201700300/1/V6. Datum uitspraak: 19 juli 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 november 2016 in zaak nr. 16/4232 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Veiligheid en Justitie (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie). Procesverloop Bij besluit van 17 maart 2016 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen. Bij besluit van 23 mei 2016 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 november 2016 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. E. Derksen, advocaat te Arnhem, en A.P. Shanthan, tolk, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door S.Q. Sandifort, MSc, zijn verschenen. Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 2. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger. 3. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellante] onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek geen vijf jaar aaneengesloten toelating heeft gehad binnen het Koninkrijk. Gebleken is dat [appellante] een zogenoemd verblijfsgat heeft tussen 10 en 16 september 2014, zodat zij niet aan de voorwaarden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) voldoet, aldus de staatssecretaris. Het is de staatssecretaris voorts niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan artikel 10 van de RWN moet worden toegepast. 4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voormeld verblijfsgat in rechte vaststaat en dat [appellante] ten tijde van het verzoek daarom niet voldeed aan het in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN neergelegde vereiste van ten minste vijf jaren onafgebroken toelating. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] heeft gesteld dat de staatssecretaris haar beroep op de hardheidsclausule ten onrechte niet heeft gehonoreerd, dat volgens [appellante] sprake is van een zwaarwegend ambtelijk verzuim omdat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) haar onjuist heeft geïnformeerd en dat er volgens [appellante] humanitaire redenen zijn die nopen tot toepassing van artikel 10 van de RWN. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat ter zitting namens [appellante] is bevestigd dat zij geen beroep heeft willen doen op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), maar dat zij uitsluitend heeft bedoeld een beroep te doen op artikel 10 van de RWN. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de omstandigheid dat de IND [appellante] niet tijdig een formulier voor verlenging van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning heeft toegestuurd, niet als een ernstig ambtelijk verzuim in de zin van artikel 10 van de RWN kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een situatie waarin humanitaire redenen nopen tot toepassing van artikel 10 van de RWN. 5. [appellante] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ter zitting in eerste aanleg namens haar is bevestigd dat zij geen beroep heeft willen doen op artikel 4:84 van de Awb, maar dat zij uitsluitend een beroep op artikel 10 van de RWN heeft bedoeld te doen. Zij heeft een beroep op zowel de inherente afwijkingsbevoegdheid als op artikel 10 van de RWN gedaan. De staatssecretaris heeft niet gemotiveerd waarom geen toepassing aan die bevoegdheid is gegeven en heeft haar hieromtrent ten onrechte niet gehoord, aldus [appellante]. 5.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voormeld verblijfsgat in rechte vaststaat. Hetgeen [appellante] in beroep over het verblijfsgat heeft aangevoerd, had in de vreemdelingrechtelijke procedure over de verlening van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd aan de orde kunnen en derhalve moeten komen, zodat het betoog over de omstandigheden waaronder het verblijfsgat is ontstaan reeds hierom faalt. 5.2. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet tijdig verzenden van een formulier voor het verlengen van de geldigheidsduur van de aan [appellante] verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dan wel voor het aanvragen van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd door de IND, geen ambtelijk verzuim vormt als bedoeld in paragraaf 2.3 van de toelichting bij artikel 10 van de RWN van de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding). 5.3. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellante] toegelicht dat zij met haar beroep op artikel 4:84 van de Awb heeft bedoeld dat de staatssecretaris gehouden was om met toepassing van dat artikel af te wijken van de toelichting bij artikel 10 van de RWN van de Handleiding. Wat daarvan ook zij, het beroep van [appellante] op artikel 4:84 van de Awb slaagt niet reeds vanwege het volgende. [appellante] heeft niet geconcretiseerd welke bijzondere omstandigheden nopen tot afwijken van het beleid, zoals dat is in neergelegd in de toelichting bij artikel 10 van de RWN van de Handleiding. Voor zover [appellante] doelt op de toezegging van de IND dat haar tijdig een aanvraagformulier zou worden toegezonden en dat dit niet is gebeurd, vormt deze gestelde omstandigheid geen bijzondere omstandigheid, reeds omdat het de eigen verantwoordelijkheid van een vreemdeling is om tijdig een aanvraag in te dienen om verlenging van de geldigheidsduur van een reeds verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of om afgifte van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Voor zover [appellante] een beroep doet op de door haar gestelde reisproblemen, overweegt de Afdeling dat, nog daargelaten dat dit niet in de bestuurlijke fase is aangevoerd, [appellante] haar stelling omtrent mogelijke visumproblemen niet heeft gestaafd. Gelet hierop heeft de rechtbank voorts terecht geconcludeerd dat het betoog van [appellante], dat de staatssecretaris haar ten onrechte niet heeft gehoord, faalt. Het betoog faalt. 6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, griffier. w.g. Troostwijk w.g. Woestenburg-Bertels lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2017 501. BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:84 Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) Artikel 8 1. Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker a. […]; c. die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft; d. […]. Artikel 10 Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, en de termijn genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid. Handleiding voor de toepassing van de RWN 10-alg Toelichting algemeen paragraaf 1 Algemeen Dit artikel biedt de mogelijkheid van naturalisatie wanneer aan bepaalde in de Rijkswet zelf gestelde voorwaarden niet is voldaan. Uitgangspunt is dat er sprake is van een zeer ‘bijzonder geval’. In uitzonderlijke gevallen kunnen er belangen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn om van die voorwaarden af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige belangen van (één van de landen van) het Koninkrijk zich voordoen, zoals op het gebied van de internationale economische en culturele betrekkingen. In concreto kan worden gedacht aan vreemdelingen die in aanmerking komen voor een functie waarvoor het Nederlanderschap is vereist of gewenst en eventueel hun echtgenoten/partners. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie. […] Het is niet de bedoeling dat op grote schaal van onderhavig artikel gebruik wordt gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraken (zie uitspraak van 27 augustus 2014 in zaak nr. 201400641/1/V6 en uitspraak van 2 juli 2003 in zaak nr. 200204721/1) overwogen dat de staatssecretaris bij de toepassing van artikel 10 van de RWN beoordelingsvrijheid heeft waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort. De staatssecretaris pleegt van dit wetsartikel terughoudend gebruik te maken. De uitzonderingen zijn alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen. Een verzoek om toepassing van artikel 10 RWN zal dus moeten worden gemotiveerd. Tevens moet exact worden aangegeven van welke vereisten in artikel 8, 9 of 11 RWN afwijking wordt verzocht. Er zijn geen eenduidige criteria op grond waarvan met grote stelligheid kan worden voorspeld of een beroep op artikel 10 RWN zal worden gehonoreerd. Dit is aan Onze Minister ter beoordeling en mede afhankelijk van het advies van de Raad van State. In zijn algemeenheid geldt dat naarmate het staatsbelang groter is en naarmate minder afwijkingsgronden worden aangevoerd, de drempel om artikel 10 RWN toe te passen gemakkelijker is te nemen. Zo zal iemand die nog maar een half jaar in Nederland is, nog nauwelijks Nederlands spreekt en met wiens naturalisatie wel belangen, maar geen uitzonderlijke, zijn gemoeid, minder snel langs deze weg worden genaturaliseerd dan iemand die hier al drie jaar is, in zijn functie of beroep volop participeert in de Nederlandse samenleving, redelijk Nederlands spreekt, hier wil blijven wonen en ten aanzien van wie het van groot belang is dat hij de Nederlandse nationaliteit krijgt. Bovendien kan het oordeel afhangen van de voorwaarde waarvan in het concrete geval wordt gevraagd af te wijken. Een beroep op artikel 10 RWN zal niet worden gehonoreerd als de verzoeker binnen afzienbare tijd voldoet aan de reguliere wettelijke voorwaarden. […] paragraaf 2 Voorbeelden van bijzondere gevallen Ten behoeve van de beeldvorming, met betrekking tot de vraag wanneer er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan onderhavig artikel kan worden toegepast, volgt onderstaand een aantal praktijkvoorbeelden. Bij een aantal voorbeelden is aangegeven op welke wijze met vergelijkbare gevallen kan worden omgegaan. paragraaf 2.1 Nederlands belang (staatsbelang, economisch en cultureel) […]. paragraaf 2.2 Humanitaire redenen - Het pleegkind dat niet deelt in de verkrijging van het Nederlanderschap door of niet deelt in de verlening van het Nederlanderschap aan de pleegouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.