201606669/1/A3. Datum uitspraak: 6 september 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd te [plaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 juli 2016 in zaak nr. 16/1467 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Infrastructuur en Milieu. Procesverloop Bij besluit van 10 september 2015 heeft de minister aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 11.100,00 wegens dertien overtredingen van artikel 5.5:3 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (hierna: het Atbv). Bij besluit van 28 januari 2016 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.E. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel, en de minister, vertegenwoordigd door mr. H.J. het Hart, zijn verschenen. Overwegingen 1. De relevante bepalingen uit Richtlijn 2014/112/EU van de Raad van 19 december 2014 tot uitvoering van de Europese Overeenkomst betreffende de regeling van bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de binnenvaart die is gesloten door de Europese Binnenvaartunie (EBU), de Europese Schippersorganisatie (ESO) en de Europese Federatie van Vervoerswerknemers (ETF) (PB 2014, L 367; hierna: Richtlijn 2014/112), het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn (hierna: het Rsp), de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), het Wetboek van Strafrecht, de Arbeidstijdenwet, de Binnenvaartwet, het Atbv, het besluit van 1 december 2016 tot wijziging van Arbeidstijdenbesluit en het [Atbv] in verband met Richtlijn 2014/112 […] (hierna: besluit van 1 december 2016 tot wijziging van het Atbv) en de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (binnenvaart) (hierna: de Beleidsregel) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak. Inleiding 2. Bij brief van 11 februari 2015, gericht aan [appellante], heeft een inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport van het ministerie (hierna: het ILT) in het kader van het toezicht op de Binnenvaartwet en de Arbeidstijdenwet een bedrijfsinspectie aangekondigd voor het [motorschip] met scheepsidentificatienummer 02327262 (hierna: het motorschip). Aan de hand van door [appellante] overgelegde bescheiden heeft de inspecteur op 2 juni 2015 op ambtseed een boeterapport opgemaakt. Het boeterapport vermeldt dat het motorschip een binnenschip is waarmee in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 januari 2015 op de binnenwateren is gevaren, zodat de Binnenvaartwet daarop van toepassing is. Het boeterapport vermeldt voorts dat [appellante] met de exploitatie van het motorschip in januari 2015, gezien het vaartijdenboek en de uitdraai van de tachograaf, dertien keer artikel 5.5:3, eerste lid, van het Atbv heeft overtreden. Het besluit van 28 januari 2016 3. Bij besluit van 28 januari 2016 heeft de minister het besluit van 10 september 2015 gehandhaafd. De minister heeft [appellante] een boete van € 11.100,00 opgelegd, omdat [appellante] in januari 2015 ten aanzien van drie bemanningsleden in totaal dertien keer artikel 5.5:3 van het Atbv heeft overtreden. Deze overtredingen houden in dat [appellante] in die gevallen de arbeid niet zodanig heeft georganiseerd dat het desbetreffende bemanningslid, die arbeid heeft verricht bij exploitatiewijze A1, een ononderbroken rusttijd buiten vaartijd heeft gehad van tenminste 8 uren in een aaneengesloten tijdsruimte van 24 uren, te rekenen vanaf het einde van iedere ononderbroken rusttijd van ten minste 8 uren. De minister heeft de in de Beleidsregel vermelde feitcodes ATB-v 5.5.07 tot en met ATB-v 5.5.11 toegepast. Het hoger beroep 4. [ appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan haar in eerste aanleg aangevoerde betoog dat artikel 5.5:3 van het Atbv geen betrekking heeft op boventallige bemanningsleden, maar uitsluitend op de bij de gekozen exploitatiewijze behorende minimumbemanning als bedoeld in het Rsp. Gezien dit in eerste aanleg aangevoerde betoog is niet artikel 5.5:3, tweede lid, van het Atbv, maar artikel 5.1:2, eerste lid, op boventallige bemanningsleden van toepassing. [appellante] voert in dit kader nog aan dat het motorschip, blijkens het ten behoeve daarvan afgegeven en bij het boeterapport bijgevoegde certificaat van onderzoek ongeveer 135 m lang is en aan uitrustingsstandaard S2 voldoet, zodat de minimumbemanning bij exploitatiewijze A1 ingevolge artikel 3.15, eerste lid, van het Rsp moet bestaan uit één schipper, één stuurman en één lichtmatroos. De bemanning aan boord van het motorschip bestond in januari 2015 uit één schipper, twee stuurmannen en één matroos. Het motorschip heeft derhalve in januari 2015 met één boventallig bemanningslid gevaren, omdat een lichtmatroos mag worden vervangen door een stuurman of een matroos. 4.1. Uit de door [appellante] in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden blijkt niet dat zij in beroep heeft aangevoerd dat artikel 5.5:3 van het Atbv uitsluitend betrekking heeft op de minimumbemanning. Voor zover het betoog in hoger beroep moet worden opgevat als zou de rechtbank de strekking van die bepaling niet hebben onderkend, kan [appellante] niet worden gevolgd in hetgeen zij over die bepaling aanvoert. Ingevolge artikel 5.1:1, aanhef en onder a, van het Atbv, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet, ziet het begrip 'bemanningslid' in artikel 5.5:3, eerste lid, van het Atbv immers op een ieder die zich als schipper, stuurman, machinist, volmatroos, matroos-motordrijver, matroos, lichtmatroos, lid van het veiligheidspersoneel of deksman aan boord van een schip bevindt. Het betoog faalt. 5. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister artikel 5.5:3 van het Atbv in dit geval op onjuiste wijze heeft toegepast. [appellante] voert daartoe aan dat een boventallig bemanningslid werk van de minimumbemanning kan overnemen, zodat met minder rust kan worden volstaan. 5.1. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de ingevolge artikel 5.5.3 van het Atbv geldende rusttijden niet op alle bemanningsleden van toepassing zijn. Het betoog faalt. 6. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aan de e-mail van A.C. Drost, senior politiemedewerker bij de Dienst Infrastructuur, van 27 januari 2016 niet de door [appellante] beoogde betekenis kan worden gehecht omdat alle bemanningsleden in het vaartijdenboek zijn geregistreerd en daarin niet is vermeld dat één van hen uitsluitend voor laad- en loshandelingen aan boord was. [appellante] voert daartoe aan dat de minister zich niet op het standpunt heeft gesteld dat hij ter zake van het boventallige bemanningslid van boeteoplegging zou hebben afgezien, indien over dat bemanningslid een dergelijke vermelding in het vaartijdenboek zou zijn opgenomen. 6.1. Het betoog faalt, reeds omdat [appellante] zich beroept op een situatie die hier niet aan de orde is. Een vermelding als hier bedoeld, is immers niet in het vaartijdenboek opgenomen. 7. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat alle bemanningsleden konden en mochten rusten aan boord van het motorschip, zodat de boete ten onrechte is opgelegd wegens de omstandigheid dat de arbeid niet zodanig was georganiseerd dat de bemanningsleden voldoende buiten vaartijd hebben kunnen rusten. [appellante] voert daartoe aan dat het motorschip, blijkens het certificaat van onderzoek, zodanig is uitgerust dat het niet alleen geschikt is voor exploitatiewijze A1, de dagvaart, maar ook voor exploitatiewijze A2, de semi-continuvaart, en exploitatiewijze B, de continuvaart, als bedoeld in artikel 3.10 van het Rsp. Dat betekent dat het motorschip in technisch opzicht geschikt is voor de continuvaart en dat de bemanning derhalve tijdens de vaart aan boord kan rusten. De bemanningsleden hebben in januari 2015 steeds, dan wel veelal, voldoende rust genoten, zij het dat zij gedeeltelijk tijdens de vaart hebben gerust. [appellante] beroept zich voorts op artikel 5.1:2, eerste lid, van het Atbv en stelt dat deze bepaling leidend moet zijn bij de uitleg en toepassing van artikel 5.5:3, tweede lid. 7.1. Anders dan [appellante] stelt, is artikel 5.1:1, aanhef en onder c, van het Atbv leidend voor de uitleg van het begrip 'rusttijd' in hoofdstuk 5. Ingevolge deze bepaling wordt in hoofdstuk 5 onder rusttijd verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3:11 van het Rsp. Nu de ononderbroken rusttijd bij exploitatiewijze A1 ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van het Rsp buiten vaartijd moet zijn gelegen, bestaat geen grond voor het oordeel dat deze rusttijd, gezien artikel 5.1:2, eerste lid, van het Atbv, in de vaartijd mag zijn gelegen. Voorts laat de stelling van [appellante] dat het motorschip geschikt is voor exploitatiewijze A2 en B onverlet dat ten tijde van de geconstateerde overtredingen met het motorschip in exploitatiewijze A1 is gevaren. De bemanning aan boord van het motorschip voldeed toentertijd immers niet aan de bij exploitatiewijze A2 of B behorende minimumbemanning als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, van het Rsp, zodat reeds daarom geen wisseling naar exploitatiewijze A2 of B heeft kunnen plaatsvinden. Dat brengt met zich dat [appellante] de arbeid overeenkomstig artikel 5.5:3, eerste lid, van het Atbv had moeten organiseren en dat de ononderbroken rusttijd volledig buiten de vaartijd had moeten liggen. Het betoog faalt. 8. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de constatering dat de bemanningsleden niet met inachtneming van de geldende rusttijden hebben gerust, geen grond biedt voor de conclusie dat [appellante] de arbeid niet in overeenstemming met het Atbv heeft georganiseerd. [appellante] voert daartoe aan dat artikel 5.5:3, eerste lid, geen resultaatverplichting inhoudt. Voorts voert zij aan dat uit niets blijkt dat zij de arbeid niet zodanig heeft georganiseerd dat de geldende rusttijden konden worden genoten. 8.1. Anders dan [appellante] aanvoert, legt artikel 5.5:3, eerste lid, van het Atbv de werkgever de verplichting op de arbeid zodanig te organiseren dat een bemanningslid bij wijze van resultaat daadwerkelijk de in deze bepaling omschreven rusttijd heeft. Het betoog faalt. 9. [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar betoog dat de boete onevenredig is niet kan slagen. [appellante] wijst hierbij op de omstandigheid dat het motorschip in januari 2015 heeft gevaren met een boventallig bemanningslid. Verder wijst zij erop dat de bemanningsleden in januari 2015 steeds, dan wel veelal, voldoende rust hebben genoten, zij het dat zij gedeeltelijk tijdens de vaart hebben gerust aan boord van het motorschip dat in technisch opzicht daarvoor geschikt is. Voorts stelt [appellante] dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat zij de bemanning, het motorschip of de scheepvaart op enig moment als gevolg van het rusten tijdens de vaart, in gevaar heeft gebracht. Ten slotte wijst [appellante] op clausule 2, aanhef en onder d, en clausule 7 van de bijlage bij Richtlijn 2014/112, waaruit, naar zij stelt, volgt dat in internationaal verband niet wordt geëist dat buiten vaartijd wordt gerust. 9.1. Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 5.5:3, eerste lid, van het Atbv om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van de minister. Het bestuursorgaan moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Awb, de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De minister kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen inzake het al dan niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook indien het beleid als zodanig door de rechter niet onredelijk is bevonden, dient de minister bij de toepassing daarvan in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie. 9.2. De Afdeling acht de Beleidsregel, voor zover de minister daaraan in deze zaak toepassing heeft gegeven, niet onredelijk. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1, 5.1 en 7.1 is overwogen, is in de door [appellante] aangevoerde omstandigheden betreffende het boventallige bemanningslid, de rust tijdens de vaart en de technische geschiktheid daartoe van het motorschip, op zichzelf noch in samenhang bezien, grond gelegen voor matiging van de boete. De minister heeft ter zitting van de Afdeling, onder verwijzing naar de bekwaamheidseisen waaraan bemanningsleden op binnenvaartschepen moeten voldoen, bovendien toegelicht dat het van belang is om niet in strijd met artikel 5.5:3 van het Atbv tijdens de vaartijd te rusten, omdat beroepservaring, uitgedrukt in jaren vaartijd, een wezenlijk onderdeel uitmaakt van die bekwaamheidseisen, neergelegd in onder meer artikel 3.02 van het Rsp. Voorts is de daadwerkelijke gevaarzetting geen bestanddeel van de overtreding van artikel 5.5:3 van het Atbv, zodat ook in de stelling van [appellante] dat onaannemelijk is dat, als gevolg van de rust binnen vaartijd, gevaarzetting heeft plaatsgevonden, geen grond voor matiging is gelegen. Ten slotte bevat Richtlijn 2014/112, gezien artikel 2, eerste lid, en clausule 17, eerste lid, van de bijlage, minimumnormen. Blijkens het besluit van 1 december 2016 tot wijziging van het Atbv is bij de implementatie van Richtlijn 2014/112 in Nederlandse regelgeving van deze minimumnormen afgeweken in die zin dat de bij exploitatiewijze A1 behorende rusttijden ongewijzigd zijn gebleven. Nu Richtlijn 2014/112 niet heeft geleid tot regelgeving die, zou die ten tijde van de geconstateerde overtredingen hebben gegolden, tot het niet opleggen van een boete of tot een lagere boete zou hebben geleid, is in het beroep van [appellante] op Richtlijn 2014/112 evenmin grond gelegen voor matiging van de boete. Het betoog faalt. 10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. 11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier. w.g. Slump w.g. Robben voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2017 610. BIJLAGE Richtlijn 2014/112 Artikel 1 Deze richtlijn dient ter uitvoering van de Europese Overeenkomst betreffende de regeling van bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de binnenvaart, gesloten op 15 februari 2012 door de [EBU], de [ESO] en de [ETF], als vastgesteld in de bijlage. Artikel 2 1. De lidstaten kunnen gunstiger voorschriften dan de in deze richtlijn opgenomen voorschriften handhaven of invoeren. 2. De uitvoering van deze richtlijn vormt in geen enkel geval een rechtvaardiging voor een verlaging van het algemene beschermingsniveau van de werknemers op de onder deze richtlijn vallende gebieden. Dit doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten en de sociale partners om in het licht van de ontwikkelingen andersluidende wettelijke, bestuursrechtelijke en contractuele bepalingen aan te nemen dan die welke op het tijdstip van de goedkeuring van deze richtlijn van kracht zijn, mits wordt voldaan aan de minimumeisen van deze richtlijn. 3. De toepassing en interpretatie van deze richtlijn laat andere Unie-of nationale bepalingen, gebruiken of praktijken die de betrokken werknemers gunstiger voorwaarden bieden, onverlet. Artikel 4 1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2016 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede. Artikel 5 Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Bijlage Europese Overeenkomst betreffende de regeling van een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de binnenvaart Clausule 1 Toepassingsgebied 1. Deze overeenkomst geldt voor mobiele werknemers die als lid van het varend personeel (bemanning) of in een andere functie (boordpersoneel) werkzaam zijn aan boord van een vaartuig dat op het grondgebied van een lidstaat in de commerciële binnenvaart wordt ingezet. 3. Deze overeenkomst doet geen afbreuk aan de nationale of internationale voorschriften voor de veiligheid van de scheepvaart die op mobiele werknemers […] van toepassing zijn. 4. Indien bij mobiele werknemers verschillen qua rusttijden tussen deze overeenkomst en de nationale en internationale voorschriften voor de veiligheid van de scheepvaart bestaan, wordt voorrang verleend aan de bepalingen die een hogere bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers garanderen. Clausule 2 Definities In deze overeenkomst wordt verstaan onder: […];
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.