(2009)zijn geplaatst. Vanwege de waarden van monumentale bomen zal in beginsel geen omgevingsvergunning voor het kappen worden verleend, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of bijzondere situatie. 16.4. Gelet op de toelichting van de raad ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid uitsluitend de aanduiding "monumentale boom" heeft kunnen toekennen aan bomen op openbare gronden die een monumentale status hebben. De Afdeling betrekt hierbij dat het plan geen bescherming biedt aan bomen met deze aanduiding. De bescherming van bomen is elders geregeld. Het betoog faalt. 16.5. Aan de beuk in de tuin van de [locatie 4] en de beuk in de tuin van [locatie 5] is niet de aanduiding "monumentale boom" toegekend. Vast staat dat de door [appellant sub 2] en anderen genoemde bomen niet zijn aangewezen als monumentale boom. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte niet de aanduiding "monumentale boom" aan de bomen heeft toegekend. Het betoog faalt. Het beroep tegen de plandelen in de directe omgeving van de percelen [locatie 3] en [locatie 4] 17. [appellant sub 2] en anderen betogen dat ten onrechte is toegestaan dat tuinen met de bestemming "Tuin - 2" kleiner dan 40 m2 voor 50% mogen worden bebouwd. Zij voeren aan dat hierdoor het groene karakter van het beschermde stadsgezicht verloren gaat. 17.1. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij door de regeling zoals neergelegd in artikel 14, lid 14.2.1, onder a, van de planregels heeft beoogd om een balans te vinden tussen enerzijds de bouwmogelijkheden voor bewoners en anderzijds het beschermd stadsgezicht en het groene karakter van de wijk. 17.2. Ingevolge artikel 14, lid 14.2.1, onder a, van de planregels mogen binnen de bestemming "Tuin - 2" bouwwerken worden opgericht waarbij de gezamenlijke oppervlakte van bouwwerken (per tuin per adres) niet meer mag bedragen dan 50% van de gronden met een maximum van 40 m2, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven. 17.3. Door de regeling in artikel 14, lid 14.2.1, onder a, van de planregels kan in bebouwing in nabijgelegen tuinen worden voorzien. De raad heeft beoogd om met deze regeling rekening te houden met de belangen die gemoeid zijn met het beschermd stadsgezicht en het groene karakter van de wijk en de bouwmogelijkheden van de bewoners. [appellant sub 2] en anderen hebben niet aangevoerd waaruit blijkt dat het groene karakter van het beschermde stadsgezicht door deze regeling verloren gaat. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bebouwingsregeling zoals die is neergelegd in artikel 14, lid 14.2.1, onder a, van de planregels heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt. 18. [appellant sub 2] en anderen betogen dat ten onrechte geen geluidsonderzoek is verricht naar het geluid dat afkomstig is van het gebruik van de Wagenweg. Voorts betogen zij dat aan de verkeersbestemming toegekend aan de Wagenweg ten onrechte niet de verplichting is verbonden dat maximaal 30 km/h gereden mag worden. 18.1. De raad stelt zich op het standpunt dat sprake is van een bestaande situatie die als zodanig is bestemd. 18.2. Vast staat dat de Wagenweg als zodanig is bestemd. Voorts staat vast dat het plan geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk maakt. De raad heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat hij in deze situatie niet hoeft te toetsen aan de Wet geluidhinder. Voorts heeft de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen aanleiding hoeven zien om ter plaatse van de woningen van [appellant sub 2] en anderen het geluid afkomstig van de Wagenweg te toetsen. In dat verband is van belang dat [appellant sub 2] en anderen geen omstandigheden hebben aangevoerd die ertoe nopen dat de raad niet zonder onderzoek van de bestaande situatie ter plaatse heeft mogen uitgaan. Er zijn immers geen grote ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Het betoog faalt. 18.3. Hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd, biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemming "Verkeer" toegekend aan de Wagenweg in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog faalt. Overige beroepsgronden 19. [appellant sub 2] en anderen richten zich tegen de plandelen met de bestemmingen "Wonen", "Gemengd - 2" en "Gemengd - 4". Zij betogen dat ten onrechte is toegestaan dat de gronden mogen worden gebruikt voor parkeerplaatsen, vijver of tuin indien het hoofdgebouw gedeeltelijk teloor gaat. 19.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij het hoofdgebouw als zodanig heeft bestemd. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat hij het niet onwenselijk vindt dat deze gronden gedeeltelijk voor parkeerplaatsen, vijver of tuin worden gebruikt indien het hoofdgebouw teloor gaat. 19.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.1.1, van de planregels zijn de voor "Gemengd - 2" aangewezen gronden ter plaatse van de begane grond en het souterrain bestemd voor: a. wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep, gastouderopvang en/of bed & breakfast; b. kantoor (eventueel met loketfunctie), detailhandel, zakelijke dienstverlening; k. bij de bestemming behorende "andere bouwwerken", groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, waterlopen en waterpartijen, voorzieningen voor de waterhuishouding, parkeervoorzieningen. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, zijn de voor "Gemengd - 4" aangewezen gronden bestemd voor: a. wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep, gastouderopvang en/of bed & breakfast; b. zakelijke dienstverlening, kantoor (eventueel met loketfunctie), praktijkruimte, atelierruimte; h. bij de bestemming behorende "andere bouwwerken", groenvoorzieningen, wegen en paden, tuinen, erven en terreinen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen. Ingevolge artikel 18, lid 18.1, onder c, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor bijbehorende voorzieningen zoals, groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen, (ondergrondse) parkeervoorzieningen, souterrain, bergingen, tuinen, erven en terreinen. 19.3. De raad heeft toegelicht dat hij het uitgangspunt hanteert dat hij de bestemmingen "Wonen", "Gemengd - 2" en "Gemengd - 4" uitsluitend aan hoofdgebouwen toekent om verdichting te voorkomen en het beschermd stadsgezicht en het groene karakter van de wijk te beschermen. De raad betoogt dat indien een hoofdgebouw teloor gaat en een kleiner hoofdgebouw met daarbij meer bijbehorende voorzieningen wordt terug gebouwd dit niet in strijd komt met de doelen waarom hij de bestemmingen strak aan de hoofdgebouwen heeft toegekend. Van belang is dat in artikel 21 van de planregels regels zijn neergelegd die zien op bouwen binnen het beschermd stadsgezicht. Dit artikel is van toepassing op het hele plan en heeft ook betrekking op het herbouwen van woningen. Ook geeft deze regeling flexibiliteit aan de eigenaren van de woningen, aldus de raad. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid de planregeling op dit punt kunnen vaststellen zoals hij heeft gedaan. Het betoog faalt. 20. [appellant sub 2] en anderen betogen dat ten onrechte niet is voorzien in een calamiteitenregeling die duidelijkheid geeft over de nokrichting en de toegestane goot- en bouwhoogte indien een gebouw van orde 1 of orde 2 teloor gaat. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad ten onrechte niet op de verbeelding per pand heeft voorzien in aanduidingen met de toegestane maximale bouw- en goothoogte aangegeven in cijfers. Zij voeren hiertoe aan dat thans voor derden niet duidelijk is wat de toegestane goot- en bouwhoogte is en dat de gemeente geen administratie heeft waaruit die blijken. 20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestaande nokrichting en goot- en bouwhoogte zijn toegestaan. Indien gebouwen teloor gaan, dan mag hetgeen zoals ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan rechtens was toegestaan worden herbouwd. Voor het antwoord op de vraag wat op dat tijdstip was toegestaan worden het gemeentearchief, het Noord-Hollands Archief en het Monumentenregister gebruikt. 20.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.23, van de planregels wordt onder bestaande goot- of bouwhoogte, kap- en dakvorm, gevelindeling en oppervlakte verstaan de goot- en bouwhoogte, kap- en dakvorm, gevelindeling en oppervlakte zoals die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan rechtens mag bestaan. Ingevolge artikel 21, lid 21.2, gelden in aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(
- en)voor gebouwen de volgende regels: f. voor bouwvlakken met daarin opgenomen de specifieke bouwaanduiding orde 1 of orde 2 dient de bestaande goothoogte en/of bestaande bouwhoogte gehandhaafd te blijven; n. ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding orde 1 en orde 2" dient de bestaande nokrichting, kap of dakvorm gehandhaafd te blijven met uitzondering van ondergeschikte onderdelen zoals dakkapellen en dakdoorbrekingen. 20.3. In artikel 1, lid 1.23, van de planregels is niet de nokrichting opgenomen. Anders dan de raad ter zitting heeft betoogd kan onder kap- en dakvorm niet de nokrichting worden begrepen. De raad heeft derhalve het besluit in zoverre niet vastgesteld op de wijze die hij heeft beoogd. Om die reden moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt. 20.4. De Afdeling merkt op dat geen bepaling ertoe verplicht dat op de verbeelding per pand moet worden voorzien in aanduidingen waarbij de toegestane maximale bouw- en goothoogte in cijfers worden aangeduid, mits duidelijk is welke bouw- en goothoogte geldt. Niet is aannemelijk geworden dat de planregeling waarvoor de raad heeft gekozen, tot rechtsonzekerheid leidt. De Afdeling betrekt hierbij dat de raad onweersproken heeft gesteld dat de goot- en bouwhoogte zoals die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan rechtens mag bestaan, kan worden afgeleid uit het gemeentearchief, het Noord-Hollands Archief en het Monumentenregister. Nu deze registers openbaar zijn overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is geworden dat de toegestane goot- en bouwhoogte niet rechtszeker zijn. Het betoog faalt. 21. [appellant sub 2] en anderen richten zich voorts tegen artikel 21, lid 21.3 en lid 21.4 van de planregels. Zij betogen dat artikel 21, lid 21.3, van de planregels leidt tot rechtsonzekerheid omdat het bevoegd gezag nadere eisen mag stellen ten behoeve van cultuurhistorische waarden. Zij betogen voorts dat artikel 21, lid 21.4, van de planregels leidt tot rechtsonzekerheid omdat het bevoegd gezag nadere eisen mag stellen ten behoeve van "verbetering van het daklandschap". Zij voeren hiertoe aan dat onduidelijk is wat onder deze begrippen moet worden verstaan. 21.1. De raad stelt zich op het standpunt dat dit gebruikelijke bepalingen betreffen die niet tot rechtsonzekerheid leiden. 21.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.37, van de planregels wordt onder "cultuurhistorische waarde" verstaan de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied. Ingevolge artikel 21, lid 21.2, onder n, gelden in aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(
- en)voor gebouwen ter plaatse van de "specifieke bouwaanduiding - orde 1 of orde 2" dat de bestaande nokrichting, kap of dakvorm gehandhaafd dient te blijven met uitzondering van ondergeschikte onderdelen zoals dakkapellen en dakdoorbrekingen. Ingevolge lid 21.3, onder c, kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen, de nokrichting, kap- en dakvorm, dakhelling en de indeling en vormgeving van de bebouwing, ten behoeve van de cultuurhistorische waarden. Ingevolge lid 21.4.1, aanhef en onder a, kan het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 21, lid 21.2, onder n, en een afwijkende kap- of dakvorm toestaan, mits deze verandering een herstel of verbetering van het daklandschap betreft. 21.3. In artikel 1, lid 1.37 is een definitie opgenomen van hetgeen onder "cultuurhistorische waarde" wordt verstaan. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze definitie onvoldoende duidelijk is. Het betoog faalt. 21.4. Het begrip "daklandschap" is in het plan niet gedefinieerd. Uit de tekst en het samenstel van bepalingen is desondanks voldoende duidelijk wat onder het begrip "daklandschap" moet worden verstaan. Om die reden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze definitie onvoldoende duidelijk is. Het betoog faalt. Conclusie 22. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover niet duidelijk is voorzien in een bestemming waarbij de bestaande dakterrassen op de aanbouwen behorend bij de woningen op de percelen [locatie 3] en [locatie 4] zijn toegestaan, in strijd is met de rechtszekerheid. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover in artikel 1, lid 1.23 van de planregels niet de nokrichting is opgenomen, in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van overweging 10.3 van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen zonder dat daarbij toepassing hoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb en zal daartoe een termijn stellen. Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelfvoorziend een planregel vast te stellen met betrekking tot de nokrichting. Uitspraak verwerken op www.ruimtelijkeplannen.nl 23. De Afdeling ziet aanleiding uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Proceskosten 24. Ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Haarlem van 21 mei 2015, voor zover: a. niet duidelijk is voorzien in een bestemming waarbij de dakterrassen op de aanbouwen behorend bij de woningen op de percelen [locatie 3] en [locatie 4] zijn toegestaan; b. in artikel 1, lid 1.23, van de planregels niet de nokrichting is opgenomen; III. bepaalt dat artikel 1, lid 1.23, van de planregels als volgt komt te luiden: "onder "bestaande" goot- of bouwhoogte, kap- en dakvorm, nokrichting, gevelindeling en oppervlakte wordt verstaan de goot-/bouwhoogte, kap- en dakvorm, nokrichting, gevelindeling en oppervlakte zoals die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan rechtens mag bestaan." IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover vernietigd onder IIb; V. draagt de raad van de gemeente Haarlem op om binnen 24 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen voor het vernietigde plandeel zoals omschreven onder IIa, een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; VI. draagt de raad van de gemeente Haarlem op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het onder III genoemde onderdeel wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl; VII. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond; VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Haarlem tot vergoeding van bij [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 40,80 (zegge: veertig euro en tachtig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; IX. gelast dat de raad van de gemeente Haarlem aan [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen. Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, griffier. w.g. Hagen w.g. Bosnjakovic voorzitter griffier 410-812.