201602471/1/R6. Datum uitspraak: 19 oktober 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te [woonplaats], en de raad van de gemeente Enschede, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 22 februari 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Ambachtsschool" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 augustus 2016, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. W. Burger, E.R. Smits en N.H. Hinsenveld, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Overwegingen 1. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het terrein van de Ambachtsschool aan de Boddenkampsingel 80 in Enschede. 2. [appellant] is eigenaar van de panden [locatie 1] en [locatie 2] in Enschede, op hemelsbreed ongeveer 430 m van het plangebied. [appellant] komt in beroep omdat hij vreest dat als gevolg van het plan zijn eigen panden minder goed te verhuren zullen zijn. 3. De raad stelt dat [appellant] geen belanghebbende is bij het plan vanwege de afstand tussen zijn panden en het plangebied. 3.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 3.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2007, in zaak nr. 200606317/1) is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende. Van een concurrentiebelang is slechts sprake indien de onderneming in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam is als de in het plan voorziene bedrijvigheid. 3.3. Het plangebied is grotendeels bestemd als "Gemengd - 3". Deze bestemming staat, onder meer, bedrijven, kantoren en zakelijke dienstverlening toe. De panden van [appellant] zijn in het bestemmingsplan "Lasonder-Zeggelt" eveneens voor deze functies bestemd. De afstand van ongeveer 430 m tussen de twee locaties is naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet zodanig dat een negatieve beïnvloeding van de verhuurbaarheid van de panden van [appellant] door de vaststelling van het plan bij voorbaat kan worden uitgesloten. Daarom is de Afdeling van oordeel dat [appellant] als verhuurder in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam is als de in het plan voorziene bedrijvigheid. Hier doet niet aan af de stelling van de raad ter zitting dat de Ambachtsschool een pand is met een heel ander karakter dan de panden van [appellant]. De raad heeft namelijk ter zitting eveneens toegelicht dat het voornemen is de Ambachtsschool in gedeelten aan diverse kleinere ondernemers te verhuren. Gelet hierop acht de Afdeling niet bij voorbaat uitgesloten dat ondernemers die geïnteresseerd zijn in het huren van de panden van [appellant] eveneens geïnteresseerd zullen zijn in het huren van een gedeelte van de Ambachtsschool. De conclusie is dan ook dat de belangen van [appellant] rechtstreeks bij het plan zijn betrokken en dat hij daartegen beroep kan instellen. 4. Gelet op het verhandelde ter zitting begrijpt de Afdeling het betoog van [appellant] als volgt. [appellant] is van mening dat het plan detailhandel mogelijk maakt terwijl de gemeentelijke Detailhandelsstructuurvisie 2012 dat op deze locatie verbiedt. Weliswaar is alleen ondergeschikte detailhandel toegestaan, maar de toegestane oppervlakte van 750 m2 is daarvoor volgens [appellant] te groot. Bovendien is volgens hem onduidelijk hoe de ondergeschiktheid van de detailhandel zal worden gecontroleerd. Dit laatste stelt [appellant] ook over de ondergeschikte horeca die het plan toestaat. [appellant] voert verder aan dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden doordat zijn verzoeken om detailhandel en horeca in zijn panden toe te staan zijn afgewezen, terwijl deze functies in de omgeving nu ineens wel worden toegestaan in een pand van de gemeente. In dit verband heeft hij ter zitting gewezen op zijn aanvragen om vestigingen van formules voor het bereiden en bezorgen van pizza’s en taco’s in zijn panden te kunnen laten exploiteren. 4.1. De raad heeft ter zitting gesteld dat op grond van pagina 27 van de Detailhandelsstructuurvisie 2012 ondergeschikte detailhandel in de Ambachtsschool toelaatbaar is. Zowel de detailhandel als de horeca is volgens de raad in dit geval ondergeschikt, omdat voor beide functies maximaal ongeveer 10 procent van de totale vloeroppervlakte van de Ambachtsschool mag worden gebruikt. Verder heeft de raad ter zitting gesteld dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden is, omdat de door [appellant] genoemde formules in de Ambachtsschool ook niet zijn toegestaan. In het verweerschrift heeft de raad zich tevens op het standpunt gesteld dat de belangen van [appellant] niet betrokken zijn bij het plan en dat het beroep daarom op grond van artikel 8:69a van de Awb niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. 4.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Gemengd - 3" aangewezen gronden bestemd voor: 1. bedrijven, als genoemd in categorie A en B uit de hoofdgroep Bedrijven van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1), met uitzondering van de vestiging van risicovolle inrichtingen, vuurwerkbedrijven en garagebedrijven en met een maximum vloeroppervlak van 3500 m² b.v.o; 2. maatschappelijke voorzieningen, als genoemd in categorie A en B uit de hoofdgroep Maatschappelijk van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1); 3. culturele voorzieningen, als genoemd in categorie A en B uit de hoofdgroep Cultuur en Ontspanning van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1); 4. kantoren, met een maximum toegestane vloeroppervlakte van 3.500 m² b.v.o.; 5. detailhandel, voor zover naar aard en omvang ondergeschikt aan de hoofdfunctie en met een maximum verkoopvloeroppervlak van 750 m² b.v.o., met dien verstande dat detailhandel in vuurwerk niet is toegestaan 6. zakelijke dienstverlening met een maximum toegestane vloeroppervlakte van 3.500 m² b.v.o.; 7. lichte horeca, met een maximum vloeroppervlak van 750 m² b.v.o.; 8. sportvoorzieningen, als genoemd in categorie A en B uit de hoofdgroep Sport van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging (bijlage 1); (…). Ingevolge artikel 1, lid 1.35, wordt onder lichte horeca verstaan een aan de hoofdfunctie naar aard en omvang ondergeschikt restaurant en/of een congres- en vergaderruimte, die uitsluitend toegankelijk is via de ingang(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.