(2015)5383148, afkomstig van een ambtelijke dienst van de Europese Commissie en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, no. W15.15.0183/IV (beide te vinden in Stcrt. 2016, nr. 7116), waar Mob op heeft gewezen, hebben beide betrekking op de destijds voorgenomen toevoeging van artikel 3a aan het Besluit. In artikel 3a, aanhef en onder b, van het Besluit is bepaald dat de vergunningplicht als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 niet geldt voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. Deze bepaling in het Besluit is op 27 april 2016 in werking getreden. De verlening van de vergunning door het college steunt niet op deze recente wetswijziging. De Afdeling overweegt dat in de bewuste brief noch in het eerdergenoemde advies van de Afdeling advisering van de Raad van State aanknopingspunten zijn te vinden voor de opvatting dat sprake is van een zodanig onlosmakelijke samenhang tussen het houden van dieren en het uitrijden van mest in het kader van de vergunningverlening op grond van de Nbw 1998 dat sprake is van één project. 2.
- Mob stelt met juistheid dat het houden van dieren leidt tot de productie van mest en dat dit in zoverre niet los van elkaar kan worden gezien. Dit betekent echter niet dat het houden van dieren ook noodzakelijkerwijs leidt tot het uitrijden van die mest, zodat niet in alle gevallen gesproken kan worden van een onlosmakelijk samenhang tussen het houden van dieren en het uitrijden van mest. In het voorliggende geval ziet de Afdeling in hetgeen Mob naar voren heeft gebracht en de overgelegde stukken geen aanleiding voor het oordeel dat het houden van dieren en het mogelijke uitrijden van mest op de bij de melkveehouderij behorende gronden in dit geval zodanig onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden dat het college de vergunning voor het aangevraagde project had moeten weigeren. Uitrijden van mest op deze gronden is niet noodzakelijk voor de afvoer van de mest, nu er alternatieven zijn waaronder verwerking op een andere locatie of vergisting in een biogasinstallatie. Dit betekent dat het uitrijden van mest dan ook niet als één project met het houden van vee behoefde te worden aangevraagd en vergund. Het betoog faalt.
- Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat het project niet passend is beoordeeld en heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de natuurlijke kenmerken van het gebied als gevolg van het project niet zullen worden aangetast. Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier. w.g. Helder w.g. Vreugdenhil voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2016 571.