(2012), paragraaf 3.4.2; www.ctivd.nl). [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet op zijn betoog over de briefnummers is ingegaan. Voorts betwist [appellant] het oordeel van de rechtbank dat de geweigerde "staarten" inzicht geven in het actuele kennisniveau van de dienst. 5.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 augustus 2015 in zaak nr. 201407121/1/A3 kan de AIVD zijn wettelijke taak uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief uitoefenen en moet hij zijn bronnen en actuele werkwijzen geheim kunnen houden, omdat het geven van inzicht daarin ten koste gaat van het goed functioneren van de AIVD en daarmee ten koste van de nationale veiligheid, ter bescherming waarvan de AIVD is opgericht. 5.
- De minister heeft aan de weigering de nieuwsbrieven volledig openbaar te maken onder meer ten grondslag gelegd dat verstrekking van bepaalde in de nieuwsbrieven aanwezige gegevens de nationale veiligheid zou kunnen schaden, als bedoeld in artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wiv. Daartoe voert de minister aan dat de AIVD zijn bronnen, zijn werkwijze en zijn actuele kennisniveau geheim moet kunnen houden. De minister heeft in het besluit van 7 januari 2014 in algemene bewoordingen omschreven waarom die aspecten aan openbaarmaking van gegevens in de weg staan. In de door de minister uitsluitend aan de Afdeling overgelegde stukken heeft de minister met codes te kennen gegeven welke weigeringsgronden aan verstrekking van passages en delen van de nieuwsbrieven in de weg staan. De feitelijke vaststelling van de minister of een document gegevens bevat die zien op bronnen, een actuele werkwijze of een actueel kennisniveau van de AIVD, kan door de rechter worden gecontroleerd. [appellant] heeft betoogd dat de ‘staarten’ van pagina’s, de namen van teams, de artikelen in een aantal nieuwsbrieven, de titel van een artikel, de naam dan wel omschrijving van een project en de in inhoudsopgaven weggelakte informatie ten onrechte zijn geweigerd. Na kennisneming van deze uitsluitend aan de Afdeling overgelegde stukken is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat met die informatie het actuele kennisniveau van de dienst, namen van bronnen of een nog actuele werkwijze bekend zouden kunnen worden. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de minister deze informatie terecht heeft geweigerd te verstrekken. 5.
- De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de Wiv zich verzet tegen het verstrekken van de paginanummers van de nieuwsbrieven en de rubriceringen. De minister heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat wanneer een in een nieuwsbrief opgenomen artikel meer pagina’s beslaat dan een ander artikel, daaruit kan worden herleid dat dat onderwerp op dat moment belangrijk was en daar veel aandacht naar uitging, hetgeen iets kan zeggen over de omvang van het dossier. Wat betreft de rubricering is van belang dat de minister heeft toegelicht dat rubricering van een document inzicht geeft in de beoordeling en de werkwijze ten aanzien van de aangelegenheid waarop het betreffende document betrekking heeft. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen (zie uitspraak van 18 maart 2015 in zaak nr. 201407449/1/A3) ziet het Toezichtsrapport inzake de rubricering van staatsgeheimen door de AIVD, waar [appellant] naar heeft verwezen, op de algemene rubricering van een bepaalde werkwijze als al dan niet staatsgeheim en niet op toepassing van een bepaalde werkwijze in het concrete geval. Dat rapport biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de minister de rubricering van de relevante documenten niet mocht weigeren te verstrekken. 5.
- Voorts heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat, anders dan [appellant] heeft betoogd, alle briefnummers, voor zover aanwezig, zijn verstrekt. Niet in alle nieuwsbrieven, zoals in de door [appellant] genoemde nieuwsbrief jaargang 7, nr. 2, juli 2002, is een briefnummer vermeld. Het betoog faalt.
- [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de weigering namen van personen te verstrekken heeft kunnen baseren op artikel 45 van de Wiv. Die bepaling ziet volgens [appellant] op inzage in persoonsdossiers, terwijl het hier gaat om onderwerpdossiers. Daarvoor kan verstrekking van namen alleen worden geweigerd op grond van artikel 55, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wiv, waarbij een belangenafweging moet plaatsvinden. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de minister in zijn besluitvorming de schijn van volstrekte willekeur wekt. In het ene geval zijn namen van bekende personen wel verstrekt en in het andere geval niet, aldus [appellant]. 6.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 juli 2015 in zaak nr. 201408180/1/A3) is in de artikelen 47 en 50 van de Wiv aan een ieder het recht toegekend om kennis te nemen van hem betreffende persoonsgegevens, onderscheidenlijk persoonsgegevens van naaste familieleden die overleden zijn, doch is niet voorzien in een mogelijkheid om kennis te nemen van persoonsgegevens van derden. Anders dan [appellant] heeft betoogd, is hierbij niet van belang in welk soort dossier persoonsgegevens zijn opgenomen. In artikel 51 van de Wiv wordt voorts aan een ieder het recht toegekend kennis te nemen van andere dan persoonsgegevens, betreffende de in de aanvraag vermelde bestuurlijke aangelegenheid. Uit deze bepalingen volgt derhalve dat de minister terecht heeft geweigerd persoonsgegevens te verstrekken aan [appellant], nu deze gegevens geen betrekking hebben op hem en hij niet voldoet aan de mogelijkheden die de Wiv biedt voor verstrekking hiervan aan derden. Het betoog faalt.
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 17 april 2014 van de minister alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt, voor zover dat ziet op de niet in de vertrouwelijke stukken aanwezige nieuwsbrieven, wegens strijd met artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.
- Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
- De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 november 2014 in zaak nr. 14/6756; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 april 2014, kenmerk 83845db9-or1-1.0, voor zover dat ziet op de niet in de vertrouwelijke stukken aanwezige nieuwsbrieven; V. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; VI. veroordeelt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte reis- en verletkosten tot een bedrag van € 68,44 (zegge: achtenzestig euro en vierenveertig cent); VII. gelast dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 411,00 (zegge: vierhonderdelf euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. H. Bolt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier. w.g. Vlasblom w.g. Langeveld-Mak voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2016 317-773.