(1)in plaats van de factor "licht" (0,50) bij de toekenning van de omvang van de vergoeding in de proceskosten te worden gehanteerd, aldus [appellante]. 5.
- Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), zoals dat luidde ten tijde van het besluit van 14 oktober 2014, kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, worden de kosten bedoeld in artikel 1, onderdeel a, vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief. Ingevolge de eerste volzin van de bijlage bij het Bpb wordt het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig de in de bijlage opgenomen lijst (A) en die punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt (B) en met de toepasselijke wegingsfactoren (C). Ingevolge onderdeel B2, onder 2, van de bijlage bij het Bpb bedraagt de waarde per punt € 487,
- Ingevolge onderdeel C1 is de wegingsfactor van een lichte zaak 0,50 en van een gemiddelde zaak
- 5.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 26 augustus 2015 in zaak nr. 201311468/1/A3; www.raadvanstate.nl) behoort de behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure in beginsel tot de categorie ‘gemiddeld’, tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Van dergelijke redenen is in deze zaak niet gebleken. Derhalve heeft het college ten onrechte niet wegingsfactor 1 toegepast (vergelijk de uitspraak van 13 maart 2013 in zaak nr. 201205413/1/A3). Het betoog slaagt. 5.
- Het beroep is gegrond. Het besluit van 14 oktober 2014 dient te worden vernietigd, voor zover het college de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar heeft vastgesteld op € 243,
- De Afdeling veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00, zijnde de puntwaarde per 1 januari 2016 (Regeling van de minister van Veiligheid en Justitie van 2 december 2015, Stcrt. 2015, 44577). 5.
- Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 juni 2015 in zaak nr. 14/8175; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe van 14 oktober 2014, kenmerk 14UIT22428, voor zover het college de hoogte van de proceskostenveroordeling in bezwaar heeft vastgesteld op € 243,50; V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 496,00 (zegge: vierhonderdzesennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1488,00 (zegge: veertienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 413,00 (zegge: vierhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier. w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Neuwahl lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2016 280.