← Nederland

ECLI:NL:RVS:2017:1259

201600614/1/R2, 201600617/1/R2, 201600618/1/R2, 201600620/1/R2, 201600622/1/R2 en 201600630/1/R2. Datum uitspraak: 17 mei 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Verwijzingsuitspraak in het geding tussen: de Stichting Werkgroep Behoud de Peel, gevestigd te Deurne (hierna: de Werkgroep), appellante, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder Procesverloop Bij verschillende besluiten van 14 december 2015 heeft het college vergunningen krachtens artikel 16 en 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het exploiteren en/of uitbreiden en wijzigen van zes verschillende agrarische bedrijven. Tegen deze besluiten heeft de Werkgroep beroep ingesteld. Het college heeft in deze zaken een verweerschrift ingediend. [vergunninghouder A] heeft gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting te geven (zaaknr. 201600630/1/R2). De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht in deze zaken uitgebracht. De Werkgroep en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. Het college en de Werkgroep hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de bovengenoemde zaken met de zaken in nrs. 201506807/1/R2, 201506815/1/R2 en 201506818/1/R2 op 30 november 2016 en 1 december 2016 gevoegd ter zitting behandeld. Ter zitting zijn de Werkgroep, vertegenwoordigd door W.M.M. van Opbergen, bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, rechtsbijstandverlener te Gennep, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, en bijgestaan door onder meer mr. M. Heerings, ir. E.J. Maltha-Nix, ir. B.J.L. Clabbers, ir. D. Bal en ir. S.J.M. Breukel, verschenen. Voorts zijn daar namens de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening, ir. V.C.A. Bogaardt, ing. J.H. Grit, drs. J.F. Schuurman en ing. P. Stroeken, als deskundigen gehoord. Verder zijn [vergunninghouder B], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg (zaaknr. 201600620/1/R2) en [vergunninghouder A], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg (zaaknr. 201600630/1/R2), beide vergunninghouders, gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en partijen medegedeeld dat zij voornemens is het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op een aantal vragen. Deze vragen zijn vervolgens in concept aan partijen gezonden. De Werkgroep en het college hebben een reactie gegeven op deze vragen. INHOUDSOPGAVE A. INLEIDING EN OPZET UITSPRAAK B. DE BETROKKEN VEEHOUDERIJEN C. KORTE DUIDING BESTREDEN BESLUITEN EN BEROEP D. INSTEMMING LIMBURG MET VERGUNNINGVERLENING E. BESCHRIJVING VAN DE PROGRAMMATISCHE AANPAK STIKSTOF Terminologie die in het PAS wordt gebruikt Bestuurlijke keuzes en ambitieniveau Juridische vormgeving PAS Beschrijving AERIUS F. VERHOUDING PAS TOT ARTIKEL 6 VAN DE HABITATRICHTLIJN Het toepasselijke recht Relatie ambitieniveau tot artikel 6 van de Habitatrichtlijn Het vereiste van een individuele toestemming of individuele beoordeling De passende beoordeling in het licht van artikel 6 van de Habitatrichtlijn Het depositieniveau uit 2014 als uitgangspunt G. VERZOEK OM VOORRANG H. KEUZES, GEGEVENS EN AANNAMES IN HET PAS Keuzes, gegevens en aannames over de depositiedaling Keuzes, gegevens en aannames over de omvang van de depositieruimte Conclusie onderdeel H I. SLOT Overwegingen 1. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden en is de Nbw 1998 ingetrokken. Omdat de bestreden besluiten zijn genomen voor 1 januari 2017 volgt uit artikel 9.10 van de Wnb dat deze geschillen moeten worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht. A. INLEIDING EN OPZET UITSPRAAK 2. Deze verwijzingsuitspraak hangt samen met de verwijzingsuitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2017:1260. In beide uitspraken zijn toestemmingsregimes voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden aan de orde. 2.1. In onderhavige uitspraak worden de beroepen van de Werkgroep tegen zes vergunningen voor verschillende agrarische bedrijven in de provincie Noord-Brabant behandeld. Deze vergunningen zijn verleend met toepassing van het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (hierna: het PAS) en de daarbij behorende regelgeving die vanaf 1 juli 2015 van kracht is. 2.2. In het PAS staat dat in 118 van de 162 Nederlandse Natura 2000-gebieden sprake is van een overbelasting van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten. De belangrijkste nationale bron van uitstoot van stikstof is de veehouderij. Daarnaast dragen verkeer, scheepvaart, industrie en consumenten (bijvoorbeeld woningen, recreatie) bij aan de stikstofbelasting. De bijdrage van bronnen in het buitenland aan de depositie op de Nederlandse Natura 2000-gebieden is substantieel: zij bedraagt gemiddeld over alle Natura 2000-gebieden circa 35% van de totale depositie (zie p. 14-15 van het PAS). 2.3. De overbelasting vormt een probleem voor zowel de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de stikstofgevoelige natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden als voor het mogelijk maken van economische ontwikkelingen die stikstofdepositie veroorzaken. Omdat stikstof tot op grote afstand van de bron neerslaat en de 118 Natura 2000-gebieden met overbelaste stikstofgevoelige habitats en leefgebieden verspreid over Nederland liggen, is voor veel projecten, zoals woningbouw, de aanleg van wegen, industrie en veehouderij, nabij en op grote afstand van Natura 2000-gebieden een vergunning vereist waarbij de gevolgen van de daardoor veroorzaakte stikstofdepositie op verschillende Natura 2000-gebieden dienen te worden beoordeeld. De vergunningverlening voor deze projecten stagneerde omdat de beoordeling complex is en kostbaar voor initiatiefnemers. 2.4. Het probleem van de overbelasting van de natuurwaarden en de stagnatie van economische ontwikkelingen die stikstofdepositie veroorzaken is aanleiding geweest voor de ontwikkeling van een programmatische aanpak van de stikstofproblematiek. Een belangrijk onderdeel daarvan vormt het PAS. Met het PAS wordt beoogd de verslechtering van de stikstofgevoelige natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden te voorkomen en op termijn de instandhoudingsdoelstellingen daarvoor te realiseren. Daarnaast voorziet het PAS en de daarbij behorende regelgeving in een beoordelingskader voor ontwikkelingen die stikstofdepositie veroorzaken. 2.5. In onderhavige verwijzingsuitspraak staat de vraag centraal of het beoordelingskader voor stikstofveroorzakende projecten en andere handelingen verenigbaar is met artikel 6, tweede en derde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG1992 L206; hierna Habitatrichtlijn). Ten aanzien van de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het PAS is de vraag aan de orde of en onder welke voorwaarden instandhoudingsmaatregelen, passende maatregelen en beschermingsmaatregelen daarin mogen worden betrokken. De vragen over de maatregelen in de passende beoordeling worden ook voorgelegd in de verwijzingsuitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2017:1260. 2.6. De maatschappelijke gevolgen van de verwijzing van deze zaken naar het Hof van Justitie zijn groot. De beantwoording van de prejudiciële vragen is van belang voor veel ontwikkelingen in Nederland. In de periode vanaf de inwerkingtreding van het PAS op 1 juli 2015 tot 31 december 2016 zijn 3103 meldingen gedaan en 4299 vergunningen aangevraagd voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken, zoals de realisering van woningbouwlocaties, de aanleg van wegen, uitbreiding van industriële activiteiten en ontwikkelingen in de veehouderij. Omdat de depositie ver van de bron neerslaat en de Natura 2000-gebieden verspreid over Nederland liggen, verkeren initiatiefnemers van dergelijke projecten in heel Nederland thans in onzekerheid of een vergunning voor hun project kan worden verleend en of die, indien daartegen beroep wordt ingesteld, onherroepelijk zal worden. De Afdeling acht van belang dat de onzekerheid of dergelijke economische ontwikkelingen doorgang kunnen vinden zo kort mogelijk duurt. 2.7. Beide verwijzingsuitspraken zijn omvangrijk. Dat komt door de complexiteit van de materie, de regelgeving en het programma. Een uitgebreide beschrijving daarvan is nodig voor het verkrijgen van inzicht in de instrumenten die in de Nbw 1998 zijn gekozen om aan de verplichtingen van artikel 6 van de Habitatrichtlijn te voldoen. In beide verwijzingsuitspraken heeft de Afdeling voorts een aanzet tot beantwoording van de prejudiciële vragen gegeven. 2.8. De uitspraak is als volgt opgebouwd. In de onderdelen B en C worden achtereenvolgens de betrokken veehouderijen, de bestreden besluiten en de beroepen daartegen, beschreven. Deze onderdelen zijn voor de prejudiciële en nationale procedure van belang. In onderdeel D wordt een formele beroepsgrond behandeld die alleen voor de nationale procedure van belang is. Daarna volgt in de onderdelen E en F de beschrijving van de programmatische aanpak en de verhouding van het PAS tot artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Deze twee onderdelen zijn van belang voor de prejudiciële procedure. Onderdeel G bevat het verzoek aan het de president van het Hof van Justitie om de zaak met voorrang te behandelen. Enkele beroepsgronden tegen de keuzes, gegevens en aannames die ten grondslag liggen aan het PAS en de daarbij behorende onderzoeken en AERIUS worden besproken in onderdeel H. Onderdeel I bevat de slotoverweging en gaat in op het verzoek om hangende de prejudiciële verwijzing een voorlopige voorziening te treffen. Deze twee onderdelen (H en I) zijn alleen voor de nationale procedure van belang. B. DE BETROKKEN VEEHOUDERIJEN 3. De bestreden besluiten betreffen Nbw-vergunningen voor zes verschillende agrarische bedrijven in de provincie Noord-Brabant. De bedrijven veroorzaken stikstofdepositie op onder meer de Natura 2000-gebieden Groote Peel en Deurnsche Peel & Mariapeel. Beide gebieden zijn aangewezen voor het stikstofgevoelige habitattype herstellend hoogveen. De vergunning voor de [vergunninghouder C] heeft betrekking op de oprichting van een melkvee- en varkenshouderij aan de [locatie 1] in Deurne. Op grond van de vergunning mogen 300 melkkoeien, 70 stuks jongvee en 320 vleesvarkens met een totale emissie van 3572 NH3 kg/jr worden gehouden (zaaknr. 201600614/1/R2). De vergunde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie van maximaal 2,99 mol N/ha/jr op de Deurnsche Peel & Mariapeel. [vergunninghouder D] exploiteert aan de [locatie 2] in Someren een melkveebedrijf. De vergunning is verleend voor de exploitatie en uitbreiding van het bedrijf. Het bedrijf kan op grond van de vergunning groeien tot 200 stuks melkvee en 140 stuks jongvee, met een totale emissie van 3086 NH3 kg/jr (zaaknr. 201600617/1/R2). De hoogste depositie van de bestaande activiteit inclusief de uitbreiding bedraagt 1,51 mol N/ha/jr op de Groote Peel en 0,55 mol N/ha/jr op de Deurnsche Peel & Mariapeel. De maximale toename ten opzichte van de feitelijk veroorzaakte emissie in 2014 bedraagt op deze gebieden 0,18 respectievelijk 0,06 mol N/ha/jr. [vergunninghouder E] is gevestigd aan de [locatie 3] te Someren. Aan dit bedrijf is een vergunning verleend voor de exploitatie en uitbreiding van de pluimveehouderij. Het bedrijf mag op grond van de vergunning 30.152 ouderdieren van vleeskuikens houden, met een totale emissie van 7688 NH3 kg/jr (zaaknr. 201600618/1/R2). De hoogste depositie van de bestaande activiteit inclusief de uitbreiding bedraagt 2,26 mol N/ha/jr op de Groote Peel en 1,29 mol N/ha/jr op de Deurnsche Peel & Mariapeel. De maximale toename ten opzichte van de feitelijk veroorzaakte emissie in 2014 bedraagt op deze gebieden 1,85 respectievelijk 1,05 mol N/ha/jr. [vergunninghouder B] exploiteert een pluimveebedrijf aan de [locatie 4] te Someren. Aan dit bedrijf is een vergunning verleend voor de exploitatie van de pluimveehouderij. Het bedrijf mag op grond van de vergunning 50.000 ouderdieren van vleeskuikens houden met een totale emissie van 12.500 NH3 kg/jr (zaaknr. 201600620/1/R2). De hoogste depositie van de bestaande activiteit bedraagt 2,18 mol N/ha/jr op de Groote Peel en 1,91 mol N/ha/jr op de Deurnsche Peel & Mariapeel. Deze depostie werd feitelijk ook veroorzaakt in 2014, zodat ten opzichte van die situatie de depositie niet toeneemt. Varkenshouderij Limburglaan B.V. exploiteert een varkenshouderij aan de Limburglaan 7 in Someren. Aan het bedrijf is een vergunning verleend voor de exploitatie en uitbreiding van de varkenshouderij met 7980 vleesvarkens, 3584 gespeende biggen, 750 guste/dragende zeugen, 240 kraamzeugen en 2 dekberen, met een totale emissie van 6057,04 NH3 kg/jr (zaaknr. 201600622/1/R2). De hoogste depositie van de bestaande activiteit inclusief de uitbreiding bedraagt 1,05 mol N/ha/jr op de Groote Peel en 0,76 mol N/ha/jr op de Deurnsche Peel & Mariapeel. De maximale toename ten opzichte van de feitelijk veroorzaakte emissie in 2014 bedraagt op deze gebieden 0,24 respectievelijk 0,18 mol N/ha/jr. [vergunninghouder A] exploiteert een varkenshouderij aan de [locatie 5] te Someren. Aan het bedrijf is een vergunning verleend voor de verandering van de varkenshouderij met in totaal 2996 vleesvarkens en 20132 gespeende biggen, met een totale emissie van 2650 NH3 kg/jr (zaaknr. 201600630/1/R2). Aan dit bedrijf is eerder een Nbw-vergunning verleend. De thans vergunde situatie leidt ten opzichte van de eerder Nbw-vergunde situatie tot een toename van 0,27 mol N/ha/jr op de Deurnsche Peel & Mariapeel. De Werkgroep, die beroep heeft ingesteld tegen deze vergunningen, zet zich in voor het behoud en herstel van het Peelgebied als een hoogveen(achtig) landschap met de daaraan verbonden historische waarden en natuurkwaliteiten. De Werkgroep geeft voorlichting over het Peelgebied en is betrokken bij het opstellen van overheidsplannen zoals het landinrichtingsplan Peelvenen, waterhuishoudingsplannen, en beheerplannen voor Natura 2000-gebieden. Daarnaast verzorgt de Werkgroep met een groep vrijwilligers het beheerwerk in de Deurnsche Peel en Heidsche Peel. Dat werk bestaat onder meer uit het afdammen van de oude afwateringssloten en de wijken waardoor het gebied vernat, en het zagen en kappen van berkenbomen, die er als gevolg van de verdroging zijn gaan groeien. Sommige delen van het gebied worden begraasd door schapen of koeien, om te proberen boom- en grasgroei weg te houden en heide terug te krijgen. De Werkgroep heeft beroep ingesteld omdat zij vreest dat de stikstofdepositie die de agrarische bedrijven veroorzaken op de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden Groote Peel en Deurnsche Peel & Mariapeel leiden tot aantasting van die waarden. C. KORTE DUIDING BESTREDEN BESLUITEN EN BEROEP 4. Het college heeft bij de bestreden besluiten vergunningen verleend voor de exploitatie en/of uitbreiding van agrarische bedrijven die stikstofdepositie veroorzaken op stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Het heeft daarbij toepassing gegeven aan het PAS en de daarbij behorende regelgeving die vanaf 1 juli 2015 in de Nbw 1998, het Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof (hierna: het Besluit grenswaarden) en de Regeling programmatische aanpak stikstof (hierna: de Regeling) is opgenomen. Deze regelgeving biedt een beoordelingskader voor vergunningen voor projecten en andere handelingen die stikstof uitstoten en daardoor significante gevolgen kunnen hebben voor stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. In één zaak (201600620/1/R2) heeft het college de vergunning verleend omdat de stikstofdepositie van het bedrijf niet toeneemt ten opzichte van de feitelijk veroorzaakte depositie voorafgaand aan het PAS. De depositie van bestaande activiteiten is voor het PAS passend beoordeeld als onderdeel van de achtergronddepositie. De vergunning is verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. In de overige zaken zijn vergunningen aan de orde voor bedrijfsactiviteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de feitelijk veroorzaakte of de vergunde depositie voorafgaand aan het PAS. Voor zover deze projecten stikstofdepositie veroorzaken die de voor het desbetreffende Natura 2000-gebied geldende drempel- of grenswaarde (0,05 of 1 mol N/ha/

  1. jr)overschrijdt, is voor de toename van stikstofdepositie ontwikkelingsruimte toegedeeld. De depositie die kan ontstaan door benutting van de (totale) ontwikkelingsruimte die in het PAS per hectare van een stikstofgevoelig habitattype in een Natura 2000-gebied is berekend, is voor het PAS passend beoordeeld. De vergunningen zijn verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Voor zover deze projecten stikstofdepositie veroorzaken die onder de drempel- en grenswaarde blijft die voor het desbetreffende Natura 2000-gebied geldt, heeft bij de vergunningverlening geen beoordeling plaatsgevonden van de toename van stikstofdepositie op de stikstofgevoelige natuurwaarden in die Natura 2000-gebieden. Voor dergelijke toenames is in het PAS zogenoemde depositieruimte gereserveerd, die voor het PAS passend is beoordeeld. Voor de projecten is, voor zover het deposities tussen 0,05 mol en 1 mol N/ha/jr betreft, wel een meldingsplicht van toepassing. Hieraan is door het college uitvoering gegeven. 4.1. De beroepen van de Werkgroep strekken ertoe dat het college de vergunningen niet kon verlenen met toepassing van het PAS en de regelgeving over de programmatische aanpak stikstof. Het PAS en de regelgeving waarborgen volgens de Werkgroep niet dat op een juiste wijze uitvoering wordt gegeven aan artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Het ambitieniveau van het PAS, dat inzet op het voorkomen van verslechtering in de eerste PAS-periode van zes jaar en het bijdragen aan herstel in de tweede en derde PAS-periode is volgens de Werkgroep te mager. Het bieden van enig uitzicht op herstel van de kwaliteit van de habitats ondanks een blijvende zeer hoge overschrijding van de kritische depositiewaarde na drie PAS-periodes, biedt volgens de Werkgroep geen uitzicht op het bereiken van een gunstige staat van instandhouding. Het PAS biedt daarom niet de zekerheid dat projecten die stikstofdepositie veroorzaken en op basis van het PAS worden toegestaan, de kwaliteit van de natuurlijke habitats niet zal aantasten. Verder meent de Werkgroep dat een programma niet de plaats van een individuele beoordeling kan innemen, die artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn vereist voor projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Verder stelt zij dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die de Habitatrichtlijn stelt, omdat daarin instandhoudings- en passende maatregelen zijn betrokken die op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn, moeten worden getroffen. Daarnaast zijn in de passende beoordeling bron- en herstelmaatregelen betrokken die volgens de Werkgroep het karakter van compensatie hebben. De Werkgroep vindt het in het licht van artikel 6 van de Habitatrichtlijn voorts bezwaarlijk dat de ontwikkelingsruimte kan worden toegedeeld voordat de positieve gevolgen van de maatregelen zich hebben voorgedaan. Behalve deze principiële juridische bezwaren stelt de Werkgroep verschillende inhoudelijke bezwaren tegen het PAS aan de orde. In algemene zin stelt zij dat het voor belanghebbenden nauwelijks mogelijk is inzicht te krijgen in de uitgangspunten, de prognoses en de berekeningen die aan het PAS en het rekeninstrument AERIUS ten grondslag liggen. De uitgangspunten en berekeningen van de omvang van de depositiedaling door de te treffen PAS-bronmaatregelen, de afdwingbaarheid van deze maatregelen en het onverklaarde verschil tussen de gemeten en berekende concentratie van ammoniak in de lucht, bevatten volgens de Werkgroep te veel onzekerheden, om daar een bepaalde omvang van depositie-/ontwikkelingsruimte voor nieuwe ontwikkelingen aan te ontlenen. De effectiviteit van bepaalde herstelmaatregelen staat volgens de Werkgroep niet vast en onzeker is of de herstelmaatregelen daadwerkelijk en tijdig worden getroffen. Het instellen van een drempelwaarde acht de Werkgroep bezwaarlijk. Door de overgangsregeling voor extern salderen is bovendien niet gewaarborgd dat een deel van de depositie van stoppende agrarische bedrijven, die als ontwikkelingsruimte beschikbaar wordt gesteld, al is benut voor extern salderen. De Werkgroep betwijfelt de mogelijkheden van bijsturing in het geval dat de afname van depositie achterblijft bij de prognose. Tot slot stelt de Werkgroep dat de bestreden besluiten in strijd met artikel 2, vijfde lid, van de Nbw 1998, niet in overeenstemming met het college van gedeputeerde staten van Limburg zijn genomen. D. INSTEMMING LIMBURG MET VERGUNNINGVERLENING (slechts relevant voor de nationale procedure) 5. De Werkgroep betoogt dat de vergunningen in afwijking van artikel 2, vijfde lid, van de Nbw 1998 niet in overeenstemming met het college van gedeputeerde staten van Limburg zijn verleend. Het uitblijven van een reactie kan volgens de Werkgroep niet gelijk worden gesteld met instemming. 5.1. Artikel 2, vijfde lid, van de Nbw 1998 luidde ten tijde van belang: "Gedeputeerde staten beslissen niet op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, dan in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin Natura 2000-gebieden, of delen daarvan, zijn gelegen waarvoor het project of de andere handeling waarvoor vergunning wordt verleend gevolgen kan hebben". 5.2. Vaststaat dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant bevoegd gezag is en dat de besluiten in overeenstemming met het college van gedeputeerde staten van Limburg dienden te worden genomen. 5.3. Het college van gedeputeerde staten van Limburg heeft bij brief van 28 juli 2015 aan de andere provincies en het ministerie van Economische Zaken zijn werkwijze ten aanzien van artikel 2, vijfde lid, van de Nbw 1998 bekendgemaakt. Hierin is vermeld dat een vergunning in overeenstemming met het college van gedeputeerde staten van Limburg is verleend indien: "- overeenkomstig uw beleidsregels wordt beschikt zonder gebruikmaking van de hardheidsclausule; - de effecten van de activiteit op een in Limburg gelegen Natura 2000-gebied beperkt blijven tot effecten als gevolg van stikstofdepositie; - na bekendmaking van het ontwerpbesluit vier weken zijn verstreken en u van ons geen reactie heeft ontvangen. Indien niet voldaan wordt aan bovengenoemde voorwaarden, dient u ons expliciet om instemming te verzoeken. De termijn van vier weken is dan niet van toepassing". 5.4. In de aan de orde zijnde vergunningzaken heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant het ontwerpbesluit tot verlening van de vergunning toegezonden aan het college van gedeputeerde staten van Limburg met het verzoek in te stemmen met het ontwerpbesluit. Daarbij is vermeld dat het college de instemming binnen vier weken na verzending van de brief tegemoet ziet en indien niet binnen vier weken een reactie wordt ontvangen, dat dan conform het door alle provincies vastgestelde beleid automatisch wordt ingestemd met het besluit. De Afdeling is van oordeel dat artikel 2, vijfde lid, van de Nbw 1998 een dergelijke handelwijze, waarbij uitdrukkelijk om instemming wordt verzocht en overeenkomstig de afspraak met het college dat om instemming wordt gevraagd, is aangegeven dat de instemming geacht wordt te zijn gegeven als niet na een bepaalde termijn een reactie is ontvangen, niet uitsluit. Het betoog faalt. E. BESCHRIJVING VAN DE PROGRAMMATISCHE AANPAK STIKSTOF Terminologie die in het PAS wordt gebruikt 6. Voorafgaand aan een inhoudelijke bespreking van het PAS worden de centrale begrippen uit dit systeem weergegeven en kort gedefinieerd. Deze weergave beoogt niet de beschrijving van de begrippen in de overwegingen hierna te vervangen, maar dient uitsluitend als hulpmiddel bij het lezen van deze uitspraak. Stikstofgevoelige natuurwaarden: habitattypen in Habitatrichtlijngebieden en habitats van soorten in Habitatrichtlijngebieden en Vogelrichtlijngebieden die aangetast kunnen worden door een overmaat aan depositie van stikstof. De mogelijke aantasting bestaat in dat geval uit een vermestende en/of een verzurende invloed van het stikstof. Kritische depositiewaarde: de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Vergunning: toestemming door het bevoegde gezag, zonder welke geen projecten mogen worden gerealiseerd of andere handelingen mogen worden verricht die de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Melding: een bericht aan het bevoegd gezag dat wordt ingediend met gebruikmaking van AERIUS. Hierbij wordt een omschrijving gegeven van de aard en de omvang van een voorgenomen project of andere handeling dat stikstofdepositie tot gevolg kan hebben. De melding wordt ten minste vier weken maar ten hoogste twee jaar voor de aanvang gedaan. Achtergronddepositie: de heersende depositie als gevolg van het totaal van bijdragen van alle emissiebronnen. Bij de aanvraag van een vergunning of de melding van een activiteit wordt deze achtergronddepositie als uitgangspunt genomen. De stikstofdepositie als gevolg van de activiteit waarvoor de vergunning wordt aangevraagd of de melding wordt gedaan komt hier bovenop. Depositieruimte: de totale hoeveelheid stikstofdepositie die in het PAS tijdens één tijdvak van 6 jaren beschikbaar is voor de groei van bestaande activiteiten en voor het uitvoeren van nieuwe projecten of andere handelingen. Deze ruimte is onderverdeeld per in het programma opgenomen Natura 2000-gebied. De depositieruimte bestaat uit vier segmenten: ruimte voor autonome ontwikkeling (groei), ruimte voor deposities onder de grenswaarde, ontwikkelingsruimte voor prioritaire projecten en vrije ontwikkelingsruimte. Autonome ontwikkeling: dit is de verandering van stikstofdepositie als gevolg van ontwikkelingen die los staan van het PAS, zoals de groei van stikstofdepositie als gevolg van economische groei en de daling van stikstofdepositie als gevolg van technische ontwikkelingen. Grenswaarde: een waarde die is uitgedrukt in mol stikstofdepositie per hectare per jaar (mol N/ha/jr). Voor zover een project of andere handeling stikstofdepositie tot gevolg heeft, maar beneden deze waarde blijft, is deze binnen het PAS uitgezonderd van de vergunningplicht. Drempelwaarde: een waarde die is uitgedrukt in mol stikstofdepositie per hectare per jaar (mol N/ha/jr).Voor zover een project of andere handeling stikstofdepositie tot gevolg heeft, maar beneden deze waarde blijft, is deze binnen het PAS uitgezonderd van de vergunningplicht en de meldingsplicht. Ontwikkelingsruimte: stikstofdepositie die kan worden toegedeeld of gereserveerd voor toestemmingsbesluiten van projecten of andere handelingen. Deze maakt deel uit van de depositieruimte. De ontwikkelingsruimte bestaat uit twee segmenten: segment 1 bevat prioritaire projecten. Dit is een lijst met specifiek benoemde projecten die het rijk of de provincies aanmerken als projecten van nationaal of provinciaal maatschappelijk belang; segment 2 bestaat uit vrije ontwikkelingsruimte voor overige projecten en handelingen. Gebiedsanalyse: een ecologische beoordeling van een Natura 2000-gebied waarin de gevolgen van het PAS zijn geanalyseerd. De gebiedsanalyses vormen in samenhang met het algemene deel van de passende beoordeling van het programma, op gebiedsniveau de passende beoordeling van het PAS. PAS-gebied: Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats dat in het PAS is opgenomen (momenteel zijn dit 118 van de 162 Natura 2000-gebieden in Nederland). PAS-herstelmaatregelen: maatregelen binnen PAS-gebieden die gericht zijn op het bestendiger maken van de natuur tegen een overbelasting van stikstof. Deze maatregelen worden in aanvulling op het regulier beheer getroffen. PAS-bronmaatregelen: maatregelen waarmee beoogd wordt de emissie van stikstofbronnen te verminderen. Deze bestaan uit stalmaatregelen om de emissie van stallen te verminderen, maatregelen voor emissiearme bemesting en voer- en managementmaatregelen. Deze maatregelen worden ook geduid als generieke PAS-maatregelen. AERIUS: softwaresysteem waarin de depositieontwikkeling per PAS-gebied wordt gemonitord, waarin de prognoses voor de depositieontwikkeling worden weergegeven, dat gebruikt wordt om te bepalen of vergunningen voor stikstofemitterende activiteiten nodig zijn en verleend kunnen worden, dat gebruikt wordt om te bepalen of een melding is vereist voor een stikstofemitterende activiteit en dat voortdurend registreert hoeveel depositieruimte en ontwikkelingsruimte aanwezig is per PAS-gebied. Bestuurlijke keuzes en ambitieniveau Aanleiding voor en doelen van het PAS 6.1. Aanleiding voor het PAS is het feit dat in Nederland overbelasting met stikstofdepositie een probleem vormt voor zowel de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de stikstofgevoelige habitats in veel Natura 2000-gebieden als voor het mogelijk maken van economische ontwikkelingen die stikstofdepositie veroorzaken op deze gebieden. De hoge achtergronddepositie zorgt voor een zogenoemde stikstofdeken die tot gevolg heeft dat in veel gebieden de zogenoemde kritische depositiewaarden voor de aangewezen habitattypen ruim worden overschreden. Een overschrijding van de kritische depositiewaarde betekent dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico bestaat dat de kwaliteit van habitattypen wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van stikstofdepositie. Het PAS kent een zogenoemde dubbeldoelstelling, te weten enerzijds het behoud en, waar nodig, het herstel van de in het PAS opgenomen Natura 2000-gebieden om op landelijk niveau een gunstige staat van instandhouding te bereiken en anderzijds het mogelijk maken van economische ontwikkelingen die stikstofdepositie veroorzaken op deze gebieden. Door het treffen van gebiedsspecifieke herstelmaatregelen en bronmaatregelen in het PAS wordt een verbetering van de draagkracht van de natuur en een extra daling van de stikstofdepositie verwacht ten opzichte van de reeds ingezette daling van stikstofdepositie op grond van buiten het PAS getroffen maatregelen. De daling van de stikstofdepositie wordt deels ingezet voor depositie- en ontwikkelingsruimte voor het mogelijk maken van economische ontwikkelingen. De combinatie van deze twee doelen heeft een ambitieniveau tot gevolg waarbij het eerste tijdvak van zes jaar (2015-2021) is gericht op het behoud van de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten en het voorkomen van aantasting van de natuurlijke kenmerken van de gebieden. Verbetering van de kwaliteit of uitbreiding van de oppervlakte van de habitattypen of leefgebieden kan in de gevallen waarin een verbeter- en/of uitbreidingsdoelstelling geldt in een tweede of derde tijdvak van dit programma aanvangen. Bron- en herstelmaatregelen 6.2. Stikstofdepositie is afkomstig uit verschillende buitenlandse en binnenlandse bronnen, waarbij de veehouderij de belangrijkste binnenlandse bron is. Om op termijn een gunstige staat van instandhouding van de habitattypen te bereiken, is het ondanks de reeds ingezette dalende trend in de stikstofdepositie in de afgelopen decennia, noodzakelijk dat de stikstofdepositie verder daalt. Om een verdergaande daling van de stikstofdepositie te bewerkstelligen zijn in het PAS extra bronmaatregelen opgenomen. Het gaat hierbij om stalmaatregelen, maatregelen voor emissiearme bemesting en voer- en managementmaatregelen. De effecten van deze maatregelen zijn berekend en de conclusie hiervan is dat de ammoniakemissie als gevolg van het PAS in 2020 met 13,4 kiloton per jaar zal dalen ten opzichte van de situatie zonder het PAS. Om met onzekerheden, zoals mogelijk tegenvallende resultaten, rekening te houden zijn in het PAS per maatregel marges aangehouden en is in het PAS rekening gehouden met een totale daling door deze maatregelen van 6,4 kiloton per jaar in 2021, het einde van het eerste tijdvak van 6 jaar. Daarnaast voorziet het PAS voor de daarin opgenomen gebieden in gebiedsspecifieke herstelmaatregelen die tot doel hebben de stikstofgevoelige habitats, zoals hoogveen, te versterken. De herstelmaatregelen betreffen onder meer hydrologische maatregelen en extra vegetatiemaatregelen, in aanvulling op het reguliere beheer van de Natura 2000-gebieden. Depositie- en ontwikkelingsruimte 6.3. De berekende daling van de stikstofdepositie wordt deels ingezet als depositieruimte. Bij de bronmaatregelen die depositieruimte moeten opleveren zijn op grond van het PAS diverse marges aangehouden om eventuele tegenvallende resultaten op te kunnen vangen en te kunnen verzekeren dat de natuurlijke kenmerken niet worden aangetast. De totale depositieruimte bestaat uit depositieruimte voor autonome ontwikkelingen en activiteiten onder de grenswaarde en uit ontwikkelingsruimte die wordt toegedeeld aan nieuwe activiteiten waarvoor voorafgaande toestemming is vereist. In onderstaande afbeelding (in kleur) uit het PAS wordt de opbouw van de totale depositieruimte geïllustreerd. Zowel bij de ontwikkelingsruimte als bij de depositieruimte voor autonome ontwikkelingen en activiteiten onder de grenswaarde is rekening gehouden met een scenario met een economische groei van 2,5%. Voor dit scenario is gekozen om maximaal ruimte te kunnen bieden aan (nieuwe) economische ontwikkelingen en als extra buffer voor onzekerheden in de ontwikkeling van de stikstofdepositie. In onderstaande afbeelding uit het PAS wordt door middel van de blauwe en lichtblauwe delen in de buizen geïllustreerd hoe de totale depositieruimte is opgebouwd. In het eerste tijdvak wordt de depositiedaling door de PAS-bronmaatregelen (buis 3) gedeeltelijk ongedaan gemaakt door de uitgifte van 50% hiervan als ontwikkelingsruimte, zoals verbeeld met het teruggieten in buis 4. Gebiedsanalyses 6.4. Voor ieder in het PAS opgenomen Natura 2000-gebied is een afzonderlijke gebiedsanalyse gemaakt. De gebiedsanalyses vormen samen met het algemene deel van de passende beoordeling van het PAS op gebiedsniveau de passende beoordeling. De conclusie van deze passende beoordelingen luidt dat de depositie die in 2014 plaatsvond en de depositie die gedurende de PAS-periode van zes jaar kan gaan plaatsvinden door benutting van de depositie- en ontwikkelingsruimte, rekening houdend met de autonome daling van stikstofdepositie door bestaande, toekomstige en in het kader van het programma te treffen (extra) bronmaatregelen en bestaande en te treffen herstelmaatregelen niet zullen leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betreffende Natura 2000-gebied. Volgens deze analyses kunnen op termijn de instandhoudingsdoelstellingen worden gehaald. De gebiedsanalyses geven voor elk gebied aan wat de omvang is van de stikstofdepositie aan het begin van het eerste tijdvak van het PAS en hoe de stikstofdepositie zich zal gaan ontwikkelen bij uitvoering van het PAS. Daarnaast bevatten de gebiedsanalyses per stikstofgevoelig habitattype en leefgebied een uitwerking van de bestaande en te treffen herstelmaatregelen, en een ecologische beoordeling van de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. De rol van het PAS bij toestemmingsbesluiten 6.5. Een belangrijk doel van het PAS is het vereenvoudigen van de toestemmingverlening voor stikstofveroorzakende activiteiten. Vanaf de inwerkingtreding van het programma kan bij de verlening van toestemming voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken voor het aspect stikstof gebruik worden gemaakt van het programma en de daaraan ten grondslag liggende passende beoordeling. De uitgifte van de ontwikkelingsruimte vindt plaats bij het toestemmingsbesluit voor de activiteit. Omdat de ontwikkelingsruimte passend beoordeeld is hoeft de initiatiefnemer geen aanvullende onderbouwing aan te leveren. Van de vrije ontwikkelingsruimte (segment 2) mag in de eerste helft van het PAS-tijdvak van zes jaar maximaal 60% worden toegedeeld, in de tweede helft 40%. Daarmee is beoogd te voorkomen dat reeds bij aanvang van het PAS met toestemmingsbesluiten alle ontwikkelingsruimte zou worden uitgegeven voordat de extra daling van de stikstofdepositie en het herstel van de gebieden is ingezet. Voor activiteiten die in geringe mate bijdragen aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is na de inwerkingtreding van het PAS geen voorafgaande toestemming meer nodig. De stikstofdepositie door activiteiten die onder de drempelwaarde van 0,05 mol N/ha/jr vallen wordt opgevangen in de depositieruimte voor de autonome groei. Voor activiteiten die onder de grenswaarde van 1 mol N/ha/jr vallen is binnen de depositieruimte ruimte gereserveerd. Monitoring en bijsturing 6.6. Om de voortgang van het PAS te volgen en de doelen op termijn te kunnen bereiken is gekozen voor een systeem van monitoring en bijsturing. Monitoring beoogt zicht te geven en te houden op de ontwikkeling van de stikstofdepositie, de beschikbare en uitgegeven depositie- en ontwikkelingsruimte, de voortgang van de uitvoering van de maatregelen in het PAS en de ontwikkeling van de stikstofgevoelige habitats. Jaarlijks zal worden voorzien in een monitorings- en bijsturingsrapportage. Als uit deze rapportage blijkt dat de doelen van het PAS in gevaar komen en de aangehouden marges worden overschreden, zoals de marge tussen 6,4 kiloton daling van ammoniakemissie waarmee het PAS in 2021 rekening houdt en 13,4 kiloton daling van ammoniakemissie die is berekend in 2020 (zie 6.2), is voorzien in de mogelijkheid van bijsturing. Deze bijsturing bestaat eruit dat bron- en/of herstelmaatregelen in het PAS kunnen worden gewijzigd, vervangen of toegevoegd en dat er minder of geen ontwikkelingsruimte voor segment 2 voor een gebied beschikbaar zal worden gesteld. Met monitoring en mogelijke bijsturing is beoogd te verzekeren dat de doelen van het PAS worden behaald binnen de bedoelde tijdvakken. Juridische vormgeving PAS Doelen en ambitieniveau van het PAS 6.7. De ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu zijn op grond van artikel 19kg, eerste lid, van de Nbw 1998 verplicht een programma vast te stellen voor de daarin opgenomen Natura 2000-gebieden ter vermindering van de stikstofdepositie in die gebieden en ter verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de stikstofgevoelige habitats in die gebieden binnen afzienbare termijn. Dit programma is het hier aan de orde zijnde PAS. In het tweede lid van genoemde bepaling staat dat het programma een ambitieuze en realistische vermindering beoogt van de stikstofdepositie, afkomstig van in Nederland aanwezige bronnen. Het PAS wordt ten minste eenmaal in de zes jaar vastgesteld en geldt voor een tijdvak van zes jaar (artikel 19kg, vijfde lid, van de Nbw 1998). Op de bestuursorganen die het aangaat rust de verplichting om zorg te dragen voor een tijdige uitvoering van de bronmaatregelen en de herstelmaatregelen die in het PAS zijn opgenomen (artikel 19kj van de Nbw). Natura 2000-gebieden mogen alleen worden opgenomen in het PAS wanneer voor deze gebieden in het programma wordt beschreven dat uit de passende beoordeling blijkt in hoeverre met maatregelen wordt voorkomen dat door ontwikkelingsruimte een verslechtering optreedt van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het gebied. Voorts deint uit de passende beoordeling te blijken in hoeverre met maatregelen wordt voorkomen dat door ontwikkelingsruimte storende factoren optreden voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen voor zover die factoren, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, een significant effect kunnen hebben (artikel 19kh, eerste lid, aanhef en onder h, sub 2 en 3 van de Nbw 1998). Bron- en herstelmaatregelen 6.8. In het PAS moeten zowel bron- als herstelmaatregelen worden beschreven die zijn of worden getroffen om een vermindering van de stikstofdepositie te bewerkstelligen onderscheidenlijk om de instandhoudingsdoelstellingen te verwezenlijken voor de stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen (artikel 19kh, eerste lid, aanhef en onder c en g, van de Nbw 1998). Om de beoogde vermindering van de stikstofdepositie te behalen zijn in het kader van het PAS drie bronmaatregelen voorzien. Het Besluit emissiearme huisvesting voorziet in maximale emissiewaarden voor huisvestingssystemen van agrarische bedrijven met landbouwhuisdieren. Voorts zullen de normen in het Besluit gebruik meststoffen worden aangescherpt voor de aanwending van dierlijke mest. Ten slotte zijn in de "Overeenkomst generieke maatregelen in verband met het Programma Aanpak Stikstof" voer- en managementmaatregelen opgenomen, die tot een vermindering van stikstofemissie moeten leiden. Deze overeenkomst is een convenant tussen Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland, de Nederlandse Zuivel Organisatie, de Nederlandse Vereniging Diervoederindustrie, Cumela Nederland, de Nederlandse Melkveehouders Vakbond, de Nederlandse Vakbond Varkenshouders, de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders en de Staatssecretaris van Economische Zaken. In het PAS moet worden beschreven wat de verwachte autonome ontwikkelingen zijn ten aanzien van de stikstofemissie en de effecten daarvan op de omvang van de stikstofdepositie in de betrokken Natura 2000-gebieden (artikel 19kh, eerste lid, onder b, van de Nbw 1998). Toestemmingverlening met het PAS 6.9. De vaststelling van het PAS heeft tot gevolg dat de bepalingen uit hoofdstuk III, titel 2, paragraaf 2a ‘Programmatische aanpak stikstof’ van de Nbw 1998, het Besluit grenswaarden en de Regeling, zoals deze luidden tot 1 januari 2017, van toepassing zijn op de beoordeling van projecten en andere handelingen die stikstofdepositie veroorzaken op stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Deze bepalingen zijn op 1 juli 2015 in werking getreden. Genoemde projecten en andere handelingen zijn op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 vergunningplichtig omdat ze kunnen leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten die stikstofgevoelig zijn. Uit artikel 19kh, zevende lid, van de Nbw 1998 gelezen in samenhang met artikel 2 van het Besluit grenswaarden volgt dat een uitzondering op de vergunningplicht in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 geldt voor projecten en andere handelingen die geen andere negatieve gevolgen voor een Natura 2000-gebied hebben dan stikstofdepositie, terwijl die depositie een bepaalde drempel- (0,05 mol N/ha/
  2. jr)of grenswaarde (1 mol N/ha/
  3. jr)niet overschrijdt of het project of andere handeling op een grotere afstand gerekend tot het Natura 2000-gebied wordt gerealiseerd dan is vastgesteld voor hoofdwegen (3
  4. km)of hoofdvaarwegen (5 km). Voor projecten en andere handelingen die onder de hiervoor genoemde grenswaarde vallen, maar een stikstofdepositie op een stikstofgevoelig habitat in een Natura 2000-gebied veroorzaken die hoger is dan 0,05 mol N/ha/jr geldt wel een meldingsplicht (artikel 8, eerste lid, van de Regeling). De grenswaarde wordt verlaagd naar 0,05 mol N/ha/jr wanneer uit AERIUS Register (zie hierna) blijkt dat ten aanzien van een hectare van een stikstofgevoelige habitat in het betreffende Natura 2000-gebied 5% of minder van de depositieruimte voor grenswaarden beschikbaar is (artikel 2, derde lid, van het Besluit grenswaarden). Voor projecten en andere handelingen die de grenswaarde overschrijden geldt de vergunningplicht onverkort. Voor de beoordeling van de vergunningaanvraag dient te worden bezien of de aangevraagde activiteit tot een toename van stikstofdepositie leidt. Bepalend daarvoor is of de aangevraagde situatie leidt tot een hogere depositie dan de depositie waarvoor eerder een Nbw-vergunning is verleend, of tot een hogere depositie dan de feitelijk veroorzaakte hoogste depositie in de periode 1 januari 2012 - 31 december 2014 (artikel 5 van de Regeling). Als het project of de andere handeling niet leidt tot een toename van stikstofdepositie, kan de vergunning onder verwijzing naar de passende beoordeling bij het PAS worden verleend. De depositie van de aangevraagde activiteit maakt in een dergelijk geval deel uit van de achtergronddepositie in 2014 die in de passende beoordeling van het PAS is betrokken. Leidt het project of de andere handeling tot een toename van stikstofdepositie dan kan de vergunning worden verleend als het bevoegd gezag daarvoor ontwikkelingsruimte toedeelt (artikel 19km, eerste lid, van de Nbw 1998). Bij dat besluit kan worden verwezen naar de passende beoordeling van het PAS. De depositie die kan ontstaan door benutting van de (totale) ontwikkelingsruimte die in het PAS per hectare van een stikstofgevoelig habitattype in een Natura 2000-gebied is vastgesteld, is voor het PAS passend beoordeeld. Uit artikel 19kh, negende lid, van de Nbw 1998 gelezen in samenhang met artikel 2 van het Besluit grenswaarden volgt dat bij de beoordeling van de vergunning niet wordt betrokken de depositie op stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden die onder de hiervoor bedoelde drempel- en grenswaarde blijft. Voor bepaalde handelingen en projecten geldt dat een aanvraag voor een toestemmingsbesluit tevens geldt als als een melding (artikel 8, zevende lid, van de Regeling). AERIUS 6.10. Het softwareprogramma AERIUS Calculator moet worden gebruikt als rekeninstrument om vast te stellen of een project of andere handeling door het veroorzaken van stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied een verslechterend of significant verstorend effect kan hebben (artikel 2 van de Regeling). Ook voor de vaststelling van de omvang van de toe te delen ontwikkelingsruimte moet AERIUS Calculator worden gebruikt (artikel 5, eerste lid, van de Regeling). Uit artikel 5, derde lid, van de Regeling volgt dat een besluit waarbij ontwikkelingsruimte wordt toebedeeld in beginsel geldig is voor onbepaalde tijd. Het bestuursorgaan dat ontwikkelingsruimte toebedeelt of intrekt, dient de afschrijving van de toegedeelde ontwikkelingsruimte of de bijschrijving van ontwikkelingsruimte na intrekking of vervallen van een besluit waarbij ontwikkelingsruimte is toebedeeld te registreren (artikel 19ko, eerste en tweede lid, van de Nbw 1998). Het softwareprogramma AERIUS Register is een registratie-instrument voor gegevens over de afschrijving, bijschrijving en reservering van ontwikkelingsruimte en gegevens over meldingplichtige projecten of andere handelingen (artikel 7, eerste lid, van de Regeling). Monitoring en bijsturing 6.11. Uit artikel 19kh, eerste lid, aanhef en onder f, van de Nbw 1998 volgt dat in het PAS wordt beschreven op welke wijze de voortgang en uitvoering van de PAS-bronmaatregelen en de effecten op de stikstofdepositie worden gemonitord (zie 6.6). Drie jaar na de vaststelling van het PAS dient inzichtelijk te worden gemaakt welke ontwikkelingsruimte in de tweede helft van het PAS beschikbaar zal zijn en welke ontwikkelingsruimte naar verwachting in het volgende PAS beschikbaar zal zijn (artikel 19kha, van de Nbw 1998). Indien uit de monitoring blijkt dat dit noodzakelijk is, kunnen op grond van artikel 19ki, eerste lid, bron- en herstelmaatregelen worden vervangen of toegevoegd aan het PAS en kan de uit te geven ontwikkelingsruimte worden bijgesteld. Beschrijving AERIUS 6.12. Om de hierboven beschreven doelen te bereiken en om te voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in de hierboven beschreven wettelijke regeling zijn instrumenten ontwikkeld die gebruikt worden om de huidige depositie van stikstof te bepalen, de ontwikkeling van de stikstofdepositie te monitoren, prognoses te maken voor de verwachte ontwikkeling van de depositie en om een beoordeling te maken van de vergunningplicht en vergunningverlening voor activiteiten die stikstofdepositie kunnen veroorzaken. Dit betreft het softwarepakket AERIUS dat via de website www.aerius.nl openbaar toegankelijk is. Drie modules van dit pakket zijn van belang in deze zaak. 6.13. Ten eerste is dit AERIUS Calculator. Dit rekeninstrument maakt een deels geautomatiseerde besluitvorming mogelijk. Het berekent de depositiebijdrage van emissiebronnen die een gebruiker in het systeem invoert of importeert en wordt op grond van artikel 2, eerste lid, van de Regeling gebruikt voor de vaststelling of een project of een andere handeling door het veroorzaken van stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied een verslechterend of significant verstorend effect kan hebben. Het resultaat van de berekening geeft inzicht in de depositiebijdrage van de ingevoerde bronnen op vaste rekenpunten binnen Natura 2000-gebieden of op rekenpunten die de gebruiker zelf heeft gedefinieerd. AERIUS Calculator biedt op deze wijze inzicht of een ingevoerde ontwikkeling stikstofdepositie veroorzaakt die de drempel- of grenswaarde niet overschrijdt en daardoor is uitgezonderd van de vergunningplicht, of de grenswaarde wel overschrijdt, waardoor deze vergunningplichtig is. AERIUS Calculator kan voor een ingevoerde ontwikkeling, zoals de vestiging of uitbreiding van een veehouderij, weergeven of nog voldoende ontwikkelingsruimte aanwezig is in de Natura 2000-gebieden waarop de ingevoerde emissiebron stikstofdepositie veroorzaakt. Calculator biedt verder de mogelijkheid om de rekenresultaten te exporteren als een document dat kan worden gebruikt als bijlage bij de vergunningaanvraag. 6.14. Ten tweede is dit AERIUS Register. Dit wordt door het bevoegd gezag gebruikt bij het beheer van de depositieruimte die is berekend met AERIUS Monitor. Zie rechtsoverweging 6.3 hierboven voor de rol die de depositieruimte speelt binnen het PAS. 6.15. Ten derde is dit AERIUS Monitor. Hiermee wordt de uitvoering van het PAS gevolgd. Monitor is een rekeninstrument dat op hectareniveau inzicht geeft in: - de depositietrend: de verwachte depositieontwikkeling in de tijd. Deze kan gevarieerd worden, afhangende van de gekozen beleidsscenario’s. - de extra daling die bereikt wordt met het PAS: Monitor geeft het effect van het PAS-beleid weer op de emissies en depositie van stikstof. - de depositieruimte en ontwikkelingsruimte: Monitor kan gebruikt worden om inzicht te krijgen in het deel van de totale depositie dat beschikbaar is voor nieuwe ontwikkelingen. - een confrontatie tussen depositieruimte en ontwikkelingsbehoefte: de verwachte overschotten of tekorten aan ontwikkelingsruimte kunnen met Monitor inzichtelijk gemaakt worden. 6.16. Bij het softwarepakket AERIUS is een onderbouwing gevoegd van de wijze waarop de gepresenteerde resultaten tot stand komen en op welke gegevens deze resultaten zijn gebaseerd. Deze onderbouwing staat in 190 factsheets die bij het softwareprogramma op de website beschikbaar zijn gesteld. 6.17. Op onderstaande afbeeldingen is bij wijze van voorbeeld te zien hoe AERIUS Monitor de gegevens over stikstofdepositie weergeeft voor een deel van het Natura 2000-gebied Groote Peel, één van de Natura 2000-gebieden die thans in geding zijn. Dit gebied is verdeeld in hexagonen die ieder een hectare binnen het gebied beslaan. AERIUS Monitor is in staat om per hexagoon de stikstofdepositie weer te geven. De betekenis van de kleuren van de hexagonen in de eerste afbeelding is de totale stikstofdepositie die in 2014 feitelijk plaatsvond en in de tweede afbeelding de totale stikstofdepositie die in 2020 wordt verwacht. Hoe donkerder de kleur is, hoe hoger de verwachte depositie. Rondom de geselecteerde hexagoon in de kaart (weergegeven in de kleur paars met een "i" erbij) is dit een depositie van 1300-1600 mol N/ha/jr in 2014. In 2020 wordt in AERIUS Monitor bij vijf van de omliggende hexagonen een depositie van 1000-1300 mol/ha/jr verwacht en bij één hexagoon 1300-1600 mol N/ha/jr. F. VERHOUDING PAS TOT ARTIKEL 6 VAN DE HABITATRICHTLIJN Het toepasselijke recht Recht van de Europese Unie 7. Habitatrichtlijn Artikel 2: "1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is. 2. De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. 3. In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden". Artikel 6: "1. De Lid-Staten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen. 2. De Lid-Staten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben. 3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden. 4. Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de Lid-Staat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De Lid-Staat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen. Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd". Nationaal recht 7.1. Voor de beschrijving van het in de Nbw 1998, het Besluit grenswaarden en de Regeling geregelde toestemmingsregime wordt verwezen naar 6.9. De relevante nationale bepalingen luiden als volgt. 7.2. Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) Artikel 19d, eerste lid: "Het is verboden zonder vergunning […] van gedeputeerde staten […] projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling […] de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. […]". Artikel 19e: "Gedeputeerde staten houden bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, rekening (
  5. a)met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling […] kan hebben voor een Natura 2000-gebied". Artikel 19f, eerste lid: "Voor projecten waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, maakt de initiatiefnemer alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling […], van dat gebied". Artikel 19g, eerste lid: "Indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, kan een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast". Artikel 19kg, eerste, tweede en vijfde lid: "1. Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stellen een programma vast voor de daarin opgenomen Natura 2000-gebieden ter vermindering van de stikstofdepositie in die gebieden en ter verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitats in die gebieden binnen afzienbare termijn. 2. Het programma beoogt een ambitieuze en realistische vermindering van de stikstofdepositie, afkomstig van in Nederland aanwezige bronnen. […] 5.Het programma wordt ten minste eenmaal in de zes jaar vastgesteld en geldt voor een tijdvak van zes jaar". Artikel 19kh, eerste, vierde, zevende, achtste en negende lid: "1. In een programma als bedoeld in artikel 19kg worden voor de betrokken Natura 2000-gebieden in elk geval beschreven of genoemd: a. de omvang van de stikstofdepositie aan het begin van het tijdvak van het programma […] b. de verwachte autonome ontwikkelingen ten aanzien van de stikstofemissie door de factoren, bedoeld in onderdeel a, en de effecten daarvan op de omvang van stikstofdepositie in de gebieden; c. de getroffen of te treffen maatregelen die bijdragen aan een vermindering van de stikstofdepositie, of die op een andere wijze bijdragen aan het bereiken van een goede staat van instandhouding van de voor stikstof gevoelige habitats, en de verwachte effecten van die maatregelen op de omvang van de depositie, onderscheidenlijk het bereiken van een goede staat van instandhouding in de gebieden; d. de sociaal-economische evaluatie en weging van haalbaarheid en betaalbaarheid van maatregelen als bedoeld in de onderdelen c en g; e. de doelstellingen ten aanzien van de omvang van de stikstofdepositie, al dan niet met tussendoelstellingen, of de indicatoren waaruit kan worden afgeleid of een doelstelling al dan niet is behaald welke noodzakelijk zijn met het oog op het bereiken van een gunstige staat van instandhouding; f. de wijze waarop en frequentie waarmee de rapportage plaatsvindt over de voortgang en uitvoering van de getroffen of te treffen in het programma beschreven en genoemde maatregelen en de effecten daarvan op de depositie; g. de getroffen of te treffen maatregelen ter verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen; h. de resultaten van een beoordeling voor elk Natura 2000-gebied dat in het programma is opgenomen, in hoeverre de maatregelen, bedoeld in de onderdelen c en g, rekening houdend met de verwachte algemene ontwikkeling van de stikstofdepositie, in het bijzonder het totaal van de stikstofdeposities, bedoeld in het zevende en negende lid, en de ontwikkelingsruimte: 1°. bijdragen aan de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitats in het gebied; 2°. voorkomen dat verslechtering optreedt van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het gebied; 3°. voorkomen dat storende factoren optreden voor de soorten waarvoor het gebied is aangewezen voor zover die factoren, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied, een significant effect kunnen hebben, en 4°. de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied die geen betrekking hebben op voor stikstof gevoelige habitats, niet in gevaar brengen. 4. In het programma worden de uitgangspunten opgenomen voor de bepaling van de ontwikkelingsruimte en voor de toedeling en reservering van ontwikkelingsruimte. In het programma wordt de op het tijdstip van vaststelling van het programma beschikbare ontwikkelingsruimte vermeld. 7. Het verbod, bedoeld in artikel 19d, eerste lid, is met betrekking tot een Natura 2000-gebied niet van toepassing op een project of andere handeling dat voldoet aan elk van de volgende voorwaarden: a. het project of de handeling: 1°. veroorzaakt een stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied die afzonderlijk en, ingeval het project of de handeling betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, in cumulatie met andere projecten of handelingen met betrekking tot dezelfde inrichting in de periode waarvoor het programma geldt, niet een waarde die is vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur overschrijdt, of […] b. het project of de handeling kan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied geen andere gevolgen veroorzaken dan stikstofdepositie die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. 8. De waarde […] bedoeld in het zevende lid, onderdeel a, kan voor de onderscheiden Natura 2000-gebieden verschillend worden vastgesteld. De waarde […] wordt zodanig vastgesteld dat: […] 2°. op voorhand op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat projecten of andere handelingen als bedoeld in het zevende lid afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied zullen aantasten. 9. Bij het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 19km, eerste lid, betrekt het bevoegd gezag niet de stikstofdepositie die het project of de andere handeling veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, indien de stikstofdepositie de in het zevende lid, onderdeel a, bedoelde waarde niet overschrijdt, onderscheidenlijk indien het project of de handeling wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk verricht op een grotere afstand dan de op grond van het zevende lid, onderdeel a, vastgestelde afstand". Artikel 19kha: "In het programma wordt, ter uitvoering van artikel 19kh, eerste lid, onderdeel f, in elk geval beschreven dat drie jaar nadat het programma is vastgesteld, Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, na overleg met de bestuursorganen, bedoeld in artikel 19kg, derde lid, de ontwikkelingsruimte inzichtelijk maken die: a. de tweede helft van het programma beschikbaar zal zijn; b. naar verwachting in het daarop volgende programma beschikbaar zal zijn, in het bijzonder in de eerste helft van het tijdvak van dat programma". Artikel 19ki,eerste lid: "1. Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen in het programma maatregelen als bedoeld in artikel 19kh, eerste lid, onderdeel c of g, wijzigen of door andere maatregelen vervangen, dan wel maatregelen toevoegen. Zij stellen voor de Natura 2000-gebieden waarop de maatregelen betrekking hebben in het programma vast wat daarvan de gevolgen zijn voor de ontwikkelingsruimte en voor de beoordeling, bedoeld in artikel 19kh, eerste lid, onderdeel h. Ingeval het wijzigen, vervangen of toevoegen van maatregelen leidt tot minder ontwikkelingsruimte met betrekking tot een Natura 2000-gebied, geschiedt dit in overeenstemming met de bestuursorganen die het beheerplan, bedoeld in artikel 19a of 19b, voor dat gebied vaststellen". Artikel 19kj: "De bestuursorganen die het aangaat dragen zorg voor een tijdige uitvoering van de in het programma opgenomen maatregelen, bedoeld in artikel 19kh, eerste lid, onderdelen c en g". Artikel 19km, eerste lid: "De ontwikkelingsruimte voor een in het programma opgenomen Natura 2000-gebied, kan […] overeenkomstig de uitgangspunten, bedoeld in artikel 19kh, vierde lid, door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van het desbetreffende besluit, worden toegedeeld in: […] b. een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid;" Artikel 19ko, eerste lid: "1. Een bestuursorgaan dat ontwikkelingsruimte toedeelt in een besluit als bedoeld in artikel 19km, eerste lid, […], draagt tijdig zorg voor een nauwkeurige en volledige registratie van de afschrijving van de toegedeelde ontwikkelingsruimte van de ontwikkelingsruimte die beschikbaar is voor projecten en andere handelingen die stikstofdepositie veroorzaken in de Natura 2000-gebieden waarop het besluit betrekking heeft.[…]". 7.3. Besluit grenswaarden programmatische aanpak (Besluit grenswaarden) Artikel 2 "1. De waarde, bedoeld in artikel 19kh, zevende lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet, is 1 mol per hectare per jaar". […] 3. In afwijking van het eerste lid is de waarde, bedoeld in artikel 19kh, zevende lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet, voor een project of andere handeling, niet zijnde een project of andere handeling als bedoeld in artikel 19kn, eerste lid, van de wet, 0,05 mol per hectare per jaar, zolang uit het krachtens artikel 19kb voorgeschreven rekenmodel blijkt dat ten aanzien van een hectare van een voor stikstof gevoelige habitat in het desbetreffende Natura 2000-gebied 5% of minder van de depositieruimte voor grenswaarden beschikbaar is". 7.4. Regeling programmatische aanpak stikstof (Regeling) Artikel 2, eerste lid: "1. Voor de vaststelling of een project of een andere handeling als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de wet, of een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19db, eerste lid, van de wet, door het veroorzaken van stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied een verslechterend of significant verstorend effect kan hebben, wordt de stikstofdepositie berekend met gebruikmaking van AERIUS Calculator". Artikel 5, eerste, tweede en derde lid: "1. Het bevoegd gezag stelt de omvang van de in een toestemmingsbesluit toe te delen ontwikkelingsruimte vast met gebruikmaking van AERIUS Calculator. 2 De ontwikkelingsruimte die het bevoegd gezag toedeelt in een toestemmingsbesluit is gelijk aan de toename van de stikstofdepositie op een hectare van een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied die een project of andere handeling per kalenderjaar kan veroorzaken, uitgaande van het jaar waarin de depositie als gevolg van dat project of die andere handeling het hoogst is. 3. In een toestemmingsbesluit dat geldig is voor onbepaalde tijd kent het bevoegd gezag ontwikkelingsruimte eenmalig toe voor onbepaalde tijd". Artikel 7, eerste, tweede en derde lid: "1. Er is een registratie-instrument waarin gegevens worden opgenomen die betrekking hebben op de afschrijving, bijschrijving en reservering van ontwikkelingsruimte en op meldingen als bedoeld in artikel 8. 2. Bij aanvang van het programma draagt de minister er zorg voor dat de beschikbare ontwikkelingsruimte in AERIUS Register wordt opgenomen. Dat gebeurt ook bij wijzigingen van het programma. 3. De registraties, bedoeld in artikel 19ko, eerste, tweede, derde en vierde lid, van de wet, geschieden in AERIUS Register, terstond nadat een toestemmingsbesluit is genomen, ingetrokken of vervallen of terstond nadat ontwikkelingsruimte in deze regeling is gereserveerd of een reservering van ontwikkelingsruimte in deze regeling is gewijzigd of vervallen". Artikel 8, eerste, zevende en achtste lid "1. Degene die voornemens is een project te realiseren of een andere handeling te verrichten waarop artikel 19kh, zevende lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet van toepassing is doet ten minste vier weken maar ten hoogste twee jaar voor de aanvang daarvan een melding, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a.1°. het project of de andere handeling heeft betrekking op de oprichting, verandering of uitbreiding van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer bestemd voor landbouw, industrie of het gebruik van gemotoriseerde voertuigen voor wedstrijden, […] b. het project of de andere handeling veroorzaakt stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig habitat in een Natura 2000-gebied die hoger is dan 0,05 mol per hectare per jaar. 7. Een aanvraag voor een toestemmingsbesluit waarin gedurende het tijdvak waarvoor het programma is vastgesteld ontwikkelingsruimte is toegedeeld aan een project of een andere handeling, geldt tevens als een melding als bedoeld in het eerste lid ten aanzien van Natura 2000-gebieden waarop het project of de andere handeling stikstofdepositie veroorzaakt die lager is dan of gelijk is aan de waarde, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof. 8. Het bestuursorgaan waarbij een melding is gedaan registreert de melding terstond na de ontvangst daarvan in AERIUS Register". Relatie ambitieniveau tot artikel 6 van de Habitatrichtlijn Beroepsgrond en standpunt college 8. De Werkgroep stelt dat met het PAS niet kan worden voldaan aan de verplichtingen die uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn voortvloeien omdat het ambitieniveau van het PAS, dat inzet op het voorkomen van verslechtering in de eerste PAS-periode van zes jaar en het bijdragen aan herstel in de tweede en/of derde PAS-periode daarvoor te mager is. Het bieden van enig uitzicht op herstel van de kwaliteit van de habitats ondanks een blijvende zeer hoge overschrijding van de kritische depositiewaarde na drie PAS-periodes in de Natura 2000-gebieden Groote Peel en Deurnsche Peel & Mariapeel, biedt volgens de Werkgroep geen uitzicht op het bereiken van een gunstige staat van instandhouding. 8.1. Het college stelt dat uit de gebiedsanalyses volgt dat in het eerste tijdvak van het PAS behoud van natuurwaarden is geborgd en dat de kwaliteit van de natuurwaarden na het eerste tijdvak zodanig is dat verbetering of uitbreiding daarvan in de volgende tijdvakken mogelijk is. De volgende twee tijdvakken van zes jaar zijn gericht op behoud en waar nodig (verder) herstel van de habitattypen en leefgebieden van soorten, mede met het oog op het bereiken van een landelijk goede staat van instandhouding. Om ervoor te zorgen dat dit mogelijk is, is in de gebiedsanalyse een doorkijk gegeven naar de toekomst. Het is dus niet zo dat slechts tot 2021 een waarborg bestaat dat geen verslechtering optreedt. Ook na die periode, tijdens het tweede en derde tijdvak, is minimaal behoud gegarandeerd. Verder kijken dan drie tijdvakken is in ecologisch opzicht te speculatief, aldus het college. Het college wijst er verder op dat de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden gedurende de verschillende tijdvakken van het PAS zal dalen door de autonome daling en door de PAS-bronmaatregelen. Het PAS zorgt er volgens het college voor dat er in ieder geval nergens een toename zal plaatsvinden op stikstofgevoelige natuur ten opzichte van de autonome situatie. Een deel van de extra afname komt ten goede aan de natuur. De overige extra afname van de stikstofemissie wordt ingezet om projecten en andere handelingen mogelijk te maken. Door de uitgifte van depositieruimte voor grenswaarden en ontwikkelingsruimte voor projecten en andere handelingen neemt de stikstofdepositie langzamer af dan het geval zou zijn zonder de uitgifte van depositieruimte voor grenswaarden en ontwikkelingsruimte. Dit leidt evenwel niet tot onevenredige vertraging in het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen, aldus het college. Beoordeling door de Afdeling 8.2. De Afdeling is van oordeel dat het ambitieniveau van het PAS verenigbaar is met de verplichtingen die voortvloeien uit de Habitatrichtlijn. Daartoe overweegt zij het volgende. In de considerans van de Habitatrichtlijn is aangegeven dat de Habitatrichtlijn tot hoofddoel heeft, met inachtneming van de vereisten op economisch, sociaal, cultureel en regionaal gebied, het behoud van de biologische diversiteit te bevorderen. Dit is uitgewerkt in artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn waarin is bepaald dat in de op grond van de Habitatrichtlijn genomen maatregelen rekening wordt gehouden met de vereisten op economisch en sociaal gebied. De Afdeling leidt hieruit af dat de Habitatrichtlijn de ruimte biedt voor de keuze om een deel van de autonome daling van de stikstofdepositie en 50% van de daling van de stikstofdepositie door de PAS-bronmaatregelen in te zetten voor economische activiteiten, waardoor de stikstofdepositie langzamer afneemt dan het geval zou zijn zonder de uitgifte van depositie- en ontwikkelingsruimte. Deze keuze houdt immers verband met de in artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn genoemde vereisten op economisch en sociaal gebied. De verplichting die uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn voortvloeit om de gunstige staat van instandhouding van de habitattypen en soorten te herstellen is niet aan een termijn gebonden. Hoewel artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn een resultaatsverplichting inhoudt, is het aan de lidstaten te bepalen op welke wijze en in welk tempo hieraan uitvoering wordt gegeven, waarbij ook het hiervoor vermelde geldt, dat bij de maatregelen die met het oog daarop worden getroffen rekening wordt gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied. De Afdeling is van oordeel dat met het ambitieniveau van het PAS de grenzen van de aan de lidstaat op dit punt gegeven beoordelingsruimte niet worden overschreden. Het ambitieniveau komt voorts niet in strijd met de uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn voortvloeiende verplichting om passende maatregelen te treffen ter voorkoming van verslechtering en significante verstoring van de waarden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Deze verplichting strekt immers niet tot herstel van de gunstige staat van instandhouding. Datzelfde geldt ook voor zover binnen het ambitieniveau ruimte wordt geboden voor nieuwe economische activiteiten. De passende beoordeling van plannen en projecten dient de zekerheid te bieden dat het plan of project de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Een plan of project hoeft niet bij te dragen aan het herstel van natuurwaarden van een Natura 2000-gebied. Het betoog faalt. Het vereiste van een individuele toestemming of individuele beoordeling Beroepsgronden en standpunt college 9. De Werkgroep betoogt dat de vergunningen voor de zes agrarische bedrijven niet verleend hadden kunnen worden onder verwijzing naar het PAS, omdat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn een individuele beoordeling van projecten die significante gevolgen kunnen hebben vereist. De passende beoordeling van het PAS heeft geen betrekking op specifieke projecten, maar op een programma. De beoordeling van herstelmaatregelen en ingecalculeerde vervuilende handelingen die in het PAS heeft plaatsgevonden, kan volgens de Werkgroep niet ten grondslag worden gelegd aan de vergunning voor een individueel project, omdat dat project op zich zelf dient te voldoen aan de vereisten die artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn stelt. In dit verband wijst de Werkgroep op het arrest van het Hof van Justitie van 1 juli 2015, Wezer, ECLI:EU:C:2015:433. De Werkgroep betoogt verder dat deposities die onder de drempel- of grenswaarde blijven van 0,05 onderscheidenlijk 1 mol N/ha/jr significante gevolgen kunnen hebben voor stikstofgevoelige natuurwaarden. Projecten die dergelijke deposities veroorzaken dienen passend beoordeeld te worden. De passende beoordeling van het PAS die geen betrekking heeft op specifieke projecten kan volgens de Werkgroep niet ten grondslag worden gelegd aan de regeling die erin voorziet dat dergelijke deposities bij de vergunningverlening niet worden beoordeeld, zoals is gebeurd in de aan de orde zijnde vergunningzaken, en in sommige gevallen zonder vergunning zijn toegestaan. Deze regeling waarborgt volgens de Werkgroep niet een juiste uitvoering van artikel 6 van de Habitatrichtlijn. 9.1. Het college stelt dat het PAS en de daarbij behorende regelgeving op een juiste wijze uitvoering geven aan artikel 6 van de Habitatrichtlijn. In het PAS heeft een toetsing plaatsgevonden van een bepaalde belasting van stikstofdepositie in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen in alle afzonderlijke Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige natuurwaarden, zoals artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, vereist. In de gebiedsanalyses is voor alle locaties met stikstofgevoelige natuurwaarden beoordeeld of er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel is dat met het beschikbaar stellen van depositie- en ontwikkelingsruimte voor projecten en andere handelingen, rekening houdend met de bron- en herstelmaatregelen van het programma, de instandhoudingsdoelstellingen voor de stikstofgevoelige natuurwaarden op termijn worden gehaald en tevens dat behoud is geborgd. Indien uitbreiding van oppervlakte of verbetering van kwaliteit een doelstelling is, is beoordeeld of dit kan aanvangen in het huidige tijdvak van het programma, dan wel in een volgend tijdvak. De hoeveelheid depositie- en ontwikkelingsruimte die beschikbaar is gesteld voor alle projecten en andere handelingen die op grond van het PAS mogelijk worden gemaakt is dus passend beoordeeld. Uit de passende beoordeling volgt dat de kwaliteit van de habitattypen niet zal verslechteren en dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet zullen worden aangetast. Verder stelt het college dat het Wezerarrest van het Hof van Justitie, waarnaar de Werkgroep verwijst, geen betrekking heeft op de Habitatrichtlijn, maar op Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG2000 L327; hierna: Kaderrichtlijn Water). Uit dit arrest kan niet worden afgeleid dat een programmatische aanpak op grond van de Habitatrichtlijn niet is toegestaan. Het PAS-beoordelingskader 9.2. Het PAS en de bijbehorende regelgeving in de Nbw 1998, het Besluit grenswaarden en de Regeling bieden een beoordelingskader voor stikstofveroorzakende projecten en andere handelingen. De beschrijving hiervan is opgenomen in 6.9. Het beoordelingskader houdt in dat: (
  6. a)projecten en andere handelingen die stikstofdepositie veroorzaken die de drempelwaarde van 0,05 mol N/ha/jr niet overschrijden zonder voorafgaande toestemming zijn toegestaan; (
  7. b)projecten en andere handelingen die stikstofdepositie veroorzaken die de grenswaarde van 0,05 - 1 mol N/ha/jr niet overschrijden, zonder voorafgaande toestemming zijn toegestaan, zij het dat in bepaalde gevallen wel een meldingsplicht geldt; (
  8. c)projecten en andere handelingen die stikstofdepositie veroorzaken boven de grenswaarde vergunningplichtig zijn. De vergunning kan worden verleend als deze projecten en andere handelingen niet leiden tot een toename van stikstofdepositie, of, indien de projecten en andere handelingen wel tot een toename van stikstofdepositie leiden, als voor die toename door het bevoegd gezag ontwikkelingsruimte wordt toegedeeld. De stikstofdepositie die veroorzaakt wordt door een project of andere handeling wordt berekend met het verplicht voorgeschreven rekeninstrument AERIUS. De rol van AERIUS in het beoordelingskader is beschreven in 6.13. 9.3. Aan het beoordelingskader ligt ten grondslag dat voor het PAS voor elk Natura 2000-gebied een passende beoordeling is gemaakt waarin is onderzocht of de stikstofdepositie die in 2014 plaatsvond en de depositie die gedurende de PAS-periode van zes jaar kan gaan plaatsvinden na benutting van de depositie- en ontwikkelingsruimte de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied niet zullen aantasten. Daarbij is rekening gehouden met de autonome daling van de stikstofdepositie en de daling van de stikstofdepositie door de PAS-bronmaatregelen, alsmede met de herstelmaatregelen. Voor de depositie door activiteiten die de drempel- of grenswaarde niet overschrijden (categorie a en
  9. b)is in het PAS depositieruimte gereserveerd. Voor activiteiten waarvoor een vergunning is vereist (categorie
  10. c)geldt dat deze kan worden verleend als de depositie past binnen de totale hoeveelheid stikstofdepositie die voor het PAS passend is beoordeeld. Aanleiding prejudiciële vragen 9.4. Het beoordelingskader voor stikstofveroorzakende activiteiten dat met het PAS van kracht is geworden strekt ertoe dat voor projecten en andere handelingen die stikstofdepositie veroorzaken die de drempel- of grenswaarde niet overschrijden, geen individuele toestemming is vereist. De gevolgen van alle projecten en andere handelingen tezamen die gebruik kunnen maken van de uitzondering op de vergunningplicht is in de passende beoordeling voor het PAS betrokken. Voor projecten en andere handelingen die stikstofdepositie veroorzaken die de grenswaarde overschrijden is wel een individuele toestemming vereist (vergunning), maar hoeft geen individuele passende beoordeling te worden gemaakt. De passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt wordt ten grondslag gelegd aan de verlening van de vergunning. 9.5. Voor de activiteiten die uitgezonderd zijn van de vergunningplicht (categorie a en b), rijst de vraag of artikel 6 van de Habitatrichtlijn zich verzet tegen een wettelijke regeling waarin projecten en andere handelingen zonder individuele toestemming worden toegestaan, ervan uitgaande dat aan die wettelijke regeling een passende beoordeling ten grondslag ligt waarin de gevolgen van de projecten en andere handelingen die gebruik kunnen maken van die regeling zijn onderzocht. Voor de vergunningplichtige activiteiten (categorie
  11. c)rijst de vraag of artikel 6 van de Habitatrichtlijn zich ertegen verzet dat de passende beoordeling van een programma, in dit geval het PAS, ten grondslag wordt gelegd aan de verlening van een vergunning voor een project of andere handeling die stikstofdepositie veroorzaakt die past binnen de totale hoeveelheid stikstofdepositie die in het programma passend is beoordeeld. Hoewel de Afdeling aannemelijk acht dat artikel 6 van de Habitatrichtlijn ruimte biedt voor het beoordelingskader dat met het PAS van kracht is geworden, kan zij aan het toepasselijke EU-recht en de rechtspraak van het Hof van Justitie, geen zekerheid ontlenen voor de beantwoording van bovenstaande vragen. Zij ziet daarom aanleiding hierover prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Hieronder komt eerst de uitzondering op de vergunningplicht voor projecten en andere handelingen die de drempel- en grenswaarde niet overschrijden (categorieën a en
  12. b)en daarna het gebruik van de passende beoordeling van het PAS voor de vergunningverlening (categorie
  13. c)aan de orde. De uitzondering op de vergunningplicht 9.6. Op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, is het realiseren van een project of het verrichten van een andere handeling onder meer vergunningplichtig wanneer daardoor de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kan verslechteren. De vergunningplicht voor projecten is een implementatie van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. De vergunningplicht voor andere handelingen is een implementatie van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een project of andere handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. De stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden die in de Natura 2000-gebieden voorkomen die in het PAS zijn opgenomen zijn overbelast. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat iedere toename, hoe gering ook (bijv. 0,02 mol N/ha/jr), leidt tot de conclusie dat een project significante gevolgen kan hebben, zodat daarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt. De uitzondering op de vergunningplicht voor projecten en andere handelingen die stikstofdepositie veroorzaken die de drempelwaarde van 0,05 mol N/ha/jr en de grenswaarde van 1 mol N/ha/jr niet overschrijden heeft derhalve betrekking op: - projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, en - andere handelingen, die niet als project zijn te duiden of projecten waarvan op voorhand is uitgesloten dat deze significante gevolgen hebben (hierna samen aan te duiden als andere handelingen). Voor deze andere handelingen is artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn het relevante beschermingsregime. 9.7. De Afdeling constateert dat artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn, de lidstaten vrij laten in de keuze voor de instrumenten ter implementatie van de verplichtingen, zolang die instrumenten geschikt zijn om de richtlijnverplichtingen na te komen. Artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn sluiten niet uit dat projecten en andere handelingen worden uitgezonderd van de vergunningplicht, waardoor deze zonder individuele toestemming zijn toegestaan, ervan uitgaande dat de wettelijke regeling waarin de uitzondering op de vergunningplicht is voorzien waarborgt dat aan de verplichtingen van die bepalingen wordt voldaan. Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn verplicht de lidstaten ervoor zorg te dragen dat verslechteringen en significante verstoringen worden voorkomen. Artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, verplicht tot het maken van een voorafgaande passende beoordeling van plannen en projecten die significante gevolgen kunnen hebben. Van belang daarbij is dat beide onderdelen van artikel 6 van de Habitatrichtlijn een preventief karakter hebben en dat, zoals uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt, beide bepalingen hetzelfde beschermingsniveau beogen te garanderen (zie bijvoorbeeld Hof van Justitie 4 maart 2010, Frankrijk II, ECLI:EU:C:2010:114). 9.8. Hoewel een situatie als hier aan de orde, waarin aan de wettelijke regeling waarbij voorzien is in de uitzondering op de vergunningplicht een passende beoordeling ten grondslag is gelegd, in de rechtspraak van het Hof van Justitie niet aan de orde is geweest, is er wel rechtspraak over wettelijke regelingen waarin activiteiten zonder meer waren uitgesloten van een beoordeling op grond van artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn. Die rechtspraak, die hierna wordt besproken, biedt naar het oordeel van de Afdeling enkele aanknopingspunten onder welke voorwaarden op basis van een wettelijke regeling een project of andere handeling zonder individuele toestemming kan worden toegestaan. 9.9. In de arresten van het Hof van Justitie van 6 april 2000, Frankrijk I, ECLI:EU:C:2000:192, 10 januari 2006, Duitsland, ECLI:EU:C:2006:3, 4 maart 2010, Frankrijk II, ECLI:EU:C:2010:114, 26 mei 2011, België, ECLI:EU:C:2011:349, en 16 februari 2012, Solvay, ECLI:EU:C:2010:82 is de vraag aan de orde of een lidstaat een wettelijke regeling kan treffen op basis waarvan bepaalde (categorieën van) plannen en projecten zonder meer zijn uitgezonderd van een voorafgaande beoordeling van de gevolgen voor een Natura 2000-gebied. In het Solvay-arrest stelt het Hof dat "artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling een nationale instantie, ook wanneer het daarbij om een wetgevende instantie gaat, niet in staat stelt toestemming te geven voor een plan of een project zonder de zekerheid te hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten". Deze overweging is in lijn met de daaraan voorafgaande rechtspraak van het Hof van Justitie die in het België-arrest, als volgt werd samengevat: "41. Bovendien staat de voorwaarde waarvan de beoordeling van de gevolgen van een plan of project voor een bepaald gebied afhangt, welke impliceert dat er bij twijfel over het ontbreken van significante gevolgen een dergelijke beoordeling moet plaatsvinden, niet toe om bepaalde categorieën van projecten daaraan te onttrekken op basis van criteria die niet kunnen waarborgen dat deze projecten geen significante gevolgen kunnen hebben voor beschermde gebieden (zie in die zin arrest van 10 januari 2006, Commissie/Duitsland, C-98/03, Jurispr. blz. I-53, punt 41). 42. De mogelijkheid om bepaalde activiteiten, in overeenstemming met de geldende regels, algemeen uit te sluiten van een verplichte beoordeling van de gevolgen voor het betrokken gebied, waarborgt immers niet dat deze activiteiten de natuurlijke kenmerken van het beschermde gebied niet aantasten (zie in die zin arrest Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punten 43 en 44, en arrest van 4 maart 2010, Commissie/Frankrijk, C-241/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 31). 43. Artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn kan een lidstaat dan ook niet machtigen nationale regels uit te vaardigen waardoor ruimtelijkeordeningsplannen op algemene wijze aan de verplichte beoordeling van de gevolgen daarvan voor het gebied zouden worden onttrokken, hetzij op grond van het geringe bedrag van de geplande uitgaven, hetzij vanwege de specifieke in geding zijnde werkterreinen (zie arrest van 6 april 2000, Commissie/Frankrijk, C-256/98, Jurispr. blz. I-2487, punt 39). 44. Evenzo komt een lidstaat, door de programma’s en projecten voor bouw- of ontwikkelingswerkzaamheden waarvoor een aanmeldingsregeling geldt, systematisch vrij te stellen van de procedure van beoordeling van de gevolgen voor het gebied, de krachtens artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn op hem rustende verplichtingen niet na (zie in die zin arrest van 4 maart 2010, Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 62). 45. Bijgevolg volgt uit de rechtspraak van het Hof dat een lidstaat in beginsel overeenkomstig artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn bepaalde categorieën van plannen of projecten niet systematisch en algemeen aan de verplichte beoordeling van de gevolgen ervan voor Natura 2000-gebieden kan onttrekken, op basis van het werkterrein of door de invoering van een aanmeldingsregeling". 9.10. In het arrest Frankrijk II is de vraag aan de orde of een lidstaat een wettelijke regeling kan treffen waarin wordt verklaard dat bepaalde activiteiten niet verstorend zijn als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Het Hof van Justitie overwoog: "30 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof lid 2 van artikel 6 van de habitatrichtlijn en lid 3 van datzelfde artikel hetzelfde beschermingsniveau beogen te garanderen […]. 31 In de tweede plaats zij opgemerkt dat, wat artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn betreft, het Hof reeds heeft geoordeeld dat de mogelijkheid om bepaalde activiteiten, in overeenstemming met de geldende regels, algemeen uit te sluiten van een verplichte beoordeling van de gevolgen voor het betrokken gebied, niet in overeenstemming is met die bepaling. Een dergelijke uitsluiting kan immers niet garanderen dat deze activiteiten de natuurlijke kenmerken van het beschermde gebied niet zullen aantasten […]. 32 Bijgevolg kan, gelet op het feit dat artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn en lid 3 van datzelfde artikel hetzelfde beschermingsniveau beogen te garanderen, artikel L. 414-1, lid V, derde alinea, vierde zin, van het milieuwetboek, door in het algemeen te verklaren dat bepaalde activiteiten, zoals de jacht of de visvangst, niet verstorend zijn, enkel in overeenstemming worden geacht met artikel 6, lid 2, van diezelfde richtlijn, indien is gegarandeerd dat deze activiteiten niet leiden tot een verstoring die significante gevolgen kan hebben voor de doeleinden van de richtlijn. […] 34 Derhalve moet worden onderzocht of dergelijke maatregelen of regels daadwerkelijk kunnen verzekeren dat de betrokken activiteiten geen verstoringen veroorzaken die significante effecten kunnen hebben. […] 36 Hieruit volgt dat dit doelstellingendocument niet systematisch en in alle gevallen kan garanderen dat de betrokken activiteiten geen gevolgen hebben die significant zouden kunnen zijn voor deze instandhoudingsdoelstellingen. […] 39 Uit het voorgaande volgt dat de Franse Republiek, door in het algemeen te bepalen dat visvangst, aquacultuur, jacht en andere weidelijke activiteiten die onder de in de wet- en regelgeving geldende voorwaarden en in de in die wet- en regelgeving toegestane gebieden worden bedreven, geen activiteiten zijn die storend zijn of storende gevolgen hebben, de krachtens artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen". 9.11. De rechtspraak van het Hof van Justitie heeft betrekking op wettelijke regelingen die bepaalde categorieën van activiteiten zonder meer uitsluiten van een beoordeling van de gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Uit de arresten van het Hof van Justitie leidt de Afdeling af dat in de daar aan de orde zijnde situaties in het geheel geen beoordeling van de gevolgen van de plannen en projecten voor de Natura 2000-gebieden had plaatsgevonden of zou plaatsvinden. Een dergelijke uitzondering acht het Hof van Justitie niet aanvaardbaar. De uitzondering op de vergunningplicht die in artikel 19kh, zevende en negende lid, van de Nbw 1998 is opgenomen voor projecten en andere handelingen die de drempel- en grenswaarde van 0,05 respectievelijk 1 mol N/ha/jr op een stikstofgevoelig habitat niet overschrijden is naar het oordeel van de Afdeling niet zonder meer te vergelijken met de situaties die aan de orde waren in de arresten van het Hof van Justitie. De gevolgen van de depositie die veroorzaakt wordt door projecten en andere handelingen die de drempel- of grenswaarde niet overschrijden zijn immers in het kader van het PAS als onderdeel van de depositie in 2014 en als onderdeel van de depositieruimte passend beoordeeld. Een ander relevant verschil met de situaties die bij het Hof van Justitie aan de orde zijn geweest is dat de regeling in de Nbw 1998, het Besluit grenswaarden en de Regeling niet een bepaalde categorie van projecten uitzondert van de vergunningplicht waarvan op voorhand niet duidelijk is welke gevolgen deze hebben voor de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. De uitzondering ziet in dit geval uitsluitend op de gevolgen van stikstofdepositie door projecten en andere handelingen. De (cumulatieve) gevolgen van de totale hoeveelheid stikstofdepositie die in 2014 plaatsvond en die na benutting van de depositie- en ontwikkelingsruimte zal kunnen plaatsvinden op stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden is voor het PAS, in samenhang met de bron- en herstelmaatregelen, passend beoordeeld. Binnen de depositieruimte die in de passende boordeling is betrokken is ruimte gereserveerd voor projecten en andere handelingen die onder de drempel- en grenswaarde vallen. De deposities die onder de drempelwaarde vallen worden in het PAS beschouwd als deposities door autonome ontwikkelingen. De toename door deze deposities moet worden opgevangen binnen het deel van de depositieruimte dat voor de autonome ontwikkelingen is gereserveerd (zie de afbeelding in 6.3). Voor een beoordeling van de uitzondering op de vergunningplicht voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken die een bepaalde grenswaarde niet overschrijden is van belang dat voor elk Natura 2000-gebied in het PAS is bepaald hoeveel depositieruimte er per hectare van een stikstofgevoelige natuurwaarde beschikbaar is voor activiteiten die de grenswaarde van 1 mol N/ha/jr niet overschrijden. Een initiatiefnemer die een stikstofveroorzakende activiteit wil realiseren dient met het verplicht voorgeschreven rekeninstrument AERIUS Calculator een berekening te maken van de depositie die zijn activiteit zal veroorzaken. Wanneer uit die berekening volgt dat de depositie onder de grenswaarde valt is de activiteit zonder vergunning toegestaan, zij het dat wel een meldingsplicht kan gelden. De melding leidt in AERIUS Register tot de registratie en de afboeking van de toename van de depositie die de activiteit veroorzaakt. Als uit deze registratie volgt dat nog 5% van de totale beschikbaar gestelde depositieruimte voor activiteiten die de grenswaarde niet overschrijden resteert, dan wordt de grenswaarde automatisch verlaagd naar 0,05 mol N/ha/jr. De uitzondering op de vergunningplicht voor activiteiten die de grenswaarde niet overschrijden is derhalve beperkt tot een bepaalde hoeveelheid depositie per hectare van een stikstofgevoelige natuurwaarde in een Natura 2000-gebied. De depositieruimte voor activiteiten die de grenswaarde niet overschrijden maakt onderdeel uit van de totale depositieruimte waarvoor voor het PAS een passende beoordeling is gemaakt. 9.12. De Afdeling ziet in de hiervoor besproken rechtspraak van het Hof van Justitie geen aanknopingspunten dat artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn in de weg staan aan een wettelijke regeling die ertoe strekt dat projecten en andere handelingen die stikstofdepositie veroorzaken die een bepaalde drempel- of grenswaarde niet overschrijden zijn uitgezonderd van de vergunningplicht en derhalve zonder individuele toestemming zijn toegestaan, ervan uitgaande dat de gevolgen van alle projecten en andere handelingen tezamen die gebruik kunnen maken van de wettelijke regeling voor de vaststelling van die wettelijke regeling passend zijn beoordeeld. De passende beoordeling van een programma, zoals het PAS, waarin de cumulatieve gevolgen van een bepaalde hoeveelheid stikstofdepositie die veroorzaakt kan worden door activiteiten die zijn uitgezonderd van de vergunningplicht en door vergunningplichtige activiteiten, is beoordeeld, kan naar het oordeel van de Afdeling aan zo’n wettelijke regeling ten grondslag worden gelegd. Artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn vereisen in dat geval geen individuele toestemming voor een project dat of andere handeling die stikstofdepositie veroorzaakt die past binnen de totale hoeveelheid stikstofdepositie die in het kader van het programma passend is beoordeeld. Dit betekent dat de Afdeling aannemelijk acht dat artikel 19kh, zevende en negende lid, van de Nbw 1998 gelezen in samenhang met artikel 2 van het Besluit grenswaarden, waarin een uitzondering op de vergunningplicht is opgenomen voor projecten of andere handelingen die de drempel- en grenswaarde van 0,05 respectievelijk 1 mol N/ha/jr op een stikstofgevoelig habitat niet overschrijden, niet in strijd is met artikel 6 van de Habitatrichtlijn, ervan uitgaande dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag is gelegd voldoet aan de eisen die artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn daaraan stelt. Als de passende beoordeling voldoet aan de eisen die artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn stelt, dan voldoet deze beoordeling ook aan de eisen die artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn stelt. Artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn beogen immers hetzelfde beschermingsniveau te garanderen. Prejudiciële vraag 1 9.13. Gelet op het in 9.12 overwogene acht de Afdeling aannemelijk dat artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn, niet in de weg staan aan een wettelijke regeling die ertoe strekt dat projecten en andere handelingen die significante gevolgen kunnen hebben zijn uitgezonderd van de vergunningplicht, waardoor deze zonder individuele toestemming zijn toegestaan, ervan uitgaande dat de gevolgen van alle projecten en andere handelingen tezamen die gebruik kunnen maken van de wettelijke regeling voor de vaststelling van de wettelijke regeling passend zijn beoordeeld. De Afdeling kan echter aan het toepasselijke EU-recht en de rechtspraak van het Hof van Justitie geen zekerheid ontlenen voor haar oordeel. Zij ziet daarom aanleiding aan het Hof van Justitie de volgende vraag voor te leggen: 1. Staat artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn in de weg aan een wettelijke regeling die ertoe strekt dat projecten en andere handelingen die stikstofdepositie veroorzaken die een drempel- of grenswaarde niet overschrijden zijn uitgezonderd van de vergunningplicht en daardoor zonder individuele toestemming zijn toegestaan, ervan uitgaande dat de gevolgen van alle projecten en andere handelingen tezamen die gebruik kunnen maken van de wettelijke regeling voor de vaststelling van die wettelijke regeling passend zijn beoordeeld? Het gebruik van een passende beoordeling van een programma bij de verlening van de vergunning voor een individueel project 9.14. Projecten en andere handelingen die de grenswaarde van 1 mol N/ha/jr overschrijden zijn vergunningplichtig (categorie c). Voor dergelijke projecten en andere handelingen is derhalve een individuele toestemming vereist. Uit het beoordelingskader dat op grond van het PAS en de bijbehorende regelgeving voor vergunningplichtige activiteiten geldt volgt dat de initiatiefnemer bij de vergunningaanvraag geen passende beoordeling voor het aspect stikstof hoeft te overleggen. Bij de vergunningaanvraag wordt een berekening van de stikstofdepositie gevoegd die met AERIUS Calculator is gemaakt. Uit die berekening volgt of de aangevraagde activiteit past binnen de hoeveelheid stikstofdepositie die voor het PAS passend is beoordeeld. Het bevoegd gezag verleent de vergunning op basis van die berekening en onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Het PAS-beoordelingskader strekt er derhalve toe dat in de gevallen waarin een individuele toestemming is vereist, geen individuele passende beoordeling is vereist. Dit beoordelingskader heeft betrekking op vergunningaanvragen voor projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, en op vergunningaanvragen voor andere handelingen die onder het beschermingsregime van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn vallen. 9.15. Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn verplicht de lidstaten ervoor zorg te dragen dat verslechteringen en significante verstoringen worden voorkomen. Artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, verplicht tot het maken van een voorafgaande passende beoordeling van plannen en projecten die significante gevolgen kunnen hebben. Van belang daarbij is dat beide onderdelen van artikel 6 van de Habitatrichtlijn een preventief karakter hebben en dat, zoals uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt, beide bepalingen hetzelfde beschermingsniveau beogen te garanderen (zie bijvoorbeeld Hof van Justitie 4 maart 2010, Frankrijk II, ECLI:EU:C:2010:114). 9.16. Ten aanzien van het betoog dat de passende beoordeling van een programma zoals het PAS niet ten grondslag kan worden gelegd aan de verlening van een vergunning voor een individueel project of andere handeling, omdat dat project op zich zelf passend beoordeeld moet worden, wordt het volgende overwogen. Voor het PAS is voor elk Natura 2000-gebied een passende beoordeling gemaakt waarin is onderzocht of de stikstofdepositie die in 2014 plaatsvond en de depositie die gedurende de PAS-periode van zes jaar kan gaan plaatsvinden na benutting van de depositie- en ontwikkelingsruimte de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied niet zullen aantasten. Daarbij is rekening gehouden met de autonome daling van de stikstofdepositie en de daling van de stikstofdepositie door de PAS-bronmaatregelen, en met de herstelmaatregelen. De depositie- en ontwikkelingsruimte die per hectare van een stikstofgevoelig habitattype in een Natura 2000-gebied beschikbaar is gesteld is opgenomen in AERIUS. De initiatiefnemer dient bij de vergunningaanvraag een berekening van de stikstofdepositie te voegen die met AERIUS Calculator is gemaakt. AERIUS Calculator berekent de stikstofdepositie van de aangevraagde activiteit per hectare van een stikstofgevoelig habitattype en geeft aan of deze activiteit past binnen de hoeveelheid stikstofdepositie die voor het PAS passend is beoordeeld. Vergunningaanvragen die betrekking hebben op een situatie die in 2014 feitelijk plaatsvond kunnen onder verwijzing naar de passende beoordeling voor het PAS worden verleend omdat de depositie van deze activiteiten is opgenomen in de achtergronddepositie (de uitgangssituatie) van het PAS. Leidt de aangevraagde activiteit tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van 2014 dan geeft AERIUS Calculator aan of die toename past binnen de ontwikkelingsruimte die in het PAS per hectare van een stikstofgevoelig habitattype is vastgesteld. Wanneer de activiteit binnen de beschikbare ontwikkelingsruimte past en het bevoegd gezag de ontwikkelingsruimte aan de vergunning toedeelt, dan kan het bevoegd gezag de vergunning verlenen onder verwijzing naar de passende beoordeling voor het PAS. De ontwikkelingsruimte is in de passende beoordeling voor het PAS betrokken als onderdeel van de depositieruimte. De ontwikkelingsruimte die aan de vergunning wordt toegedeeld wordt geregistreerd en afgeboekt in AERIUS. In de beide hiervoor beschreven situaties zijn de gevolgen van stikstofdepositie derhalve voorafgaand aan de verlening van een vergunning voor een stikstofveroorzakende activiteit beoordeeld, als de stikstofdepositie van de aangevraagde activiteit past binnen de hoeveelheid stikstofdepositie die in de passende beoordeling voor het PAS is betrokken. 9.17. De Afdeling acht aannemelijk dat artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn niet eraan in de weg staan dat de passende beoordeling voor het PAS, waarin de cumulatieve gevolgen van een bepaalde hoeveelheid stikstofdepositie zijn beoordeeld, zonder dat daaraan specifieke projecten of andere handelingen zijn verbonden, ten grondslag kan worden gelegd aan de verlening van een vergunning voor een project dat of andere handeling die stikstofdepositie veroorzaakt die past binnen de in het PAS beoordeelde totale hoeveelheid stikstofdepositie, ervan uitgaande dat de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt voldoet aan de vereisten die de Habitatrichtlijn daaraan stelt. Als de passende beoordeling van het PAS voldoet aan de eisen die de Habitatrichtlijn stelt, is verzekerd dat het project waarvoor een vergunning wordt verleend waaraan die passende beoordeling ten grondslag is gelegd, de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Als de passende beoordeling voldoet aan de eisen die artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn stelt, dan voldoet deze beoordeling ook aan de eisen die artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn stelt. Artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn beogen immers hetzelfde beschermingsniveau te garanderen. 9.18. Het betoog van de Werkgroep over het Wezerarrest strekt ertoe dat uit hetgeen het Hof van Justitie over artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water heeft geoordeeld zou moeten worden afgeleid dat ook op grond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn ieder specifiek project afzonderlijk passend moet worden beoordeeld voordat hiervoor toestemming wordt verleend. Ter zitting heeft de Werkgroep desgevraagd toegelicht dat het systeem van de Kaderrichtlijn Water en het systeem van de Habitatrichtlijn in zoverre vergelijkbaar is. De Afdeling volgt dit betoog niet. In het Wezerarrest heeft het Hof van Justitie uitleg gegeven aan de verplichtingen uit artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water. Die uitleg strekte ertoe dat artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water niet slechts beginselverplichtingen kent, maar ook betrekking heeft op specifieke projecten en dat de lidstaat zijn goedkeuring voor een project moet weigeren wanneer dat project de toestand van het desbetreffende waterlichaam kan verslechteren of het bereiken van een goede toestand van oppervlaktewaterlichamen in gevaar kan brengen, tenzij voor het project een afwijking op grond van artikel 4, zevende lid, van de Kaderrichtlijn Water geldt. De Kaderrichtlijn Water voorziet in een verplicht stroomgebiedsbeheersplan en het daarin vervatte maatregelenprogramma dat ten uitvoer moet worden gelegd. Volgens het Hof van Justitie kunnen projecten niet los worden gezien van genoemd beheersplan. Artikel 6 van de Habitatrichtlijn kent een dergelijk systeem van tenuitvoerlegging van een verplicht voorgeschreven plan niet. Artikel 6 van de Habitatrichtlijn verplicht de lidstaten tot het treffen van de nodige instandhoudings- en passende maatregelen voor speciale beschermingszones en brengt daarnaast en los daarvan met zich dat plannen of projecten die afzonderlijk of in combinatie significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden passend beoordeeld moeten worden en in beginsel alleen mogen worden toegestaan als de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken niet zullen worden aangetast. Artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water en artikel 6 van de Habitatrichtlijn zijn in zoverre dan ook niet vergelijkbaar. De uitleg van het Hof van Justitie van de verplichtingen uit artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water is derhalve naar het oordeel van de Afdeling niet op voorhand doorslaggevend voor de uitleg van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Het betoog faalt. Prejudiciële vraag 2 9.19. Het in 9.17 overwogene strekt ertoe dat de Afdeling aannemelijk acht dat artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn er niet aan in de weg staan dat de passende beoordeling voor een programma waarin een bepaalde totale hoeveelheid stikstofdepositie is beoordeeld ten grondslag wordt gelegd aan de verlening van een vergunning voor een individueel project of andere handeling, die stikstofdepositie veroorzaakt die binnen de in het kader van het programma beoordeelde depositieruimte past. De Afdeling kan echter aan het toepasselijke EU-recht en de rechtspraak van het Hof van Justitie geen zekerheid ontlenen voor haar oordeel. Zij ziet daarom aanleiding aan het Hof van Justitie de volgende vraag voor te leggen: 2. Staat artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn eraan in de weg dat een passende beoordeling voor een programma waarin een bepaalde totale hoeveelheid stikstofdepositie is beoordeeld ten grondslag wordt gelegd aan de verlening van een vergunning (individuele toestemming) voor een project of andere handeling, die stikstofdepositie veroorzaakt die binnen de in het kader van het programma beoordeelde depositieruimte past? De passende beoordeling in het licht van artikel 6 van de Habitatrichtlijn Beroepsgronden en standpunt college 10. De Werkgroep stelt dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die de Habitatrichtlijn stelt. Bij de beoordeling van de gevolgen vanwege de depositie die in 2014 plaatsvond en die na benutting van de depositieruimte kan gaan plaatsvinden, zijn volgens de Werkgroep ten onrechte instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen betrokken. Deze maatregelen, die op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn, zonder meer moeten worden getroffen, mogen niet ingezet worden om bestaande, maar nog niet vergunde, en om nieuwe stikstofveroorzakende activiteiten toe te staan. Daarnaast stelt de Werkgroep dat uit de arresten van het Hof van Justitie van 15 mei 2014, Briels, ECLI:EU:C:2014:330 en van 21 juli 2016, Orleans, ECLI:EU:C:2016:583 volgt dat maatregelen die betrokken worden in een passende beoordeling niet het karakter van een instandhoudings- of passende maatregel kunnen hebben. De herstelmaatregelen die in de passende beoordeling zijn betrokken zijn volgens de Werkgroep maatregelen die direct verband houden met de benutting van de depositieruimte voor projecten die stikstofdepositie veroorzaken. De Werkgroep leidt uit de gebiedsanalyses voor de Natura 2000-gebieden Groote Peel en Deurnsche Peel & Mariapeel af dat indien de herstelmaatregelen niet worden getroffen de hoge stikstofbelasting zal leiden tot een aantasting van de habitattypen droge heide, actief hoogveen en herstellend hoogveen. De Werkgroep vindt de herstelmaatregelen die in het kader van het PAS worden genomen vergelijkbaar met de natuurmaatregelen die aan de orde waren in de arresten Briels en Orleans. In de eerste plaats omdat in die beide zaken eveneens vaststond dat de projecten die daar waren voorzien zonder het treffen van de natuurmaatregelen zouden leiden tot een aantasting van arealen van habitattypen. In de tweede plaats omdat het maatregelen betreft waarvan de positieve gevolgen zich nog moeten gaan manifesteren. De positieve effecten van de herstelmaatregelen die in de passende beoordeling zijn betrokken, zijn volgens de Werkgroep onzeker en zullen pas na enkele jaren zichtbaar worden. De Werkgroep meent dat de maatregelen geen mitigerend maar een compenserend karakter hebben. Het zijn maatregelen die relevant zijn bij de toepassing van artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn. Ook de effecten van de bronmaatregelen zijn naar de mening van de Werkgroep onzeker, terwijl de ontwikkelingsruimte al toegedeeld kan worden voordat de positieve gevolgen van de maatregelen zich hebben voorgedaan. Zij stelt voorts dat een programma met een looptijd van zes jaar niet ten grondslag mag worden gelegd aan vergunningen voor onbepaalde tijd, omdat de in het PAS voorziene herstelmaatregelen slechts zijn verzekerd voor zes jaar. Verder stelt de Werkgroep dat de maatregelen evenmin als feitelijke ontwikkeling kunnen worden betrokken in de passende beoordeling, zoals aan de orde was in de uitspraken van de Afdeling van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:170. Anders dan in die zaak aan de orde was zijn de maatregelen die in het kader van de uitvoering van het PAS worden getroffen nadrukkelijk bedoeld om vergunningverlening mogelijk te maken. 10.1. Het college wijst er allereerst op dat het PAS en de zaken Briels en Orleans wezenlijk van elkaar verschillen omdat in de zaken Briels en Orleans vaststond dat de plannen of projecten zouden leiden tot een aantasting of verlies van arealen van habitattypen en in de passende beoordeling de ontwikkeling van nieuwe natuur op een andere locatie binnen het Natura 2000-gebied was betrokken. Een dergelijke maatregel is volgens het Hof van Justitie geen beschermingsmaatregel die betrokken kan worden in een passende beoordeling, aldus het college. Het PAS zal volgens het college nergens leiden tot een onmiddellijke fysieke aantasting van een type natuurlijke habitat, die wordt gecompenseerd door ontwikkeling van nieuwe habitats elders in het gebied. Het PAS stelt volgens het college zeker dat op geen van de onderscheiden locaties van de stikstofgevoelige habitats in de betrokken Natura 2000-gebieden een toename van stikstofdepositie plaatsvindt, ook niet bij toedeling van de beschikbaar gestelde depositie- en ontwikkelingsruimte aan nieuwe projecten die stikstofdepositie veroorzaken. Per saldo leiden de in het PAS voorziene maatregelen voor alle gebieden en habitats tot een afname van stikstofdepositie. In de passende beoordeling is speciaal aandacht besteed aan de mogelijkheid van een eventuele tijdelijke toename van stikstofdepositie gedurende de eerste helft van het tijdvak van het programma, als de uitgifte van ontwikkelingsruimte en het gebruik daarvan sneller zou verlopen dan de daling van de stikstofdepositie. Daarbij is, zo stelt het college, onderbouwd dat deze toename altijd tijdelijk van aard is en nog gedurende de programmaperiode op dezelfde locatie zal worden gevolgd door een afname die verzekert dat per saldo de stikstofdepositie afneemt en dat de aantasting van de natuurlijke kenmerken ook in deze situatie is uit te sluiten. Uit de gebiedsanalyses blijkt voorts dat het samenstel van maatregelen van het programma in elk van de betrokken Natura 2000-gebieden ook verslechtering van de kwaliteit van de habitats in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn uitsluit en bijdraagt aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van de gebieden, overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn, aldus het college. De PAS-bronmaatregelen en de gebiedsgerichte herstelmaatregelen uit het programma zijn volgens het college deels aan te merken als instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen in de zin van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn en, in relatie tot nieuwe projecten, deels als maatregelen waardoor ontwikkelingsruimte kan worden toegedeeld. Met de maatregelen wordt op het niveau van het programma gewaarborgd dat overal een langjarige afname van stikstofdepositie wordt gerealiseerd, de kwaliteit van de stikstof gevoelige habitattypen en leefgebieden behouden blijft en de instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken habitattypen en soorten met een stikstofgevoelig leefgebied niet in gevaar komen en zonder onevenredige vertraging worden gehaald. De uitvoering van de maatregelen is volgens het college voldoende verzekerd. Artikel 19kj van de Nbw 1998 bepaalt dat de bestuursorganen die het aangaat zorg dragen voor een tijdige uitvoering van de PAS-maatregelen. Het college stelt voorts onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:170, dat instandhoudingsmaatregelen als feitelijke ontwikkeling in een passende beoordeling mogen worden betrokken. De passende beoordeling 10.2. In de Nbw 1998 is gekozen voor een programmatische aanpak van de stikstofproblematiek in de Natura 2000-gebieden. Het PAS is gericht op het verminderen van stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen, het op termijn realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen voor de stikstofgevoelige natuurwaarden waarvoor deze gebieden zijn aangewezen, en op het scheppen van ruimte voor nieuwe economische activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken in deze gebieden. Het programma is gericht op het nakomen van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn, en voor zover het is gericht op het scheppen van ruimte voor economische ontwikkelingen, dient het programma te voldoen aan artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Dat betekent in dit geval dat de totale depositie in 2014 en de depositieruimte die in de programmaperiode van zes jaar beschikbaar wordt gesteld passend beoordeeld moet worden. 10.3. In de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag is gelegd is per Natura 2000-gebied dat in het programma is opgenomen onde

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.