(2009)zijn toegelaten. Lid 1.75 bepaalt dat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan nieuw ruimtebeslag dan wel uitbreiding of wijziging van bestaand ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies; Artikel 3.1 gaat over de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en luidt als volgt:
- De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat: a. het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid; b. toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.
- Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat: (..) c. ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); (..). Artikel 4.2 bepaalt dat een bestemmingsplan dat voorziet in een stedelijke ontwikkeling uitsluitend is gelegen in bestaand stedelijk gebied. Artikel 9.1, eerste lid, bepaalt, dat in afwijking van artikel 4.2 (stedelijke ontwikkeling) een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding "Integratie stad-land" kan voorzien in een stedelijke ontwikkeling mits: a. deze in samenhang en in evenredigheid geschiedt met een groene en blauwe landschapsontwikkeling binnen de aanduiding "Integratie stad-land" of de naaste omgeving; b. deze geen betrekking heeft op een te ontwikkelen of een uit te breiden middelzwaar- en zwaar bedrijventerrein. 18.
- Het plan voorziet in onder andere een nieuw gebouw voor bedrijvigheid, waar voorheen agrarische bestemmingen golden. Hiervoor is de wijziging van het vigerende bestemmingsplan noodzakelijk. Daarmee voorziet het plan in nieuw ruimtebeslag ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies en dus in een stedelijke ontwikkeling. De Afdeling stelt vast dat het plangebied buiten het bestaand stedelijk gebied ligt en is aangeduid als "Integratie stad-land" op de kaarten behorende bij de Verordening
- 18.
- In artikel 4, lid 4.4.1, artikel 5, lid 5.4.1 en artikel 6, lid 6.4.1, van de planregels staat dat in het gebouw tenminste 1.000 m² bvo moet bestemd zijn voor het atrium. In artikel 4, lid 4.4.3, artikel 5, lid, 5.4.3 en artikel 6, lid 6.4.3, van de planregels is bepaald dat tot een gebruik, strijdig met deze bestemmingen, in ieder geval wordt gerekend: a. indien minder dan 15% van het brutovloeroppervlak van de kennisintensieve bedrijven in de toelever- en maakindustrie in het gebouw binnen de bestemmingen "Bedrijf - 1", "Bedrijf - 2" en "Bedrijf - 3" bedrijfsactiviteiten betreft in de categorie 2; b. indien meer dan 25% van het brutovloeroppervlak van de kennisintensieve bedrijven in de toelever- en maakindustrie in het gebouw binnen de bestemmingen "Bedrijf - 1", "Bedrijf - 2" en "Bedrijf - 3" bedrijfsactiviteiten betreft in de categorieën 4.1 of 4.2; j. (…). In artikel 4, lid 4.5, van de planregels is bepaald dat het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde in: a. lid 4.1, sub a, en tevens bedrijfsactiviteiten toestaan die niet voorkomen in de "Lijst van bedrijfsactiviteiten" (Bijlage 1), mits;
- het bedrijfsactiviteiten betreft die passen in de bestemmingsomschrijving als bedoeld in lid 4.1, sub a, en;
- de bedrijfsactiviteiten behoren tot de categorieën 1 t/m 3.2, met dien verstande dat tenminste 15% van het brutovloeroppervlak van het gebouw binnen de bestemmingen "Bedrijf - 1", "Bedrijf - 2" en "Bedrijf - 3" bedrijfsactiviteiten betreft in de categorie 2, en;
- voor het overige het bepaalde in deze bestemming van toepassing blijft. b. lid 4.1, sub a, en tevens bedrijfsactiviteiten toestaan in een hogere categorie, mits:
- het betrokken bedrijf naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen is met bedrijven die ter plaatse zijn toegestaan, en;
- tenminste 15% van het brutovloeroppervlak van het gebouw binnen de bestemmingen "Bedrijf - 1", "Bedrijf - 2" en "Bedrijf - 3" bedrijfsactiviteiten betreft in de categorie 2, en;
- maximaal 25% van het brutovloeroppervlak binnen de bestemmingen "Bedrijf - 1", "Bedrijf - 2" en "Bedrijf - 3" bedrijfsactiviteiten mag betreffen in categorieën 4.1 of 4.2, en;
- voor het overige het bepaalde in deze bestemming van toepassing blijft. 18.
- In het midden van het plangebied is een vlak met drie bedrijfsbestemmingen opgenomen. Het kleinste noordoostelijk deel voorziet in de bestemming "Bedrijf - 1". Hier zijn bedrijfsactiviteiten behorende tot de tot de categorieën 1 t/m 3.2 toegestaan. Ten zuiden daarvan voorziet het plan in een groter vlak met de bestemming "Bedrijf - 2", waar bedrijfsactiviteiten behorende toe de categorieën 1 t/m 4.1 zijn toegestaan. Het grootste deel van het vlak heeft de bestemming "Bedrijf - 3", waar bedrijfsactiviteiten behorende tot en met de categorieën 1 t/m 4.2 zijn toegestaan. In de toelichting op artikel 9.1 van de Verordening 2014 staat dat op bedrijventerreinen waarop rechtstreeks categorie 2 en 3 bedrijven zijn toegestaan en waar na binnenplanse afwijking ook enkele categorie 4 bedrijven zijn toegestaan niet vallen onder de definitie van een middelzwaar bedrijventerrein als bedoeld in de Verordening
- Andere voorbeelden zijn denkbaar, mits deze goed zijn onderbouwd en met specifieke regels in het plan zijn geborgd, aldus de toelichting. In de artikelen 4, lid 4.1, 5, lid 5.1 en 6, lid 6.1, van de planregels is vastgelegd welke soort bedrijvigheid is toegestaan de op de beoogde bedrijvencampus. In artikel 1, lid 1.19, van de planregels is bepaald wat onder een bedrijvencampus dient te worden verstaan. Naast bedrijfsactiviteiten zijn ook andere instellingen toegestaan. De Afdeling is van oordeel dat met deze planregels voldoende is gewaarborgd dat het terrein zich niet tot een regulier bedrijventerrein kan ontwikkelen. Verder zijn in de planregels beperkingen gesteld aan het percentage brutovloeroppervlak in bedrijven van categorie 4 en een minimum aan brutovloeroppervlak in bedrijven van categorie
- Ook zijn slechts binnen een deel van het bouwvlak bedrijven van categorie 4 toegestaan. Gelet op dit samenstel van regels, de omvang van het deel binnen het bouwvlak waar bedrijven van categorie 4 en hoger zijn toegestaan, de omstandigheid dat een atrium van 1.000 m² zal worden gerealiseerd en er beoogd wordt tevens samenwerking met kennis en onderwijsinstellingen te realiseren, voorzien de plandelen niet in overwegende mate in bedrijven van categorie 3 en 4 en dus niet in een middelzwaar en zwaar bedrijventerrein als bedoeld in de Verordening
- De Afdeling betrekt hierbij dat in de toelichting bij artikel 9.
- van de Verordening 2014 is gemotiveerd dat kantoorlocaties en nieuwe (campusachtige) concepten voor werklocaties, zoals de Brainport Innovatie Campus, een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van de integratie stad-land gebieden. De externe uitstraling van dit soort werklocaties op de omgeving is beperkt en een groene setting draagt bij aan de kwaliteit van de werklocatie. Een groene landschapsontwikkeling betreft bijvoorbeeld een robuuste duurzame groene geleding of een landschappelijke verbinding, aldus de toelichting. Het is de kennelijke bedoeling van de provinciale wetgever om de deze concreet aangeduide campus ontwikkeling in zoverre niet te beschouwen als een regulier middelzwaar of zwaar bedrijventerrein, in welk geval het bepaalde in artikel 9.1, eerste lid, onder b, van de Verordening Ruimte 2014 van toepassing zou zijn. Voor zover De Burgh Acht en de stichtingen wijzen op de in de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid overweegt de Afdeling dat ook in die bepalingen dezelfde percentages zijn opgenomen voor de bedrijven in de verschillende milieucategorieën. Het betoog faalt. 18.
- Voorts overweegt de Afdeling dat de ladder voor duurzame verstedelijking is toegepast zoals artikel 3.1, tweede lid, onder c, van de Verordening 2014 voorschrijft. Zoals uit de overwegingen 15 tot en met 16.3 volgt is aan de ladder voldaan. Voor het oordeel dat niet aan het beginsel van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in de Verordening 2014 wordt voldaan ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding. Het betoog faalt. Aantasting ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS)
- De Burgh Acht en de stichtingen betogen dat het plan leidt tot onnodige aantasting van de EHS. Nut en noodzaak om een volgens hen belangrijk natuurgebied te offeren ontbreken volledig volgens De Burgh Acht en de stichtingen. 19.
- De raad stelt zich op het standpunt dat bij besluit van 8 december 2015 door het college van gedeputeerde staten positief op het verzoek tot wijziging van de begrenzing van de EHS in de Verordening 2014 is beslist. Aan de voorwaarden van herbegrenzing is volgens de saldoberekening voldaan, zodat nut en noodzaak van de herbegrenzing niet meer ter discussie staan. Daarnaast stelt de raad dat de in de Verordening 2014 opgenomen norm niet strekt ter bescherming van de belangen van De Burgh Acht en de stichtingen, zodat het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste in zoverre aan de vernietiging van het plan in de weg staat. 19.
- Blijkens de kaart "Structuren" behorende bij de Verordening 2014 zijn delen van het plangebied aangeduid als EHS. Artikel 5.1 van de Verordening 2014 luidt:
- een bestemmingsplan gelegen in de ecologische hoofdstructuur: a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden; b. stelt regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken; c. bepaalt dat zolang de ecologische hoofdstructuur niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten. Artikel 5.4 luidt:
- Gedeputeerde staten kunnen de begrenzing van de ecologische hoofdstructuur op verzoek van de gemeente wijzigen in geval van een ruimtelijke ontwikkeling door toepassing van de saldobenadering.
- Onder de saldobenadering bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een combinatie van onderling samenhangende plannen, projecten of handelingen waarvan één of enkele afzonderlijk een negatief effect hebben op de ecologische hoofdstructuur, maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een verbetering van de kwaliteit of kwantiteit van de ecologische hoofdstructuur als geheel. In de toelichting op dit artikel van de Verordening 2014 staat dat de EHS een samenhangend netwerk is van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-) nationaal belang. Het doel van het EHS-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten. 19.
- Zoals eerder in deze uitspraak overwogen, heeft de raad in redelijkheid voor deze locatie voor de ontwikkeling van BIC heeft kunnen kiezen. In paragraaf 3.3.4.4.1 van de plantoelichting staat dat de EHS is geprojecteerd ter plaatse van een deel van de voorziene gebouwde parkeervoorziening, een deel van de ontsluitingsweg, een klein deel van het voorziene bedrijfsgebouw ter plaatse van de bestemming "Bedrijf - 3" en de langzaam verkeersroutes. In het rapport "Gebiedsontwikkeling Brainport Park; aantrekkelijk landschap, sterke natuur" van 12 oktober 2015, opgesteld door onderzoeksbureau Anteagroup, is uiteengezet welke ingrepen vereist zijn en hoe de begrenzing van de EHS aangepast kan te worden. De conclusie luidt dat met behulp van de saldobenadering voldaan kan worden aan de Verordening
- Nu de begrenzing van de EHS voor de vaststelling van het bestreden besluit is gewijzigd, is het plan in zoverre niet meer in strijd met de Verordening
- Van aantasting van de EHS is dan ook geen sprake. Voor zover De Burgh Acht en de stichtingen zich richten tegen de herbegrenzing van de EHS overweegt de Afdeling dat tegen deze begrenzing in de Verordening 2014, als zijnde een algemeen verbindend voorschrift, ingevolge artikel 8:3, eerste lid, onder a, van de Awb geen beroep kan worden ingesteld en dat de Afdeling deze slechts exceptief kan toetsen. Deze toetsing houdt in dat aan een algemeen verbindend voorschrift slechts verbindende kracht kan worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag om de verschillende belangen, die bij het nemen van een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft ook overigens daarbij terughoudendheid te betrachten. In hetgeen De Burgh Acht en de stichtingen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de herbegrenzing van EHS uit de Verordening 2014 in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift dan wel een algemeen rechtsbeginsel. Het betoog faalt. 19.
- Nu het betoog faalt, gaat de Afdeling niet in op het betoog van de raad dat artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het plan in de weg staat. Verkeer
- De Burgh Acht en de stichtingen vrezen voor verkeersproblemen nu onduidelijkheid bestaat over de aanleg van de toekomstige ontsluitingswegen, de zogenoemde Challenge-variant. In de plantoelichting ontbreekt een analyse van de verkeersgeneratie en voorts liggen de vereiste maatregelen om de verkeersstromen te verwerken buiten het plangebied. Bovendien is de besluitvorming over de infrastructurele wijzigingen niet afgerond. Verder stelt de raad ten onrechte dat de noodzaak voor het aanpassen van de wegenstructuur niet voortkomt uit dit plan maar uit de reeds aanwezige knelpunten en de wens om de bereikbaarheid van de luchthaven en het bedrijventerrein GDC-Acht te verbeteren. De Burgh Acht en de stichtingen kunnen dit standpunt niet rijmen met het betoog van de raad in de nota van zienswijzen waarin staat dat het sleutelproject bereikbaarheid een voorwaarde is voor het realiseren van de BIC. 20.
- De raad betoogt dat de Challenge-variant niet nodig is voor de ontsluiting van het eerste cluster van fase
- De ontwikkeling waarin voorliggend plan in voorziet wordt ontsloten via de Landsard. 20.
- In de plantoelichting is in paragraaf 3.8.1 ingegaan op onder andere het verkeer. De zogenoemde Challenge-variant is bedoeld om de bestaande aansluitingen ten behoeve van bedrijventerrein Westfields, , Eindhoven Airport en GDC Acht en het nieuw voorziene BIC beter met elkaar te verbinden. Hieruit volgt dat deze variant niet alleen noodzakelijk is vanwege het voorliggende plan. Omdat BIC in een aantal fasen wordt ontwikkeld en tijdens de realisatie van het eerste cluster van het zuidelijk deel van BIC de definitieve ontsluiting van het zuidelijk cluster nog niet gereed zal zijn, wordt er een tijdelijke ontsluiting gerealiseerd, waarin dit plan voorziet. Er wordt een weg aangelegd tussen de Oirschotsedijk en het eerste cluster van BIC. Daarbij wordt een deel van de Landsard (tussen de Rijtackerweg en de Oirschotsedijk) vooruitlopend op de aanleg van de HOV-baan verbreed, aldus de plantoelichting. In het MER zijn de verkeerseffecten onderzocht. In het daaraan ten grondslag liggende rapport "Achtergrond rapport" van 7 juli 2015, opgesteld door onderzoeksbureau AnteaGroup zijn hiertoe, rekening houdend met de verkeersintensiteit en verkeersstromen, verschillende varianten tegen elkaar afgezet. De Afdeling ziet in hetgeen De Burgh Acht en de stichtingen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat dit rapport zodanige leemtes bevat of onzorgvuldig is, dat de raad bij de vaststelling van het bestreden besluit niet in redelijkheid op dit rapport heeft kunnen afgaan. Verkeersbesluiten die van belang zijn voor de verkeersafwikkeling zullen pas genomen worden op het moment dat het plan gerealiseerd gaat worden. De raad was niet gehouden deze uitvoeringsbesluiten voor de vaststelling van dit plan reeds te nemen. De Afdeling is van oordeel dat de raad de verkeersafwikkeling voldoende heeft onderzocht en dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voorziet in een afdoende mogelijkheid om het verkeer op een aanvaardbare wijze af te wikkelen. Het betoog faalt. Luchthaven Eindhoven
- De Burgh Acht en de stichtingen betogen dat onduidelijk is of BIC fase 2 en 3 gerealiseerd kunnen worden gelet op de beperkingen die gelden voor bouwhoogten en het aantal werknemers vanwege de luchthaven Eindhoven. 21.
- De raad stelt zich op het standpunt dat deze beroepsgrond de uitvoerbaarheid van dit plan niet raakt. In het kader van de externe veiligheid wordt immers aan de richtwaarde voldaan. Daarnaast stelt de raad dat de ingeroepen normen niet strekken ter bescherming van de belangen van De Burgh Acht en de stichtingen, zodat het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste in zoverre aan de vernietiging van het plan in de weg staat. 21.
- Het plangebied ligt vlak bij de luchthaven Eindhoven. Om die reden is er onderzoek gedaan naar eventuele belemmeringen vanwege deze luchthaven. Eind 2009 is de Regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens (RBML) in werking getreden. Op basis van deze regelgeving moet een luchthavenbesluit worden opgesteld, waarin onder andere een grenswaarde voor externe veiligheid kan worden opgenomen. Het Luchthavenbesluit Eindhoven is op 1 oktober 2014 in werking getreden, zonder dat daarin regels over externe veiligheid zijn opgenomen. Extern veiligheidsbeleid aangaande het luchthaventerrein Eindhoven is vastgelegd in een brief van 28 oktober 2009 van het (voormalig) Ministerie van VROM. In de bijlage van de brief van 28 oktober 2009 van het (voormalig) Ministerie van VROM staan de voorwaarden opgenomen waaraan een gemeente zich moet houden wanneer binnen de PR 10-5 en PR 10-6 contouren ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. 21.
- In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: het Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) zijn algemene regels opgenomen voor het militaire luchtvaartterrein en voor het daarbij behorende beperkingengebied. Rond de luchthaven Eindhoven gelden normen voor toegestane bebouwing. Bebouwing is niet toegestaan wanneer deze het Instrument Landing System (hierna: ILS) verstoren. Het plangebied ligt volgens het Rarro binnen het ILS rondom de luchthaven Eindhoven.Om die reden is een verstoringsonderzoek uitgevoerd voor de realisatie van BIC fase
- 21.
- De betogen van De Burgh Acht en de stichtingen hebben betrekking op de naleving van de normen voor veiligheidsrisico’s en het hanteren van bouwbeperkingen in verband met radarverstoringen. Deze bezwaren zien uitsluitend op de belangen van de gebruikers van de percelen in het plangebied en de luchthaven Eindhoven. Het beroep van De Burgh Acht en de stichtingen is echter gericht op het voorkomen van het realiseren van een bedrijventerrein voor concurrente bedrijvigheid in hun omgeving waardoor er op hun bedrijventerrein leegstand kan ontstaan. De hier in geding zijnde normen hebben niet de strekking de belangen van De Burgh Acht en de stichtingen te beschermen. Het voorgaande leidt ertoe dat de Afdeling deze beroepsgrond buiten beschouwing zal laten, nu artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg staat dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd. Flora- en Faunawet
- De Burgh Acht en de stichtingen voeren aan dat de Flora- en Faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Uit het aanvullende onderzoek volgt dat beschermde soorten zijn aangetroffen en dat een ontheffing niet kan worden verkregen. Zo is het plangebied een belangrijk foerageergebied van vele soorten vleermuizen en zijn er vaste vliegroutes. Ten onrechte is in het aanvullende onderzoek niet onderzocht of deze routes en foerageergebieden samenvallen met vaste rust- en verblijfplaatsen en of door aantasting van de vliegroutes en het foerageergebied de ecologische functionaliteit zodanig wordt verstoord dat de vleermuizen deze plaatsen zullen verlaten. Verder zijn er meerdere jaarrond beschermde nesten en plantensoorten aangetroffen en blijkt niet hoe negatieve effecten op deze soorten zijn uitgesloten. 22.
- De raad stelt zich op het standpunt dat er geen ontheffing van de Flora- en Faunawet is vereist. Voorts betoogt de raad dat de ingeroepen norm niet strekt ter bescherming van de belangen van De Burgh Acht en de stichtingen, zodat het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste in zoverre aan de vernietiging van het plan in de weg staat. 22.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:75) brengt een redelijke toepassing van het relativiteitsvereiste, als vervat in artikel 8:69a van de Awb, met zich dat belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op de normen van de Flora- en faunawet omdat die normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, zich evenmin op die normen kunnen beroepen ten betoge dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is. Het betoog van De Burgh Acht en de stichtingen strekt tot vernietiging van het bestreden besluit op de grond dat het plan niet uitvoerbaar is vanwege het in strijd met de Ffw verstoren van het foerageergebied van vleermuissoorten, het vernielen van jaarrond beschermde nesten van vogels en het vernielen van beschermde plantensoorten. In zoverre beroepen De Burgh Acht en de stichtingen zich, ter onderbouwing van hun stelling dat het plan niet uitvoerbaar is, dan ook op strijdigheid met de rechtsregels uit de Ffw. De ingeroepen normen uit de Ffw strekken tot bescherming van de genoemde plant- en diersoorten en hun nesten en vaste rust- of verblijfplaatsen. Het beroep van De Burgh Acht en de stichtingen is echter gericht op het voorkomen van het realiseren van een bedrijventerrein voor concurrente bedrijvigheid in hun omgeving waardoor er op hun bedrijventerrein leegstand kan ontstaan. De ingeroepen normen uit de Ffw strekken derhalve kennelijk niet tot bescherming van het belang van De Burgh Acht en de stichtingen. Dit betekent dat het betoog van De Burgh Acht en de stichtingen ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet kan leiden tot vernietiging van het plan. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van dat betoog. Financiële uitvoerbaarheid en staatssteun
- De Burgh Acht en de stichtingen betwijfelen of het plan financieel uitvoerbaar is. In de anterieure overeenkomst zijn uitsluitend afspraken over de infrastructurele voorzieningen gemaakt. Bovenplanse kosten zijn ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Volgens De Burgh Acht en de stichtingen stelt de raad ten onrechte dat de kosten anderszins verzekerd zijn en dat het plan financieel uitvoerbaar is. Volgens De Burgh Acht en de stichtingen is het plan in strijd met artikel 6.24 van de Wro. Verder hebben De Burgh Acht en de stichtingen twijfels of er geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Hiervoor wijzen zij op de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:
- 23.
- De raad stelt zich op het standpunt dat in de anterieure overeenkomst is bepaald dat alle openbare voorzieningen voor rekening en risico van de initiatiefnemer zijn. Apparaatskosten dienen eveneens door de initiatiefnemer betaald te worden. Over de gestelde staatssteun hebben De Burgh Acht en de stichtingen niet aannemelijk gemaakt dat daar sprake van is. Voorts betoogt de raad dat de ingeroepen normen niet strekken ter bescherming van de belangen van De Burgh Acht en de stichtingen, zodat het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste in zoverre aan de vernietiging van het plan in de weg staat. 23.
- Over het betoog van De Burgh Acht en de stichtingen dat mogelijk sprake is van ongeoorloofde staatssteun, overweegt de Afdeling dat dit in de onderhavige procedure slechts indirect aan de orde kan komen, en wel in het kader van de vraag of staatssteun mogelijk een beletsel is voor de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan. Staatssteun houdt immers geen verband met de ruimtelijke effecten van het plan. Een dergelijk betoog kan derhalve slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode, die in beginsel tien jaar bedraagt. Hieraan is niet reeds voldaan, indien De Burgh Acht en de stichtingen aannemelijk maken dat de staatssteun die plaats heeft of heeft gehad kan worden teruggevorderd. Daarnaast dienen De Burgh Acht en de stichtingen aannemelijk te maken dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat als gevolg daarvan het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd op een wijze zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend. In dit kader is van belang dat in dit geval voor de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan de betrokkenheid van [belanghebbende] als ontwikkelaar niet van doorslaggevende betekenis is. De enkele omstandigheid dat de [belanghebbende] zich in verband met een mogelijke terugvordering van staatssteun als ontwikkelaar daaruit geheel of gedeeltelijk zou moeten terugtrekken, brengt immers nog niet met zich dat het niet mogelijk zal zijn tot de realisering van in het plan voorziene, maar nog niet gerealiseerde ontwikkelingen over te gaan zonder ongeoorloofde staatssteun. Hierbij betrekt de Afdeling dat het denkbaar is dat één of meerdere andere marktpartijen, al dan niet in, respectievelijk op een - overigens binnen het plan passende - aangepaste vorm en/of wijze de realisering van de betreffende ontwikkeling of ontwikkelingen (verder) kunnen uitvoeren. Gelet op het voorgaande hebben De Burgh Acht en de stichtingen niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd op een wijze zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend. 23.
- Voor zover het betoog van De Burgh Acht en de stichtingen moet worden opgevat als gericht tegen het niet vaststellen van het financiële onderdeel van een exploitatieplan zouden De Burgh Acht en de stichtingen, indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij de desbetreffende onderdelen van het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat De Burgh Acht en de stichtingen geen eigenaars zijn van gronden in het exploitatiegebied en evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro hebben gesloten met betrekking tot gronden in het plangebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van De Burgh Acht en de stichtingen die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van de genoemde onderdelen van een exploitatieplan, kunnen zij evenmin worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van delen van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. Het beroep van De Burgh Acht en de stichtingen is in zoverre niet-ontvankelijk. Aanwijzing als experiment
- De Burgh Acht en de stichtingen betogen dat artikel 7c, eerste lid van het Besluit Chw in strijd is met artikel 2.4, derde lid, van de Chw en daarmee onverbindend is. Zij wijzen hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:201, waarin onder andere artikel 7c, tweede lid, van het Besluit Chw onverbindend is verklaard. Volgens hen dient de Afdeling ook het eerste lid van dat artikel onverbindend te verklaren, hetgeen betekent dat in dit plan bij wijze van experiment ten onrechte niet ruimtelijk relevante aspecten in de planregels zijn geregeld. Het schrappen van deze planregels betekent dat ook reguliere bedrijven zich in het plangebied kunnen vestigen en daarvan is de actuele regionale behoefte niet aangetoond. 24.
- Ingevolge artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder k, van de Chw kan bij algemene maatregel van bestuur op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers wie het mede aangaat, met inachtneming van bindende besluiten van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Europese Commissie, bij wege van experiment worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening. Ingevolge het derde lid, wordt bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, bepaald: a. welke afwijking of afwijkingen van de betrokken in het eerste lid genoemde wet of wetten is of zijn toegestaan; b. de ten hoogste toegestane tijdsduur van die afwijking of afwijkingen, en c. de wijze waarop wordt vastgesteld of een afwijking aan haar doel beantwoordt, en of de tijdsduur daarvan aanpassing behoeft. Ingevolge artikel 7c, eerste lid, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: Besluit uitvoering Chw) kunnen in aanvulling op artikel 3.1, eerste lid, van de Wro in het bestemmingsplan ook regels worden gesteld, die strekken ten behoeve van het: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies. Ingevolge het tweede lid wordt in afwijking van artikel 3.1, tweede lid, van de Wro de bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, binnen een periode van twintig jaar opnieuw vastgesteld. Artikel 3.1, derde tot en met vijfde lid, van de Wro is niet van toepassing. Ingevolge het dertiende lid, aanhef en onder o, is dit artikel van toepassing op het plangebied Brainport Park, gemeente Eindhoven, zoals aangegeven op de kaart in bijlage
- Ingevolge het veertiende lid, aanhef en onder d, kan van de in dit artikel bedoelde bevoegdheid tot het vaststellen van bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte gebruik worden gemaakt voor de in de onderdelen k tot en met s van het dertiende lid genoemde plangebieden tot 9 september
- 24.
- In artikel 7c, dertiende lid, aanhef en onder o, van het Besluit uitvoering Chw is het gebied Brainport Park, gemeente Eindhoven aangewezen als experiment als bedoeld in de Chw. Het plangebied ligt binnen dat gebied. Artikel 7c is derhalve van toepassing op dit plan. De Afdeling stelt voorop dat ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb tegen een algemeen verbindend voorschrift geen beroep kan worden ingesteld. Deze bepaling staat evenwel niet in de weg aan de mogelijkheid van exceptieve toetsing. Exceptieve toetsing houdt in dat aan een algemeen verbindend voorschrift slechts verbindende kracht kan worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag om de verschillende belangen die bij het nemen van een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft ook overigens daarbij terughoudendheid te betrachten. 24.
- In de genoemde uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016 is overwogen dat artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw in strijd is met artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Chw, omdat niet de ten hoogste toegestane tijdsduur van de in die procedure van belang zijnde afwijkingen is bepaald. Artikel 7c, tweede, zesde en zevende lid, van het Besluit uitvoering Chw, die in die procedure in geding waren, zijn verbindende kracht ontzegd. Bij Besluit van 22 juni 2016 tot wijziging van het Besluit uitvoering Chw, houdende een aanvulling en verduidelijking van de ten hoogste toegestane tijdsduur van de krachtens artikel 2.4 van de Chw bij wege van experiment toegestane afwijkingen (dertiende tranche), Stb. 2016, 252, (hierna: Besluit tot wijziging) is aan artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw lid veertien toegevoegd dat van toepassing is op artikel 7c in zijn geheel. Daarin is de toegestane tijdsduur, waarbinnen gebruik gemaakt kan worden van de in artikel 7c van het Besluit uitvoering Chw, en dus ook van de in het eerste lid van dat artikel genoemde afwijkingen, beperkt. Deze wijziging werkt, gelet op artikel II van het Besluit tot wijziging, terug tot 15 mei 2014 en is derhalve van toepassing op het bestreden besluit. In hetgeen De Burgh Acht en de stichtingen aanvoeren bestaat geen aanleiding om artikel 7c, eerste lid, van het Besluit uitvoering Chw onverbindend te achten. Het betoog faalt. Conclusie en proceskosten
- Gelet op het voorgaande is het beroep van De Burgh Acht en de stichtingen voor zover gericht tegen het niet vaststellen van het financieel deel van een exploitatieplan en voor zover niet ingesteld door [appellante sub 2], [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en Paradigit, niet-ontvankelijk. Voor het overige is het beroep van De Burgh Acht en de stichtingen ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van [appellante sub 2] en andere, voor zover ingediend door [appellante sub 2], [appellante sub 2A], [appellante sub 2B] en Paradigit B.V., en het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk; II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] en andere, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Mercker, griffier. w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Mercker voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2016 661.