(2001)" met de gevolgen van de situatie overeenkomstig het luchthavenbesluit. In het rapport staat dat bij voorbaat kan worden uitgesloten dat het plan leidt tot significante negatieve gevolgen voor de "Oostvaardersplassen" vanwege directe verstoringseffecten (licht en geluid). Deze conclusie ziet op de effecten op het gebied als zodanig en berust op de omstandigheid dat, indien wordt uitgegaan van de beoogde routevariant B+, er niet wordt gevlogen boven de Oostvaardersplassen. 35.3. De raad heeft voor de externe gevolgen van het plan voor de Oostvaardersplassen gewezen op bijlage 3 bij het rapport "Beschermde natuurgebieden". In bijlage 3 staat dat aan de hand van uitgangspunten, die nader zijn toegelicht in het rapport en de bijlage, een passende beoordeling is gemaakt van de gevolgen van het plan voor de betrokken Natura 2000-gebieden. Als uitgangspunt geldt volgens het rapport dat vliegverkeer dat lager vliegt dan 3000 ft (ongeveer 915
- m)verstorende effecten kan hebben. Boven de 3.000 ft zijn dergelijke effecten nagenoeg uitgesloten en boven de 3.500 ft zijn negatieve gevolgen met zekerheid uit te sluiten. De bijlage bevat een beschrijving van de Natura 2000-gebieden in de wijde omgeving van de luchthaven, een inventarisatie van de vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden en een beschrijving van hun vlieg- en foerageergedrag. 35.4. Met betrekking tot de bruine en blauwe kiekendief staat in genoemde bijlage 3 dat de vogels uit de Oostvaardersplassen ook buiten het moerasgebied foerageren. De luchthaven maakt echter geen deel uit van het reguliere foerageergebied. De bezochte foerageergebieden liggen dichter bij het moerasgebied (ten noorden van de A6). De uitbreiding van de luchthaven zal niet leiden tot meer verstoring in veel bezochte foerageergebieden. De kans dat een kiekendief slachtoffer wordt van een aanvaring met een vliegtuig wordt dan ook als nihil geschat. De soort jaagt op één of enkele meters boven de grond en kan alleen in de zeer directe nabijheid van de baan slachtoffer worden. Gezien het ontbreken van foeragerende kiekendieven vanuit de Oostvaardersplassen op deze afstand, is de kans hierop minimaal, aldus bijlage 3 bij het rapport "Beschermde natuurgebieden". Wat betreft de gevolgen voor de overige vogelsoorten wordt in het rapport "Beschermde natuurgebieden" een vergelijkbaar standpunt ingenomen als met betrekking tot de kiekendieven. Volgens het rapport zijn de foerageergebieden van de diverse vogelsoorten gesitueerd binnen de Oostvaardersplassen zelf alsook in de (directe) nabijheid daarvan en in ieder geval niet in de nabijheid van de vliegroute. Het luchtverkeer boven de Oostvaardersplassen en de direct omliggende gebieden vindt plaats op hoogten waar de vogels niet of nauwelijks komen. Hoewel volgens het rapport niet is uitgesloten dat incidenteel sprake kan zijn van aanvaringen tussen vogels en vliegtuigen, zal het aantal slachtoffers gering zijn, zodat de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken vogelsoorten niet in geding komen. Op pagina 97 van bijlage 3 bij het rapport "Beschermde natuurgebieden" is een tabel opgenomen, met daarin een weergave van de conclusies van de beoordeling van de gevolgen van het plan voor de vogelsoorten waarvoor ingevolge het aanwijzingsbesluit voor de Oostvaardersplassen instandhoudingsdoelstellingen gelden. Uit deze tabel volgt dat significante negatieve gevolgen niet zijn uitgesloten voor de bruine en blauwe kiekendief, aalscholver, wilde zwaan, grauwe gans, kolgans en brandgans. Dit wordt toeschreven aan de externe werking van de ontwikkeling, voornamelijk aan de gevolgen van verstoring van extern foerageergebied en pleisterplaatsen buiten het Natura 2000-gebied. Voor genoemde soorten geldt echter volgens de tabel dat het instandhoudingsdoel niet onder druk komt te staan en dat het plan derhalve in zoverre niet leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Oostvaardersplassen. Uit de tabel volgt verder dat het plan niet leidt tot significante negatieve gevolgen voor de lepelaar en de grote zilverreiger. 35.5. De Afdeling volgt de raad in zijn standpunt dat het rapport "Beschermde natuurgebieden", gelet ook in het bijzonder op bijlage 3 bij dit rapport, kan worden aangemerkt als een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998. In het navolgende zal de Afdeling de deugdelijkheid van de verrichte passende beoordeling beoordelen. In dit verband is van belang dat de raad in reactie op het door de Vogelbescherming ingebrachte tegenrapport van Altenburg & Wymenga van 6 juni 2016, een aanvullend rapport heeft ingebracht. Dit betreft het rapport "Lelystad Airport: repliek op de review door Altenburg & Wymenga van de toetsen Nbw 1998" van Bureau Waardenburg van 16 augustus 2016. De Vogelbescherming heeft vervolgens, als reactie op dit aanvullende rapport van de raad, het rapport "Reactie op de repliek van Bureau Waardenburg met betrekking tot Lelystad Airport" van Altenburg & Wymenga van 1 september 2016 overgelegd. De twee door de raad ingediende rapporten van Bureau Waardenburg zullen worden beoordeeld aan de hand van hetgeen daartegen is ingebracht in de door de Vogelbescherming overgelegde tegenrapporten van Altenburg & Wymenga. 35.6. In de rapporten van Altenburg & Wymenga van 6 juni 2016 en 1 september 2016 wordt het standpunt ingenomen dat het foerageergedrag van de vogelsoorten uit de Oostvaardersplassen, in het bijzonder de blauwe en bruine kiekendief, onvoldoende nauwkeurig is onderzocht. Volgens de rapporten volgt uit beschikbare publicaties dat kiekendieven tot een afstand van 8 km van hun broedgebied in de Oostvaardersplassen foerageren. Geconcludeerd wordt dat een substantieel deel van de mannelijke kiekendieven op meer dan 5 km van de nestlocatie foerageert, hetgeen zich vooral voordoet in zeer muizenrijke jaren, omdat dan het voedselaanbod op de agrarische gronden buiten de Oostvaardersplassen relatief hoog is. In het rapport van Altenburg & Wymenga van 1 september 2016 staat dat de conclusies met betrekking tot de vlieghoogten van de kiekendieven onvoldoende zijn onderbouwd. Het vaststellen van de vlieghoogte aan de hand van enkel een visuele waarneming kan tot gevolg hebben dat relatief hoog vliegende vogels niet worden opgemerkt. In het rapport van Altenburg & Wymenga van 6 juni 2016 wordt toegelicht dat kiekendieven bij het jagen op muizen vliegen op geringe hoogte van ongeveer 5 m en ongeveer op een hoogte van 50 m bij het jagen op andere vogels. Het terugvliegen met prooi naar de nestlocatie is onder meer afhankelijk van de beschikbare thermiek en vindt onder omstandigheden plaats op een hoogte van 300 m tot 500 m. Verder wordt in het rapport van Altenburg & Wymenga van 6 juni 2016 erop gewezen dat kiekendieven slechts één prooi per voedselvlucht kunnen dragen. Tijdens het broedseizoen is sprake van een groot aantal voedselvluchten, hetgeen de kans op aanvaringen aanmerkelijk vergroot. Wat betreft de beoordeling van de gevolgen van aanvaringen heeft de Vogelbescherming toegelicht dat ook een beperkte sterfte van kiekendieven kan leiden tot significante negatieve gevolgen voor de populatie. In dit verband wordt toegelicht dat mannelijke broedvogels in de regel polygaam zijn. De sterfte van een of een aantal (mannelijke) bruine kiekendieven in het broedseizoen kan leiden tot het verlies van meerdere nesten, omdat in het bijzonder de mannelijke vogels zorgen voor de voedselvoorziening. In de rapporten van Bureau Waardenburg wordt volgens de Vogelbescherming hieraan geen aandacht besteed. 35.7. In het rapport van Bureau Waardenburg van 16 augustus 2016 staat dat in de onderzoeken die ten grondslag zijn gelegd aan het MER is onderkend dat een gering deel van de broedvogels uit de Oostvaardersplassen foerageert in het landbouwgebied ten zuiden van het Natura 2000-gebied. De voor de broedvogels meest relevante foerageergebieden liggen echter niet op of rond het vliegveld of onder de vliegroute B+, maar dichterbij de Oostvaardersplassen. Bij westenwind komt het luchtverkeer binnen vanuit het noordoosten. Het verkeer komt in dat geval dus niet boven het landbouwgebied ten zuiden van de Oostvaardersplassen. Het uitgaande verkeer stijgt na de start in zuidwestelijke richting snel tot 3.000 ft (1 km), draait zuid- en vervolgens oostwaarts en blijft tot Zeewolde op deze hoogte. Daarna stijgt het door tot 6.000 ft (2
- km)bij Elburg. Hieruit volgt volgens het rapport dat al het uitgaande luchtverkeer in het landbouwgebied ten zuiden van de Oostvaardersplassen vanaf de Lepelaartocht hoger dan 600 m vliegt. Op deze hoogtes vinden geen dagelijkse vliegbewegingen van lokale vogels plaats. Aanvaringen van lokale vogels met het uitgaande vliegverkeer zijn daarmee uitgesloten. Dit beeld is gezien de verdeling van windrichtingen in Nederland (gegevens KNMI) valide voor 60 procent van de dagen. In de overige 40 procent van de gevallen, bij oostenwind, stijgt het verkeer in oostelijke richting en komt het vanuit het westen binnen. Dan daalt het binnenkomend verkeer boven het landbouwgebied ten zuiden van de Oostvaardersplassen van 600 m in het westen (op 11 km van de kop van de baan) tot ruim 300 m in het oosten (Lage Vaart). De hoogste verplaatsingen van lokale vogels kunnen in theorie dan de baan van een vliegtuig kruisen. Gezien de statistieken van vliegtuigmaatschappijen is een aanvaring tussen 600 m en 300 m uitzondering, zodat in dat geval van een incident kan worden gesproken, aldus het rapport van Bureau Waardenburg van 16 augustus 2016. 35.8. De Vogelbescherming en de raad hebben, zoals hiervoor toegelicht, afwijkende standpunten ingenomen inzake de vlieghoogten van foeragerende vogels. De Vogelbescherming stelt, in het bijzonder in relatie tot de kiekendieven, dat bij het terugvliegen met prooi, afhankelijk van de thermiek, ook op hoogten tussen de 300 en 500 m wordt gevlogen. De raad stelt dat slechts incidenteel boven een hoogte van 300 m wordt gevlogen. De vlieghoogten van het luchtverkeer in relatie tot de afstand van de start- en landingsbaan bij vliegroute B+, zoals beschreven in het rapport "Vogels en vliegveiligheid" en het rapport van Bureau Waardenburg van 16 augustus 2016, zijn door de Vogelbescherming niet bestreden. Op basis daarvan stelt de Afdeling vast dat niet in geschil is dat op een afstand waar het luchtverkeer een hoogte heeft van meer dan 600 m geen risico bestaat op aanvaringen. Dit is bij westenwind ten zuiden van de luchthaven boven het landbouwgebied op een afstand van ongeveer 7 km van de start- en landingsbaan. Bij oostenwind is de afstand waarop tot een hoogte van 600 m luchtverkeer kan plaatsvinden ten zuiden van de luchthaven maximaal 11 km van de kop van de start- en landingsbaan. De Afdeling verwijst in dit verband tevens naar paragraaf 3.3 van het rapport "Vogels en vliegveiligheid", waarin staat dat vliegtuigen op 18 km van de kop van de baan zich bevinden op een hoogte van ongeveer 1000 m en dat de zij vanaf 6 km voor de kop beneden een hoogte van 300 m hoogte glijden. In beide hiervoor genoemde gevallen - bij starten en landen derhalve - geldt dat ook binnen de "risicoafstand" tot de start- en landingsbaan sprake is van een glijdende schaal, waarbij het risico op aanvaringen en verstoring afneemt naarmate de afstand tot de start- en landingsbaan groter wordt. Bruine en blauwe kiekendief 36. In het door de Vogelbescherming overgelegde rapport van Altenburg & Wymenga van 6 juni 2016 zijn kaarten opgenomen, waarop de nestlocaties van blauwe en bruine kiekendieven in de Oostvaardersplassen zijn weergegeven. Tevens zijn op de kaarten de waargenomen foerageerroutes grafisch weergegeven. De kaarten zin afkomstig uit publicaties en hebben betrekking op de jaren 2010, 2011, 2012 en 2014. De kaarten uit 2010 en 2011 zijn het meest illustratief, omdat deze betrekking hebben op zowel de bruine als de blauwe kiekendief. Ook is het onderzochte "studiegebied" op deze kaarten groter dan op de kaarten uit 2012 en 2014. De meest recente kaart uit 2014 ziet alleen op de bruine kiekendief - omdat er in dat jaar geen waarnemingen zijn geweest van broedende blauwe kiekendieven - en heeft alleen betrekking op het noordoostelijke deel van de Oostvaardersplassen. Met het oog op de bespreking van het betoog van de Vogelbescherming dat de aan het plan ten grondslag gelegde passende beoordeling niet deugdelijk is, wordt hierna de kaart uit 2011 weergegeven. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de overige in het rapport van Altenburg & Wymenga van 6 juni 2016 opgenomen kaarten een vergelijkbaar beeld laten zien als de kaart uit 2011, wat betreft de foerageerbewegingen van de blauwe en bruine kiekendief. 36.1. Op de hiervoor weergegeven kaart is het plangebied in paarse kleur weergegeven (in het oosten), alsook de vliegroute B+ van het startende en landende luchtverkeer. Uit deze kaart en de overige drie kaarten uit het rapport van Altenburg & Wymenga van 6 juni 2016, volgt dat het overgrote deel van de vliegbewegingen van foeragerende bruine en blauwe kiekendieven plaatsvindt binnen de Oostvaardersplassen zelf en in de nabijheid daarvan. In een beperkt aantal gevallen is sprake van waarnemingen van kiekendieven die de vliegroute, binnen een afstand van ongeveer 11 km in het verlengde van de start- en landingsbaan, naderen of passeren. In zoverre volgt de Afdeling het rapport van Bureau Waardenburg van 16 augustus 2016, waarin staat dat in het rapport van Altenburg & Wymenga van 6 juni 2016 meer dan honderd waarnemingen van vliegende kiekendieven ten zuiden van de Oostvaardersplassen zijn ingetekend en dat slechts in een aantal gevallen sprake is van vliegroutes op en afstand van meer dan 5 km tot de meest nabije broedplaats in de Oostvaardersplassen. 36.2. Op grond van het voorgaande komt de Afdeling tot het oordeel dat hetgeen de Vogelbescherming heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het onderzoek naar de foerageerbewegingen van de bruine en blauwe kiekendief zodanige leemten in kennis vertoont dat de raad deze niet ten grondslag heeft kunnen leggen aan het plan. In het navolgende zal nader worden ingegaan op de externe gevolgen van de uitbreiding van de luchthaven voor de instandhoudingsdoelstellingen voor de bruine en blauwe kiekendief. 37. Ten aanzien van de gevolgen voor de populatie bruine kiekendieven in de Oostvaardersplassen overweegt de Afdeling als volgt. In het rapport van Bureau Waardenburg van 16 augustus 2016 staat dat in de periode 2009-2014 jaarlijks sprake was van ongeveer 60 broedparen bruine kiekendieven in de Oostvaardersplassen. Voor het gebied geldt als instandhoudingsdoel het behoud van een populatie van 40 paren. Volgens de raad volgt hieruit dat ook bij een incidentele sterfte van een of een aantal vogels per jaar, het instandhoudingsdoel niet in gevaar komt. Dit standpunt van de raad is naar het oordeel van de Afdeling juist, gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld over het risico op aanvaringen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan niet leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Oostvaardersplassen vanwege de externe gevolgen voor de bruine kiekendief. 38. Tussen partijen is niet in geschil dat de blauwe kiekendief niet (langer) broedt in de Oostvaardersplassen. In het rapport van Bureau Waardenburg van 16 juli 2016 staat dat de blauwe kiekendief reeds drie jaar afwezig is als broedvogel. Dit standpunt wordt bevestigd in het rapport van Altenburg & Wymenga van 1 september 2016, met de kanttekening dat er wel waarnemingen zijn geweest van niet-broedende vogels. Voor de blauwe kiekendief geldt een verbeterdoelstelling waarbij een populatieomvang van vier broedparen wordt nagestreefd. In het rapport van Altenburg & Wymenga van 6 juni 2016 zijn kaarten opgenomen waarop de nestlocaties en de vliegroutes zijn weergegeven van de blauwe kiekendief in de jaren 2010, 2011 en 2012, toen deze soort nog wel broedde in de Oostvaardersplassen. Uit deze kaarten kan worden afgeleid dat nagenoeg alle waargenomen vliegroutes van de blauwe kiekendief beperkt zijn tot de begrenzing van het Natura 2000-gebied en de direct aangrenzende gronden, op ruime afstand tot de start- en landingsbaan en vliegroute B+. In één geval, zoals te zien is op de hiervoor in de uitspraak weergegeven kaart van de situatie in 2011, is een vliegroute van de blauwe kiekendief weergegeven op een afstand van ongeveer 1 km tot de vliegroute B+. De Vogelbescherming heeft in het algemeen gesteld dat het onderzoek van Bureau Waardenburg naar de vliegroutes van de blauwe kiekendief onvolledig is geweest, maar zij heeft geen concrete gegevens overgelegd waaruit volgt dat er waarnemingen zijn geweest van de blauwe kiekendief binnen het hiervoor toegelichte "risicogebied". De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake zal zijn van sterfte van deze vogels vanwege aanvaringen. Lepelaar, grote zilverreiger en aalscholver 39. Met betrekking tot de lepelaar staat in het rapport van Bureau Waardenburg van 16 augustus 2016 dat deze soort voornamelijk foerageert in de Oostvaardersplassen zelf, de Lepelaarsplassen en in Noord-Holland. Incidenteel wordt voedsel gezocht in wateren in Flevoland. In het rapport staat verder dat in 2015 een vierdaagse registratie van vliegbewegingen is verricht tussen de Oostvaardersplassen en het landbouwgebied, waarbij geen lepelaars zijn waargenomen. Gelet op de omstandigheid dat de lepelaar niet of in beperkte mate foerageert in de nabijheid van de vliegroute, wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van significante negatieve effecten voor deze soort. De uitgangspunten van Bureau Waardenburg over het feitelijke foerageergedrag van de lepelaar verschillen naar het oordeel van de Afdeling niet wezenlijk van hetgeen de Vogelbescherming ten grondslag heeft gelegd aan haar betoog inzake de gevolgen van de uitbreiding van de luchthaven voor de lepelaar. Zo staat in het door de Vogelbescherming overgeleverde rapport van Altenburg & Wymenga van 6 juni 2016 dat lepelaars in kleine aantallen foerageren in sloten in het landelijk gebied en dat, hoewel sprake kan zijn van aanvaringen en verstoringseffecten, het risico daarop gering lijkt, gelet op de beperkte aantallen. Verder staat in het rapport van Altenburg & Wymenga van 6 juni 2016 dat een belangrijk deel van de lepelaars dat in de Oostvaardersplassen broedt, foerageert in Zaanstreek-Waterland. 39.1. In het rapport van Altenburg & Wymenga van 6 juni 2016 staat dat de grote zilverreiger, vooral in muizenrijke jaren, foerageert in het landelijk gebied rondom de Oostvaardersplassen. Het gaat volgens het rapport om maximaal enkele tientallen vogels. In reactie hierop staat in het rapport van Bureau Waardenburg van 16 augustus 2016 dat de grote zilverreiger sinds het eind van de jaren negentig jaarlijks broedt in de Oostvaardersplassen, waarbij het aantal broedparen gestaag toeneemt. Thans ligt de kolonieomvang ruimschoots hoger dan het beoogde doel. Een zeer klein deel van de adulten foerageert in het broedseizoen ten zuiden van het beschermde gebied, in het landbouwgebied. Volgens het rapport heeft een vierdaagse registratie van de vliegbewegingen in 2015 een tiental bewegingen opgeleverd. Op een aantal van thans 400 adulten die enkele malen per dag voedsel aanbrengen voor hun jongen is dit een zeer beperkt deel. In jaren met grote dichtheid aan muizen kunnen grote zilverreigers in grote aantallen in graslanden verschijnen. Dergelijke jaren komen evenwel weinig voor en bovendien geldt in dat geval dat het voedselaanbod vrij groot is, zodat bij eventuele verstoring voldoende alternatieven voorhanden zijn, aldus het rapport van Bureau Waardenburg van 16 augustus 2016. 39.2. Over de aalscholver staat in het rapport van Bureau Waardenburg van 16 augustus 2016 dat de Oostvaardersplassen een grote kolonie herbergt van ongeveer 2.500 paren. Vanuit de Oostvaardersplassen gaan de meeste vogels naar het Markermeer en het IJsselmeer om te foerageren. Een klein deel benut locaties in Flevoland en de randmeren. Bij harde wind neemt het doorzicht in het Markermeer af en benutten de vogels mogelijkheden elders, onder meer in de randmeren. Verder wordt in het rapport het standpunt ingenomen dat vanwege een afname van het laagvliegend verkeer, de verstoring van deze soort juist minder zal worden. Gelet hierop zijn significante negatieve effecten voor de aalscholver uit te sluiten, aldus het rapport van Bureau Waardenburg van 16 augustus 2016. 39.3. Uit het rapport van Altenburg & Wymenga van 1 september 2016 volgt dat de Vogelbescherming zich op het standpunt heeft gesteld dat nader onderzoek noodzakelijk is naar het foerageergedrag van lepelaars, aalscholvers en grote zilverreigers, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de dynamiek in de Oostvaardersplassen. Zij betoogt dat een wijziging van biotische en abiotische factoren kan leiden tot een wijziging van het foerageergedrag. Dit theoretische standpunt heeft de Vogelbescherming evenwel niet geconcretiseerd. Zij heeft niet nader toegelicht waarom een eventuele wijziging van de dynamiek binnen de Oostvaardersplassen leidt tot een (wezenlijk) ander foerageergedrag van de lepelaar. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat significante negatieve gevolgen voor de lepelaar, grote zilverreiger en aalscholver zijn uitgesloten. Overige vogelsoorten 40. Wat betreft de externe gevolgen van het plan voor de wilde zwaan, brandgans, grauwe gans en kolgans overweegt de Afdeling als volgt. Voor de vier genoemde soorten geldt blijkens het aanwijzingsbesluit voor de Oostvaardersplassen als doelstelling behoud van de omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van onderscheidenlijk (ten minste) 20, 1.800, 4.200 en 600 paren. 40.1. De Vogelbescherming heeft gesteld dat in de onderzoeken die ten grondslag zijn gelegd aan de m.e.r. het aantal ganzen dat in de Oostvaardersplassen slaapt ruimschoots is onderschat. Volgens de Vogelbescherming bedraagt het aantal overnachtende vogels ongeveer 68.000. In het rapport van Bureau Waardenburg van 16 augustus 2016 staat dat thans meer ganzen in de Oostvaardersplassen slapen dan het aantal van 10.000 waarvan uit is gegaan in het kader van de m.e.r. Volgens het rapport verblijft het grootste deel van deze vogels (meer dan 90 procent) overdag evenwel in Noord-Holland. Het aantal ganzen dat in de Oostvaardersplassen slaapt en ook overdag ter plaatse verblijft bedraagt volgens het rapport ongeveer 10.000. De Afdeling overweegt dat voor het antwoord op de vraag of het plan leidt tot een wezenlijke aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Oostvaardersplassen uitsluitend van belang is of het plan gevolgen heeft voor de vogels die een relatie hebben met de Oostvaardersplassen. Het gaat in het bijzonder om de vraag of het plan afbreuk doet aan de in het aanwijzingsbesluit opgenomen instandhoudingsdoelstellingen voor de onderscheidenlijke ganzensoorten. De gevolgen voor de ganzensoorten die geen relatie hebben met de Oostvaardersplassen zijn in zoverre niet van belang. Dat meer ganzen in de Oostvaardersplassen overnachten dan waarvan in de m.e.r. is uitgegaan, kan daarom niet tot een andere conclusie van de passende beoordeling leiden. 40.2. Niet in geschil is dat verstoringseffecten alleen aan de orde zijn op gronden die op een hoogte van minder dan 3000 ft (ongeveer 915
- m)worden overvlogen. Uit de rapporten van Bureau Waardenburg kan worden afgeleid dat een betrekkelijk gering deel van de populatie van de hier aan de orde zijnde vogelsoorten foerageert in het landbouwgebied ten zuiden van de Oostvaardersplassen. Verstoringseffecten doen zich volgens de rapporten van Bureau Waardenburg alleen voor binnen een gering deel van het beschikbare foerageergebied ten zuiden van de Oostvaardersplassen. De vogels die verstoord raken door het overvliegende luchtverkeer hebben voldoende alternatieven om uit te wijken binnen het landbouwgebied zelf of elders. Op grond hiervan wordt in de rapporten van Bureau Waardenburg geconcludeerd dat significante negatieve gevolgen vanwege verstoring van extern foerageergebied weliswaar niet zijn uit te sluiten, maar dat een aantasting van de wezenlijke kenmerken van de Oostvaardersplassen in zoverre niet aan de orde is. De Vogelbescherming heeft niet nader toegelicht waarom een mogelijke verstoring van een gering deel van het externe foerageergebied afbreuk doet aan de instandhoudingsdoelstellingen voor genoemde vogelsoorten. 40.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan niet leidt tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken van de Oostvaardersplassen vanwege de gevolgen voor de wilde zwaan, brandgans, grauwe gans en kolgans. Gevolgen beperkingengebied voor instandhoudingsdoelstellingen 41. De Vogelbescherming betoogt dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de gevolgen van het beperkingengebied met betrekking tot vogelaantrekkende bestemmingen voor de Oostvaardersplassen. Volgens de Vogelbescherming is in het luchthavenbesluit vastgelegd dat vanwege de uitbreiding van de start- en landingsbaan binnen een straal van 6 km rondom de luchthaven geen nieuwe vogelaantrekkende bestemmingen zijn toegelaten. In het aanwijzingsbesluit voor de Oostvaardersplassen is voor de blauwe kiekendief een verbeterdoelstelling vastgelegd. Om deze doelstelling te behalen is het volgens het beheerplan voor de Oostvaardersplassen noodzakelijk de draagkracht van het gebied te vergroten door het realiseren van externe foerageergebieden. Het beperkingengebied kan ertoe leiden dat de in het beheerplan opgenomen maatregelen niet kunnen worden uitgevoerd, aldus de Vogelbescherming. 41.1. Artikel 12 van het luchthavenbesluit luidt als volgt: 1. Het gebied met beperkingen ten aanzien van vogelaantrekkende bestemmingen en grondgebruik is aangegeven op de kaart in bijlage 7. 2. Op de gronden gelegen binnen dit gebied is een bestemming of een grondgebruik binnen de volgende categorieën niet toegestaan: […]; d. natuurgebied of vogelgebied; e. moerasgebied of oppervlaktewater of een combinatie daarvan groter dan 3 hectare dan wel waarvan het totaal van de opgesplitste delen groter is dan 3 hectare. 3. Het tweede lid geldt niet voor zover de bestemming of het grondgebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit. 41.2. Op de als bijlage 7 bij het luchthavenbesluit gevoegde kaart is het vogelbeperkingengebied als bedoeld in artikel 12, eerste lid, grafisch weergegeven. Het betreft de gronden binnen een straal van 6 km van de luchthaven. 41.3. In de toelichting bij artikel 12 van het luchthavenbesluit staat dat op de luchthaven Lelystad de (hoofd)start- en landingsbaan zal worden uitgerust met elektronische hulpmiddelen ten dienste van het opstijgen of landen door luchtvaartuigen. Om die reden is in dit besluit overeenkomstig artikel 9, aanhef en onderdeel h, van het Besluit burgerluchthavens een gebied vastgesteld van 6 kilometer rondom het luchthavengebied waarin nieuwe gevallen van gebruik of bestemming die een sterke vogelaantrekkende werking hebben, worden verboden. Aanvaringen tussen luchtvaartuigen en vogels vormen immers een reëel gevaar voor de luchtvaart. Dit geldt met name in de buurt van luchthavens die worden gebruikt door snelle luchtvaartuigen, zoals straalvliegtuigen. Vogels hebben bij dit soort vliegtuigen weinig tijd om uit te wijken. Het vogelaanvaringsgevaar wordt daarbij versterkt door de aanwezigheid van gebieden met een sterke vogelconcentratie in de nabijheid van de luchthaven. Van de in artikel 12 opgenomen vormen van grondgebruik en bestemmingen, zoals bijvoorbeeld viskwekerijen met extramurale bassins, kan in redelijkheid worden aangenomen dat deze - door te dienen als locatie met voedselaanbod, rustplaats of slaapplaats - grote vogelconcentraties kunnen aantrekken. Het toevoegen van zaken of activiteiten die een sterke aantrekkingskracht op vogels hebben kan de situatie op en rond de luchthaven verslechteren. Daarom bepaalt artikel 12, tweede lid, dat nieuwe gevallen van gebruik of bestemming binnen deze categorieën niet zijn toegestaan. Een uitzondering op deze regel is mogelijk als overeenkomstig artikel 8.9, derde lid, van de Wet luchtvaart hiervoor een verklaring van geen bezwaar is verleend. Bij de afweging omtrent de afgifte van een verklaring van geen bezwaar wordt betrokken of door de vogelaantrekkende functie of bestemming het risico voor het luchtverkeer toeneemt. Een reeds bestaand gebruik of een bestemming binnen de genoemde categorieën is, overeenkomstig artikel 12, derde lid, toegestaan indien het gebruik of die bestemming rechtmatig was vóór het moment van inwerkingtreding van dit luchthavenbesluit, aldus de toelichting. 41.4. Ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de Nbw 1998 stelt het college van gedeputeerde staten, na overleg met de eigenaars, gebruikers en andere belanghebbenden, voor een op grond van artikel 10a, eerste lid, aangewezen gebied of een op grond van artikel 12, derde lid, voorlopig aangewezen gebied een beheerplan vast waarin met inachtneming van de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen bedoeld in artikel 10a, derde lid, wordt beschreven welke instandhoudingsmaatregelen getroffen dienen te worden en op welke wijze. 41.5. De Staatssecretaris van Economische Zaken heeft bij besluit van 14 oktober 2015 het beheerplan "Natura 2000-beheerplan Oostvaardersplassen