201603613/1/R6 en 201603945/1/R6 Datum uitspraak: 26 april 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in het geding tussen:
(2030)op de wettelijke beoordelingspunten geen overschrijding van de grenswaarden zal optreden. De Afdeling ziet in de niet nader onderbouwde stelling van [appellant sub 9] dat de grenswaarden wetenschappelijk onder druk staan geen grond gelegen voor het oordeel dat het NSL niet kan worden gehanteerd omdat de toegepaste grenswaarden in strijd zouden zijn met hoger recht dan wel een algemeen rechtsbeginsel. Het beroep van VBP op het rapport van Milieudefensie komt geen beslissende betekenis toe nu, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3118, de ten behoeve van dat rapport toegepaste methode afwijkt van de wettelijk voorgeschreven methode. Met de door [appellant sub 9] en VBP gestelde twijfel over de representativiteit van de in het kader van het NSL toegepaste berekeningsmethode en de volledigheid en de juistheid van de daarbij gehanteerde uitgangspunten, acht de Afdeling evenmin aannemelijk gemaakt dat de resultaten van de berekening van de luchtkwaliteit in het kader van het NSL op basis van de daarvoor wettelijk voorgeschreven berekeningsmethode zodanig te kort schieten dat op die grond het NSL buiten toepassing had moeten blijven. Voor zover de aspecten die volgens [appellant sub 9] en VBP bij de berekening buiten beschouwing zijn gebleven niet in aanmerking zijn genomen, ziet de Afdeling niet onderbouwd dat het gaat om aspecten die, vanwege bijvoorbeeld onzekerheid over hun ontwikkeling, niet buiten beschouwing mochten blijven dan wel, voor zover ze in beschouwing hadden moeten worden genomen, tot een zo van het NSL afwijkend resultaat leiden dat het NSL om die reden buiten toepassing zou moeten worden gelaten. 34.
- De betogen over luchtkwaliteit falen. C.
- Geluid
- Bij de voorbereiding van het tracébesluit is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek tracébesluit A10 (PP 21-Rp-11) Zuidasdok, Hoofdrapport Wet milieubeheer", van maart 2016 (hierna: Akoestisch hoofdrapport ) en in drie deelrapporten, "Akoestisch onderzoek TB A10 - Deelrapport Algemeen (PP 21-Rp-13)", van maart 2016 (hierna: Akoestisch deelrapport algemeen), "Akoestisch onderzoek TB A10 - Deelrapport Specifiek (PP 21-RP-12)", van maart 2016 (hierna: Akoestisch deelrapport specifiek) en "Akoestisch onderzoek op referentiepunten" (hierna: Akoestisch rapport referentiepunten). Het in het tracébesluit aan de orde zijnde deel van de A10 is aangegeven op de geluidplafondkaart als bedoeld in artikel 11.17 van de Wet milieubeheer, zodat titel 11.3 van de Wet milieubeheer van toepassing is op het hiervoor vermelde akoestisch onderzoek. Er is daarnaast ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de wijziging van het stedelijk wegennet. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek metro, tram en stedelijk wegennet (PP 21-Rp-15)", van maart 2016 (hierna: Akoestisch rapport Wet geluidhinder). Op dit onderzoek is de Wet geluidhinder van toepassing. Het betreffende rapport is als bijlage 12 bij het bestemmingsplan gevoegd.
- WTC Amsterdam, Axa, VvE Zuidcirkel Pilotenstraat, [appellant sub 9], [appellant sub 12 A] en VWZ hebben beroepsgronden aangevoerd over de geluidhinder ter plaatse van hun kantoorpanden dan wel woningen of woonboten. De beroepsgronden hebben betrekking op de akoestische onderzoeken, de geluidmaatregelen en het laagfrequent geluid. Deze zullen hierna achtereenvolgens worden behandeld. De beroepsgronden van [appellant sub 9] en [appellant sub 12 A] over de reflectie van geluid en de toepassing van standaardrekenmethode 2 zullen gezamenlijk worden behandeld. C.5.
- Akoestische onderzoeken C.5.1.
- WTC Amsterdam
- WTC Amsterdam stelt dat uit de plantoelichting volgt dat aan het eind van de E. van Beinumstraat bufferhaltes voor bussen en bushaltes aan de andere zijde van de straat zijn voorzien. Zij vreest als gevolg daarvan een toename van geluid op de gevels van de H en I torens van het WTC- complex. De raad stelt zich weliswaar op het standpunt dit niet tot een onaanvaardbare geluidsituatie zal leiden voor de H en I torens van het WTC-complex, maar WTC Amsterdam stelt dat de door haar bedoelde passage tussen de bushalte en bufferhaltes niet in het akoestisch onderzoek is betrokken. In het geluidrapport is weliswaar de toekomstige situatie "busroute Parnassusweg-Strawinskylaan" betrokken, maar dat betreft volgens WTC Amsterdam niet de door haar bedoelde passage. 37.
- De Afdeling stelt vast dat de busroute Parnassusweg-Strawinskylaan en de door WTC Amsterdam bedoelde bufferhaltes en de passage door de E. Van Beinumstraat buiten het plangebied liggen. Dit plan voorziet derhalve niet in de busroute Parnassusweg-Strawinskylaan en de door WTC Amsterdam bedoelde bufferhaltes en de passage door de E. Van Beinumstraat. Bezwaren gericht tegen de gevolgen van de busroute Parnassusweg-Strawinskylaan en de passage E. van Beinumstraat kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Naar aanleiding van het betoog van WTC Amsterdam, dat de in het plan voorziene bushaltes tot een toename van busverkeer en onaanvaardbare geluidhinder op de gevels van de H en I torens zal leiden, stelt de Afdeling vast dat op p. 56 van het Akoestisch rapport Wet geluidhinder de gehanteerde rekenpunten staan weergegeven voor de panden aan de E. van Beinumstraat. De rekenpunten 007 en 008 betreffen de H en I torens van het WTC complex aan de E. van Beinumstraat. Voor de aanleg van nieuwe wegen die gezoneerd zijn en waarvoor de Wet geluidhinder van toepassing is, geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB en een maximale grenswaarde van 63 dB. De geluidbelasting bedraagt in de toekomstige situatie op de rekenpunten 007 en 008 maximaal 54 dB en als gevolg van cumulatie maximaal 56 dB. Volgens het rapport is het toepassen van een bronmaatregel zoals een stiller wegdek vanwege de busbewegingen niet goed mogelijk, omdat deze minder goed bestand is tegen de wringende krachten van draaiend en afremmend verkeer. Het plaatsen van schermen in deze binnenstedelijke situatie stuit op bezwaren van stedenbouwkundige en verkeerskundige aard. Voor deze locatie worden geen maatregelen geadviseerd. WTC Amsterdam heeft slechts de vrees geuit voor onaanvaardbare geluidtoename en geen concrete bezwaren naar voren gebracht tegen de gehanteerde methodiek en uitkomsten van de berekeningen in het Akoestisch rapport Wet geluidhinder, zodat van de juistheid van die berekeningen kan worden uitgegaan. Nu de geluidtoename de maximale grenswaarde van 63 dB niet overschrijdt, ziet de Afdeling in de enkele stelling dat voor onaanvaardbare geluidoverlast wordt gevreesd, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter hoogte van de H en I toren van het WTC-complex geen onaanvaardbare geluidsituatie zal ontstaan als gevolg van de in het plan voorziene bushaltes. Het betoog van WTC faalt. C.5.1.
- Axa
- Axa stelt dat het geluidonderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het tracébesluit ondeugdelijk is. Zij voert aan dat slechts 2 van de 3 gebouwen van Axa in het geluidonderzoek betrokken zijn, zodat het geluidonderzoek in zoverre onvolledig is en de minister zich ten onrechte daarop heeft gebaseerd.
- Het gaat hier om 3 kantoorpanden van Axa. Een kantoorpand is geen geluidgevoelig object als bedoeld in artikel 11.1 van de Wet milieubeheer, zodat hier geen bescherming aan toekomt. Dit betekent dat de minister niet gehouden was de kantoorpanden in het geluidonderzoek te betrekken. Desondanks heeft de minister de 2 meest dichtbij gelegen kantoorpanden betrokken in het geluidonderzoek dat is weergegeven in de rapporten "Akoestisch onderzoek Tripolis, gebouw 200, Zuidasdok", van 14 januari 2016 en het Akoestisch onderzoek Tripolis, gebouw 300, Zuidasdok", van 31 december
- Uit dat onderzoek volgt dat de bestaande gevelwering volstaat om de binnenniveaus in alle ruimten in de nieuwe situatie te beperken tot maximaal 45 dB(A). Het betoog van Axa faalt. C.5.1.
- VvE Zuidcirkel Pilotenstraat
- VvE Zuidcirkel Pilotenstraat stelt dat het onduidelijk is waarop het standpunt van de minister is gebaseerd dat de geluidbelasting op de begane grond en de eerste verdieping van gebouw De Zuidcirkel toeneemt en op de bovenste twee verdiepingen afneemt. Voorts kan zij de opmerking van de minister "Geluid van verkeer op de verbindingsweg naar de A4 wordt voor een deel afgeschermd door het viaduct waarop deze verbindingsweg wordt aangelegd" niet volgen, omdat daarmee de suggestie wordt gewekt dat een fly-over op een hoogte van 13 m naast haar gebouw een geluidvoordeel oplevert voor de leden van VvE Zuidcirkel Pilotenstraat. 40.
- Het gaat hier om een bedrijfsverzamelgebouw. Een bedrijfsverzamelgebouw is geen geluidgevoelig object als bedoeld in artikel 11.1 van de Wet milieubeheer, zodat de minister niet gehouden was het bedrijfsverzamelgebouw in het akoestisch onderzoek te betrekken. Desondanks heeft de minister het bedrijfsverzamelgebouw aan de Pilotenstraat 66 betrokken in het geluidonderzoek dat is weergegeven in het "Akoestisch deelrapport specifiek, bijlage B, Basisberekeningen geluidbelastingen op niet-gevoelige objecten. Uit dit rapport volgt dat door het treffen van maatregelen de toekomstige geluidbelasting op gebouw De Zuidcirkel met 1 dB afneemt. Zoals de minister ter zitting heeft toegelicht, is in dit rapport alleen de maatgevende geluidbelasting op het gebouw weergegeven. Dat betreft in dit geval de geluidbelasting op de vierde verdieping. De geluidbelasting neemt daar weliswaar af, maar is hoger dan de geluidbelasting op de begane grond. Op de begane grond neemt de geluidbelasting met 2 dB toe. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat de verschillen in geluidbelasting per bouwlaag van het gebouw De Zuidcirkel worden veroorzaakt door de verlegging van de verbindingsweg naar de A10 West op maaiveldniveau en de realisering van de fly-over naar de A
- Een deel van het geluid vanwege het verkeer op deze fly-over zal over het gebouw heen gaan, aldus de minister. De Afdeling acht hiermee de door VvE Zuidcirkel Pilotenstraat gestelde onduidelijkheid voldoende toegelicht. Het betoog faalt. C.5.1.
- [appellant sub 12 A]
- [appellant sub 12 A] voert aan dat zijn zienswijze over het geluidscherm dat in het kader van het spoorproject OV SAAL is gerealiseerd tussen de spoorbaan en de zuidelijke rijbaan van de A10 op de brug over de Amstel, slechts ten dele is verwoord in de Nota van beantwoording en derhalve niet volledig is meegenomen bij de vaststelling van het tracébesluit. [appellant sub 12 A] stelt dat feitelijk een aan de wegzijde reflecterend geluidscherm is gerealiseerd, terwijl volgens het geluidregister een tweezijdig absorberend scherm gerealiseerd had moeten worden. Door in het aan het tracébesluit ten grondslag gelegde akoestisch rapport in de referentiesituatie uit te gaan van een reflecterend scherm in plaats van een absorberend scherm is volgens [appellant sub 12 A] de geluidtoename, als gevolg van reflectie van het wegverkeerslawaai tegen het scherm, in de toekomstige situatie hoger dan is berekend. In dit verband verwijst [appellant sub 12 A] naar verschillende stukken die betrekking hebben op zijn handhavingsverzoek om een tweezijdig absorberend scherm te realiseren. 41.
- In de Nota van beantwoording staat op pag. 424 als zienswijze onder j dat "het onjuist is om het geluidscherm van OV-SAAL in de berekeningen op te nemen als zijnde tweezijdig geluidabsorberend. Dit is weliswaar conform de vermelding in het geluidregister, maar niet overeenkomstig de feitelijke situatie. Het scherm is aan de wegzijde reflecterend". In reactie daarop is gesteld dat in het akoestisch onderzoek voor het tracébesluit de reflectiefactor van het scherm is aangepast in een reflecterend scherm. Op dezelfde pagina van de Nota van beantwoording onder k is ingegaan op de zienswijze over de keerwand en de hoogteligging van de weg. [appellant sub 12 A] heeft niet nader onderbouwd waarom de beantwoording van de zienswijze niet volledig is. 41.
- Voorts heeft de minister naar voren gebracht dat in de berekeningen in het akoestisch onderzoek in de referentiesituatie is uitgegaan van een absorberend geluidscherm en voor de toekomstige situatie is uitgegaan van de daadwerkelijk gerealiseerde akoestisch reflecterende uitvoering van het geluidscherm, dat resulteert in een hogere geluidbelasting. Er is daarmee volgens de minister worst case gerekend. De geluiddeskundige van [appellant sub 12 A] heeft ter zitting de juistheid van deze conclusie van de minister bevestigd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond dat de geluidbelasting ter plaatse van de woningen aan de Amsteldijk in zoverre is onderschat. Het betoog faalt in zoverre. 41.
- [ appellant sub 12 A] heeft in zijn nader stuk aangevoerd dat de toename van de geluidbelasting als gevolg van de reflectie van het geluid van het wegverkeer tegen het hiervoor bedoelde geluidscherm zo snel mogelijk moet worden opgeheven. In het tracébesluit had volgens [appellant sub 12 A] daarom moeten worden bepaald dat de in het tracébesluit voorziene geluidschermen op een zo kort mogelijke termijn worden gerealiseerd. Deze eis dient in ieder geval onderdeel uit te maken van het met de aannemer te sluiten contract, aldus [appellant sub 12 A]. De Afdeling stelt vast dat het tijdstip waarop de geluidschermen worden gerealiseerd een aspect van uitvoering is dat niet in het tracébesluit behoeft te worden geregeld. De eisen die aan de aannemer moeten worden gesteld, maken geen onderdeel uit van het tracébesluit en zijn derhalve inhoudelijk niet aan de orde. Het betoog faalt in zoverre. 41.
- Voor zover [appellant sub 12 A] in dit verband heeft gewezen op de stukken van zijn handhavingsverzoek met betrekking tot het geluidscherm in het kader van het spoorproject OV SAAL overweegt de Afdeling dat in deze procedure de vaststelling van het bestemmingsplan en het tracébesluit Zuidasdok ter beoordeling voorliggen. Het handhavingsverzoek betreft een andere procedure. Zijn bezwaren in dat kader zijn in deze procedure dan ook niet inhoudelijk aan de orde. C.5.1.
- [appellant sub 12 A] en [appellant sub 9]
- [appellant sub 12 A] en [appellant sub 9] betogen dat de aan het tracébesluit ten grondslag gelegde akoestische rapporten een onjuist beeld geven van de geluidbelasting ter plaatse van hun woningen onderscheidenlijk woonboot. Zij voeren aan dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de specifieke situatie bij de Amstelbruggen waarbij het geluid tussen en onder de kunstwerken doorkomt en afstraalt van de kunstwerken zelf. De bij de geluidberekeningen gehanteerde standaardrekenmethode 2 is volgens hen niet geschikt om deze geluidbijdrage te berekenen, aangezien in deze methode kunstwerken als niet geluid doorlatend worden beschouwd en slechts rekening kan worden gehouden met één reflectie. De minister had zich dan ook volgens [appellant sub 12 A] en [appellant sub 9] bij de vaststelling van het tracébesluit niet op de aan het tracébesluit ten grondslag gelegde akoestische rapporten mogen baseren. Het standpunt van de minister dat de extra geluidbijdrage minder dan 1 dB bedraagt, is volgens hen niet juist. Ter onderbouwing verwijst [appellant sub 12 A] naar de door KuiperCompagnons opgestelde notitie "Advies naar aanleiding van verweerschrift IenM en gemeente Amsterdam" van 2 december 2016 en verwijst [appellant sub 9] naar het door Bosvariant opgestelde rapport "Beoordeling tracébesluit Zuidasdok" en de eveneens door Bosvariant opgestelde notitie "Reactie op verweerschrift tracébesluit Zuidasdok". 42.
- Niet in geschil is dat in de geluidberekeningen in de akoestische rapporten die ten grondslag liggen aan het tracébesluit geen rekening is gehouden met de openingen tussen de brugdelen en de meerdere reflecties die optreden. Bij deze geluidberekeningen is standaardrekenmethode 2 toegepast. De toepassing van deze methode is nader geregeld in hoofdstuk 2 van bijlage III van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (hierna: RMV 2012). Uit paragraaf 7.3.
- van die bijlage leidt de Afdeling af dat bij meerdere reflecties of geluidschermen tegenover elkaar nader onderzoek in de vorm van praktijk- of schaalmodelmetingen mogelijk zou kunnen zijn. 42.
- Op basis van de nadere berekeningen, zoals neergelegd in het bij het verweerschrift gevoegde memo "Geluidsmodellering Rozenoordbruggen" van 18 juli 2016, gaat de minister ervan uit dat de toename van de geluidbelasting als gevolg van de openingen tussen de brugdelen 1 dB bedraagt. Volgens de minister is dit beperkte effect vergelijkbaar voor zowel de bestaande als de nieuwe situatie, zodat het per saldo geen effect heeft op de uitkomsten in het akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het tracébesluit. De minister heeft in zijn nadere berekeningen ook standaardrekenmethode 2 toegepast. De wijze waarop de minister de extra geluidbijdrage heeft berekend is in het memo niet toegelicht. Ter zitting heeft de minister een toelichting gegeven, maar deze is door zowel de geluiddeskundige van [appellant sub 12 A] als de geluiddeskundige van [appellant sub 9] gemotiveerd bestreden. Gelet op het verhandelde ter zitting en de door KuiperCompagnons en Bosvariant opgestelde stukken die door [appellant sub 12 A] en [appellant sub 9] zijn overgelegd, heeft de minister naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende inzichtelijk gemaakt of hier standaardrekenmethode 2 kan worden toegepast en zo ja hoe de geluidtoename vanwege reflecties en de open brugdelen is berekend. Hierdoor staat onvoldoende vast of de minister heeft mogen stellen dat de extra geluidbijdrage 1 dB bedraagt en of de minister zich in zoverre op de aan het tracébesluit ten grondslag gelegde akoestische rapporten mocht baseren. De minister heeft in strijd met artikel 3:46 van de Awb onvoldoende gemotiveerd dat bij de woningen van [appellant sub 12 A] en de woonboot van [appellant sub 9] geen relevante geluidhinder zal ontstaan als gevolg van de reflecties van geluid tussen de verschillende brugdelen en onder de bruggen over de Amstel door. De betogen slagen. C.5.
- Geluidmaatregelen C.5.2.
- [appellant sub 9]
- [appellant sub 9] betoogt dat ten onrechte geen maatregelen in het tracébesluit zijn opgenomen om de geluidbelasting van de Amstelbrug te verminderen. Uit het door Bosvariant opgestelde rapport volgt volgens [appellant sub 9] dat het geluid afkomstig van de voegovergang van de noordelijke brughelft van de Amstelbrug bijzonder hinderlijk is. Ten onrechte is in het tracébesluit niet voorgeschreven dat de voegovergangen als stille voegen zullen worden uitgevoerd. De minister heeft wel nader onderzoek gedaan naar de geluidbelasting van de Schinkelbrug, maar niet naar de geluidbelasting van de Amstelbrug, aldus [appellant sub 9]. 43.
- De minister stelt dat de bestaande voegovergangen van de Amstelbrug nog niet als stille voeg zijn uitgevoerd, maar dat dit wel als maatregel is opgenomen in artikel 9 van het tracébesluit. Daarmee wordt de geluidhinder vanwege de Amstelbrug verminderd. Verder stelt de minister dat in verband met laagfrequent geluid ter plaatse van de Schinkelbrug nader onderzoek is gedaan naar mogelijk te treffen geluidmaatregelen. Dit was voor de Amstelbrug niet nodig, omdat de bruggen niet vergelijkbaar zijn. De Amstelbrug betreft een vaste betonnen brug en de Schinkelbrug is een stalen beweegbare brug waardoor volgens de minister de geluidhinder verschillend is. 43.
- In artikel 9, vierde lid, van het tracébesluit is bepaald dat de voegovergangen van vaste bruggen geluidarm worden gerealiseerd conform de richtlijn RTD-1007-
- Het betoog dat het toepassen van stille voegen niet is voorgeschreven voor vaste bruggen mist derhalve feitelijke grondslag. 43.
- Voor zover [appellant sub 9] betoogt dat de minister wel nader onderzoek heeft gedaan naar de geluidhinder ter plaatse van de Schinkelbrug en niet ter plaatse van de Amstelbrug, ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de stelling van de minister dat de bruggen niet vergelijkbaar zijn. De minister heeft daarom in redelijkheid kunnen afzien van nader onderzoek naar laagfrequent geluid ter plaatse van de Amstelbrug. Het betoog faalt.
- [appellant sub 9] betoogt voorts dat het aanvullend akoestisch onderzoek dat is verricht voor de omgeving van de Amstel en de Schinkel vanwege de geluidhinder bij de woonboten uitsluitend is gericht op de westelijke oever van de Amstel, terwijl de woonboten aan de oostelijke oever zijn gelegen. Woonboten hebben hier geen baat bij, aldus [appellant sub 9]. In het rapport van Bosvariant staat daarover dat de aanvullende schermen die de raad op basis van dit onderzoek gaat realiseren zodanig gepositioneerd zijn dat alleen de parken aan de westelijke Amsteloever daarvan profiteren. 44.
- Het door [appellant sub 9] bedoelde aanvullend akoestisch onderzoek ligt niet ten grondslag aan het tracébesluit. Weliswaar wordt, zoals [appellant sub 9] stelt, op pagina 33 van de Nota van Beantwoording melding gemaakt van dit door de gemeente gestarte onderzoek, maar daarin staat niet dat de op basis daarvan te treffen maatregelen zijn opgenomen in het tracébesluit. Gelet hierop is hetgeen [appellant sub 9] over de reikwijdte van dit onderzoek naar voren heeft gebracht hier inhoudelijk niet aan de orde.
- [appellant sub 9] betoogt dat uit het rapport van Bosvariant volgt dat gelet op de verdeling van het budget geen evenwichtige belangenafweging heeft plaatsgevonden ten aanzien van het buiten beschouwing laten van artikel 11.29, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Volgens [appellant sub 9] dient de gedeeltelijke ondertunneling van de A10 te worden beschouwd als een bovendoelmatige maatregel om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. De minister had het doelmatigheidscriterium moeten toepassen bij de afweging tussen een volledige ondertunneling die duurder is dan het realiseren van een open tunnelbak. Door dit niet te doen, is het tracébesluit onevenwichtig tot stand gekomen, aldus [appellant sub 9]. 45.
- De minister stelt dat de ondertunneling van de A10 niet een bovendoelmatige geluidmaatregel is, maar dat er andere redenen ten grondslag liggen aan deze keuze voor het wegontwerp. Door het ondergronds brengen van de A10 Zuid wordt onder meer een nieuwe openbare ruimte gecreëerd op het dak van de tunnels en is de afstand tussen de noord-zuidverbindingen korter. Daarnaast worden mogelijkheden voor woningbouw geoptimaliseerd en verbeteren de geluidsituatie en de luchtkwaliteit ter hoogte van het centrum van de Zuidas, aldus de minister. 45.
- De minister heeft bij zijn keuze voor het wegontwerp van de A10 Zuid gekozen voor een gedeeltelijke ondertunneling van de weg. Artikel 11.29, tweede lid, van de Wet milieubeheer is niet van toepassing op die keuze. De ondertunneling betreft namelijk geen verzoek van de beheerder van de weg om bij de vaststelling van het tracébesluit hiermee rekening te houden als bovendoelmatige geluidbeperkende maatregel. Het betoog dat artikel 11.29, tweede lid, van de Wet milieubeheer ten onrechte buiten beschouwing is gelaten, mist dan ook feitelijke grondslag. C.5.2.
- [appellant sub 12 A]
- [appellant sub 12 A] voert aan dat ten onrechte geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om een in het verleden niet gemelde en niet afgehandelde saneringssituatie alsnog mee te nemen in de afweging van de geluidmaatregelen. Hij voert aan dat zijn woningen aan de Amsteldijk te Amsterdam in de aan het tracébesluit ten grondslag gelegde akoestische rapporten ten onrechte niet als saneringswoningen zijn beschouwd. Onder verwijzing naar zijn naar voren gebrachte zienswijze stelt [appellant sub 12 A] in zijn nader stuk dat de geluidbelasting op de gevel van de woningen aan de [locatie 2] en [locatie 3] in 1986 hoger was dan 55 dB(A), zodat de gemeente Amsterdam de woningen als saneringssituaties had moeten melden vóór 1 januari
- Door dit niet te doen is de afhandeling van de sanering in het Geluidplan A4 Badhoevedorp-Nieuwe Meer en A10 Nieuwe Meer - Amstel niet correct en onvolledig geweest, aldus [appellant sub 12 A]. Dit heeft volgens hem doorgewerkt in de vaststelling van het geluidproductieplafond in het tracébesluit voor het referentiepunt nabij zijn woningen. Wanneer de sanering wel juist was afgehandeld dan was het geluidproductieplafond lager geweest en had in het tracébesluit moeten worden uitgegaan van een lager geluidproductieplafond, aldus [appellant sub 12 A]. Volgens [appellant sub 12 A] zouden dan meer geluidbeperkende maatregelen zijn getroffen en zou de geluidbelasting ter plaatse van zijn woningen lager zijn geweest dan nu het geval is. 46.
- De woningen aan de [locatie 2] en [locatie 3] staan ter hoogte van km 16,9 van de A
- Volgens het geluidregister is het referentiepunt dat het dichtst bij deze woningen ligt nummer
- Het referentiepunt ligt binnen het in bijlage 2 van het Besluit geluid milieubeheer genoemde deel van de A
- Voor het bepalen van het geluidproductieplafond zijn derhalve artikel 11.45, tweede lid, van de Wet milieubeheer en artikel 38, eerste lid, van het Besluit geluid milieubeheer van toepassing. Het hier aan de orde zijnde geluidproductieplafond is bij het tracébesluit gewijzigd. Uit artikel 11.56, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang bezien met artikel 38 van het Besluit geluid milieubeheer volgt dat voor het hier aan de orde zijnde deel van de A10 geen saneringsplan hoeft te worden vastgesteld. Het traject tussen Knooppunt De Nieuwe Meer en Knooppunt Amstel is immers meegenomen in het Geluidplan A4 Badhoevedorp-Nieuwe Meer en A10 Nieuwe Meer-Amstel. Reeds daarom behoefde de minister bij de wijziging van het productieplafond op het referentiepunt 22968 in het tracébesluit en de daarbij af te wegen geluidbeperkende maatregelen de woningen aan de [locatie 2] en [locatie 3] niet te behandelen als niet-afgehandelde saneringssituaties. Het betoog faalt. 46.
- Voor zover [appellant sub 12 A] stelt dat aan het genoemde geluidplan een ondeugdelijk akoestisch rapport ten grondslag is gelegd, overweegt de Afdeling dat dit geluidplan onherroepelijk is geworden en in deze procedure niet ter beoordeling voorligt. Bezwaren hiertegen zullen in deze procedure dan ook buiten beschouwing blijven. C.5.2.
- VWZ
- VWZ richt zich tegen het in artikel 9, eerste lid, van het tracébesluit in samenhang bezien met tabel 5, opgenomen transparante geluidscherm van 2 m hoog ter hoogte van de Schinkelbrug. Volgens haar had de minister moeten kiezen voor een geluidabsorberend niet-transparant scherm van 4 m hoog, zoals ook elders langs het tracé van de A10 is voorzien. Daarmee kan volgens VWZ de geluidbelasting verder worden beperkt en is er vanuit de woonboten geen zicht meer op de A
- De minister heeft volgens haar ten onrechte meer gewicht toegekend aan het landschappelijk belang van zicht op de stad en het belang van sociale veiligheid van de onderdoorgang onder de A10 dan aan de belangen van de woonbootbewoners. Daartoe voert zij aan dat het verkeer te hard rijdt om het zicht op de stad te kunnen beleven en dat automobilisten hun aandacht bij de weg moeten houden in verband met het naderende verkeersknooppunt. Verder ligt het wegdek van de brug zo hoog van de grond dat de daglichttoetreding en de sociale veiligheid bij de onderdoorgangen niet noemenswaardig worden beïnvloed door het plaatsen van een niet-transparant scherm. Daarnaast verwacht VWZ dat het geluidscherm vanwege graffiti niet lang transparant zal zijn. Verder is volgens haar een doorkijk naar de stad te realiseren door een afbeelding van de stad te plaatsen op het geluidscherm en kan met extra verlichting onder de brug de sociale veiligheid worden verbeterd. Voorts wenst zij dat de minister een toezegging doet dat de constructie van de nieuwe brug in de toekomst niet in de weg zal staan aan de mogelijkheid een hoger geluidscherm te realiseren wanneer de geluidbelasting hoger blijkt te zijn dan nu is berekend. 47.
- In het akoestisch deelrapport specifiek is ingegaan op de te treffen geluidbeperkende maatregelen. De woonboten in de Schinkel zijn meegenomen in de afweging van afschermende maatregelen voor cluster
- In paragraaf 5.3.1 van het akoestisch deelrapport specifiek staat dat voor dit cluster geldt dat de toetswaarde, zijnde de geluidbelasting die op een geluidgevoelig object wordt ondervonden bij volledige benutting van het geldende geluidproductieplafond, wordt overschreden wanneer alleen de doelmatige bronmaatregel tweelaags ZOAB wordt toegepast. Er is daarom gekeken naar aanvullende schermmaatregelen om de geluidbelasting te beperken. Verschillende schermmaatregelen zijn daarbij onderzocht. Volgens het rapport is voor dit cluster het toepassen van een tussenbermscherm van 4 m en zijbermschermen van 1 en 2 m hoog doelmatig, omdat daarmee bijna alle overschrijdingen van de toetswaarde worden weggenomen. Het verder uitbreiden van de maatregelen heeft volgens het betreffende rapport een beperkt effect op het wegnemen van de resterende overschrijdingen van de toetswaarde. Vervolgens is beoordeeld of er vanuit landschappelijk, stedenbouwkundig of verkeerkundig oogpunt bezwaren zijn tegen deze aanbevolen (financieel) doelmatige maatregelen uit het akoestisch deelrapport specifiek. Uit paragraaf 4.5 van het akoestisch hoofdrapport Wet milieubeheer volgt dat deze beoordeling niet tot een andere afweging heeft geleid ten aanzien van de te treffen maatregelen. Voor de landschappelijke inpassing van de geluidschermen wordt verwezen naar het aan het tracébesluit ten grondslag gelegde Landschapsplan. Daaruit volgt, voor zover hier van belang, dat de geluidschermen aan de buitenzijde van het wegprofiel een zo beperkt mogelijke hoogte hebben om de zichtrelatie tussen de snelweg en de stad in stand te houden. Aanvullende geluidwering wordt volgens het Landschapsplan in de tussenberm van de snelweg geplaatst. Deze geluidschermen zullen hoger zijn. Voor de geluidwering wordt volgens het Landschapsplan uitgegaan van absorberende geluidschermen die niet transparant zijn. Uitzondering hierop zijn de kunstwerken ter plaatse van de Amstelveenseweg, Europaboulevard, Schinkel en Amstel. Daar worden de zijbermschermen transparant en reflecterend uitgevoerd, aldus het Landschapsplan. 47.
- In aanvulling daarop heeft de minister ter zitting naar voren gebracht dat rekening is gehouden met het welstandsbeleid van Amsterdam om bij bruggen en viaducten vanuit landschappelijk oogpunt te kiezen voor transparante schermen. Daarbij is er, hoewel automobilisten met hogere rijsnelheden rijden, zicht op de stad. De sociale veiligheid in de onderdoorgang onder de A10 verbetert volgens de minister eveneens doordat meer daglicht kan toetreden. Ook de andere bruggen in het tracébesluit worden voorzien van transparante schermen, aldus de minister. Hetgeen VWZ heeft aangevoerd, geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid voor een transparant geluidscherm ter hoogte van de Schinkel heeft kunnen kiezen. Het betoog van VWZ komt erop neer dat zij een andere belangenafweging voorstaat dan die van de minister wat betreft het te realiseren geluidscherm ter hoogte van de Schinkel. Daaruit valt niet af te leiden dat de afweging van de minister zodanig onevenwichtig is, dat de minister niet in redelijkheid tot deze afweging heeft kunnen komen. 47.
- De in het akoestisch deelrapport specifiek aanbevolen maatregelen voor cluster 1 zijn opgenomen in artikel 9, eerste en tweede lid, van het tracébesluit in samenhang bezien met tabel 5 en tabel
- Uit bijlage A bij het akoestisch deelrapport specifiek, waarin de basisberekeningen van de geluidbelastingen op geluidgevoelige objecten zijn weergegeven, volgt dat ter plaatse van de woonboten in de Schinkel de geluidbelasting die de woonboten ondervinden bij volledige benutting van het geldende geluidproductieplafond door het treffen van deze maatregelen voor cluster 1 niet wordt overschreden. Dit is door VWZ niet bestreden. De Afdeling stelt vast dat het tracébesluit in zoverre voldoet aan artikel 11.30, tweede lid, van de Wet milieubeheer. De Afdeling ziet dan ook niet in dat de minister op grond van de Wet milieubeheer verplicht was meer geluidbeperkende maatregelen te treffen, zoals het door VWZ gewenste hogere geluidscherm. Gelet daarop behoefde de minister evenmin een door VWZ gewenste toezegging over de constructie van de nieuwe Schinkelbrug te doen. Het betoog faalt. C.5.
- Laagfrequent geluid
- VWZ betoogt dat de in het tracébesluit en het wijzigingsbesluit opgenomen maatregelen onvoldoende zijn om de geluidhinder vanwege laagfrequent geluid op een aanvaardbaar niveau te brengen en te houden. Uit het door TNO verrichte onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Geluidonderzoek maatregelen Schinkelbrug A10" van januari 2016 (hierna: TNO-rapport januari 2016) blijkt volgens haar dat er meer maatregelen mogelijk zijn om de laagfrequente geluidbelasting in de nieuwe situatie tot onder het bestaande niveau te brengen, dan in het tracébesluit en het wijzigingsbesluit zijn opgenomen. Zij heeft in dit kader beroepsgronden aangevoerd over de maatregelen aan de bestaande Schinkelbrug en de nieuwe Schinkelbrug. Hierna zal eerst ingegaan worden op de maatregelen aan de bestaande brug en daarna op de maatregelen aan de nieuwe brug. 48.
- In artikel 9, zesde lid, van het tracébesluit in samenhang bezien met artikel 1 van het wijzigingsbesluit zijn de geluidmaatregelen aan de bestaande beweegbare Schinkelbrug opgenomen. Bij het wijzigingsbesluit is het toepassen van geluidabsorberende resonatoren als maatregel aan de bestaande brug toegevoegd aan het tracébesluit. Volgens VWZ is daarbij ten onrechte niet voorgeschreven op welke wijze deze absorberende resonatoren worden vormgegeven. Dit is volgens haar in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In het wijzigingsbesluit had moeten zijn opgenomen dat twee verschillende type resonatoren zullen worden toegepast, aldus VWZ. 48.
- Vaststaat dat het precieze effect van het toepassen van resonatoren als geluidbeperkende maatregel in de praktijk zal moeten blijken. In de door TNO opgestelde notitie "Resonatoren als geluidreducerende maatregel bij de Schinkelbrug" van 2 juni 2016 is geconcludeerd dat het toepassen van Helmholtzresonatoren een kansrijke maatregel is met een geschatte werking van rond de 6 dB geluidreductie op het laagfrequente geluid op enige afstand van 30 tot 100 m van de brug. Een totaal volume van ongeveer 50 m3 is nodig om deze reductie te realiseren, verdeeld over meerdere elementen, aldus de notitie. Verder staat er in de notitie dat nadere berekeningen nodig zijn om de uitvoering goed te dimensioneren en te positioneren. De door TNO verrichte berekeningen zijn door VWZ niet bestreden. Het benodigde volume van 50 m3 is vastgelegd in het wijzigingsbesluit. Gelet hierop alsmede de bevindingen in de TNO notitie van 2 juni 2016 acht de Afdeling het niet in strijd met de rechtszekerheid dat in het wijzigingsbesluit niet is voorgeschreven op welke wijze de resonatoren zullen worden uitgevoerd. Het betoog faalt in zoverre.
- Ter zitting heeft VWZ zich wat betreft de overige maatregelen aan de bestaande Schinkelbrug vooral gericht tegen het niet in het tracébesluit opnemen van de in het TNO-rapport van januari 2016 aanbevolen maatregel "alternatieve voegen". Volgens haar wegen de kosten en de tijdelijke verkeersstremming die nodig zijn om de maatregel te realiseren niet op tegen de substantiële vermindering van de geluidbelasting die door deze maatregel kan worden bereikt. Dit had volgens haar nader moeten worden onderzocht. Daarbij hadden de kosten voor het realiseren van een nieuwe brug eveneens betrokken moeten worden. 49.
- De minister heeft aan TNO opdracht gegeven nader onderzoek te doen naar het laagfrequent geluid ter plaatse van de woonboten in de Schinkel. De resultaten daarvan zijn opgenomen in het TNO-rapport van januari
- De daarin aanbevolen maatregelen zijn volgens de minister betrokken in de belangenafweging. Daarbij stelt de minister te zijn uitgegaan van het zogenaamde stand still beginsel om te voorkomen dat de hinder van het laagfrequent geluid hoger is dan in de bestaande situatie het geval is. Dit uitgangspunt acht de Afdeling nu een wettelijk kader voor laagfrequent geluid ontbreekt niet onredelijk. 49.
- De minister heeft ter zitting de werkzaamheden om de maatregel alternatieve voegen te realiseren nader toegelicht. Volgens de minister zal het realiseren van deze maatregel negen maanden in beslag nemen waarbij de rijbanen van de A10 Zuid afgesloten moeten worden. Dit acht de minister niet wenselijk voor de druk bereden A10 Zuid. In hetgeen VWZ heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de minister over de uitvoeringsbezwaren van de door VWZ gewenste maatregel. De minister heeft naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen besluiten de door VWZ gewenste maatregel niet op te nemen in het tracébesluit. Het betoog faalt.
- In artikel 9, vijfde lid, van het tracébesluit zijn de geluidmaatregelen voor de nieuwe brug opgenomen. VWZ stelt dat de in artikel 9, vijfde lid, onder c, van het tracébesluit opgenomen optimalisatieverplichting voor de constructie van de brugval in strijd is met de rechtszekerheid, nu daarin niet is opgenomen tot welk niveau de geluidproductie moet worden teruggebracht en hoe dit zal worden uitgevoerd. In de toelichting bij het tracébesluit zijn wel mogelijkheden genoemd, maar deze zijn niet afdwingbaar, aldus VWZ. Verder wenst VWZ dat de minister ten aanzien van de flexibiliteitsbepaling onder d van het vijfde en zesde lid van artikel 9 van het tracébesluit een stap verder gaat door in het tracébesluit op te nemen dat verdergaande maatregelen zullen worden toegepast als die beschikbaar komen en doelmatiger blijken te zijn. 50.
- De minister stelt dat het uitgangspunt is dat de nieuwe brug geluidarm wordt ontworpen, zodat de geluidhinder vanwege laagfrequent geluid niet zal toenemen. Dat is volgens de minister het doel. Dit zal worden opgenomen in de contracteisen aan de aannemer. De optimalisatie- en flexibiliteitsbepalingen zijn opgenomen om de aannemer flexibiliteit te geven om in het geval er maatregelen met een betere geluidreducerende werking of voordelen bieden op andere vlakken toe te kunnen passen. Deze maatregelen moeten volgens de minister in ieder geval eenzelfde geluidreducerend effect hebben. Bij het uitvoeren van de opleveringstoets zal moeten worden bezien of de maatregelen toereikend zijn om de geluidhinder vanwege laagfrequent geluid niet te laten toenemen als gevolg van het tracébesluit of dat nadere maatregelen noodzakelijk zijn, aldus de minister. Hetgeen VWZ aanvoert geeft de Afdeling geen aanknopingspunten om te twijfelen aan dit standpunt van de minister. Gelet op de TNO rapporten ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de woonbootbewoners. In hetgeen VWZ heeft aangevoerd, is geen grond gelegen dat de minister verdergaande maatregelen in het tracébesluit had moeten opnemen om de geluidhinder vanwege laagfrequent geluid verder te reduceren dan in de bestaande situatie het geval is. Het betoog faalt. C.5.
- Deelconclusie geluid
- Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.
- De beroepsgronden van Axa, VvE Zuidcirkel Pilotenstraat, VWZ en WTC Amsterdam over geluid falen. De beroepsgrond van [appellant sub 9] onderscheidenlijk [appellant sub 12 A] over de aan het tracébesluit ten grondslag gelegde geluidberekeningen van de geluidbelasting ter plaatse van hun woonboot onderscheidenlijk woningen slagen. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de minister op de voet van artikel 8:51d van de Awb opdragen om de gebreken in het bestreden besluit binnen 12 weken na het verzenden van deze uitspraak met inachtneming van rechtsoverweging 42.2 alsnog toereikend te motiveren, al dan niet op basis van nader onderzoek, dat geen relevante geluidhinder zal ontstaan ter plaatse van de woning van [appellant sub 12 A] en de woonboot van [appellant sub 9] als gevolg van de geluidbijdrage door reflecties bij de bruggen over de Amstel, dan wel het tracébesluit wat dit betreft gewijzigd vast te stellen, dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. Daarbij dient de minister te betrekken hetgeen is vermeld in de door [appellant sub 9] en [appellant sub 12 A] overgelegde stukken van Bosvariant en KuiperCompagnons. Bij het nemen van een eventueel nieuw besluit door de minister behoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb.
- Gelet op de samenhang met het geconstateerde gebrek wordt op de door [appellant sub 12 A] en [appellant sub 9] aangevoerde grond over de cumulatie van geluid ter plaatse van hun woningen onderscheidenlijk woonboot pas in de einduitspraak beslist. C.
- Veiligheid C.6.1 Inleiding
- Bij de voorbereiding van het tracébesluit is onderzoek uitgevoerd naar de effecten daarvan op de verkeersveiligheid. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het "Deelrapport verkeersveiligheid Zuidasdok", bijlage 4 bij het Milieueffectrapport, maart 2015; Het rapport "Integrale rapportage wegverkeer Zuidasdok", bijlage 2 bij het Milieueffectrapport, maart 2015 (hierna: Integraal rapport wegverkeer); het Rapport actualisatie milieu-informatie) en het rapport "Integraal veiligheidsplan" (hierna: Integraal veiligheidsplan), bijlage 4 bij de toelichting bij het tracebesluit, maart
- Hiertegen hebben [appellant sub 9] en VvE Zuidcirkel Pilotenstraat beroepsgronden aangevoerd. C.6.
- [appellant sub 9]
- [ appellant sub 9] vreest een onveilige leefomgeving en stelt dat het veiligheidsonderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het tracébesluit ondeugdelijk is. In dat kader stelt hij dat de procedure uit artikel 3 van de Uitvoeringsregeling verkeersveiligheid van weginfrastructuur (hierna: Uitvoeringsregeling) niet is gevolgd. Uit artikel 3 van de Uitvoeringsregeling volgt dat er in totaal 4 verkeersveiligheidsaudits uitgevoerd dienen te worden. In dit geval is er maar 1 uitgevoerd, terwijl er nadien nog wijzigingen in het ontwerp zijn doorgevoerd. Zo is in het tracébesluit ten opzichte van een eerder ontwerp een vluchtstrook vervallen. Het had volgens [appellant sub 9] in de rede gelegen om opnieuw een verkeersveiligheidsaudit te laten uitvoeren om na te gaan of de veiligheid ter plaatse van de woonomgeving van [appellant sub 9] nog voldoende is gewaarborgd bij het weglaten van die vluchtstrook. Voorts stelt hij dat met het tracébesluit een gedetailleerd ontwerp voorligt, zodat ook reeds een audit had moeten worden uitgevoerd op basis van het gedetailleerde ontwerp. 55.
- Onbetwist is dat in dit verband toepassing dient te worden gegeven aan artikel 11c van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en aan artikel 3 van de Uitvoeringsregeling. In artikel 3 van de Uitvoeringsregeling worden 4 fasen beschreven. De eerste fase ziet op de voorontwerpfase en de tweede fase ziet op het gedetailleerde ontwerp van de aannemer. 55.
- De Afdeling stelt vast dat door Aveco de Bondt en Inspec in de periode 12 - 14 augustus 2014 een verkeersveiligheidsaudit in de auditfase VVA 1, voorlopig ontwerp, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Uitvoeringsregeling, is uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn weergegeven in het rapport "Verkeersveiligheidsaudit ZuidasDok A10 VVA fase 1" (hierna: verkeersveiligheidsaudit), van 26 augustus
- 55.
- In de toelichting bij de Uitvoeringsregeling staat dat de verkeersveiligheidsaudits beogen verkeersveiligheid een vaste plek in de plan- en uitvoeringsfase te geven, waardoor de verkeersveiligheid meer systematisch wordt bewaakt tijdens het ontwerpproces en beter kan worden meegenomen in de afweging voor het aanpassen van het ontwerp. Bij de keuze voor aanpassingen vanwege de verkeersveiligheidselementen wordt altijd een kosten/baten afweging gemaakt en worden verschillende alternatieven overwogen. 55.
- Uit de artikelen 3 en 4 van de Uitvoeringsregeling volgt dat de mogelijkheid bestaat tussen de verschillende fasen wijzigingen ter verbetering van de veiligheid in het ontwerp aan te brengen, maar dat dit niet verplicht is. Indien in een verslag van een verkeersveiligheidsaudit onveilige kenmerken zijn vermeld, maar het ontwerp niet wordt verbeterd voor het einde van de geschikte fase, dient het verslag van een verkeersveiligheidsaudit een toelichting te bevatten met de redenen daarvoor. Hieruit volgt dat de Uitvoeringsregeling er niet toe verplicht om bij een wijziging in de fase van, zoals in dit geval, het voorontwerp, opnieuw een verkeersveiligheidsaudit te laten uitvoeren. Het volstaat om, zoals de minister blijkens zijn toelichting ter zitting ook doet, bij het verslag van een verkeersveiligheidsaudit aan het eind van de geschikte fase de al dan niet gemaakte keuzes te verantwoorden. Het betoog van [appellant sub 9] dat artikel 3 van de Uitvoeringsregeling ertoe verplicht bij een wijziging in een bepaalde fase opnieuw een verkeersveiligheidsaudit te laten uitvoeren, volgt de Afdeling dan ook niet. Voor zover [appellant sub 9] betoogt dat in het tracébesluit het definitieve wegontwerp voorligt, zodat reeds een tweede verkeersveiligheidsaudit had moeten worden uitgevoerd, overweegt de Afdeling dat het tracébesluit een beschrijving dient te bevatten van de te treffen voorzieningen die dienen voor de instandhouding dan wel het veilig en doelmatig gebruik van een hoofdweg overeenkomstig artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Tracéwet. In de memorie van toelichting bij dat artikel (Kamerstukken II, 2009/2010 32 377, nr. 3, p. 19) staat dat in de huidige praktijk wordt gewerkt met bepalingen die voorkomen dat maatregelen bij vaststelling van het tracébesluit in beton gegoten zijn. Op die manier wordt mogelijk gemaakt dat innovatieve ontwikkelingen ten volle kunnen worden meegenomen bij de uiteindelijke werkzaamheden. Verder bevatten tracébesluiten standaard flexibiliteitsbepalingen die, onder daarin expliciet vastgelegde voorwaarden, mogelijk maken dat ook na vaststelling van het tracébesluit maatregelen anders dan verwoord in het tracébesluit kunnen worden uitgevoerd of geheel of gedeeltelijk achterwege kunnen blijven. De Afdeling overweegt dat hieruit volgt dat met het tracébesluit niet het definitieve gedetailleerde ontwerp voorligt. Het stroomschema, weergegeven op p. 13 in het Voorschrift Verkeersveiligheidsaudit van 19 januari 2011 bevestigt dit. Het betoog van [appellant sub 9] kan niet leiden tot het oordeel dat ten tijde van het vaststellingsbesluit reeds een tweede verkeersveiligheidsaudit uitgevoerd had moeten worden. De Afdeling wijst erop dat op p. 45 van het Rapport actualisatie milieu-informatie staat dat de opdrachtnemer de aanbevelingen uit de verkeersveiligheidsaudit en de gedragskundige analyse integraal dient mee te nemen in zijn ontwerp, waarna op dit onderwerp een actualisatie van de gedragskundige analyse plaatsvindt naast de wettelijk verplichte tweede verkeersveiligheidsaudit.
- [appellant sub 9] voert aan dat ter plaatse van zijn woonboot ten onrechte geen onderzoek is uitgevoerd naar de gevolgen van de ten opzichte van het ontwerpbesluit vervallen vluchtstrook en het risicoscenario dat een vangrail het begeeft na aanrijding met een voertuig. Er zijn volgens hem diverse gevallen bekend waarbij een vrachtauto door een vangrail rijdt. Hij wijst daartoe op een ongeval dat plaatsvond op 27 juli 2015 bij knooppunt Amstel op de verbindingsweg van de A2 naar de A10, waarbij een vrachtwagen door de geleiderail is gebroken. Door de uitbreiding van de A10, waardoor de A10 dichterbij zijn perceel komt te liggen, bestaat het risico dat een vrachtauto op het perceel van [appellant sub 9] belandt. 56.
- De minister stelt dat vanwege de beperkt beschikbare ruimte is besloten de desbetreffende vluchtstrook te laten vervallen, waardoor de afstand tussen het kunstwerk en het perc