Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht. 201508595/1/R
(17). Er is dan ook geen sprake van nieuwe bedrijvigheid, maar van het verplaatsen van bestaande bedrijvigheid naar een andere locatie, direct grenzend aan een van de oude locaties, bij een gelijkblijvend aantal werkruimten. Voorts is in de plantoelichting vermeld dat de behoefte aan deze vorm van bedrijvigheid in de afgelopen 15 jaar gelijk is gebleven. In aanvulling hierop heeft de raad ter zitting toegelicht dat de prostitutiezone aan het voormalige Zandpad ten tijde van de sluiting een bezettingsgraad van 97 procent kende en druk werd bezocht, evenals de werkruimten in het stadscentrum. Verder is in de plantoelichting vermeld dat de ontwikkeling voorziet in een (boven)regionale behoefte. Op dit moment is er in Utrecht geen sprake van een bestaand, legaal, aanbod. Ook elders in de regio zijn geen ramen in gebruik of voorzien die in de behoefte kunnen voorzien. Nu er geen sprake is van een bestaand legaal aanbod in de regio, valt leegstand aldaar niet te verwachten. De prostitutieboten aan het voormalige Zandpad zijn bovendien inmiddels geamoveerd. De panden in het stadscentrum in de Hardebollenstraat zijn aangekocht door de gemeente en zullen een andere bestemming krijgen, zodat ook in Utrecht zelf geen leegstand zal ontstaan ten gevolge van het plan. 7.
- De Afdeling stelt vast dat de raad heeft bezien of sprake is van een actuele regionale behoefte aan de in het plan voorziene ontwikkeling van maximaal 162 werkruimten voor raamprostitutie. De Afdeling acht het niet onredelijk dat de raad wat betreft het aantal werkruimten is uitgegaan van het aantal dat voorheen in totaal in gebruik was. De raad heeft in dit verband in aanmerking mogen nemen dat hieraan voorheen behoefte bestond en dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat deze behoefte thans niet meer bestaat of zou zijn afgenomen. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt stelt dat het uitgevoerde onderzoek voldoende gegevens bevat om in dit geval te kunnen dienen als een onderzoek naar de actuele regionale behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. De ter zitting gegeven toelichting in aanmerking genomen, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat gelet op de aard van de voorziene bedrijvigheid in dit specifieke geval geen aanleiding bestond voor een verdere, cijfermatige, onderbouwing van de actuele regionale behoefte aan de prostitutiezone. Op grond van dit onderzoek stelt de raad dat een actuele regionale behoefte bestaat aan de voorziene bedrijvigheid, niet alleen vanuit Utrecht maar ook vanuit de regio, en dat geen onaanvaardbare leegstand in Utrecht of elders in de betrokken regio zal ontstaan. De Afdeling is, op basis van hetgeen hieromtrent onder 7.6 is vermeld, van oordeel dat de raad afdoende heeft gemotiveerd dat een actuele regionale behoefte bestaat aan de prostitutiezone die het plan mogelijk maakt en dat dit niet leidt tot een vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare structurele leegstand. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro. Het betoog faalt. Prostitutie- en drugsgerelateerde overlast
- [appellant] en anderen betogen dat de prostitutiezone zal leiden tot ernstige prostitutie- en drugsgerelateerde overlast in hun woonomgeving en derhalve tot een aantasting van hun woongenot. Zij vrezen dat bezoekers, pooiers en drugsdealers naar de directe omgeving van het plangebied zullen komen. [appellant] en anderen stellen dat uit ervaringen bij het voormalige Zandpad is gebleken dat dit het geval zal zijn, mede vanwege cameratoezicht bij de prostitutiezone. 8.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de prostitutiezone geen onaanvaardbare overlast met zich zal brengen voor [appellant] en anderen. De raad wijst in dit kader op de afstand tot het Antoniuskwartier en de ligging daarvan. Voorts zullen maatregelen worden getroffen om mogelijke overlast te beperken, aldus de raad. 8.
- Zoals hiervoor onder 2.2 overwogen bedraagt de afstand tussen de woningen van [appellant] en anderen in fase 1 van het Antoniuskwartier en de prostitutiezone in het plangebied hemelsbreed ongeveer 300 meter. Deze woningen en het plangebied worden onder andere gescheiden door een doorgaande weg en door water- en groenvoorzieningen. Voor zover [appellant] en anderen hebben gewezen op de mogelijke uitstraling en negatieve effecten ten gevolge van de in het plan voorziene prostitutiezone voor hun woonomgeving, overweegt de Afdeling dat niet kan worden uitgesloten dat personen die gerelateerd zijn aan de aanwezigheid van de prostitutiezone zich tot bij hen in het Antoniuskwartier zullen begeven. Gelet echter op de afstand tussen de woningen van [appellant] en anderen in deze wijk en het plangebied, alsmede gezien de situering van die woningen ten opzichte van de prostitutiezone en de daartussen liggende functies, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de prostitutiezone niet zal leiden tot onaanvaardbare prostitutie- en drugsgerelateerde overlast in hun woonomgeving. Daarbij heeft de raad, zoals ter zitting toegelicht, in aanmerking mogen nemen dat een beheerplan zal worden vastgesteld, dat onder andere voorziet in de samenstelling van een beheergroep, met als doelstelling de overlast voor omwonenden te beperken. Voorts heeft de raad verklaard dat er verscherpt toezicht zal worden gehouden en, waar nodig, handhavend zal worden opgetreden. Het betoog faalt. Parkeeroverlast
- [appellant] en anderen betogen dat de prostitutiezone zal leiden tot ernstige parkeeroverlast bij hen in het Antoniuskwartier. Zij voeren hiertoe aan dat in het plangebied onvoldoende parkeerplaatsen worden aangelegd, waardoor bezoekers in het Antoniuskwartier zullen parkeren. [appellant] en anderen stellen dat in dit geval niet van de norm van 0,9 parkeerplaats per werkruimte kon worden uitgegaan. Volgens hen kon ter bepaling van de parkeernorm geen aansluiting worden gezocht bij de parkeerbehoefte aan het voormalige Zandpad omdat er sprake is van een gewijzigde situatie. In dit verband hebben [appellant] en anderen naar voren gebracht dat voorheen sprake was van een ‘circuit’ waarbij alle bezoekers langs de ramen reden en alleen klanten parkeerden, terwijl in de nieuwe situatie niet uitsluitend klanten, maar ook overige bezoekers moeten parkeren omdat de ramen niet langer met de auto zijn te bereiken. [appellant] en anderen voeren voorts aan dat bezoekers van de prostitutiezone vanwege het cameratoezicht bij de parkeervoorzieningen die aldaar worden aangelegd, om te parkeren naar verwachting zullen uitwijken naar het Antoniuskwartier. 9.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het plan geen ernstige parkeeroverlast met zich zal brengen in de omgeving van de prostitutiezone. Volgens de raad wordt in het plangebied in voldoende parkeerplaatsen voorzien, omdat evenals in de oude situatie 0,9 parkeerplaats per werkruimte zal worden aangelegd. De raad bestrijdt de verwachting dat de omstandigheid dat niet langer langs de ramen kan worden gereden, tot een toename van de parkeervraag zal leiden. Voorts wijst de raad ter onderbouwing van het standpunt dat het plan niet tot parkeeroverlast leidt op de "Second opinion parkeervraag zandpad" van 21 maart 2016 van Royal HaskoningDHV (hierna: de second opinion). 9.
- In de plantoelichting is vermeld dat het gemeentelijk parkeerbeleid dat is neergelegd in de nota "Stallen en parkeren" geen parkeernormen bevat voor de functie ‘raamprostitutie’. Evenmin kent het CROW parkeernormen voor raamprostitutiebedrijven. Gelet hierop is bij het bepalen van de norm aansluiting gezocht bij de voormalige prostitutiezone. Niet is gebleken dat in de oude situatie een tekort aan parkeergelegenheid bestond. In de oude situatie waren er 133 parkeerplaatsen bij de Einsteindreef en het Zandpad, hetgeen betekent dat er per werkruimte 0,9 parkeerplaats beschikbaar was. In de plantoelichting is vermeld dat de parkeerbehoefte voor 162 werkruimten bij een norm van 0,9 per ruimte, 143 parkeerplaatsen bedraagt. Daarenboven zijn nog 16 parkeerplaatsen benodigd voor de kantoorruimten en de hulpverleningspost die zijn voorzien. Gelet hierop bedraagt de totale parkeerbehoefte 159 parkeerplaatsen. Er zullen in de af- en opritten van de Einsteindreef in totaal 165 parkeerplaatsen worden aangelegd. 9.
- In de second opinion is vermeld dat er in het gemeentelijk parkeerbeleid geen categorie ‘raamprostitutie’ bestaat en dat de CROW deze categorie evenmin kent. Voorts is er geen informatie beschikbaar over parkeren bij een vergelijkbare functie elders in het land. De parkeerbehoefte is derhalve gebaseerd op de norm in de oude situatie. De vraag is dan ook gerechtvaardigd of die parkeernorm voldeed. Er zijn geen klachten bekend over het parkeren in de oude situatie. Voorts is de invloed van de verschillen tussen de oude en de nieuwe situatie op de parkeervraag onzeker en niet kwantitatief te maken. Het is op basis van voorgaande argumenten verdedigbaar om de oude situatie als uitgangspunt te gebruiken voor de parkeerberekening, aldus de second opinion. 9.
- De gronden waarop de aan te leggen parkeerplaatsen zijn voorzien hebben in het plan de bestemming "Verkeer" gekregen. Ingevolge artikel 6, aanhef en onder i, van de planregels zijn deze gronden onder meer bestemd voor parkeervoorzieningen. In artikel 3, lid 3.2.2, onder c, van de planregels is de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat gebouwen ten behoeve van raamprostitutie slechts mogen worden gebouwd, als er binnen de grens van het plan voldoende parkeergelegenheid voor het stallen van fietsen en auto’s wordt gerealiseerd, waarbij 0,9 (auto)parkeerplaats per werkruimte, 2 parkeerplaatsen per kantoor, 4 parkeerplaatsen voor de maatschappelijke voorzieningen en een voorziening voor 20 fietsen als voldoende beschouwd wordt. Blijkens de plantoelichting levert dit een parkeerbehoefte ten gevolge van de voorziene ontwikkelingen op van in totaal 159 parkeerplaatsen en zullen er 165 parkeerplaatsen worden aangelegd. Ten aanzien van het betoog van [appellant] en anderen dat in het voorliggende geval niet van de norm van 0,9 parkeerplaats per werkruimte kon worden uitgegaan, overweegt de Afdeling dat de raad in redelijkheid bij de parkeersituatie bij de voormalige prostitutiezone aan het Zandpad heeft kunnen aansluiten. De raad heeft hierbij in aanmerking mogen nemen dat de voorziene ontwikkeling een a-typische functie betreft, waarvoor geen parkeernormen voorhanden zijn, en dat niet is gebleken dat de toegepaste parkeernorm voorheen niet voldeed. Voorts hebben [appellant] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de gewijzigde inrichting van de prostitutiezone een relevante grotere parkeerbehoefte oplevert. De enkele stelling daartoe, is onvoldoende. In dit verband wordt tevens in aanmerking genomen dat deze stelling van [appellant] en anderen door de raad in aanmerking is genomen en bovendien is meegenomen in de second opinion, maar daarin geen bevestiging vindt. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat bezoekers van de prostitutiezone vanwege cameratoezicht bij de parkeervoorzieningen die aldaar worden aangelegd zullen uitwijken naar het Antoniuskwartier, overweegt de Afdeling dat, wat hiervan ook zij, niet de verwachting bestaat dat het plan zal leiden tot een dusdanige toename van de parkeerdruk bij [appellant] en anderen in hun gedeelte van het Antoniuskwartier, dat de raad om deze reden het plan niet had mogen vaststellen. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat in het geval bezoekers al elders zouden willen parkeren, het niet voor de hand ligt dat dit uitsluitend in het Antoniuskwartier zal plaatsvinden, aangezien andere woonwijken op eenzelfde afstand liggen als het Antoniuskwartier, zodat verspreiding over alle omliggende woonwijken in de rede ligt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de prostitutiezone niet zal leiden tot ernstige parkeeroverlast in het Antoniuskwartier. Het betoog faalt. Bereikbaarheid
- [appellant] en anderen betogen dat het plan voor hen leidt tot een ernstige beperking van de bereikbaarheid van het stadscentrum en in die richting gesitueerde voorzieningen. Zij stellen dat de meest gangbare en kortste fietsroute via de Einsteindreef en het Zandpad ten gevolge van de aanwezigheid van aan de prostitutiezone gerelateerde personen aldaar, onveilig zal worden. Zij vrezen voorts dat ook op de fietsroute via de Brailledreef negatieve effecten van de prostitutiezone merkbaar zullen zijn, zodat ook deze route niet langer veilig is. 10.
- De raad stelt zich op het standpunt dat ook na de bouw en ingebruikname van de prostitutiezone, voor [appellant] en anderen op korte afstand van hun woningen een veilige fietsroute richting het stadscentrum beschikbaar zal zijn. De raad wijst in dit verband erop dat het Antoniuskwartier in de nabijheid ligt van de hoofdfietsroute ‘Nieuwegein-Centrum-Maarssen/Overvecht’. Deze, recent verbeterde, fietsroute loopt via de Talmalaan en de Hopakker rechtstreeks naar het stadscentrum. 10.
- Zo ten gevolge van de prostitutiezone al sprake zou zijn van een vermindering van de veiligheid op de twee door [appellant] en anderen genoemde fietsroutes, zoals door hun gesteld, is gebleken dat op korte afstand van hun woningen een alternatieve route aanwezig is om van en naar het centrum van Utrecht te fietsen, namelijk de route waarop de raad wijst. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor [appellant] en anderen de bereikbaarheid van het stadscentrum en in die richting gesitueerde voorzieningen niet op een vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare wijze beperkt. Het betoog faalt. Conclusie
- Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. Proceskosten
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.J.M. Schoonbrood, griffier. w.g. Van Ettekoven w.g. Schoonbrood voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 november 2016 694.