Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht. AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
(2020)per saldo sprake is van substantiële ontwikkelingsmogelijkheden. Voor reguliere detailhandel (Dagelijks, Mode & Luxe, Vrije Tijd & Electro) gaat het om circa 90.000 m² wvo. De ontwikkelingsmogelijkheden voor reguliere detailhandel concentreren zich vooral in de grootste aankoopplaatsen met een (boven)regionaal bereik, het centrum van Den Haag voorop. Hier is ook het grootste deel van de planvoorraad gesitueerd. In de reguliere niet-dagelijkse sector (bestaande uit Mode & Luxe en Vrije Tijd & Electro) beschikt stadsdeel Den Haag Centrum over een indicatieve uitbreidingsruimte van bijna 40.000 m² bvo (exclusief confrontatie met planvoorraad). Bij de invulling van de grootschalige units wordt gedacht aan (een verzameling van) onderscheidende aanbieders die niet passend zijn in c.q. die niet concurreren met de A-locaties (Grote Marktstraat e.o.). In het dpo staat verder dat uit de detailhandelsmonitor 2013 blijkt dat de leegstand in de Haagse binnenstad doorgaans tussen de 5% en 10% fluctueert. Momenteel is de winkelleegstand circa 7% en ligt daarmee boven frictieniveau. De landelijke gemiddelde leegstand schommelt eveneens rond de 7%. Twee aspecten zijn in dit kader van belang: - Veel van de leegstaande panden concentreren zich in de aanloopstraten naar de binnenstad, zoals de Denneweg, de Boekhorststraat, Korte Poten, Westeinde en de Jan Hendrikstraat. - De leegstand hangt tevens samen met enkele grootschalige herontwikkelingen in het centrum van Den Haag. Met projecten als de Nieuwe Haagse Passage, Amadeus, De Markies en Sijthoff City zijn/worden er in de binnenstad de nodige winkelmeters toegevoegd en enkele formules van internationale allure gehuisvest, zoals Primark, Marks & Spencer, Zara en H&M. Dergelijke ontwikkelingen gaan doorgaans gepaard met (tijdelijke) leegstand van winkelvastgoed. Indien de toevoeging van winkelmeters in het Spuikwartier leidt tot uitval van winkelmeters in de gemeente Den Haag of omliggende gemeenten kan de leegstand in theorie met maximaal 1.100 m² wvo oplopen als gevolg van de ontwikkelingen in de plint en maximaal 1.600 m² wvo als gevolg van de grootschalige units. Daarbij is de theoretische maximale omzetderving leidend en wordt ervan uitgegaan dat de leegstand (in %) toeneemt met de helft van de omzetderving. Met andere woorden: als de gemeente Den Haag te maken krijgt met een theoretisch maximale omzetderving van 0,9% als gevolg van de ontwikkelingen in het Spuikwartier, dan neemt de leegstand in Den Haag toe met (afgerond) 0,5% van het totale gevestigde winkelaanbod in de gemeente, oftewel 2.766 m² wvo. Het effect op de leegstand in de regio Den Haag is (in theorie) beperkt tot maximaal 3.500 m² wvo. De uiteindelijke invulling van de toekomstige retailunits aan de Turfmarkt is bepalend voor de mate van het negatieve omzeteffect. Hoe meer overlap (in functie, branche, metrage, formule, prijsstelling en doelgroep), des te groter het omzeteffect. Per saldo is het positieve effect groter dan het negatieve effect. De ontwikkeling zal alles bij elkaar leiden tot een grotere attractiewaarde van de Haagse binnenstad, met meer bezoekers, hogere consumptieve bestedingen en een grotere totale detailhandelsomzet in de binnenstad, aldus het dpo. In de nadere onderbouwing effectenmethodiek van 30 april 2015 is toegelicht dat ten behoeve van de effectanalyse in het dpo gebruik is gemaakt van een relatief hoge gemiddelde vloerproductiviteit, waardoor de effecten voor de plintinvulling eerder te hoog dan te laag zijn geraamd. Vervolgens is gerekend met de landelijke gemiddelde vloerproductiviteit voor reguliere detailhandel voor de dagelijkse sector en de niet-dagelijkse sector tezamen. Uit die berekening volgt het volgens de opstellers van het rapport volstrekt theoretische en onrealistische maximale leegstandseffect van 5.618 m² wvo. 20.
- In de plantoelichting staat dat met de realisering van detailhandel in het Spuikwartier wordt aangesloten bij de bestaande Haagse hoofdwinkelstructuur en dat de locatie deel uitmaakt van de binnenstad van Den Haag. De mogelijkheid met onder andere grootschalige detailhandel past binnen de ambitie van de gemeente Den Haag. Ook stadsgewest Haaglanden en de provincie Zuid-Holland benadrukken het belang van de Haagse binnenstad binnen de regionale- en provinciale detailhandelsstructuur. In het verweerschrift heeft de raad toegelicht dat het centrum van Den Haag in het provinciaal beleid is aangewezen tot te ontwikkelen centrum, waarbij wordt gestreefd naar opwaardering van de detailhandelsfunctie. De provincie Zuid-Holland is bij het dpo betrokken en is daarmee akkoord. Ook het Haagse detailhandelsbeleid geeft prioriteit aan de binnenstad, conform het Haagse Binnenstadsplan. De ontwikkeling van detailhandel in het plangebied past volledig binnen dit beleid, aldus de raad. 20.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 april 2014, nr. 201304503/1/R1) is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro blijkens de geschiedenis van totstandkoming van deze bepaling (nota van toelichting, blz. 34 en 49; Stb. 2012, 388) beoogd zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. De raad acht het in het dpo berekende leegstandseffect vanwege de toename van detailhandel in het plangebied op zichzelf aanvaardbaar en heeft voorts belang gehecht aan de omstandigheid dat juist in het plangebied behoefte bestaat aan winkels in de nabijheid van culturele functies en andere voorzieningen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Mede gelet op het hierboven weergegeven beoordelingskader is de Afdeling van oordeel dat de raad voldoende heeft gemotiveerd dat de voorziene ontwikkeling verenigbaar is met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro. Het betoog faalt. Kantoren
- Stichting SOS Den Haag en anderen stellen dat de stad nagenoeg overal kampt met leegstand van kantoren en dat er geen overtuigend onderzoek is gedaan naar, en geen overtuigende berekening is gemaakt van de behoefte aan kantoorruimte. 21.
- Het plan staat onder de bestemming "Gemengd - 3" bij recht 11.700 m² bvo aan kantoren toe, hetgeen 2000 m² minder is ten opzichte van het vorige plan. In zoverre voorziet het plan niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, in samenhang bezien met artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. 21.
- In de plantoelichting staat dat de raad op 18 februari 2010 de 'Kantorenstrategie Den Haag 2010-2030, de gebruiker centraal' heeft vastgesteld. In de kantorenstrategie staat aangegeven waar nieuwbouw van kantoren mogelijk is en welke kantoorgebieden voor toevoeging van voorzieningen in aanmerking komen. 21.
- Het Wijnhavenkwartier is in tabel 5.2 ‘Nieuwe kantorenprogrammering per kantorensegment’ van de kantorenstrategie opgenomen met 131.000 m² voor de periode 2009-2015 en 9.000 m² voor de periode 2016-
- Voorts staat in de kantorenstrategie dat voor de periode 2015-2020 de vraag 60.000 m² per jaar bedraagt en voor de periode daarna 50.000 m² per jaar. Het gaat in deze vraagraming zowel om uitbreidings- als vervangingsvraag. Deze vraagraming valt gelet op diverse trends eerder lager uit dan hoger. Voorts staat in de kantorenstrategie dat er, afgezien van de Binckhorst, weinig langdurige leegstand is in Den Haag. 21.
- Stichting SOS Den Haag en anderen hebben de hierboven vermelde cijfermatige gegevens niet gemotiveerd betwist. Gelet daarop ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op basis van de kantorenstrategie op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre uitvoerbaar is. Het betoog faalt. Hotel
- Ten aanzien van het betoog van Stichting SOS Den Haag en anderen dat uit de hotelstrategie volgt dat er slechts beperkt ruimte is voor uitbreiding van de hotelcapaciteit, verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 13.7 is overwogen. Het betoog faalt. Evenementen
- Stichting SOS Den Haag en anderen richten zich voorts tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied", voor zover toegekend aan het Spuiplein. Volgens hen is te verwachten dat het Spuiplein wordt aangewend voor evenementen, zodat een evenementenregeling in de planregels niet mag ontbreken. Zij vrezen overlast vanwege evenementen op het plein. 23.
- De raad stelt dat het Spuiplein in de huidige situatie reeds wordt gebruikt voor evenementen en dat dat gebruik plaatsvindt zonder onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Bovendien moet voor een evenement een vergunning worden aangevraagd op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV). In dat kader vindt een beoordeling plaats, onder andere op mogelijke overlast. 23.
- Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de planregels, zijn de voor "Verkeer - Verblijfsgebied" aangewezen gronden bestemd voor evenementen ter plaatse van het Spuiplein. De kortste afstand tussen het Spuiplein en de woningen van de betreffende appellanten bedraagt ongeveer 60 m. 23.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 juni 2012 in zaak nr. 201109470/1/R4) ligt het op de weg van de planwetgever om een beoordeling en afweging te maken of een bestemming die evenementen op een bepaalde locatie toestaat vanuit ruimtelijk oogpunt is aangewezen. Ook dient deze omtrent onder meer het toegestane aantal evenementen per jaar en de maximale bezoekersaantallen, voorschriften te stellen voor zover dat uit een oogpunt van ruimtelijke aanvaardbaarheid op een locatie van belang is. Deze beoordeling en afweging is een andere dan die op grond waarvan, in een concreet geval, voor een evenement al dan niet vergunning op grond van de APV wordt verleend. Regulering van evenementenvergunningen in de APV geschiedt immers met name vanuit het oogpunt van handhaving van de openbare orde, en waarborgt niet de vereiste planologische rechtszekerheid. Uit het voorgaande volgt dat de omstandigheid dat de APV mogelijkheden biedt om het houden van evenementen te reguleren, anders dan de raad stelt, geen reden kan zijn een planologische regeling van evenementen in het bestemmingsplan achterwege te laten. 23.
- De Afdeling stelt vast dat het plan geen beperkingen stelt aan de aard en de frequentie van de toegelaten evenementen op gronden met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" en aan het maximale aantal bezoekers per evenement. Verder is niet gebleken dat de ruimtelijke gevolgen van evenementen voor omwonenden zijn afgewogen. De raad heeft daardoor naar het oordeel van de Afdeling niet inzichtelijk gemaakt of omwonenden geen onevenredige (geluid)hinder zullen kunnen ondervinden van te houden evenementen. Het betoog slaagt. Het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft artikel 10, lid 10.1, onder e, van de planregels. Het beroep voor het overige
- Ten aanzien van het betoog van Stichting SOS Den Haag en anderen dat een bouwhoogte van 50 m aan het Spuiplein in strijd is met de Agenda voor de Haagse Verdichting, en hetgeen zij hebben aangevoerd over bezonning, windhinder, parkeren en financiële uitvoerbaarheid overweegt de Afdeling dat deze betogen falen. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de Afdeling naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 oktober 2015 in zaak nr. 201506639/2/R6 ten aanzien van het verzoek van Stichting SOS Den Haag en anderen een voorlopige voorziening te treffen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat van de voorzieningenrechter. Conclusie
- Gelet op het overwogene onder 23.4 is het beroep van Stichting SOS Den Haag en anderen gegrond. Het plan dient te worden vernietigd, voor zover het betreft artikel 10, lid 10.1, onder e, van de planregels. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Proceskostenveroordeling
- De raad dient ten aanzien van Stichting SOS Den Haag en anderen op na te melden wijze in de vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellante sub 1] en anderen en MPA en Accor bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van de stichting Stichting SOS Den Haag en anderen niet-ontvankelijk, voor zover ingesteld namens [appellante sub 3A], [appellant sub 3B] en de stichting Stichting Nomadisch Paviljoen; II. verklaart de beroepen van [appellante sub 1] en anderen en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MPA Newday Netherlands B.V. en de naamloze vennootschap Accor Hospitality Nederland N.V. ongegrond; III. verklaart het beroep van de stichting Stichting SOS Den Haag en anderen, voor zover ontvankelijk, gegrond; IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Den Haag van 11 juni 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Wijnhavenkwartier en Spuiplein", voor zover het betreft artikel 10, lid 10.1, onder e, van de planregels; V. draagt de raad van de gemeente Den Haag op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermeld onderdeel IV. wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl; VI. veroordeelt de raad van de gemeente Den Haag tot vergoeding van bij de stichting Stichting SOS Den Haag en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 992,00 (zegge: negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen; VII. gelast dat de raad van de gemeente Den Haag aan de stichting Stichting SOS Den Haag en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen. Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. van Leeuwen-Gerkema, griffier. w.g. Van Ettekoven w.g. Van Leeuwen-Gerkema voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2016 472.