201605103/1/A3. Datum uitspraak: 7 juni 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2016 in zaak nr. 16/977 in het geding tussen: [appellant] en de korpschef van politie. Procesverloop Bij besluit van 22 oktober 2015 heeft de korpschef de door [bedrijf] gevraagde toestemming om [appellant] beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten, onthouden. Bij besluit van 14 januari 2016 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. J.S.T. Peek, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] is eigenaar van de beveiligingsorganisatie [bedrijf] te Gouda. Op 21 september 2015 heeft [bedrijf] een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wpbr), om [appellant] beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. De korpschef heeft deze toestemming onthouden, omdat uit een uittreksel Justitiële documentatie van 21 september 2015 volgt dat op 13 april 2015 is besloten [appellant] te dagvaarden voor het plegen van fiscale fraude, valsheid in geschrifte en het plegen of medeplegen van witwassen in de periode 1 januari 2011 tot en met 17 februari 2015. Deze strafbare feiten zouden door [appellant] zijn gepleegd als ondernemer in de beveiligingsbranche. Volgens de korpschef is [appellant] onvoldoende betrouwbaar om als beveiliger te werken, als bedoeld in onderdeel 2.3, aanhef en onder c, van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2014. De aangevallen uitspraak 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef op grond van het uittreksel Justitiële documentatie in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat [appellant] onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten. Gelet op de vervolgingsbeslissing van de Officier van Justitie betreffende de in het uittreksel opgenomen strafbare feiten bestaat er volgens de rechtbank een serieuze verdenking dat eiser deze strafbare feiten heeft gepleegd, hetgeen kan worden beschouwd als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde, zoals bedoeld in paragraaf 2.3, aanhef en onder c, van de Beleidsregels. Dat [appellant] niet is veroordeeld voor het plegen van de strafbare feiten en het strafrechtelijk onderzoek nog gaande is, maakt dat niet anders. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat op grond van de toelichting bij de c-grond van paragraaf 2.3 in de Beleidsregels andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken omstandigheden aanleiding kunnen zijn om aan te nemen dat de betrokkene onvoldoende betrouwbaar is om werkzaamheden te verrichten voor een particuliere beveiligingsorganisatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef de strafbare feiten terecht als ernstig gekwalificeerd. De korpschef heeft het [appellant] kunnen aanrekenen dat hij als ondernemer in de beveiligingsbranche deze misdrijven heeft gepleegd, zodat hij onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden. Het hoger beroep 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij voor de in het uittreksel Justitiële documentatie genoemde strafbare feiten niet is gedagvaard. Thans bestaat er slechts een verdenking en is het nog onduidelijk of hij zal worden vervolgd. Deze verdenking kan volgens hem niet worden aangemerkt als een serieuze verdenking. Daarbij komt dat de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht, geheel losstaan van het verrichten van werkzaamheden voor een beveiligingsorganisatie. Volgens [appellant] valt niet in te zien dat de verdenking van invloed kan zijn op de mate van betrouwbaarheid voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden. 3.1. [appellant] heeft zijn beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpschef terecht geen aanleiding heeft gezien de hardheidsclausule toe te passen, ter zitting ingetrokken. Het oordeel van de Afdeling 4. Artikel 7, tweede lid, van de Wpbr luidt: "Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. […]." Het vierde lid luidt: "De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. […]." Onderdeel 2.3 (Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden) van de Beleidsregels luidt: "De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.