhoogte van 4 m van het gronddepot niet handhaafbaar is. De gestelde omstandigheid dat deze hoogte thans wordt overschreden, wat daar ook van zij, is daarvoor onvoldoende. De betogen falen. Grote Molenstraat 7/7a, Den Dungen
  100. Het Groene Hart richt zich tegen het plandeel aan de Molenstraat 7/7a te Den Dungen met de bestemming "Wonen". Het plan fase 1 voorziet in de wijziging van het bouwvlak om een andere situering van de boerderij mogelijk te maken. Het Groene Hart betoogt dat de verstening toeneemt. Daarnaast betoogt zij dat de afwijkende nokrichting van de boerderij dwars op de weg vanwege de zeldzaamheid behoudenswaardig is. 24.
  101. De raad stelt dat in de ruimtelijke onderbouwing nog uitgegaan werd van een splitsing van de woning. Bij de vaststelling van het plan was dat niet langer het geval. Het plan maakt één woning mogelijk met bij één woning toegestane bijgebouwen. Het plan maakt het mogelijk de boerderij, die in slechte staat is, af te breken en weer op te bouwen met een nokrichting parallel aan de weg, hetgeen voor het type boerderij gebruikelijk is. Ook wordt de boerderij verder van de weg geplaatst, wat beter is voor de verkeersveiligheid, aldus de raad. 24.
  102. Met het plan is een wijziging van het bestemmingsvlak met bouwvlak met de bestemming "Wonen" op de Grote Molenstraat 7/7a te Den Dungen beoogd om een andere situering van de boerderij aldaar mogelijk te maken. Daartoe is een nieuw bestemmingsvlak met bouwvlak vastgesteld. De gronden aan de Grote Molenstraat 7/7a hebben de bestemming "Wonen" en een bouwvlak met een aanduiding: "maximum volume (m3) = 1300". Bebouwing is alleen binnen het bouwvlak toegestaan. Binnen het bouwvlak is één woning toegestaan. De inhoud van de woning mag niet meer bedragen dan 1300 m
  103. De oppervlakte van de bijgebouwen mag maximaal 100 m2 bedragen. 24.
  104. Het plan voorziet niet in een vastgelegde locatie of nokrichting van de woning. Ook de in de ruimtelijke onderbouwing geschetste locatie van de bijgebouwen binnen het bouwblok is niet in het plan vastgelegd. Het plan verplicht derhalve niet tot de door Het Groene Hart bestreden nokrichting. Voor zover Het Groene Hart heeft willen betogen dat de door haar voorgestelde inrichting van het perceel had moeten worden vastgelegd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet voor heeft kunnen kiezen dit niet te doen. Daarvoor acht de Afdeling van belang dat de nokrichting oorspronkelijk parallel aan de weg was en de nokrichting haaks op de weg van de bestaande boerderij door verlegging van de weg is ontstaan. Het Groene Hart heeft niets aangevoerd op grond waarvan de raad deze afwijkende nokrichting dwingend in het plan had moeten vastleggen. 24.
  105. Het bouwvlak uit het plan Buitengebied 2010 heeft voor zover dit niet overlapt met het vastgestelde bestemmingsvlak met bouwvlak in het plan fase 1, echter geen andere bestemming gekregen. Het bestemmingsvlak met bouwvlak in het plan Buitengebied 2010 met de daarbij behorende bouwmogelijkheden blijft in zoverre bestaan. De raad heeft ter zitting toegelicht dat dat niet de bedoeling is geweest. Omdat de raad het bestemmingsvlak met bouwvlak met de bestemming "Wonen" uit het plan Buitengebied 2010 gedeeltelijk in stand heeft gelaten, heeft de raad het plan niet vastgesteld in overeenstemming met hetgeen hij heeft beoogd. Het plan staat in samenhang met het plan Buitengebied 2010 hierdoor een groter bestemmingsvlak toe met meer bebouwingsmogelijkheden dan onder het plan Buitengebied
  106. Het plan fase 1 is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. 24.
  107. Het plan fase 1 is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van Het Groene Hart is gegrond. Het plan fase 1 dient voor zover het betreft het plandeel dat ziet op de Molenstraat 7/7a te Den Dungen met de bestemming "Wonen" te worden vernietigd. [locatie 13] te Den Dungen Inleiding
  108. [appellant sub 2] en [appellant sub 8B] en anderen kunnen zich niet verenigen met de planregeling in het plan fase 1 voor het perceel [locatie 13] te Den Dungen. Blijkens de verbeelding is aan het perceel de bestemming "Agrarisch" met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - akkerbouw" toegekend. [appellant sub 2] exploiteert op het perceel een agrarisch bedrijf. De gekozen planregeling
  109. [appellant sub 2] betoogt dat het plan fase 1 ten onrechte niet voorziet in een bouwvlak voor de bestaande opstallen op zijn perceel [locatie 13]. Volgens hem worden de opstallen hierdoor opnieuw onder het overgangsrecht gebracht, terwijl de Afdeling in de uitspraak van 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1730, heeft overwogen dat de raad de bestaande bebouwing in het plan Buitengebied 2010 ten onrechte onder het overgangsrecht had gebracht. Tevens betoogt [appellant sub 2] dat de aan het perceel toegekende functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - akkerbouw" een loze functieaanduiding is, omdat deze functieaanduiding niet wordt genoemd in de planregels en niet aansluit bij zijn bedrijfsvoering. [appellant sub 8B] en anderen betogen dat de raad ten onrechte niet de functieaanduiding "machineberging" aan het perceel heeft toegekend, met daaraan gekoppeld een specifieke planregel op grond waarvan de bestaande legale bebouwing wordt toegestaan, zonder nieuwe bebouwingsmogelijkheden of gebruik toe te staan. 26.
  110. De raad stelt dat hij voor de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - akkerbouw" heeft gekozen, omdat hierdoor de bestaande legale bebouwing als zodanig wordt bestemd, terwijl geen uitbreidingsmogelijkheden worden toegestaan. Het toekennen van een bouwvlak aan het perceel leidt volgens de raad tot nieuwvestiging als bedoeld in de Verordening, hetgeen niet is toegestaan. 26.
  111. In de bovengenoemde uitspraak van 31 oktober 2012 heeft de Afdeling het plandeel met de bestemming "Agrarisch" vernietigd, voor zover het betreft het perceel [locatie 13], voor zover de machineberging niet als zodanig is bestemd. De Afdeling heeft daartoe besloten, omdat de bestaande machineberging van 145 m2 en twee damwanden legaal aanwezig zijn en de raad in het plan Buitengebied 2010 deze bouwwerken ten onrechte niet als zodanig had bestemd. In het ontwerpplan fase 1 koos de raad ervoor om aan het perceel [locatie 13] de bestemming "Agrarisch" met een bouwvlak toe te kennen. Naar aanleiding van de zienswijze van het college heeft de raad bij de gewijzigde vaststelling van het plan besloten om geen bouwvlak aan het perceel toe te kennen, maar in plaats daarvan de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - akkerbouw" aan het perceel toe te kennen. 26.
  112. De Afdeling stelt vast dat de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - akkerbouw" niet in de planregels wordt genoemd, zodat dit een loze functieaanduiding is. De Afdeling stelt voorts vast dat door het ontbreken van een bouwvlak en regels over de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - akkerbouw" de bestaande, legale bebouwing in het plan fase 1 wederom niet als zodanig is bestemd. Het besluit tot vaststelling van het plan fase 1 is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en is daarom in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld. Het betoog van [appellant sub 2] slaagt. 26.
  113. [appellant sub 8B] en anderen hebben gesteld dat zij de door hen bedachte functieaanduiding "machineberging" met bijbehorende planregel wensen, omdat hierdoor gemakkelijker handhavend opgetreden kan worden tegen niet toegestane activiteiten van [appellant sub 2]. Naar het oordeel van de Afdeling valt niet in te zien dat deze aanduiding noodzakelijk is voor een handhaafbare regeling. De raad heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten om de door [appellant sub 8B] en anderen gewenste functieaanduiding "machineberging" niet aan het perceel [locatie 13] toe te kennen. Het betoog van [appellant sub 8B] en anderen faalt. 26.
  114. Met het oog op definitieve beslechting van het geschil overweegt de Afdeling nog het volgende. Ter zitting heeft de raad gesteld dat toekenning van een bouwvlak aan het perceel [locatie 13] ertoe leidt dat sprake is van nieuwvestiging als bedoeld in de Verordening en daardoor niet mogelijk is. In artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening is evenwel bepaald dat datgene waarvan vaststaat dat handhaving wegens strijdigheid met het geldende bestemmingsplan niet meer mogelijk is, moet worden beschouwd als een bestaand bouwperceel. Gelet op de genoemde uitspraak van 31 oktober 2012 staat vast dat tegen de legaal aanwezige bebouwing op het perceel [locatie 13] niet handhavend kan worden opgetreden en dat dientengevolge sprake is van een bestaand bouwperceel. Het toekennen van een bouwvlak aan het perceel [locatie 13] leidt daarom niet tot nieuwvestiging als bedoeld in de Verordening. Opslag buiten het bouwvlak
  115. [appellant sub 2] betoogt tevens dat het plan fase 1 ten onrechte niet voorziet in opslagmogelijkheden van materialen buiten een bouwvlak. Daartoe voert hij aan dat deze opslag in het vorige bestemmingsplan wel was toegestaan. Verder voert [appellant sub 2] aan dat bij bedrijven die hierover een zienswijze naar voren hebben gebracht in het plan fase 1 wel opslagmogelijkheden zijn toegestaan en dat opslag buiten het bouwvlak nodig is voor zijn bedrijfsvoering. 27.
  116. Artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder d, van de planregels van het plan Buitengebied 2010 bevat een verbod voor opslag van materialen buiten het bouwvlak. Het betoog van [appellant sub 2] dat dergelijke opslag op grond van het vorige plan toegestaan was, mist derhalve feitelijke grondslag. Ook in hetgeen [appellant sub 2] overigens heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid had moeten besluiten opslag buiten het bouwvlak toe te staan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat de door [appellant sub 2] genoemde andere gevallen vergelijkbare gevallen zijn. Tevens wordt in aanmerking genomen dat [appellant sub 2] niet heeft onderbouwd dat zijn bedrijfsbelang zodanig zwaarwegend is dat de raad daaraan, tegen de achtergrond van de ligging van het perceel nabij de bebouwde kom, in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. Het betoog faalt.
  117. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 8B] en anderen ongegrond. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat betreft de vaststelling van het plandeel in het plan fase 1 met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - akkerbouw" dat ziet op het perceel [locatie 13] te Den Dungen in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld. Het beroep van [appellant sub 2] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.
  118. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het onder 28 vermelde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen. De Afdeling ziet geen aanleiding om, zoals [appellant sub 2] heeft verzocht, te bepalen dat de raad een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat hij in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Paterstraat/Spekstraat ongenummerd te Den Dungen
  119. Het Groene Hart richt zich tegen het plandeel aan de Spekstraat ongenummerd te Den Dungen met de bestemming "Wonen". Dit plandeel maakt een woning mogelijk in de oksel van de Paterstraat en de Spekstraat en een woning op het ten zuiden van dat perceel gelegen perceel aan de Spekstraat. Het Groene Hart betoogt dat een grootschalige nieuwbouwwijk vlakbij het bouwperceel al tot verstening van het buitengebied heeft geleid en dat verdere verstening op het onbebouwde deel van dit perceel daarom voorkomen moet worden. Het plan leidt volgens haar tot verslechtering van de ruimtelijke kwaliteit. Het Groene Hart bestrijdt dat de ruimte-voor-ruimte-regeling vanwege het investeren van de verkregen gelden in de ruimtelijke kwaliteit per definitie tot verbetering van de ruimtelijke kwaliteit leidt. Dat op de kavels voldoende open ruimte resteert voor een zachte overgang naar het buitengebied doet volgens Het Groene Hart niet ter zake nu juist de gehele openheid behouden moet blijven. 30.
  120. De gronden vallen binnen de bebouwingsconcentratie Spekstraat die is omschreven in paragraaf 4.4.6 van de structuurvisie. Op de kaart in deze paragraaf staan op deze locatie twee zoekgebieden voor woningen weergegeven. De Spekstraat wordt in de structuurvisie omschreven als een schil van bebouwings- en beplantingsmassa’s die parallel loopt aan de dorpsrand. De Paterstraat doorsnijdt de relatief open ruimte tussen de kern en het lint van Den Dungen. Op de kaart van de structuurvisie zijn zichtlijnen aangegeven. Ter plaatse van het plandeel lopen geen zichtlijnen. De raad stelt dat op dit moment op het noordelijk deel van het perceel op- en overslagactiviteiten plaatsvinden. De raad stelt dat met het toevoegen van een woning op dit deel de op- en overslag verdwijnt en daardoor een kwaliteitsverbetering optreedt. Ter zitting heeft de raad desgevraagd meegedeeld dat de op- en overslagactiviteiten in strijd met de agrarische bestemming plaatsvinden. Daarom kunnen deze bij de beoordeling of sprake is van een kwaliteitsverbetering niet worden meegenomen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de zoeklocaties globaal zijn en dat de woningen binnen het in de structuurvisie aangegeven gebied liggen. 30.
  121. In de aanvulling op de structuurvisie staat dat de ruimte-voor-ruimte-regeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 6.8 van de Verordening. Ingeval certificaten voor bouwtitels worden aangekocht bij de ontwikkelingsmaatschappij ruimte-voor-ruimte (ruimte-voor-ruimte c.v.) wordt de ruimtelijke kwaliteitswinst gerealiseerd in - kort gesteld - een vorm van ontstening in het buitengebied van Sint-Michielsgestel, dan wel elders in Brabant. Het Groene Hart heeft niet betwist dat artikel 6.8 van de Verordening juist is toegepast. In hetgeen Het Groene Hart heeft aangevoerd ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet in overeenstemming is met de structuurvisie nu daarin ter plaatse twee zoekgebieden voor nieuwe woningen zijn opgenomen. Dat bij het vaststellen van deze zoeklocaties geen belangenafweging heeft plaatsgevonden, zoals Het Groene Hart ter zitting heeft betoogd, is onjuist. Uit de structuurvisie blijkt dat rekening is gehouden met de gebiedskenmerken en de ruimtelijke uitstraling, waaronder de zichtlijnen en de afwisseling van bebouwing, beplanting en openheid van het gebied. De zoeklocaties zijn een resultaat van de afweging die de raad heeft gemaakt van de verschillende belangen in dit gebied. Zoals de Afdeling hiervoor onder 13.2 heeft overwogen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de structuurvisie en de aanvulling daarop niet in redelijkheid als toetsingskader voor het voorziene initiatief heeft kunnen gebruiken. Gelet op het voorgaande faalt het betoog van Het Groene Hart. [locatie 16] en 32 te Den Dungen
  122. [appellant sub 3] en het college richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" in het plan fase 1 dat ziet op het perceel [locatie 14]. [appellant sub 3] voert aan dat het plan ten onrechte voorziet in vier bouwvlakken voor het perceel [locatie 14] in plaats van één bouwvlak met een nadere aanduiding hoeveel woningen zijn toegestaan. Hierdoor worden ten onrechte de bestaande woningen niet als zodanig bestemd. Bovendien stelt hij dat ten onrechte ter plaatse niet vijf woningen zijn toegestaan. Hierbij wijst hij erop dat de bedrijfswoning is gesplitst in [locatie 14] en [locatie 15] en dat de raad niet heeft gemotiveerd waarom hiermee geen rekening kon worden gehouden. Daarnaast voert [appellant sub 3] aan dat het perceel [locatie 16] ten onrechte niet bij de planregeling is betrokken. Als voor de percelen samen in één groot bouwvlak voor zes woningen was voorzien, was het ook mogelijk geweest om één van de toekomstige woningen bij [locatie 16] te realiseren. Volgens [appellant sub 3] is de raad op de hoogte van deze concrete plannen en is niet onderbouwd waarom die niet konden worden verwerkt in het plan fase 1 of het plan fase
  123. In tegenstelling tot wat is vermeld in het raadsbesluit is in het plan fase 2 geen wijziging van de regeling voor deze percelen voorzien. Het college voert aan dat weliswaar is verwezen naar de uitspraak van de Afdeling over het plan Buitengebied 2010, maar dat niet is onderbouwd dat de voorziene regeling in overeenstemming is met artikel 3.1, tweede lid, en artikel 3.2 van de Verordening. Deze artikelen zien op zorgvuldig ruimtegebruik en op de eventuele noodzakelijke kwaliteitsverbetering van het landschap. 31.
  124. De raad stelt dat op het perceel op grond van de vorige planologische regeling vier wooneenheden zijn toegestaan. Daarom zijn in het plan fase 1 vier bouwvlakken opgenomen. Daarbij heeft de raad erop gewezen dat hij verwacht dat binnen de planperiode de appartementen en bedrijfsgebouwen zullen verdwijnen en dat de drie extra losse woningen zullen worden gerealiseerd. Voor de splitsing van de voormalige bedrijfswoning is nooit een vergunning verleend. Die splitsing is in strijd met het vorige plan Buitengebied
  125. Bovendien acht de raad het toevoegen van een extra burgerwoning aan het buitengebied niet wenselijk. Anders dan in de retrospectieve toets bij het raadsbesluit over het plan fase 2 is vermeld, is met het plan fase 2 niet beoogd deze regeling weer te wijzigen. Het plandeel is dan ook niet in de verbeelding van het plan fase 2 opgenomen, aldus de raad. In het verweerschrift stelt de raad voorts dat het plan leidt tot ruimtelijke kwaliteitswinst doordat de bedrijfsfunctie die al jaren niet wordt uitgeoefend, wordt omgezet naar wonen. De woningbouw wordt daarbij geconcentreerd binnen het bouwvlak van de voormalige bedrijfsbestemming en bovendien worden er geen extra woningen aan het buitengebied toegevoegd. De bedrijfsbebouwing zal worden gesloopt en de kwaliteitsarme appartementen worden vervangen door in de omgeving passende grondgebonden woningen. 31.
  126. Het plan fase 1 voorziet voor het perceel [locatie 14] in een plandeel waaraan de bestemming "Wonen" met vier bouwvlakken is toegekend. Op het perceel [locatie 14] is een voormalige bedrijfswoning aanwezig en in het voormalige bedrijfsgebouw zijn appartementen gerealiseerd. Het plan Buitengebied 2010 voorzag voor het perceel in een plandeel met een bedrijfsbestemming. Dit plandeel heeft de Afdeling bij uitspraak van 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1730, vernietigd. Daarbij is overwogen dat de bedrijfsvoering al lange tijd was gestopt en dat moest worden voorzien in een passende bestemming voor de op het perceel legaal aanwezige woningen. 31.
  127. Zoals is overwogen in de genoemde uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2012 was op grond van het voorheen geldende plan één bedrijfswoning toegestaan. Tevens mochten op grond van het voorheen geldende plan in het bedrijfsgebouw drie appartementen worden gerealiseerd. Ter zitting heeft de raad bevestigd dat de door [appellant sub 3] feitelijk gerealiseerde splitsing van de bedrijfswoning [locatie 14] niet in overeenstemming is met het voorheen geldende plan. Dit heeft [appellant sub 3] niet betwist. Voorts is niet in geschil dat voor de bouwkundige splitsing van het gebouw geen vergunning is verleend. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij het opnemen van een regeling voor de woningen op het perceel, geen rekening hoefde te worden gehouden met het feit dat de bedrijfswoning is gesplitst. Tevens heeft de raad in redelijkheid geen planregeling hoeven opnemen voor het perceel [locatie 16]. Daartoe overweegt de Afdeling dat ter zitting is komen vast te staan dat voor deze gronden in het plan Buitengebied 2010 al een woonbestemming is opgenomen. Gelet hierop faalt het betoog van [appellant sub 3] dat de raad had moeten voorzien in een passende regeling voor in totaal zes woningen op de percelen [locatie 16] en [locatie 14]. 31.
  128. Over de vier voorziene bouwvlakken overweegt de Afdeling het volgende. Op het perceel [locatie 14] zijn vier woningen legaal aanwezig, waarvan drie appartementen. Op grond van de planregels is binnen een bouwvlak één woning toegestaan. De voormalige bedrijfswoning valt binnen een bouwvlak, maar de appartementen passen niet binnen de drie overige voorziene bouwvlakken. Vaststaat dan ook dat met de voorziene regeling niet alle appartementen als zodanig zijn bestemd. Desgevraagd heeft de raad ter zitting hierover verklaard dat [appellant sub 3] het voornemen heeft om de appartementen in het bedrijfsgebouw te vervangen door losse woningen en dat de raad die door hem gewenste ontwikkeling wil bevorderen. Hoewel [appellant sub 3] heeft bevestigd dat misschien op de lange termijn ter plaatse nieuwbouw kan worden ontwikkeld, heeft hij daarbij ook aangegeven dat hij de daarvoor benodigde investeringen niet zelf kan doen en dat nog geen projectontwikkelaar interesse heeft getoond. Nu de raad voorts ter zitting heeft toegelicht dat hij niet voornemens is om de gronden te verwerven om tot realisatie van die voorziene vier losse woningen te komen, is de Afdeling van oordeel dat de raad bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende waarde heeft toegekend aan het belang van [appellant sub 3] dat is gediend bij een passende bestemming voor de bestaande legale situatie. Het plan fase 1 is in zoverre dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Overigens stelt de Afdeling vast dat in de toelichting bij het plan fase 1 niet is onderbouwd of de voorziene woonbestemming met vier bouwvlakken voldoet aan de eisen van artikel 3.1, tweede lid, en artikel 3.2 van de Verordening (zie de bijlage). Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, is op grond van de Verordening vereist dat met een getalsmatige onderbouwing inzichtelijk wordt gemaakt dat het plan past binnen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik en dat de vereiste kwaliteitsverbetering ook wordt aangetoond. De enkele stelling van de raad dat het een omschakeling van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming betreft waarbij de bebouwing is voorzien binnen het voorheen geldende bouwvlak, is daarvoor onvoldoende. Gelet hierop is het plan fase 1 in zoverre tevens in strijd met de Verordening vastgesteld. 31.
  129. In hetgeen [appellant sub 3] en het college hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel in het plan fase 1 met de bestemming "Wonen" dat ziet op het perceel [locatie 14] te Den Dungen, is genomen in strijd met artikel 3:2, van de Awb en in strijd met artikel 3.1, tweede lid, en artikel 3.2 van de Verordening. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient op dit punt te worden vernietigd. 31.
  130. Nu het plan fase 1 in zoverre zal worden vernietigd, bestaat geen aanleiding om nog te oordelen over het niet opnemen van het perceel [locatie 14] in het plan fase
  131. De Afdeling ziet gelet op het hiervoor onder 31.4 overwogene geen aanleiding om, zoals [appellant sub 3] heeft verzocht, de raad op te dragen voor dit plandeel onder verbeurte van een dwangsom een nieuw plan op te stellen. Spekstraat 11a te Den Dungen
  132. Het Groene Hart richt zich tegen het plandeel aan de Spekstraat 11a te Den Dungen met de bestemming "Wonen". Zij betoogt dat de woning te ver van de weg wordt gebouwd en daardoor tot versnippering leidt. Hierdoor verslechtert de ruimtelijke kwaliteit, aldus Het Groene Hart. Het plan zou volgens haar een verplichting moeten bevatten om de woning in het lint te bouwen. 32.
  133. De raad stelt dat het toevoegen van een woning bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse, aldus de raad in de plantoelichting. De gehele of gedeeltelijke sloop van de aanwezige schuur, het opheffen van de bedrijfsbestemming en de aangelegde amfibieënpoel dragen volgens de raad bij aan een extra landschappelijke kwaliteitsverbetering. De rooilijn ligt tussen die van het ten zuiden van het perceel gelegen bedrijf en de woning aan de Spekstraat 11, aldus de raad. 32.
  134. Het plandeel ligt in de bebouwingsconcentratie Spurk/Hoek zoals vermeld in de structuurvisie vanaf p.
  135. Op de locatie is een zoekgebied aangegeven voor een woning waarvoor een concreet initiatief bestaat. De woning is derhalve als zodanig in de structuurvisie opgenomen. Het perceel ligt nabij een aantal bedrijfspercelen. Op de kaart is, anders dan op sommige andere percelen geen achterrooilijn opgenomen. Als kenmerk van deze bebouwingsconcentratie is de korte afstand tussen de weg en de bebouwing genoemd. De ruimte-voor-ruimtekavels dienen volgens de structuurvisie het historische karakter van het lint te ondersteunen in vorm en oriëntatie. In de plantoelichting staat dat de voorziene hoofdmassa en hoofdvorm van de bebouwing worden afgestemd op de bestaande bebouwing in de omgeving, maar wel een eigen architectonische eenheid moeten vormen. Door de voorgestelde situering blijft de afstand tot de in de naaste omgeving gelegen percelen voldoende groot. Bij het ontwerpen van de woning worden de randvoorwaarden in acht genomen die gelden voor ruimte-voor-ruimteontwikkelingen. Zo dienen de inhoud, typologie, architectuur van de woning en de tuin passend te zijn in de omgeving en dient de nieuwe woning door een landschappelijke (erf)beplanting ingepast te worden in het omringende landschap. 32.
  136. Ingevolge artikel 23, lid 23.2.2, onder e, van de planregels dient een woning ten opzichte van de weg zodanig te worden gepositioneerd dat deze in lijn staat met de woningen van aanliggende percelen. In zoverre is de door Het Groene Hart gewenste verplichting in het plan opgenomen. Een bouwplan dient aan deze voorwaarde te voldoen. De Afdeling ziet in hetgeen Het Groene Hart heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene woning kan voldoen aan deze voorwaarde. In zoverre faalt het betoog van Het Groene Hart. [locatie 17] te Den Dungen
  137. [appellante sub 9] richt zich tegen de regeling die is opgenomen in het plan fase 2 voor de gronden grenzend aan haar bedrijfsperceel aan de [locatie 17] te Den Dungen. Zij voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met haar belangen nu voor het bestaande gebruik als opslag op die gronden is voorzien in een uitsterfregeling in plaats van een bedrijfsbestemming die opslag mogelijk maakt. Dit laatste past volgens [appellante sub 9] in de gehanteerde plansystematiek voor specifieke functies en is ook niet in strijd met de Verordening Ruimte. De raad heeft ten onrechte alleen verwezen naar het feit dat de Afdeling in haar uitspraak van 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1730 de mogelijkheid van een uitsterfregeling heeft genoemd. Hiermee is de voorziene regeling niet voldoende gemotiveerd. Voorts voert zij aan dat met het opnemen van de uitsterfregeling onvoldoende duidelijk is welke mate van en welke soorten opslag ter plaatse zijn toegestaan. Daarnaast richt [appellante sub 9] zich ook tegen het plan fase 1 omdat daarin in het geheel geen regeling is opgenomen voor de opslag op de gronden naast haar bedrijfsperceel. Tot slot verzoekt [appellante sub 9] de Afdeling om zelf in de zaak te voorzien en aan de desbetreffende gronden een bedrijfsbestemming en een nader gedefinieerde aanduiding voor opslag toe te kennen. 33.
  138. De raad stelt in het verweerschrift dat de vestiging van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied in beginsel niet als wenselijk wordt beschouwd. Gezien de reeds lange tijd bestaande situatie op het perceel, heeft de raad in dit geval in een passende regeling willen voorzien. Gelet hierop en gelet op genoemde uitspraak van de Afdeling is een uitsterfregeling voor opslag bij het perceel [locatie 17] opgenomen. Deze regeling is volgens de raad niet onduidelijk. 33.
  139. [appellante sub 9] exploiteert op het perceel [locatie 17] een bedrijf. Ook gebruikt zij het perceel voor opslag. De Afdeling heeft bij haar hiervoor vermelde uitspraak van 31 oktober 2012, over het plan Buitengebied 2010 geoordeeld dat het gebruik voor opslag al sinds 1992 onder het overgangsrecht valt en derhalve niet in strijd is met de voorheen geldende plannen. De raad heeft gelet hierop in het plan fase 1 voor het grootste deel van het perceel een plandeel opgenomen met een bedrijfsbestemming en een aanduiding die opslag mogelijk maakt. In het plan fase 2 heeft de raad een uitsterfregeling opgenomen voor het gebruik als opslag op de noordelijke deel van het perceel dat een agrarische bestemming heeft. 33.
  140. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder d, van de planregels zoals die luiden op grond van het plan fase 2, zijn de voor "Agrarisch" aanwezen gronden bestemd voor buitenopslag op het perceel [locatie 17], 5275JB Den Dungen zoals aanwezig op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan. Ingevolge lid 3.6 mag het gebruik van de gronden als buitenopslag, als bedoeld in lid 3.1, onder d, niet meer worden hervat indien dit gebruik gedurende een onafgebroken periode van ten minste zes maanden gestaakt is geweest. 33.
  141. In de structuurvisie is vermeld dat landbouw, recreatie, natuur en waterberging de hoofdfuncties zijn die aan het buitengebied worden toebedeeld. Het gemeentelijk beleid voor het buitengebied richt zich dan ook in eerste instantie op de ontwikkeling van deze functies. De gemeente ziet wel kansen voor vestiging van niet-agrarische bedrijven op vrijkomende agrarische bedrijfslocaties. Met het oog op de instandhouding van de gebiedswaarden in de gemeente Sint-Michielsgestel, biedt het bestemmingsplan derhalve geen mogelijkheden voor nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid op gronden zonder bouwvlak/bebouwing. Dergelijke nieuwvestiging zou leiden tot ongewenste verstedelijkingsdruk en verdichting van het buitengebied en aantasting van gebiedswaarden. Nu de buitenopslag plaatsvindt op gronden met een agrarische bestemming, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een verdere vergroting van de bedrijfsbestemming geen wenselijke ontwikkeling is. De raad heeft dan ook op goede gronden gekozen voor een uitsterfregeling. Het betoog faalt. De Afdeling is voorts van oordeel dat de wijze waarop de uitsterfregeling is geformuleerd voldoende duidelijk is, echter met dien verstande dat de peildatum die in artikel 3, lid 3.1, onder d is opgenomen onvoldoende duidelijk en zeker is. Gezien de opeenvolging van bestemmingsplanactualisaties en herzieningen van de planregels is het onduidelijk op welk ontwerpplan wordt gedoeld met de zinsnede ‘het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan’. Het plan is op dit punt dan ook in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld. 33.
  142. In hetgeen [appellante sub 9] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 3, lid 3.1, onder d, van de planregels van het plan fase 2, is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. 33.
  143. Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van dit planonderdeel in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd. Hierbij betrekt de Afdeling dat ter zitting is komen vast te staan dat betrokken partijen het erover eens zijn dat de peildatum van de uitsterfregeling moet worden gekoppeld aan de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied
  144. Deze regeling strekt ertoe legaal gebruik op slechts één perceel van een passende regeling te voorzien. 33.
  145. Over het beroep van [appellante sub 9] tegen het plan fase 1 voor zover het betreft het ontbreken van een regeling voor de opslag op de agrarische gronden ten noorden van de gronden met een bedrijfsbestemming, overweegt de Afdeling het volgende. Voor deze gronden is inmiddels een nieuw bestemmingsplan vastgesteld, te weten het plan fase
  146. Blijkens hetgeen hiervoor onder 33.6 is overwogen wordt, in het plan fase 2 voor zover het betreft deze gronden met de bekendmaking van deze uitspraak een regeling opgenomen. Hieruit volgt dat het plan fase 1 in zoverre geen betekenis meer heeft. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellante sub 9] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke bespreking van haar beroep tegen het plan fase
  147. 33.
  148. Gelet hierop dient het beroep van [appellante sub 9] tegen het besluit van 16 juli 2015 tot vaststelling van het plan fase 1 niet-ontvankelijk te worden verklaard. [locatie 18] en Woudseweg 49 te Den Dungen
  149. Het Groene Hart richt zich tegen het plandeel aan de [locatie 18] en 49 met respectievelijk de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - grondverzet- en loonbedrijf" en de bestemming "Agrarisch". Het plandeel voorziet in herinrichting van het perceel alsmede in het vergroten van het bestaand grondverzetbedrijf en de omzetting van een intensieve varkenshouderij naar een (scharrel)kippenhouderij. Aan een deel van de voormalige agrarische gebouwen wordt de bestemming "Bedrijf" toegekend ten behoeve van gebruik door het grondverzetbedrijf. Ter zitting is toegelicht dat de maximale toegestane oppervlakte aan bebouwing binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" 3.000 m2 is. Op dit deel is 2600 m2 gebouwen aanwezig. De extra bebouwingsruimte is bedoeld om flexibiliteit en uitbreidingsruimte te bieden voor de omzetting van het intensieve agrarische bedrijf naar het grondverzetbedrijf. Daarbij worden activiteiten die nu buiten plaatsvinden naar binnen verplaatst. 34.
  150. Het Groene Hart betoogt dat de uitbreiding van het grondverzetbedrijf op de [locatie 18] leidt tot intensivering van het gebruik en tot een verkeersaantrekkende werking. Ook maakt de raad volgens haar machinereparatie mogelijk. Het Groene Hart betoogt dat in de ruimtelijke onderbouwing bij de plantoelichting onvolledig staat beschreven wat de intensiteit en de omvang van de bedrijfsactiviteiten van het grondverzetbedrijf en de scharrelkippenhouderij in de toekomst zullen zijn. Ook worden hier geen limieten aan verbonden zodat niet is te bepalen of het plan op dit punt bijdraagt aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. 34.
  151. De raad stelt dat de sanering van een intensieve varkenshouderij en het bestemmen van de gronden voor een extensieve kippenhouderij en een grondverzet- en loonbedrijf leiden tot een kwaliteitsverbetering. Het plan leidt nauwelijks tot extra bebouwing, aldus de raad. 34.
  152. De gronden van het grondverzetbedrijf hebben de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - grondverzet- en loonbedrijf". Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder v, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor een grondverzet- en loonbedrijf. Ingevolge lid 7.2.1, aanhef en onder a, mogen gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht. Binnen de gekoppelde bouwvlakken in dit plandeel is het maximum bebouwd oppervlak 3.000 m2, de maximale goothoogte 6 m en de bouwhoogte 12 m. Ingevolge artikel 7, lid 5, aanhef en onder c en d, wordt tot met de bestemming strijdig gebruik gerekend: opslag van goederen en materialen voor de gevellijn en (permanente) buitenopslag van goederen en materialen behoudens ter plaatse van de aanduiding "opslag". De gronden voor de scharrelkippenhouderij hebben de bestemming "Agrarisch" met deels een bouwvlak. Het bouwvlak bedraagt ongeveer 5.600 m
  153. Deze gronden zijn bestemd voor een agrarische bedrijfsuitoefening, agrarisch gebruik en een grondgebonden bedrijf. Binnen het bouwvlak is bebouwing onder voorwaarden toegestaan. Buiten het bouwvlak is bebouwing niet toegestaan behoudens de afwijkingsmogelijkheden in artikel 3.4 van de planregels. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.3, aanhef en onder e, van de planregels mag de gezamenlijk oppervlakte aan bijgebouwen inclusief aan- en uitbouwen die niet ten behoeve van de verblijfsfunctie wordt gebruikt maximaal 100 m2 bedragen. Ingevolge lid 3.2.4, aanhef en onder g en h, mag de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak niet meer dan 4 meter bedragen en de oppervlakte niet meer dan 10 m². 34.
  154. Volgens de plantoelichting wordt bij de herinrichting en vergroting van het bedrijfsperceel van [bedrijf B] alsmede de oprichting van een (scharrel)kippenhouderij door middel van zorgvuldig ruimtegebruik en een landschappelijke inpassing én groene uitstraling aangesloten op de doelstellingen uit de structuurvisie. De raad heeft gesteld dat de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit vooral bestaat uit het niet benutten van de bouwmogelijkheid om het agrarisch bedrijf op te schalen naar 3.500 mestvarkens, maar het in plaats daarvan realiseren van een kleinschalig bedrijf met (scharrel)kippen. Daarnaast verbetert de situatie door het aanleggen van diverse natuurlijke elementen, het verplaatsen van een deel van de (hinderlijke) activiteiten in de bestaande bebouwing en (buiten)opslag naar een nieuw bedrijfsgebouw, ter plaatse van de vrijkomende agrarische bebouwing, aldus de raad. 34.
  155. De planregels en de verbeelding geven de bestemming en de begrenzing van de planologische mogelijkheden op de gronden. Met de planregels en de verbeelding zijn grenzen gesteld aan het gebruik. Uit de verbeelding en de planregels kan Het Groene Hart afleiden welk gebruik en welke bebouwings- en gebruiksmogelijkheden zijn toegestaan. Binnen de bestemming "Bedrijf" is gelet op de aanduiding enkel een grondverzet- en loonbedrijf toegestaan. In bedrijfsmatige machinereparatie is derhalve niet voorzien. In hetgeen Het Groene Hart heeft betoogd ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het met het plan voorziene gebruik ten opzichte van de huidige mogelijkheden zal leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het betoog van Het Groene Hart faalt. Zandstraat ongenummerd (naast 31B) te Den Dungen
  156. Het Groene Hart richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" op het perceel Zandstraat ongenummerd naast Zandstraat 31b te Den Dungen. Op dit perceel wordt een woning mogelijk gemaakt. Voorheen was er geen bebouwing toegestaan op dit perceel. Het Groene Hart betoogt dat de open ruimte in het lint een bijzondere stedenbouwkundige betekenis heeft die niet is erkend in de structuurvisie. Het Groene Hart betoogt dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse dient te verbeteren en dat dit niet elders met gelden vanuit de ruimte-voor-ruimte-regeling dient te gebeuren. Zij stelt dat daarmee ook rechtsongelijkheid ontstaat met gevallen waarin geen gebruik wordt gemaakt van de ruimte-voor-ruimte-regeling, nu in die gevallen op grond van de structuurvisie wel ter plaatse de ruimtelijke kwaliteit moet worden verbeterd. 35.
  157. De raad stelt dat in de structuurvisie aandacht is besteed aan het contrast tussen de open ruimten en de bebouwingslinten. De woning past binnen deze afweging en wordt overeenkomstig de structuurvisie landschappelijk ingepast. De woning sluit direct aan bij de kern van Den Dungen en vormt daarmee een logische afronding van de kern. De raad stelt dat een ruimte-voor-ruimteregeling per definitie ruimtelijke kwaliteit toevoegt omdat de daaruit verkregen gelden besteed worden aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. 35.
  158. Het Groene Hart heeft niet betwist dat de ruimte-voor-ruimte-regeling uit artikel 6.8 van de Verordening juist is toegepast. In de structuurvisie wordt voor de bebouwingsconcentratie Woudseweg/Zandstraat het belang van het contrast tussen bebouwingslint en open landschap benoemd. Op de kaart bij de structuurvisie zijn gronden aangewezen voor open ruimten. Ook zijn zichtlijnen naar het achterland vermeld en zijn achterrooilijnen aangegeven. Uit de structuurvisie en de bijbehorende kaart blijkt dat de openheid van het gebied en de afwisseling van bebouwing en doorkijken naar het open gebied zijn meegewogen. Uitkomst van deze afweging is dat ter plaatse van het perceel Zandstraat ongenummerd naast Zandstraat 31B geen zichtlijn naar het achtergelegen gebied en evenmin een aanduiding voor open gebied staat vermeld. Op het direct ten zuiden aangrenzende perceel staat wel een aanduiding voor open gebied vermeld. Het betoog van Het Groene Hart dat het gebruik maken van de ruimte-voor-ruimte-regeling leidt tot rechtsongelijkheid met gevallen waarin geen gebruik gemaakt wordt van deze regeling, faalt. Ingeval gebruik gemaakt wordt van de ruimte-voor-ruimte-regeling met de daaraan verbonden voorwaarden en verplichtingen, zoals het afbreken van bedrijfsgebouwen of het aankopen van een bouwtitel, is geen sprake van een geval dat gelijk is aan een geval waarin deze voorwaarden en verplichtingen niet gelden. In hetgeen Het Groene Hart heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet met een beroep op de structuurvisie in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog van Het Groene Hart faalt. Diepenbroek ongenummerd, tegenover 7 te Gemonde
  159. Het Groene Hart en Natuurgroep Gestel richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" tegenover Diepenbroek 7 te Gemonde in het plan fase
  160. Zij richten zich tegen de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-composteerinrichting" die volgens de nota van wijzigingen bij de vaststelling van het plan is opgenomen. Het Groene Hart betoogt dat onduidelijk is of het composteerbedrijf hier rechtens mag functioneren. Natuurgroep Gestel betoogt dat onduidelijk is of de composteerinrichting legaal is opgericht. In het plan Buitengebied 2010 was niet voorzien in een composteerinrichting. De omvang, ontwikkelingsmogelijkheden en noodzaak zijn niet duidelijk, aldus Natuurgroep Gestel. Het Groene Hart vreest daarnaast voor verdere verstening in het open gebied aan de Diepenbroek. 36.
  161. Aan het perceel tegenover Diepenbroek 7 is onder meer de functieaanduiding "hovenier" toegekend. Hoewel opgenomen in de nota van wijzigingen, is geen functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf-composteerinrichting" in de verbeelding en de planregels opgenomen. In zoverre mist het betoog voor zover het tegen deze functie-aanduiding is gericht, feitelijke grondslag. 36.
  162. De raad heeft toegelicht dat is beoogd bebouwing met een omvang van maximaal 3.000 m2 toe te staan aan de Hooghemertseweg
  163. Op het perceel tegenover Diepenbroek 7 beoogt de raad enkel de bestaande composteerinrichting toe te staan. Het bouwvlak voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" op het perceel tegenover Diepenbroek 7 en het bouwvlak voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de Hooghemertseweg 2 zijn op de verbeelding gekoppeld en worden ingevolge artikel 7, lid 7.1 onder f van de planregels als één bouwvlak aangemerkt. Binnen dit bouwvlak is een maximum bebouwd oppervlak van 3.000 m2 voor bedrijfsgebouwen toegestaan. Dit is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning. Doordat de bouwvlakken gekoppeld zijn, kan de voorziene bebouwing ook binnen het bouwvlak tegenover Diepenbroek 7 worden gebouwd. Nu de raad dit niet heeft beoogd, is het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. 36.
  164. Het plan fase 1 is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De beroepen van Het Groene Hart en de Natuurgroep Gestel zijn gegrond. Het plan fase 1 dient voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" tegenover Diepenbroek 7 te worden vernietigd. Gemondsedijk 5A te Gemonde
  165. Het Groene Hart richt zich tegen het opnemen van de aanduiding "specifieke vorm van sport-hondensport" voor het perceel Gemondsedijk 5A te Gemonde, zoals vermeld in de nota van wijzigingen bij het vaststellingsbesluit van plan fase
  166. Deze bestemming voorziet in het bestaande gebruik voor hondensport. Het Groene Hart betoogt dat deze bestemming niet bijdraagt aan de bescherming van de Ecologische Hoofdstructuur. Zij heeft ter zitting betoogd dat de bestaande situatie daarom niet als zodanig hoefde te worden bestemd. 37.
  167. De raad stelt dat het een bestaande situatie betreft die dienovereenkomstig bestemd is. De ruimere bestemming "Recreatie" stuitte op bezwaren van de provincie in het kader van de Ecologische hoofdstructuur. 37.
  168. In de nota van wijzigingen bij het plan fase 1 staat dat de bestemming "Recreatie" van het plandeel Gemondsedijk 5a wordt aangepast naar de bestemming "Bos". Tevens staat in de nota van wijzigingen dat de aanduiding "specifieke vorm van sport-hondensport" wordt toegevoegd. Op de bij het plan fase 1 vastgestelde verbeelding staat de aanduiding niet vermeld. In het ontwerpplan fase 2 is het plandeel niet opgenomen op de verbeelding. Op de vastgestelde verbeelding van het plan fase 2 is het plandeel wel opgenomen en staat de aanduiding "specifieke vorm van sport-hondensport" vermeld. In de nota van wijzigingen bij het vaststellingsbesluit van plan fase 2 staat deze wijziging ten opzichte van het ontwerp echter niet vermeld. 37.
  169. Voor zover het beroep van Het Groene Hart zich richt tegen de aanduiding "specifieke vorm van sport-hondensport" in het plan fase 1 mist het betoog feitelijke grondslag nu op de verbeelding bij dat plan deze aanduiding niet is vermeld. Het beroep van Het Groene Hart is ingevolge artikel 6:19 van de Awb van rechtswege ook gericht tegen het plan fase
  170. Nu bij de vaststelling van dit plan de aanduiding "specifieke vorm van sport-hondensport" op de verbeelding is opgenomen, maar dit niet is vermeld in de nota van wijzigingen bij dit plan, stemt de verbeelding in zoverre niet overeen met het besluit tot vaststelling. Het vaststellingsbesluit plan fase 2 en het plan zijn in onderlinge samenhang in zoverre vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. 37.
  171. Het beroep van Het Groene Hart is gegrond. Het plan fase 2 dient te worden vernietigd voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van sport-hondensport" die betrekking heeft op het perceel Gemondsedijk 5A te Gemonde. Gemondseweg 26 te Gemonde
  172. Het Groene Hart richt zich tegen het plandeel aan de Gemondseweg 26 te Gemonde met de bestemming "Wonen". Dit plandeel voorziet in een woningsplitsing van een bestaande boerderij. Het Groene Hart betoogt dat de karakteristiek van de boerderij wordt aangetast, in plaats van dat deze wordt versterkt, door een woning in de bedrijfsruimten te realiseren. Zij stelt voorts dat het plan weliswaar geen nieuwe versnippering veroorzaakt maar dat het plan de bestaande versnippering niet opheft. Door de mogelijkheden voor bijgebouwen kan het bebouwde oppervlak toenemen, aldus Het Groene Hart. 38.
  173. De raad stelt dat door de woningsplitsing financiële middelen vrijkomen om de boerderij te behouden. Het bijgebouw waar Het Groene Hart op doelt is een bestaand bijgebouw. Het plan leidt niet tot extra bebouwing, aldus de raad. 38.
  174. In de ruimtelijke onderbouwing is aansluiting gezocht bij de wijzigingsbevoegdheid voor het splitsen van een woning in twee wooneenheden in artikel 23, lid 23.10.1 van de planregels van het plan Buitengebied
  175. In paragraaf 3.2 van de plantoelichting is onderbouwd waarom volgens de raad aan deze voorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 23 lid 23.10.1, aanhef en onder b, van de planregels van het plan Buitengebied 2010 dienen voor het mogelijk maken van een woningsplitsing van de boerderij in twee wooneenheden kenmerkende architectonische eigenschappen te worden behouden. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat omdat het gaat om een interne splitsing de verschijningsvorm van het gebouw niet significant wijzigt. Om aan de eisen van het Bouwbesluit te voldoen worden enkele gevelvlakken voorzien van deuren en ramen. De verschijningsvorm van het gebouw wordt daardoor niet wezenlijk aangetast, aldus de raad in de plantoelichting. 38.
  176. De Afdeling ziet in hetgeen Het Groene Hart heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen wezenlijke aantasting van de architectonische eigenschappen plaatsvindt als gevolg van het plan. Het betoog van Het Groene Hart faalt in zoverre. 38.
  177. Ingevolge artikel 23, lid 23.10.1, aanhef en onder e, van de planregels van het plan Buitengebied 2010 dienen de overtollige gebouwen eerst te worden afgebroken tot een oppervlakte welke per woning maximaal is toegestaan, te weten 100 m² alvorens tot splitsing mag worden overgegaan. Ingevolge de planregels bij het plan fase 2 mag op gronden met de bestemming "Wonen" de gezamenlijk oppervlakte aan bijgebouwen bij een woning maximaal 100 m2 bedragen. In de plantoelichting staat dat de overtollige bijgebouwen bij de nieuwe woning zijn gesloopt. De resterende vrijstaande veldschuur is ongeveer 88 m
  178. Het aangebouwde bijgebouw bedraagt 12 m
  179. De totale toegestane oppervlakte aan bebouwing op het bijbehorend erf wordt hierbij niet overschreden, aldus de raad in de ruimtelijke onderbouwing. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de oppervlakte voor bijgebouwen met de bestaande bijgebouwen bij beide voorziene woningen reeds volledig benut is en er dus niet meer bijgebouwen kunnen komen. Dit heeft Het Groene Hart niet betwist. Het betoog dat het plan tot extra bebouwing leidt, faalt derhalve. Het Groene Hart heeft ter zitting betoogd dat het plan wellicht niet leidt tot verdere versnippering, maar dat de vaststelling van het plan een goede kans was om de bestaande versnippering in dit cultuurhistorisch waardevolle gebied te verminderen door de bestaande bijgebouwen te saneren. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:545, dient een bestaand legaal bouwwerk in beginsel bij de vaststelling van een bestemmingsplan als zodanig te worden bestemd. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat naast de beperking die reeds aan de oppervlakte van bijgebouwen wordt gesteld niet de resterende bestaande bijgebouwen onder het overgangsrecht behoefden te worden gebracht. Het betoog van Het Groene Hart faalt in zoverre. Kerkeind 11 en 15 te Gemonde
  180. Het Groene Hart richt zich tegen het plandeel aan Kerkeind 11 en 15 te Gemonde met de bestemming "Wonen" en "Agrarisch-Paardenhouderij" in het plan fase
  181. Het plan voorziet in: - het wijzigen van de bedrijfswoning op Kerkeind 11 naar een burgerwoning, - het wijzigen van de woning op Kerkeind 15 van burgerwoning naar bedrijfswoning, - het omzetten van de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "intensieve veehouderij" naar de bestemming ""Agrarisch-Paardenhouderij", - het verkleinen en van vorm veranderen van het agrarische bouwvlak, - het slopen van een aantal bestaande stallen, waaronder de varkensstal, en het bouwen van een nieuwe paardenstal. 39.
  182. Het Groene Hart betoogt dat bij het ontwerpplan en de vaststelling van het plan geen goed leesbare kopie van de perceelinrichting uit de ruimtelijke onderbouwing aan hen is toegezonden. 39.
  183. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt de raad het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. 39.
  184. Op ruimtelijkeplannen.nl was en is de ruimtelijke onderbouwing beschikbaar. Daarin is de perceelinrichting aangegeven. Ook lagen de stukken ter inzage op het gemeentehuis en waren deze op de website van de gemeente gepubliceerd. In zoverre is aan de wettelijke verplichting voldaan. Als de aan Het Groene Hart verstrekte kopie niet voldoende duidelijk was, had het op haar weg gelegen via de hiervoor genoemde wijzen inzage te krijgen.
  185. Het Groene Hart betoogt voorts dat de bebouwing op het achterdeel van het perceel Kerkeind 15 toeneemt, hetgeen volgens haar een verslechtering van de ruimtelijke kwaliteit veroorzaakt. 40.
  186. De raad stelt dat met het plan een kwaliteitsverbetering optreedt door de sloop van bestaande bebouwing en verharding. Dit is gemotiveerd in hoofdstuk 7 van het inrichtingsplan, bijlage 3 bij de ruimtelijke onderbouwing. 40.
  187. In het vorige plan hadden de gronden grotendeels de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "intensieve veehouderij" en de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied". Op deze gronden is de bebouwing toegestaan zoals deze aanwezig was op 1 oktober
  188. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.2 van de planregels is op gronden met de bestemming "Agrarisch-Paardenhouderij" binnen het bouwvlak één rijhal toegestaan van maximaal 1.000 m²; de minimale afstand tot de waterlopen bedraagt 5 m; de afstand tot de perceelsgrens dient minimaal 1 m te bedragen. Voor andere bedrijfsgebouwen is geen maximale oppervlakte of bebouwingsconcentratie opgenomen. Het bouwvlak wordt verkleind en schuift op richting de weg. Ingevolge artikel 42, lid 42.1 van de planregels dient het perceel te worden ingericht volgens het in artikel 42 genoemde inrichtingsplan. Daarin staat dat de bestaande varkensstallen en een deel van de paardenstallen op het achtererf worden gesloopt en daarvoor in de plaats aansluitend aan de rijhal op het achtererf nieuwe paardenstallen zullen worden gebouwd. Omdat het inrichtingsplan in de planregels bindend is voorgeschreven, kan niet meer gebouwd worden dan in het inrichtingsplan is aangegeven. Op een aanvraag voor een omgevingsvergunning die ziet op bebouwing die niet in het inrichtingsplan is voorzien, zal afwijzend moeten worden beslist. De raad heeft zich gelet op het inrichtingsplan en de verkleining en het opschuiven van het bouwvlak naar de weg in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een dusdanige wijziging van de bebouwingsmogelijkheden op het achtererf dat dit tot een aantasting van de ruimtelijke kwaliteit leidt. Het betoog van Het Groene Hart faalt. Landgoedwoningen, Landgoed De Rietwiel, Molenhoek te Middelrode
  189. Het Groene Hart richt zich tegen de 3 plandelen aan de Molenhoek te Middelrode met de bestemming "Wonen" in het plan fase
  190. Met de plandelen is beoogd het bestaande bouwvlak voor drie woningen op het landgoed De Rietwiel van vorm te veranderen door drie nieuwe bouwvlakken aan te brengen. Het Groene Hart betoogt dat het plan leidt tot een vergroting van het bouwvlak met 30%. Dat het beoogde bouwplan niet paste in de woonbestemming in het vorige plan vanwege de situering van het bouwvlak en een gastransportleiding is onvoldoende voor een aanpassing, aldus Het Groene Hart. De raad dient volgens haar dit plan op zijn eigen merites te beoordelen en de locatie in zijn geheel te heroverwegen. Het Groene Hart betoogt dat in ieder geval niet is voorzien in compensatie voor het ten opzichte van het vorige plan vergroten van het bouwvlak met een woonbestemming. 41.
  191. De raad stelt dat de wijziging van de bouwvlakken, die opgenomen waren in het vorige plan, nodig was vanwege de aanwezige gastransportleiding. Daarnaast paste de gewenste ruimtelijke en stedenbouwkundige inpassing niet in de bestaande bouwvlakken. 41.
  192. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat een vormverandering van de bouwvlakken is beoogd, de bouwvlakken niet zijn vergroot en het oppervlak van de gronden met de bestemming "Natuur" per saldo gelijk blijft. Daarmee blijft dus ook het oppervlak van het nieuwe landgoed - circa 15,75 hectare - ongewijzigd en wordt 50% hiervan als nieuwe natuur ingericht. 41.
  193. Het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" met bouwvlak dat in het vorige plan is opgenomen, voor zover dat niet tevens binnen de met dit plan vastgestelde bouwvlakken valt, is niet gewijzigd of aangepast. Na vaststelling van het plan fase 1 is naast de nieuwe bestemmingsvlakken met bouwvlak ook het bouwvlak uit het vorige plan blijven bestaan. Het plan leidt derhalve tot een uitbreiding van de bestemming "Wonen" en een uitbreiding van de bouwvlakken en daarmee tot een afname van gronden met de bestemming "Natuur". Dit is niet in overeenstemming met de ruimtelijke onderbouwing omdat het uitgangspunt daarvan is dat geen vergroting van het bouwvlak en geen verkleining van het bestemmingsvlak "Natuur" plaatsvinden. De ruimtelijke onderbouwing kan daarom niet dienen ter onderbouwing van het vastgestelde plandeel voor de bouwvlakken op het landgoed De Rietwiel. Het betoog van Het Groene Hart dat deze vergroting van het bouwvlak niet is gemotiveerd en geen compensatie voor de vergroting van het bouwvlak plaats vindt, slaagt derhalve. In hetgeen Het Groene Hart heeft aangevoerd, ziet de Afdeling derhalve aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen op het landgoed De Rietwiel aan de Molenhoek te Middelrode met de bestemming "Wonen" niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. 41.
  194. Het plan fase 1 is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van Het Groene Hart is gegrond. Het plan fase 1 dient voor zover het betreft de plandelen op het landgoed De Rietwiel aan de Molenhoek te Middelrode met de bestemming "Wonen" te worden vernietigd. Landgoed Molenhoek te Middelrode
  195. Het Groene Hart richt zich tegen het plandeel dat voorziet in het landgoed Molenhoek met drie woningen aan de Molenhoek te Middelrode in het plan fase
  196. Dit plandeel bestaat uit drie plandelen met de bestemming "Wonen" met de aanduiding bouwvlak, een plandeel met de bestemming "Natuur" en een plandeel "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden". 42.
  197. Het Groene Hart betoogt dat het landgoed geen bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit. Het landgoed tast het dynamisch beekdal door de bedijking aan in plaats van dat het bijdraagt aan het natuurlijk functioneren van de Aa. Het cultuurlandschap in de omgeving kenmerkt zich door een agrarisch en open karakter. Het toevoegen van bouwvlakken, het plaatsen van de woningen op terpen en het niet aansluiten bij het bestaande kavelpatroon leidt tot landschapsvervreemding en aantasting van de gebiedskarakteristiek, aldus Het Groene Hart. 42.
  198. De raad stelt dat het landgoed volgens de provinciale regeling voor nieuwe l

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.