(9010)" waren de windturbines als zodanig bestemd. De Afdeling overweegt dat gelet op de rechtszekerheid, bestaande legale windturbines in beginsel als zodanig dienen te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden als een dienovereenkomstige bestemmingsregeling op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde regeling zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Als daarnaast aannemelijk is dat er concreet zicht bestaat op verwijdering van de windturbines binnen de planperiode van in beginsel tien jaar, kunnen de bestaande windturbines als overbrugging van een tijdelijke situatie onder het overgangsrecht worden gebracht. Als het als zodanig bestemmen van legale windturbines niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, het belang van de beoogde regeling zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen en niet aannemelijk is dat er concreet zicht bestaat op verwijdering van de windturbines, kan de raad ook overwegen een beëindigingsregeling voor windturbines in het plan op te nemen die enerzijds recht doet aan de bestaande situatie en belangen en anderzijds perspectief biedt om toe te werken naar de gewenste nieuwe situatie en daarbij aan de orde komende belangen. Een dergelijke beëindigingsregeling houdt in dat de desbetreffende windturbines als zodanig worden bestemd waarbij beperkingen worden opgelegd aan de mogelijkheden voor vervangende nieuwbouw. In dat verband dient de raad zich rekenschap te geven van de gevolgen van die beperkingen, de vraag of die niet onevenredig zijn en of ter zake niet een compensatie aan de orde moet zijn.
- Ten aanzien van het betoog van SVDW en andere dat de beëindigingsregeling leidt tot een doorbreking van de bestaande lijnopstelling, overweegt de Afdeling als volgt. Inherent aan het opnemen van de beëindigingsregeling is dat de windturbines op termijn zullen verdwijnen, waarbij de mogelijkheid bestaat dat niet alle windturbines gelijktijdig zullen verdwijnen en aldus niet langer sprake zal zijn van een lijnopstelling. De raad heeft ter zitting toegelicht zich hiervan bewust te zijn, maar aangegeven dat dit onvermijdelijk is om het beoogde doel - een sanering van de windturbines op termijn - te bereiken. De Afdeling ziet in dit betoog van SVDW en andere geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan om deze reden niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het betoog van SVDW en andere dat de vermelding van het type en het vermogen van de bestaande windturbines in de tabel in lid 29.9.1 niet ruimtelijk relevant is slaagt evenmin. Hiermee wordt immers de bestaande situatie vastgelegd die noodzakelijk is om uitvoering te kunnen geven aan de beëindigingsregeling. In dat verband wijst de Afdeling onder meer op het bepaalde in lid 29.9.3, waarin is opgenomen dat tot een strijdig gebruik in ieder geval wordt gerekend het gebruik van de bestaande windturbines, zodanig dat toename plaatsvindt van de energieopbrengst en/of het vermogen. Wat betreft het betoog van EWI en andere dat de rotordiameter van de windturbines aan de Overijsselse tocht 70 meter in plaats van 66 meter is, heeft de raad ter zitting gewezen op de bouwvergunning die bij de reactie op de beroepschriften is gevoegd. De Afdeling stelt vast dat uit deze stukken niet volgt wat de toegestane rotordiameter bedraagt van de windturbines. De stelling van de raad dat de rotordiameter van de windturbines aan de Overijsselse tocht 66 meter in plaats van 70 meter bedraagt, acht de Afdeling gelet hierop onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, zodat dit betoog van EWI en andere slaagt.
- Wat betreft de gevestigde rechten en belangen en de afweging hiervan, hebben EWI en andere en SVDW en andere erop gewezen dat de raad heeft voorzien in een beëindigingsregeling zonder de financiële gevolgen hiervan in kaart te brengen. Daarbij hebben zij in het bijzonder gewezen op het ontbreken van een financiële regeling voor de schade die zal ontstaan indien als gevolg van de planregeling de bestaande legale windturbines niet langer kunnen dan wel mogen worden gebruikt. Ter zitting is door de raad toegelicht dat wat betreft de financiële gevolgen voor de eigenaren van de windturbines ervan is uitgegaan dat de bestaande windturbines als zodanig zijn bestemd, zodat hieruit geen schade voortvloeit. De raad heeft vervolgens aangegeven dat hij de financiële consequenties van de beëindigingsregeling voor de eigenaren/ exploitanten van de windturbines, de vraag of en zo ja, in welke mate ter zake compensatie zou moeten plaatsvinden, de rol daarbij van artikel 6.1 van de Wro en de aard en omvang van de ter zake door de eigenaren/ exploitanten te lijden schade niet heeft onderzocht en beoordeeld. Het plan is in zoverre niet zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.
- Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de in artikel 29, lid 29.9 tot en met lid 29.9.3, van de planregels opgenomen beëindigingsregeling is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. De betogen van EWI en andere, voor zover ontvankelijk, en SVDW en andere slagen.
- Nu de wijzigingsbevoegdheid als vervat in artikel 29, lid 29.9.4, van de planregels is gekoppeld aan de beëindigingsregeling, inhoudende dat de aanduiding "overige zone-windturbine" kan worden verwijderd indien een windturbine drie maanden of langer buiten bedrijf is en/of blijvend wordt verwijderd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat deze eveneens is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Het betoog van EWI en andere dat de wijzigingsbevoegdheid is vastgesteld in strijd met artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wro nu met de hierin opgenomen wijzigingsbevoegdheid de bestemming van gronden binnenplans kan worden gewijzigd en deze betrekking heeft op een gebied dat groter is dan het plangebied, behoeft gelet hierop geen bespreking. Conclusie
- In hetgeen EWI en andere en SVDW en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan ten aanzien van artikel 29, lid 29.9 tot en met lid 29.9.4 van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. De beroepen van EWI en andere, voor zover ontvankelijk, en SVDW en andere zijn gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft artikel 29, lid 29.9 tot en met lid 29.9.4 van de planregels alsmede de plandelen met de bestemming "Agrarisch", "Water" en "Water-Waterkering" ter plaatse van de aanduiding "overige zone-windturbine", daarbij inbegrepen de aan deze plandelen toegekende dubbelbestemmingen en aanduidingen.
- De raad heeft verzocht om zonodig toepassing te geven aan de bestuurlijke lus als bedoeld in artikel 8:51a en verder van de Awb. Met betrekking tot dit verzoek overweegt de Afdeling dat zij daartoe in dit geval geen aanleiding ziet. Daarbij is van belang dat de raad opnieuw zal moeten bezien of en zo ja, in welke vorm hij de beëindigingsregeling wenst te handhaven in het plan, waarbij niet is uitgesloten dat overleg met de provincie, de eigenaren van windturbines en eventuele andere betrokkenen dient plaats te vinden. Met het oog hierop acht de Afdeling het stellen van een termijn om het geconstateerde gebrek te herstellen niet wenselijk.
- Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Proceskosten
- De raad dient ten aanzien van EWI en andere en SVDW en andere op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1] en NFO bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en de vereniging Nederlandse Fruittelers Organisatie ongegrond; II. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EWI Windpark B.V. en andere, voor zover dit is gericht tegen de planregeling voor de windturbine aan het Elandpad 1 te Dronten, niet-ontvankelijk; III. verklaart de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EWI Windpark B.V. en andere voor het overige en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 3] en andere gegrond; IV. vernietigt het besluit van de raad van 30 april 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Dronten (D4000)", voor zover het betreft: a. artikel 29, lid 29.9 tot en met lid 29.9.4 van de planregels; b. de plandelen met de bestemming "Agrarisch", "Water" en "Water-Waterkering" ter plaatse van de aanduiding "overige zone-windturbine", daarbij inbegrepen de aan deze plandelen toegekende dubbelbestemmingen en aanduidingen. V. veroordeelt de raad van de gemeente Dronten tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EWI Windpark B.V. en andere in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere; veroordeelt de raad van de gemeente Dronten tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 3] en andere in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere; VI. gelast dat de raad van de gemeente Dronten aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 3] en andere, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere, en € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EWI Windpark B.V. en andere, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere; VII. draagt de raad van de gemeente Dronten op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de onder IV. vernietigde planonderdelen worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl. Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, griffier. w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Fenwick voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2016 608.