← Nederland

ECLI:NL:RVS:2016:3507

201601261/1/V3 Datum uitspraak: 27 december 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 februari 2016 in zaak nr. 16/833 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 14 januari 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 12 februari 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I.N. Schalken, advocaat te Apeldoorn, heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het incidenteel hogerberoepschrift is aangehecht. De staatssecretaris heeft een zienswijze ingediend. De staatssecretaris en vreemdeling hebben nadere stukken ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen

  1. Bij nader stuk van 31 augustus 2016 heeft de staatssecretaris het door hem ingestelde hoger beroep ingetrokken en de vreemdeling aangeboden de in deze zaak gemaakte proceskosten te vergoeden. Hiertoe stelt hij dat het belang bij het hoger beroep is vervallen, nu de vreemdeling is opgenomen in de nationale asielprocedure. Bij nader stuk van 8 september 2016 heeft de vreemdeling desgevraagd verklaard alleen belang te hebben bij een uitspraak op het incidenteel hoger beroep wat betreft de tweede grief, waarin hij heeft betoogd dat de rechtbank ingevolge artikel 8:72, eerste lid, van de Awb het besluit van 14 januari 2016 had moeten vernietigen.
  2. Onweersproken is dat de vreemdeling is opgenomen in de nationale asielprocedure, waarmee de staatssecretaris zich verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling, met deze behandeling een aanvang heeft gemaakt en niet meer tot overdracht van de vreemdeling kan overgaan. Derhalve is besluit van 14 januari 2016 uitgewerkt. Nu de vreemdeling verder niet heeft gesteld schade te hebben geleden ten gevolge van dit besluit, heeft hij geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van het incidenteel hoger beroep.
  3. Het incidenteel hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
  4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, griffier. w.g. Verheij w.g. Snijders lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2016 279

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.