201505686/1/A4. Datum uitspraak: 30 maart 2016 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant] en 11 anderen, wonend te Amsterdam, en het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid (thans: het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Zuid) van de gemeente Amsterdam, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 26 mei 2015 heeft het dagelijks bestuur locaties in de wijk Noord Pijp aangewezen voor de plaatsing van ondergrondse afvalcontainers, waaronder locatie 5-10 ter hoogte van het perceel Sarphatipark 49 en locatie 5-16 ter hoogte van het perceel Sarphatipark 117. Tegen dit besluit hebben [appellant] en 11 anderen beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft een reactie ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2016, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.P. Peters en G. Westerbos, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Overwegingen Situatie 1. Bij het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur twee locaties, gelegen bij ingangen van het Sarphatipark, aangewezen als locaties voor ondergrondse afvalcontainers. Locatie 5-10 ligt aan de noordwestzijde van het park en locatie 5-16 aan de noordoostzijde daarvan. [appellant] en 11 anderen wonen allen in de nabijheid van één van de aangewezen locaties. Omvang beroep 2. De Afdeling gaat ervan uit dat het beroep, voor zover ingesteld door [1 der andere appellanten], uitsluitend is gericht tegen het besluit voor zover het de nabij zijn woning gelegen aangewezen locatie 5-16 betreft, en dat het beroep, voor zover ingesteld door de anderen, uitsluitend is gericht tegen het besluit voor zover het de nabij hun woningen gelegen aangewezen locatie 5-10 betreft. Ontvankelijkheid 3. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht. 3.1. Van de personen die beroep hebben ingesteld, hebben [3 der andere appellanten] geen zienswijzen over het ontwerp van het aanwijzingsbesluit naar voren gebracht. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat het hen redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen zienswijzen naar voren hebben gebracht. Het beroep is daarom niet ontvankelijk voor zover het is ingesteld door [3 der andere appellanten]. Inhoudelijk 4. Ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Amsterdam, kan het college van burgemeester en wethouders aanwijzen met behulp van welke al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of met behulp van welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt. Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de Verordening op de bestuurscommissies 2013 van de gemeente Amsterdam, gelezen in verbinding met onderdeel D.3 van bijlage 3 bij die verordening, is de in artikel 4, vierde lid, van de Afvalstoffenverordening bedoelde bevoegdheid door het college gedelegeerd aan het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Zuid. Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie heeft deze bevoegdheid bij het Mandaatbesluit algemeen bestuur aan dagelijks bestuur gemandateerd aan het dagelijks bestuur. 5. Het dagelijks bestuur hanteert bij het aanwijzen van een locatie voor een ondergrondse afvalcontainer de uitgangspunten, zoals vastgelegd in de nota "Beleidsregels project Ondergrondse Afvalinzameling: Plaatsingscriteria ondergrondse afvalinzamelsystemen stadsdeel Zuid" van 25 februari 2014. 6. Ingevolge artikel 2 neemt het dagelijks bestuur bij de aanwijzing van locaties 13 algemene criteria in acht. Onder meer is bepaald dat de loopafstand vanaf een woning tot een locatie maximaal 75 m bedraagt en een locatie onderdeel uitmaakt van een locatienetwerk. Verder is bepaald dat de te plaatsen ondergrondse afvalcontainers op de locaties geen gevaar mogen veroorzaken voor de verkeersveiligheid (zichthinder) en dat de afstand tussen een locatie (rand van de container) en de gevel minimaal 2 meter is. Ingevolge artikel 3, eerste lid, wordt als bij de aanwijzing van een locatie zich de keuze voordoet tussen de aanwijzing van een locatie voor een gebouw met een woning op de begane grond, of voor een gebouw met op de begane grond een niet-woonfunctie, als locatie aangewezen het gebouw met de niet-woonfunctie op de begane grond. Ingevolge het tweede lid wegen in de situatie dat met inachtneming van de bovengenoemde criteria een locatie wordt aangewezen voor een woning en binnen de kaders van deze beleidsregel geen alternatieve locatie mogelijk is, de belangen die zijn gediend met het aanbieden van een laagdrempelig afvalinzamelsysteem door realisering van een locatienetwerk met een maximale loopafstand van 75 m vanaf een woning, alsmede het belang dat is gediend met het bereiken van een sluitend locatienetwerk met een evenredige inzamelcapaciteit in relatie tot het afvalaanbod, zwaarder dan het belang van omwonenden bij de aanwijzing van een locatie voor hun woning. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, is het dagelijks bestuur bevoegd af te wijken van de maximale loopafstand in artikel 2, aanhef en onder 1, tot een loopafstand van maximaal 85 m indien ten opzichte van een locatie met een loopafstand van 75 m tot een woning binnen een afstand van 10 m een locatie is gelegen waar de ondergrondse afvalcontainer(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.