← Nederland

ECLI:NL:RVS:2017:266

201501072/1/R

  1. Datum uitspraak: 1 februari 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. Natuur- en Milieuvereniging Markkant, gevestigd te Breda, en andere (hierna: de vereniging en andere), (r.o. 7, 26 en 27)
  3. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, gevestigd te ’s-Hertogenbosch (hierna: het college), (r.o. 28)
  4. [ appellanten sub 3], beiden wonend te Breda (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 3]), (r.o. 26)
  5. [ appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], beiden wonend te Breda (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 4]), (r.o. 27)
  6. [ appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Breda, (r.o. 27)
  7. [ appellant sub 6A] en [appellante sub 6B] en [appellante sub 6C], gevestigd te Breda (hierna: [appellante sub 6]), (r.o. 27)
  8. [ appellant sub 7], wonend te Breda, (r.o. 29)
  9. BW Beheer Bvba, gevestigd te Brecht (België), en Princeville Exploitatie B.V., gevestigd te Breda, (r.o. 30)
  10. [ appellant sub 9] en anderen, allen wonend te Breda, (r.o. 31)
  11. [ appellant sub 10], wonend te Breda, en anderen, (r.o. 36)
  12. de vereniging IVN Mark en Donge, gevestigd te Breda, en anderen, (r.o. 42)
  13. [ appellante sub 12], gevestigd te Breda, waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], beiden wonend te Breda, (r.o. 32, 42, 46 en 47)
  14. [ appellant sub 13], wonend te Ulvenhout, gemeente Breda, (r.o. 48)
  15. [ appellant sub 14], wonend te Breda, (r.o. 50)
  16. [ appellant sub 15], wonend te Ulvenhout, gemeente Breda, (r.o. 51)
  17. [ appellante sub 16], wonend te Breda (r.o. 52)
  18. [ appellante sub 17], (r.o. 26.2)
  19. [ appellant sub 18A] en [appellant sub 18B], beiden wonend te Breda, (r.o. 39) en de raad van de gemeente Breda, verweerder. Procesverloop Bij het besluit van 18 december 2014, kenmerk 42424, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 7], het college, de vereniging en anderen, [appellante sub 12], [appellant sub 10] en anderen, [appellant sub 13], BW Beheer, [appellant sub 9] en anderen, [appellante sub 6C], [appellant sub 4], IVN Mark en Donge en anderen, [appellant sub 14], [appellanten sub 5], [appellant sub 3], [appellant sub 15] en [appellante sub 16] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Hierover heeft een aantal appellanten een zienswijze naar voren gebracht. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. Bij besluit van 5 november 2015, kenmerk 43831, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013" gewijzigd. Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de vereniging en andere, [appellant sub 3], [appellanten sub 18], IVN Mark en Donge en [appellant sub 14] hun zienswijze over het besluit van 5 november 2015 naar voren gebracht. Bij besluit van 3 maart 2016, kenmerk 44402, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid 2013" gewijzigd. De vereniging en anderen hebben hun zienswijze over het besluit van 3 maart 2016 naar voren gebracht. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 en 14 juni 2016, waar het merendeel van de partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn ter zitting [appellante sub 17] van Alphen, [belanghebbende A] en [belanghebbende B], vertegenwoordigd door mr. A.C. van Langen, advocaat te Waalwijk, Ruitersportcentrum Breda, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. S.M. Stavenuiter, advocaat te Amsterdam, Port of Breda B.V., vertegenwoordigd door mr. B. Baan, advocaat te Etten-Leur, [belanghebbende C], bijgestaan door ing. J. van Dijk, en [belanghebbende D] als derde belanghebbenden gehoord. Daarnaast is een aantal appellanten ook als derde belanghebbenden gehoord. Overwegingen TOETSINGSKADER
  20. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. DE BESLUITEN
  21. Het plan "Buitengebied Zuid 2013" voorziet in een planologische regeling van het zuidelijke deel van het buitengebied van Breda.
  22. Bij het besluit van 5 november 2015 heeft de raad het besluit van 18 december 2014 op onderdelen gewijzigd. Bij het besluit van 3 maart 2016 heeft de raad het besluit van 5 november 2015 gewijzigd voor zover het betreft het plandeel aan de [locatie 1] in Galder.
  23. Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat het beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot wijziging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Het besluit van 5 november 2015 is een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De beroepen hebben van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Voorts is het besluit van 3 maart 2016 een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Het beroep van de vereniging en andere heeft van rechtswege mede betrekking op dit besluit.
  24. De Afdeling zal bij het beroep van de vereniging en andere tegen het plandeel aan de [locatie 1] het plan zoals dat is vastgesteld bij het besluit van 3 maart 2016 als eerste beoordelen, en daarna en voor zover nodig, achtereenvolgens het plan zoals dat is vastgesteld bij het besluit van 5 november 2015 en bij het besluit van 18 december
  25. De Afdeling zal bij het beroep van de vereniging en andere voor het overige en de overige beroepen het plan zoals dat is vastgesteld bij besluit van 5 november 2015 als eerste beoordelen, en daarna en voor zover nodig, het plan zoals dat was vastgesteld bij besluit van 18 december
  26. Bij het voorgaande is voorts het volgende van belang. Het besluit van 18 december 2014 heeft met ingang van 5 februari 2015 ter inzage gelegen. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant heeft op 17 februari 2015 een reactieve aanwijzing gegeven. Nu de termijn voor het geven van een reactieve aanwijzing is geëindigd op 24 januari 2015, is deze reactieve aanwijzing buiten de daartoe gestelde termijn in artikel 3.8, vierde en zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gegeven. Het college van gedeputeerde staten kan in uitzonderlijke gevallen een reactieve aanwijzing geven na het verstrijken van deze termijn. Desgevraagd heeft het college van gedeputeerde staten ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke situatie zich voordoet. De reactieve aanwijzing is gelet hierop gedurende de beroepstermijn ten onrechte verwerkt in het plan zoals dat beschikbaar is gesteld op www.ruimtelijkeplannen.nl. Niet aannemelijk is echter dat belanghebbenden zijn benadeeld door deze gebrekkige beschikbaarstelling. Daarbij is van belang dat met het besluit van 5 november 2015 is beoogd tegemoet te komen aan de reactieve aanwijzing. Indien belanghebbenden van mening waren dat met dit besluit niet, onvoldoende of ten onrechte aan de reactieve aanwijzing tegemoet is gekomen, hadden zij beroep kunnen instellen tegen het besluit van 5 november
  27. Gelet op het voorgaande gaat de Afdeling indien zij het plan beoordeelt zoals dat is vastgesteld bij het besluit van 18 december 2014, uit van dat oorspronkelijke plan, zonder dat dat werd geraakt door de gegeven reactieve aanwijzing. DE BEROEPEN Leeswijzer
  28. De beroepen worden behandeld in de volgorde zoals vermeld op het voorblad. De hoofdnummers van de overwegingen komen overeen met de nummers zoals vermeld bij de appellanten op het voorblad. Het beroep van de vereniging en andere Intrekking
  29. Ter zitting hebben de vereniging en andere hun beroepsgrond die ziet op artikel 26, lid 26.8.1, onder a, sub c, van de planregels, dat betrekking heeft op diepploegen, ingetrokken. Plan-MER
  30. Ten behoeve van het plan is het rapport "Buitengebied Zuid, Plan-milieueffectrapportage" van 25 april 2013 van onderzoeksbureau Oranjewoud (hierna: plan-MER) vastgesteld, waarvan een passende beoordeling deel uitmaakt. De commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: commissie m.e.r.) heeft op 5 september 2013 een advies uitgebracht over het plan-MER, waarin zij een aantal aanbevelingen doet.
  31. Ter zitting hebben de vereniging en andere toegelicht dat hetgeen zij naar voren hebben gebracht over de terinzagelegging van de plan-MER geen beroepsgrond is, maar slechts een verzuchting. De Afdeling gaat hierop dan ook niet in.
  32. Onder meer onder verwijzing naar het advies van de commissie m.e.r. voeren de vereniging en andere aan dat het plan-MER ondeugdelijk is en daarom ten onrechte aan het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd. Het bestemmingsplan is volgens hen dan ook vastgesteld in strijd met artikel 7.7 van de Wet milieubeheer. Hiertoe voeren de vereniging en andere een aantal gronden aan die de Afdeling hierna zal bespreken. Daarbij staat voorop dat voor de raad geen verplichting bestaat om de aanbevelingen van de commissie m.e.r. over te nemen. Wel heeft de raad, in overeenstemming met artikel 7.14, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer, hetgeen hij over de aanbevelingen van de commissie m.e.r. heeft overwogen vermeld in paragraaf 5.2.4 van de plantoelichting. Aan de hand van de verschillende beroepsgronden zal de Afdeling beoordelen of het plan-MER, al dan niet bezien in het licht van de aanbevelingen van de commissie m.e.r. en de reactie daarop in de plantoelichting, aan het plan ten grondslag mocht worden gelegd. Alternatieven
  33. Volgens de vereniging en andere zijn in het plan-MER onvoldoende alternatieven onderzocht. Zo had het meest milieuvriendelijke alternatief moeten worden onderzocht en hadden de in het plan voorziene ontwikkelingsmogelijkheden moeten worden vergeleken met de situatie waarin het plan niet in ontwikkelingsmogelijkheden voorziet. De vereniging en andere wijzen op het advies van de commissie m.e.r. over het bestemmingsplan "Buitengebied Noord" van Breda van 13 juni 2012, waarin wordt geadviseerd om meer alternatieven te onderzoeken. Dit advies is volgens hen ook relevant voor het hier aan de orde zijnde plan. Ter zitting hebben de vereniging en andere toegelicht dat zij met het meest milieuvriendelijke alternatief een alternatief bedoelen waarbij wordt onderzocht of een afname van de stikstofemissie bij bedrijven kan worden bewerkstelligd, zodat de instandhoudingsdoelstellingen bij de nabij gelegen Natura 2000-gebieden kunnen worden gehaald. 11.
  34. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in uitspraak van 18 december 2011, ECLI:NL:RVS:2012:BV3215, is het antwoord op de vraag welke alternatieven in een plan-MER redelijkerwijs in beschouwing moeten worden genomen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het hier voorliggende bestemmingsplan is conserverend van aard en ligt nabij enkele Natura 2000-gebieden waar reeds sprake is van een overbelaste situatie. In het plan-MER zijn twee alternatieven onderzocht: de ten tijde van de opstelling van het plan-MER bestaande feitelijke situatie en de maximale mogelijkheden van het plan. Het meest milieuvriendelijke alternatief zoals de vereniging en andere dit ter zitting hebben omschreven is naar het oordeel van de Afdeling geen redelijkerwijs te beschouwen alternatief. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien te onderzoeken of de bestaande agrarische bedrijven kunnen worden verplaatst of in hun bestaande en legale bedrijfsvoering kunnen worden beperkt, nu dit grote financiële gevolgen zal hebben. De vereniging en andere hebben niet concreet gemaakt welke andere alternatieven volgens hen dienden te worden onderzocht. Het door de vereniging en andere aangevoerde geeft gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat in het plan-MER een of meer alternatieven niet zijn onderzocht die redelijkerwijs in beschouwing dienden te worden genomen. Het betoog faalt. Cumulatieve geurhinder
  35. Voor zover de vereniging en andere erop wijzen dat de commissie m.e.r. stelt dat in het plan-MER niet inzichtelijk is gemaakt wat de cumulatieve geurhinder in het plangebied is, overweegt de Afdeling als volgt. In het plan-MER staat dat in het plangebied sprake is van cumulatie van geuruitstoot door de diverse agrarische bedrijven. Hiermee, zo staat in het plan-MER, is rekening gehouden bij de beoordeling van de te verwachten geurhinder. In het advies van de commissie m.e.r. staat dat in het plan-MER niet inzichtelijk is gemaakt wat de huidige cumulatieve geurbelasting is rond de drie intensieve veehouderijen aan de Mastdreef en wat de cumulatieve geurhinder is als de bedrijven op deze locaties uitbreiden tot de maximale voorgrondbelasting. De commissie m.e.r. constateert dat de cumulatieve geurhinder ter plaatse een aandachtspunt is indien zich concrete initiatieven voor uitbreiding van de intensieve veehouderijen voordoen. In paragraaf 5.2.4 van de plantoelichting is ingegaan op deze opmerkingen in het advies van de commissie m.e.r. De vereniging en andere hebben ter zitting te kennen gegeven hier geen reactie op te hebben. Het betoog faalt. Natura 2000-gebieden
  36. De vereniging en andere betogen dat niet is uitgesloten dat de mogelijkheden die het plan biedt de natuurlijke kenmerken van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden aantasten. Hiertoe voeren zij een aantal gronden aan, die de Afdeling hierna zal bespreken. 13.
  37. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, aanhef en onder a, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied. Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied. Ingevolge het derde lid wordt het besluit, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, alleen genomen indien is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in de artikelen 19g en 19h. Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast. 13.
  38. De overige wet- en regelgeving die relevant is voor de hierna volgende overwegingen is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. 13.
  39. In het plangebied ligt het Natura 2000-gebied het Ulvenhoutse bos. De Belgische Natura 2000-gebieden Hesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven liggen binnen een afstand van 10 km tot het plangebied. seizoensarbeiders
  40. De vereniging en andere stellen dat in de passende beoordeling niet is ingegaan op het grote aantal seizoensarbeiders dat ingevolge het plan bij agrarische bedrijven mag worden gehuisvest. Dit kan volgens hen leiden tot een aanzienlijk aantal verkeersbewegingen. 14.
  41. De raad stelt dat de huisvesting van seizoensarbeiders niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie nu de seizoensarbeiders worden gehuisvest bij het bedrijf waar ze werken en dan ook minder met de auto zullen komen. 14.
  42. Zoals de vereniging en andere ter zitting hebben erkend, vinden ten gevolge van het werkzaam zijn van seizoensarbeiders in het plangebied reeds verkeersbewegingen plaats indien zij niet zijn gehuisvest bij de bedrijven waar zij werkzaam zijn. Naar het oordeel van de Afdeling hoeft in de situatie waarin seizoensarbeiders worden gehuisvest bij de bedrijven waar zij werkzaam zijn niet van zodanig meer verkeersbewegingen worden uitgegaan dat het plan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling die kan leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden. Het betoog faalt. stikstofneutraal
  43. De vereniging en andere betogen dat het begrip stikstofneutraal in de planregels ten onrechte alleen is beperkt tot het realiseren van een uitbreiding van een inrichting en dat hieronder ook het in werking hebben van de inrichting moet worden begrepen. Het begrip is volgens hen voorts in strijd met de rechtszekerheid, nu niet duidelijk is wat onder externe saldering in de begripsbepaling voor stikstofneutraal moet worden verstaan. De vereniging en andere wijzen op de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:
  44. 15.
  45. De raad stelt dat met het begrip externe saldering is bedoeld dat een ontwikkeling van een bedrijf die leidt tot een toename van de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is toegestaan, indien tegelijk de stikstofdepositie op hetzelfde Natura 2000-gebied afneemt door het geheel of gedeeltelijk beëindigen van een ander bedrijf. Daarbij is volgens de raad voorts van belang dat de stikstofdepositie op het betreffende Natura 2000-gebied per saldo niet toeneemt en er een directe samenhang bestaat tussen de emissie die gepaard gaat met de ontwikkeling van het ene bedrijf en de afname van de emissie van een ander bedrijf. 15.
  46. Ingevolge artikel 1, lid 1.80, van de planregels wordt onder stikstofneutraal verstaan: een uitbreiding van een bedrijfsgebouw zonder extra depositie van stikstof op een nabijgelegen Natura 2000-gebied middels maatregelen op de locatie zelf of via externe saldering dan wel er daardoor geen significante negatieve effecten op het betreffende gebied ontstaan. 15.
  47. In het plan is onder meer voorzien in de agrarische bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", waarvoor de regels zijn opgenomen in de artikelen 3, 4 en 5 van de planregels. Op diverse plaatsen is als voorwaarde gesteld dat wordt aangetoond dat stikstofneutraal gebouwd, gebruikt dan wel gewerkt wordt. In de passende beoordeling staat dat de kritische depositiewaarden in de Natura 2000-gebieden die liggen in het plangebied en in in de nabijheid van het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden in de huidige situatie reeds worden overschreden. Voorts is in de passende beoordeling uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan, waarbij ook de afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn meegenomen. Volgens de passende beoordeling leidt het plan in dit scenario tot een toename van de stikstofdepositie en mogelijk tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000-gebieden. Door in de planregels de voorwaarde te stellen dat stikstofneutraal gebouwd, gebruikt dan wel gewerkt wordt, heeft de raad getracht te verzekeren dat het plan in zoverre per saldo niet leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden en voldoet aan artikel 19g, eerste lid, van de Nbw
  48. 15.
  49. Gezien de bouwregels en afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden waarin als voorwaarde is gesteld dat stikstofneutraal wordt gebouwd, gebruikt dan wel gewerkt, biedt het plan in beginsel mogelijkheden voor uitbreiding van bebouwing ten behoeve van veehouderijen en glastuinbouwbedrijven. Voorts bieden deze bepalingen mogelijkheden voor de vestiging van een agrarisch technisch hulpbedrijf of een aan de agrarische sector verwant bedrijf en de uitbreiding van paardenhouderijen en maneges. Toename van bebouwing ten behoeve van veehouderijen kan, in algemene zin, leiden tot uitbreiding van de veebezetting, tot een hogere ammoniakemissie en daarmee een hogere stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden. Toename van bebouwing van glastuinbouwbedrijven kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden. Voorts is niet uitgesloten dat de overige mogelijk gemaakte ontwikkelingen leiden tot een toename van de stikstofdepositie. Het is verder niet uitgesloten dat een dergelijke toename van de stikstofdepositie, als deze zich zou voordoen, leidt tot gevolgen van betekenis voor de habitats en soorten waarvoor de betrokken gebieden zijn aangewezen. Een planregeling die de hiervoor genoemde ontwikkelingen mogelijk maakt is in het licht van de artikelen 19g en 19j en volgende van de Nbw 1998 alleen aanvaardbaar als is verzekerd dat geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden zal optreden dan wel kan worden aangetoond dat aan de ADC-criteria, als bedoeld in artikel 19g van de Nbw 1998, is voldaan. De Afdeling ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of de in het plan vastgelegde regeling waarin als voorwaarde is gesteld dat stikstofneutraal wordt gebouwd, gebruikt dan wel gewerkt, en meer in het bijzonder artikel 1, lid 1.80, van de planregels, op dit punt de benodigde mate van zekerheid kan geven. 15.
  50. De Afdeling stelt voorop dat de beoordeling of een plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden kan aantasten, dient plaats te vinden voorafgaand aan de vaststelling ervan. 15.
  51. Met het besluit van 5 november 2015 heeft de raad beoogd om deels aan de bezwaren van de vereniging en andere tegemoet te komen door de planregels zodanig aan te passen dat de voorwaarde wordt gesteld dat zowel het bouwen als het gebruik stikstofneutraal plaatsvindt. Vast is komen te staan dat de raad hierin niet bij alle bepalingen waarin het begrip stikstofneutraal als voorwaarde is gesteld, is geslaagd. Dit geldt voor artikel 3, lid 3.3, onder f, sub 1, en lid 3.5, onder d, sub 6, artikel 4, lid 4.3, onder f, sub 1, en lid 4.6, onder d, sub 6, artikel 5, lid 5.3, onder g, sub 1, en lid 5.7, onder a, sub 3, en artikel 15, lid 15.3, van de planregels. In deze artikelen is niet consequent zowel het bouwen als het gebruik aan de voorwaarde van stikstofneutraliteit gekoppeld, terwijl bovendien in enkele bepalingen in plaats van over gebruik over ‘werken’ wordt gesproken, zonder dat duidelijk is waarom voor deze afwijkende terminologie is gekozen. De raad heeft echter beoogd steeds zowel de voorwaarden van stikstofneutraal bouwen als ook van stikstofneutraal gebruiken te stellen. Ter zitting heeft de raad de Afdeling verzocht om in zoverre zelf in de zaak te voorzien. In de navolgende overweging gaat de Afdeling uit van de planregels zoals deze in dat geval zouden komen te luiden. 15.
  52. Vanwege de zinsnede "of via externe saldering dan wel er daardoor geen significante negatieve effecten op het betreffende gebied ontstaan" in artikel 1, lid 1.80, van de planregels staat de regeling in dit plan zoals hiervoor, onder 15.4, is beschreven en waarin het begrip stikstofneutraal als voorwaarde is opgenomen, niet in de weg aan een toename op bedrijfsniveau van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden waar reeds sprake is van een overbelaste situatie. In de passende beoordeling staat dat het plan in zoverre leidt tot een toename van de stikstofdepositie en mogelijk tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden. De planregeling strekt ertoe dat het college bij de beoordeling van een omgevingsvergunning voor bouwen dan wel bij de beoordeling van een wijzigingsplan moet beoordelen of de mogelijke toename van stikstofdepositie geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied met zich brengt, waarbij artikel 1, lid 1.80, van de planregels voorziet in de mogelijkheid van maatregelen op de locatie zelf of externe saldering. Nog daargelaten dat het begrip externe saldering in het plan niet is gedefinieerd, ontslaat een dergelijke regeling, anders dan de raad kennelijk veronderstelt, de raad niet van de verplichting om voorafgaand aan de vaststelling van het plan te beoordelen of een plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden kan aantasten. Nu de beoordeling of de ontwikkelingsmogelijkheden de natuurlijke kenmerken van de nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden kunnen aantasten niet voorafgaand aan de vaststelling van het plan heeft plaatsgevonden, is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw
  53. 15.
  54. Gelet op het voorgaande is gelet op de zinsnede "of via externe saldering dan wel er daardoor geen significante negatieve effecten op het betreffende gebied ontstaan" in artikel 1, lid 1.80, van de planregels in het plan onvoldoende gewaarborgd dat de voorziene ontwikkelingsmogelijkheden waarbij als voorwaarde is gesteld dat deze stikstofneutraal plaatsvinden niet leiden tot een toename van stikstofdepositie. Een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied is dan ook niet uitgesloten. Het betoog slaagt. 15.
  55. In hetgeen de vereniging en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover het betreft de zinsnede "of via externe saldering dan wel er daardoor geen significante negatieve effecten op het betreffende gebied ontstaan" in artikel 1, lid 1.80, van de planregels is genomen in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw
  56. Voorts is het besluit van 5 november 2015 voor zover in artikel 3, lid 3.3, onder f, sub 1, en lid 3.5, onder d, sub 6, artikel 4, lid 4.3, onder f, sub 1, en lid 4.6, onder d, sub 6, artikel 5, lid 5.3, onder g, sub 1, en lid 5.7, onder a, sub 3, en artikel 15, lid 15.3, van de planregels niet is bepaald dat stikstofneutraal moet worden gebouwd en gebruikt vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998 en artikel 3:2 van de Awb. Het besluit dient in zoverre te worden vernietigd. 15.
  57. Voor zover de raad in zoverre heeft verzocht toepassing te geven aan de in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb gegeven bevoegdheid, ziet de Afdeling geen aanleiding om met toepassing van deze bepaling in dit geval zelf in de zaak te voorzien. Hierbij is van belang dat aannemelijk is dat derdebelanghebbenden daardoor in hun belangen zouden kunnen worden geschaad. De Afdeling ziet wel aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb zoals hierna vermeld. De Afdeling ziet voorts aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. hydrologie
  58. De vereniging en andere betogen dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de mogelijke hydrologische effecten van een aantal mogelijkheden in het plan op Natura 2000-gebieden. Zij wijzen op de mogelijkheden voor de bouw en uitbreiding van permanente teeltondersteunende kassen tot een omvang van 5000 m². Voorts voorziet het plan in de wijzigingsbevoegdheid om het bouwvlak ten behoeve van permanente teeltondersteunende voorzieningen (hierna: tov) tot 3 ha uit te breiden. In het vorige plan was dit maximaal 1000 m². Het plan maakt het verder mogelijk buiten het bouwvlak tijdelijke tov te realiseren. Al deze bouwmogelijkheden kunnen volgens de vereniging en andere hydrologische gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden. De vereniging en andere wijzen op het advies van de commissie m.e.r. van 5 september
  59. Anders dan de raad stelt, worden volgens de vereniging en andere significant verstorende effecten met het aanlegvergunningenstelsel in de planregels niet voorkomen doordat in artikel 26, lid 26.8.1, onder b, van de planregels als voorwaarde wordt gesteld dat de natuurlijke waarden niet in onevenredige mate worden aangetast. Een aantasting van deze kenmerken mag volgens de vereniging en andere in het geheel niet plaatsvinden. Voorts wijzen de vereniging en andere erop dat in artikel 26, lid 26.8.1, onder c, van de planregels een aantal werken en werkzaamheden van de vergunningenplicht is uitgesloten. 16.
  60. De raad stelt dat in paragraaf 5.2.4 van de plantoelichting voldoende wordt ingegaan op het advies van de commissie m.e.r. De hydrologische effecten van de in het plan mogelijk gemaakte werkzaamheden zullen geen significant verstorende effecten hebben op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De raad wijst erop dat in een aanvulling op het plan-MER staat dat de effecten van tov op de hydrologie kleiner zijn dan de effecten van uitbreiding van veehouderijen en glastuinbouw die wel zijn onderzocht. Voorts stelt de raad dat in paragraaf 5.2.4 van de plantoelichting is ingegaan op de effecten van tov. Voor zover het plan via wijzigingsbevoegdheden mogelijkheden biedt voor uitbreidingen van het bouwvlak ten behoeve van permanente tov zijn hieraan voorwaarden verbonden ter bescherming van het landschap en de hydrologie. De tijdelijke tov zullen volgens de raad weinig tot geen effect hebben op het landschap vanwege hun tijdelijke aard. Deze zullen evenmin gevolgen hebben voor de hydrologie, nu het hemelwater bij tijdelijke tov door infiltratie wordt afgevoerd. Voorts waarborgen de planregels voor de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur- en landschapswaarden", de dubbelbestemming "Attentiegebied EHS" en het vergunningenstelsel dat de activiteiten in het vergunningenstelsel niet kunnen leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Ulvenhoutse bos. 16.
  61. In het advies van de commissie m.e.r. staat dat voor de habitattypen vochtige alluviale bossen en eikenhaagbeukenbossen, die beide voorkomen in het Ulvenhoutse bos, wijzigingen van de hydrologie significant verstorende effecten kunnen hebben. De commissie m.e.r. stelt dat in het plan-MER niet is ingegaan op de mogelijkheden die het plan biedt voor tijdelijke en permanente tov. Deze kunnen volgens de commissie m.e.r. gevolgen hebben voor de hydrologie. tov 16.
  62. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, aanhef en onder a, en artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder a, van de planregels zijn tijdelijke tov binnen de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" bij recht buiten het bouwvlak toegestaan. Ingevolge artikel 5, lid 5.3, aanhef en onder d, van de planregels kunnen binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - natuur- en landschapswaarden" door middel van een omgevingsvergunning voor afwijken tijdelijke tov buiten het bouwvlak worden toegestaan. 16.
  63. In een nadere toelichting op het plan-MER staat dat de effecten van tov kleiner zijn dan de effecten van uitbreiding van veehouderijen en glastuinbouw die wel zijn onderzocht. In het deskundigenadvies en het advies van de commissie m.e.r. wordt dit onderschreven. Anders dan de vereniging en andere ter zitting hebben gesteld, is het deskundigenverslag nader onderbouwd op dit punt. In het deskundigenverslag staat dat tov wat betreft constructie lichter zijn dan agrarische bedrijfsgebouwen. De vereniging en andere hebben niet aannemelijk gemaakt dat de mogelijkheden die het plan biedt voor tov desondanks leiden tot meer effecten voor de hydrologie dan de effecten van de mogelijkheden die het plan biedt voor uitbreidingen van veehouderijen en glastuinbouw. In de passende beoordeling zijn de effecten beschreven voor de (uitbreiding van) agrarische bedrijven, inclusief glastuinbouw. De conclusie in de passende beoordeling is dat de agrarische ontwikkelingen in het plangebied geen invloed hebben op de lokale grondwaterstanden in het Ulvenhoutse bos en dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen via grond- of oppervlaktewater daarom zijn uitgesloten. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een specifiek onderzoek naar de effecten van tov die vergelijkbaar zijn met de effecten van (de uitbreiding van) veehouderijen en glastuinbouw niet noodzakelijk is. 16.
  64. De commissie m.e.r. wijst er echter op dat tov in het plan ook buiten de bouwvlakken zijn toegestaan, waardoor ook buiten de bouwvlakken gevolgen voor de hydrologie kunnen optreden. De commissie m.e.r. adviseert om bij de vaststelling van het plan rekening te houden met deze effecten. Voor zover de raad stelt dat tijdelijke tov vanwege hun tijdelijke aard geen gevolgen hebben voor de hydrologie en hierbij drainage van het hemelwater mogelijk is, overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 1, lid 1.82, van de planregels mogen tijdelijke tov gedurende maximaal 6 maanden van het jaar worden opgericht. De planregels bevatten echter geen beperking in het toegestane oppervlak dat deze tijdelijke tov mogen beslaan. Met de enkele stelling dat hemelwater bij tov via drainage kan worden afgevoerd, heeft de raad ten onrechte geconcludeerd dat op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat de mogelijkheden in het plan voor het oprichten van tijdelijke tov buiten het bouwvlak een verslechterend effect kunnen hebben op de kwaliteit van de natuurlijke habitats in een Natura 2000-gebied. Gelet hierop is evenmin uitgesloten dat het plan in zoverre significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende gebied. Voor zover in artikel 5, lid 5.3, aanhef onder d, van de planregels als voorwaarde is gesteld dat het bouwen van tijdelijke tov buiten het bouwvlak geen onevenredige effecten heeft of kan hebben op de aanwezige natuur- en landschapswaarden overweegt de Afdeling als volgt. Voor zover hiermee is beoogd te voorkomen dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden zullen worden aangetast, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van het plan dient te beoordelen of een plan de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied kan aantasten. Nu de beoordeling of de mogelijkheden in het plan voor het oprichten van tijdelijke tov buiten het bouwvlak de natuurlijke kenmerken van de nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden kunnen aantasten niet voorafgaand aan de vaststelling van het plan heeft plaatsgevonden, is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw
  65. Het betoog slaagt. 16.
  66. In hetgeen de vereniging en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover het betreft de zinsnede "tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen" in artikel 3, lid 3.2, onder a, in artikel 4, lid 4.2, onder a, en in artikel 5, lid 5.3, onder d, van de planregels is genomen in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw
  67. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. 16.
  68. De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. vergunningenstelsel
  69. Ingevolge artikel 4, lid 4.5, van de planregels is ten aanzien van het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden binnen de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" het bepaalde in artikel 26, lid 26.8.1, van toepassing. Ingevolge artikel 5, lid 5.6, is ten aanzien van het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden binnen de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" het bepaalde in artikel 26, lid 26.8.1, van toepassing. Ingevolge artikel 26, lid 26.8, onder 26.8.1, sub a, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders binnen de bestemde of nader aangeduide gebieden, onder verwijzing naar de tabel van omgevingsvergunningen en gebruiksverboden, de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren: (…); c. het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, allen dieper dan 0,30 meter; (…); h. het beplanten van gronden met opgaand houtgewas ten behoeve van sierteelt of boomteelt; i. het permanent omzetten van grasland in bouwland; j. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van vaarten, waterlopen, sloten en greppels. Ingevolge het bepaalde sub b is een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 26.8.1, onder a, slechts toelaatbaar, indien door die werken en/of werkzaamheden de natuur- en landschappelijke waarden en de cultuurhistorische en archeologische waarden op deze gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarden niet in onevenredige mate worden verkleind en indien een afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen het verkeersbelang, tot uitkomst heeft, dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd dan wel de in geval van de aanwezigheid van boven- of ondergrondse leidingen de betreffende leidingbeheerder een positief advies heeft afgegeven. 17.
  70. Zoals hiervoor, onder 13.3 staat, ligt het Ulvenhoutse bos in het plangebied. Ter plaatse komen de habitattypen beuken-eikenbossen met hulst en eiken-haagbeukenbossen voor, die gevoelig zijn voor vernatting. Ook het habitattype vochtig alluviale bossen, dat gevoelig is voor verdroging, komt voor in het Ulvenhoutse bos. In het advies van de commissie m.e.r. staat dat activiteiten die ingevolge artikel 26, lid 26.8.1, van de planregels onder voorwaarden zijn toegestaan, zoals diepploegen, dempen van sloten en drainage, mogelijk gevolgen kunnen hebben voor de hydrologie. Ook ontwikkelingen als sierteelt, boomteelt en het omzetten van grasland in bouwland kunnen gevolgen hebben voor de hydrologie. Deze gevolgen zijn in het plan-MER evenwel niet beoordeeld. De commissie m.e.r. adviseert in een aanvulling op het plan-MER nader in te gaan op activiteiten met mogelijke gevolgen voor de waterhuishouding, daarvan de effecten te beschrijven voor gevoelige natuur (specifiek binnen het Natura 2000-gebied Ulvenhoutse bos) en in te gaan op eventueel benodigde mitigerende maatregelen. Wijzigingen in de waterhuishouding kunnen volgens de commissie m.e.r. aanzienlijke negatieve gevolgen hebben voor habitattypen die voor verdroging gevoelig zijn. 17.
  71. In paragraaf 5.2.
  72. van de plantoelichting staat dat de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" de enige is in de omgeving van het Ulvenhoutse bos waarbinnen activiteiten zijn toegestaan die mogelijk negatieve hydrologische effecten hebben op het Ulvenhoutse Bos. De Afdeling stelt echter vast dat ook gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" liggen in de omgeving van het Ulvenhoutse bos en dat ook op deze gronden de eerder genoemde activiteiten uit het vergunningstelsel, al dan niet na verlening van een omgevingsvergunning, zijn toegestaan. De Afdeling stelt voorop dat de door de commissie m.e.r. genoemde activiteiten niet mogelijk worden gemaakt door het vergunningenstelsel, maar door de ruime bestemmingen "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden", die zich niet verzetten tegen deze activiteiten. De Afdeling ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of is uitgesloten dat het plan voor zover de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" zich niet verzetten tegen de activiteiten diepploegen, dempen van sloten, aanleggen van drainage, het beplanten van gronden met opgaand houtgewas ten behoeve van sierteelt of boomteelt en het omzetten van grasland in bouwland de kwaliteit van habitattypen in het nabijgelegen Natura 2000-gebied kan verslechteren of dat het plan in zoverre significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende gebied. 17.
  73. Daar waar de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" direct langs het Ulvenhoutse bos is gelegen, ligt volgens de plantoelichting geen verdrogingsgevoelig habitattype. De vereniging en andere hebben dit ter zitting bestreden. Ook de Afdeling volgt de plantoelichting op dit punt niet. In de plantoelichting is een kaart opgenomen waarop de hiervoor, onder 17.1, genoemde habitattypen staan weergegeven. Daarop is een deel van de vochtige alluviale bossen omcirkeld dat in de nabijheid van landbouwgrond met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" ligt. Voorts liggen gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" in de nabijheid van dit habitattype. Gelet op het voorgaande is niet reeds vanwege de afstand tussen de gronden met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en de verdrogingsgevoelige habitattypen uitgesloten dat ten gevolge van de genoemde activiteiten in het vergunningenstelsel de kwaliteit van verdrogingsgevoelige habitats kan verslechteren. Voor zover in de plantoelichting staat dat vernatting als gevolg van activiteiten uit het vergunningenstelsel in de directe omgeving van het Ulvenhoutse bos niet wordt verwacht, overweegt de Afdeling dat deze stelling niet is onderbouwd. Met deze enkele stelling is naar het oordeel van de Afdeling dan ook niet uitgesloten dat de activiteiten diepploegen, dempen van sloten, aanleggen van drainage, het beplanten van gronden met opgaand houtgewas ten behoeve van sierteelt of boomteelt en het omzetten van grasland in bouwland wegens negatieve hydrologische effecten op de hiervoor gevoelige habitattypen de kwaliteit van deze habitattypen niet kunnen verslechteren. 17.
  74. Gelet op het voorgaande is evenmin uitgesloten dat het plan in zoverre significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende gebied. Voor zover de raad stelt dat de planregels voor de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", de dubbelbestemming "Attentiegebied EHS" en het vergunningenstelsel waarborgen dat de activiteiten in het vergunningenstelsel niet kunnen leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Ulvenhoutse bos, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling hiervoor, onder 17.2, heeft overwogen, liggen ook gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" in de omgeving van het Ulvenhoutse bos en zijn ook op deze gronden de eerder genoemde activiteiten toegestaan. De Afdeling zal daarom ook bezien of de planregels voor deze bestemming waarborgen dat de activiteiten in het vergunningenstelsel niet kunnen leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Ulvenhoutse bos. De Afdeling stelt vast dat in artikel 4, lid 4.5, artikel 5, lid 5.6, en artikel 22, lid 22.3, van de planregels wordt verwezen naar het vergunningenstelsel dat is neergelegd in artikel 26, lid 26.8, onder 26.8.
  75. Blijkens de toelichting van de raad ter zitting is met artikel 26, lid 26.8, onder 26.8.1, aanhef en sub b, beoogd dat het college bij de beoordeling van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of van werkzaamheden in het vergunningenstelsel moet beoordelen of de aangevraagde uitvoering van een werk of werkzaamheden geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied met zich brengt. Nog daargelaten de vraag of artikel 26, lid 26.8, onder 26.8.1, aanhef en sub b, van de planregels gelet op de redactie daarvan het college tot deze beoordeling verplicht, ontslaat een dergelijke regeling, anders dan de raad kennelijk veronderstelt, de raad niet van de verplichting om voorafgaand aan de vaststelling van het plan te beoordelen of een plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden kan aantasten. Nu de beoordeling of de activiteiten diepploegen, dempen van sloten, aanleggen van drainage, het beplanten van gronden met opgaand houtgewas ten behoeve van sierteelt of boomteelt en het omzetten van grasland in bouwland de natuurlijke kenmerken van de nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden kunnen aantasten niet voorafgaand aan de vaststelling van het plan heeft plaatsgevonden, is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw
  76. 17.
  77. Gelet op het voorgaande slaagt het betoog. 17.
  78. In hetgeen de vereniging en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" zich niet verzetten tegen de activiteiten diepploegen, dempen van sloten, aanleggen van drainage, het beplanten van gronden met opgaand houtgewas ten behoeve van sierteelt of boomteelt en het omzetten van grasland in bouwland is vastgesteld in strijd met artikel 19j, derde lid, in samenhang met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw
  79. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. De Afdeling ziet voorts aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb zoals hierna vermeld. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Deze voorlopige voorziening strekt ertoe dat tot de inwerkingtreding van een door de raad nieuw te nemen besluit ter plaatse van de gronden met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" de activiteiten diepploegen, dempen van sloten, aanleggen van drainage, het beplanten van gronden met opgaand houtgewas ten behoeve van sierteelt of boomteelt en het omzetten van grasland in bouwland niet zijn toegestaan. 17.
  80. Het voorgaande betekent dat tot aan de inwerkingtreding van een door de raad nieuw te nemen besluit op basis van het bestemmingsplan geen aanlegvergunning kan worden verleend voor de activiteiten diepploegen, dempen van sloten, aanleggen van drainage, het beplanten van gronden met opgaand houtgewas ten behoeve van sierteelt of boomteelt en het omzetten van grasland in bouwland ter plaatse van gronden met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden", omdat deze bestemmingen zich na de vernietiging van de Afdeling hiertegen verzetten. Verordening 2014
  81. De vereniging en andere betogen voorts dat het plan op onderdelen in strijd is met de Verordening ruimte 2014 van Noord-Brabant (hierna: Verordening 2014). Deze gronden zal de Afdeling hierna bespreken. veehouderijen
  82. Volgens de vereniging en andere zijn de bouwmogelijkheden voor veehouderijen in het plan ten onrechte niet getoetst aan artikel 34 van de Verordening
  83. Voorts ziet het bouwverbod voor veehouderijen ten onrechte alleen op de veehouderijen die liggen in het gebied met de aanduiding "overige zone - beperkingen veehouderij". De voorwaarde dat maximaal één bouwlaag mag worden gebouwd, geldt volgens de vereniging en andere ten onrechte alleen voor intensieve veehouderijen. Voorts dienden de artikelen 6.3, tweede lid, en 7.3, tweede lid, van de Verordening 2014, voor zover deze bepalingen zien op bestaande veehouderijen, volgens hen in het plan te worden overgenomen. In artikel 3, lid 3.3 en lid 3.5, artikel 4, lid 4.3 en lid 4.6, en artikel 5, lid 5.3 en lid 5.7, van de planregels is uitsluitend de maximale kans op cumulatieve geurhinder opgenomen die ingevolge de Verordening 2014 geldt in het buitengebied is en niet tevens de maximale kans die geldt binnen de bebouwde kom. De vereniging en andere betogen dat in deze planregels voorts ten onrechte niet is bepaald dat veehouderijen een bouwperceel van maximaal 1,5 ha mogen hebben. Voorts is volgens de vereniging en andere in de planregels ten onrechte niet opgenomen dat bij een vergroting van het bouwvlak 10% van het bouwvlak van een veehouderij uit landschappelijke inpassing moet bestaan. De wijzigingsbevoegdheden die in deze mogelijkheden voorzien, vallen in de Landschapsinvesteringsregeling gemeente Breda (hierna: Lir) onder categorie 3 en deze categorie is van de verplichting tot het realiseren van een landschappelijke inpassing uitgesloten. 19.
  84. De raad stelt dat de planregeling die ziet op veehouderijen, zoals die is komen te luiden na de vaststelling van het besluit van 5 november 2015 voldoet aan de Verordening
  85. Ter zitting heeft de raad gesteld dat de maximale kans op een cumulatieve geurhinder van 12% in de Verordening 2014 alleen geldt voor bedrijven die liggen binnen de bebouwde kom en daarom in dit plan niet is opgenomen. Voorts heeft de raad erop gewezen dat er maar drie intensieve veehouderijen zijn in het plangebied. 19.
  86. Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 7.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening 2014 kan een bestemmingsplan gelegen in de groenblauwe mantel onderscheidenlijk in gemengd landelijk gebied voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij mits het bouwperceel ten hoogste 1,5 ha bedraagt. Ingevolge artikel 6.3, tweede lid, aanhef en onder a, aanhef en onder III, en artikel 7.3, tweede lid, aanhef en onder a, aanhef en onder III, van de Verordening 2014 bepaalt een bestemmingplan gelegen in de groenblauwe mantel onderscheidenlijk in gemengd landelijk gebied voor een bestaande veehouderij dat een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen alleen is toegestaan indien is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert. Ingevolge artikel 34, eerste lid, gelden tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 6.3, tweede lid, en artikel 7.3, tweede lid, de in deze bepaling genoemde voorwaardelijke bepalingen. 19.
  87. In artikel 3, lid 3.3, aanhef en onder f, artikel 4, lid 4.3, aanhef en onder f, en artikel 5, lid 5.3, aanhef en onder g, van de planregels zijn afwijkingsbevoegdheden opgenomen ten behoeve van het bouwen of verbouwen of de omschakeling naar een veehouderij, waarbij in het bepaalde onder 4 van deze bepalingen als voorwaarde is opgenomen dat de bouw, verbouw of uitbreiding van gebouwen, voor de uitbreiding van of omschakeling naar een veehouderij, alleen is toegestaan als is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder op geurgevoelige objecten niet hoger is dan 20% tenzij er - indien de achtergrondbelasting hoger is - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding hiervan compenseert. In artikel 3, lid 3.5, aanhef en onder a, artikel 4, lid 4.6, aanhef en onder a, en artikel 5, lid 5.7, aanhef en onder a, zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen ten behoeve van het vergroten of veranderen van de vorm van het bouwvlak, waarbij in het bepaalde onder 8 dan wel 4 van deze bepalingen als voorwaarde is opgenomen dat de vergroting of vormverandering van het bouwvlak voor veehouderijen alleen is toegestaan als is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder op geurgevoelige objecten niet hoger is dan 20% tenzij er - indien de achtergrondbelasting hoger is - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding hiervan compenseert. 19.
  88. De Afdeling overweegt dat artikel 34 van de Verordening 2014 rechtstreeks werkende regels bevat. Deze regels gelden als toetsingskader voor omgevingsvergunningen die moeten worden getoetst aan een bestemmingsplan dat nog niet in overeenstemming is met de Verordening
  89. Dit staat ook zo beschreven in de toelichting op artikel
  90. Deze bepaling is niet van toepassing op het bestemmingsplan. Reeds hierom hoefde de raad het plan niet te toetsen aan artikel
  91. 19.
  92. De raad heeft het plan bij besluit van 5 november 2015 zodanig aangepast dat ingevolge de artikelen 3, lid 3.2, aanhef en onder b, en 4, lid 4.2, aanhef en onder b, van de planregels er niet gebouwd mag worden ten behoeve van een veehouderij. Dit verbod is, in tegenstelling tot het besluit van 18 december 2014, niet meer beperkt tot veehouderijen die liggen in het gebied met de aanduiding "overige zone - beperkingen veehouderij". Daarnaast heeft de raad het plan bij besluit van 5 november 2015 zodanig aangepast dat ingevolge de artikelen 3, lid 3.2, aanhef en onder c, en 4, lid 4.2, aanhef en onder c, van de planregels bij veehouderijen de dieren slechts in één bouwlaag mogen worden gehuisvest. Deze bepaling is, in tegenstelling tot het besluit van 18 december 2014, niet meer beperkt tot intensieve veehouderijen. Met het voorgaande is de raad op deze punten aan het beroep van de vereniging en andere tegemoet gekomen, zodat het beroep van rechtswege in zoverre geen betrekking heeft op het besluit van 5 november
  93. 19.
  94. De Afdeling overweegt voorts dat geen verplichting bestaat om de artikelen 6.3, tweede lid, en 7.3, tweede lid, van de Verordening 2014 letterlijk over te nemen in de planregels. Wel dient het plan aan de voorwaarden in deze bepalingen te voldoen. Het plangebied ligt in het bij de Verordening 2014 horende kaartmateriaal grotendeels in de groenblauwe mantel en gemengd landelijk gebied. In de hiervoor, onder 19.3, genoemde planregels is voor bestaande veehouderijen dan ook ten onrechte niet bepaald dat een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen alleen is toegestaan indien is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12%. Voor zover de raad ter zitting heeft gesteld dat in het plangebied geen veehouderijen liggen in de nabijheid van de bebouwde kom overweegt de Afdeling dat het plangebied aan de noordzijde en noordoostzijde grenst aan de kom van Breda. Voorts wordt het dorp Ulvenhout omringd door het plangebied. De Afdeling stelt vast dat de vereniging en andere er ter zitting terecht op hebben gewezen dat er in elk geval veehouderijen liggen in de nabijheid van de kom van Ulvenhout. Voorts is in de hiervoor, onder 19.3, genoemde afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden in de planregels ten onrechte niet bepaald dat het bouwperceel zoals bedoeld in de Verordening 2014 ten hoogste 1,5 ha bedraagt. Het betoog slaagt. 19.
  95. Over de in de Verordening 2014 vereiste landschappelijke inpassing van 10% overweegt de Afdeling als volgt. In de wijzigingsbevoegdheden in de artikelen 3.5 en 4.6 is vereist dat voor het vergroten en/of veranderen van de vorm van de aanduiding "bouwvlak" wordt voldaan aan de Lir, die als bijlage 2 bij de planregels is gevoegd. De Lir maakt daarmee deel uit van een bindend onderdeel van het plan. Onder categorie 3 van de Lir wordt verstaan: alle ruimtelijke ontwikkelingen welke mogelijk worden gemaakt via met name een wijzigingsplan of een bestemmingsplanherziening, tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie. In hoofdstuk 7 van de Lir staat een indeling in categorieën van de meest voorkomende ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied. De in hoofdstuk 2 beschreven indeling in 3 categorieën is in dit hoofdstuk uitgewerkt en geconcretiseerd naar type ontwikkeling en tegenprestatie. Onder categorie 2 staat hier genoemd: Uitbreiding van een intensieve veehouderij tot 1,5 ha waarbij 10% van het bouwvlak wordt aangewend voor landschappelijke inpassing. Gelet hierop mist het betoog van de vereniging en andere dat in het plan ten onrechte niet is opgenomen dat bij een vergroting van de vorm van het bouwvlak van een veehouderij tot 1,5 10% van het bouwvlak uit landschappelijke inpassing moet bestaan, feitelijke grondslag. Het betoog faalt. 19.
  96. In hetgeen de vereniging en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover in artikel 3, lid 3.3, onder f, en lid 3.5, onder a, artikel 4, lid 4.3, onder f, en lid 4.6, onder a, en artikel 5, lid 5.3, onder g, en lid 5.7, onder a, van de planregels niet als voorwaarde is opgenomen dat is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 20% tenzij er - indien de achtergrondbelasting hoger is - maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke tenminste de eigen bijdrage aan de overschrijding hiervan compenseert en niet is bepaald dat het bouwperceel zoals bedoeld in de Verordening 2014 ten hoogste 1,5 ha bedraagt, is vastgesteld in strijd met artikel 6.3, tweede lid, aanhef en onder a, aanhef en onder III, en artikel 7.3, tweede lid, aanhef en onder a, aanhef en onder III, van de Verordening
  97. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. 19.
  98. De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. glastuinbouw
  99. De vereniging en andere kunnen zich niet verenigen met het het plan voor zover het voorziet in de mogelijkheid bouwvlakken met de aanduiding "glastuinbouw" in de groenblauwe mantel uit te breiden tot een oppervlakte van 3 ha. Het plan is volgens hen in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 6.5, eerste lid, van de Verordening
  100. 20.
  101. De raad onderkent dat het plan in zoverre niet in overeenstemming is met de Verordening 2014, maar stelt hiervoor in paragraaf 4.2.9 van de plantoelichting een verantwoording te hebben gegeven. In deze pagagraaf staat dat met name in Het Lies en De Rith veel glastuinbouwbedrijven aanwezig zijn die daar in de jaren ’90, toen het gebied nog werd gekenmerkt als primair agrarisch gebied, zijn gevestigd en uitgebreid. In de Verordening 2014 zijn deze gebieden aangeduid als groenblauwe mantel. Gelet op de ontstaansgeschiedenis van de bestaande bedrijven in dit gebied heeft de raad ervoor gekozen om ook glastuinbouwbedrijven die zijn gevestigd op de voor "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aangewezen gronden de mogelijkheid te bieden om uit te breiden naar 3 ha. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het aanmerken van Het Lies en De Rith als groenblauwe mantel op zichzelf juist is, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitbreidingsmogelijkheden die een zestal bedrijven in deze gebieden onder het vorige plan nog hadden hiermee onvoldoende worden gerespecteerd. 20.
  102. Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van de Verordening 2014 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel dat uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf niet zijn toegestaan. 20.
  103. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor duurzaam agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening met dien verstande dat glastuinbouwbedrijven uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw" zijn toegestaan. Ingevolge lid 4.2, aanhef en onder b, mogen op of in de tot "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de genoemde bestemming, met dien verstande dat niet gebouwd mag worden ten behoeve van de uitbreiding van glasopstanden. Ingevolge artikel 4, lid 4.3, aanhef en onder f, aanhef en sub 3, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2, onder b, mits wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd voor de bouw of uitbreiding van kassen met dien verstande dat de bouw of uitbreiding van kassen groter dan 5000 m² uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw" en tot een netto glasoppervlak van maximaal 3 ha. Ingevolge lid 4.6, aanhef en onder a, aanhef en sub 1, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening en met inachtneming van het bepaalde in artikel 26, lid 26.7, van dit plan en wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd voor het vergroten en/of veranderen van de vorm van de aanduiding bouwvlak, met uitzondering van de bouwvlakken ter plaatse van de aanduiding "wonen uitgesloten", met dien verstande dat de oppervlakte van een bouwvlak niet groter wordt dan 1,5 ha met uitzondering ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw" waar de oppervlakte van het bouwvlak nooit meer dan 3,5 ha mag gaan bedragen waarbinnen maximaal 3 ha netto glasoppervlak is toegestaan. 20.
  104. In paragraaf 6.2.2 van de plantoelichting staat dat de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" is toegekend aan al het agrarische gebied waar bijzondere landschappelijke waarden aanwezig zijn maar dat niet gekenmerkt wordt door bijzondere natuurwaarden. Binnen de Verordening 2014, zo staat in de plantoelichting, zijn deze gronden aangeduid als groenblauwe mantel. Hoofdstuk 4 van de planregels bevat bepalingen voor de voor "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" aangewezen gronden. De Afdeling stelt vast dat ingevolge artikel 4, lid 4.3, onder f, en lid 4.6, aanhef en sub 1, van de planregels uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in de groenblauwe mantel, na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid en na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid, is toegestaan in het plan. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 6.5, eerste lid, van de Verordening
  105. De verantwoording voor deze strijdigheid in de plantoelichting en van de raad ter zitting doet hier niet aan af, nu artikel 6.5, eerste lid, dwingend is geformuleerd en de raad geen beslissingsruimte geeft bij de vertaling hiervan in een bestemmingsplan. Het betoog slaagt. 20.
  106. In hetgeen de vereniging en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover het betreft de zinsnede "of de bouw of uitbreiding van kassen" in de aanhef van artikel 4, lid 4.3, onder f, van de planregels voor zover deze bepaling ziet op gronden binnen de groenblauwe mantel is vastgesteld in strijd met artikel 6.5, eerste lid, van de Verordening
  107. Voorts is artikel 4, lid 4.6, onder a, sub 1, van de planregels voor zover deze bepaling ziet op bouwvlakken met de aanduiding "glastuinbouw" en voor zover het betreft de zinsnede "ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw" waar de oppervlakte van het bouwvlak nooit meer dan 3,5 ha mag gaan bedragen waarbinnen maximaal 3 ha netto glasoppervlak is toegestaan" in deze bepaling, voor zover deze ziet op gronden binnen de groenblauwe mantel, vastgesteld in strijd met artikel 6.5, eerste lid, van de Verordening
  108. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. 20.
  109. De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. tov
  110. Volgens de vereniging en andere voorziet het plan ten onrechte in de mogelijkheid om bouwvlakken te vergroten ten behoeve van het oprichten van permanente tov tot maximaal 3 ha. Omdat deze mogelijkheid in het vorige plan was beperkt tot 1.000 m², leidt dit volgens hen tot een onaanvaardbare aantasting van het landschap. Hierbij is volgens de vereniging en andere van belang dat de maximale hoogte van permanente tov 3 m bedraagt. Het bepaalde in artikel 4, lid 4.6, aanhef en onder a, sub 6, van de planregels ziet op de aanvaardbaarheid van het individuele bouwvlak, maar niet op het volledige landschap in het buitengebied. De vereniging en andere stellen dat het plan in zovere niet strekt tot het behoud van de landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel, als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening
  111. Voorts is het plan in zoverre in strijd met de gemeentelijke Structuurvisie 2030 van Breda waarin landschapsverbetering en verbrede landbouw als doelen zijn gesteld. 21.
  112. De raad stelt dat de mogelijkheden in het vorige bestemmingsplan dat gold voor de gronden die in het thans voorliggende plan zijn aangewezen voor "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" voor permanente tov veel ruimere mogelijkheden bood. 21.
  113. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2014 strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. 21.
  114. Ingevolge artikel 4, lid 4.2, van de planregels mogen op of in de tot "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de genoemde bestemming, met dien verstande dat: a. alle bebouwing uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" is toegestaan, met uitzondering van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, terreinafscheidingen en voorzieningen ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik; (…) i. de bouwhoogte van gebouwen maximaal 10 meter mag bedragen met uitzondering van kassen, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter mag bedragen, en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen waarvan de bouwhoogte maximaal 3 meter mag bedragen. Ingevolge lid 4.6, aanhef en onder a, sub 1, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro en met inachtneming van het bepaalde in artikel 26, lid 26.7, van dit plan en wordt voldaan aan de Landschapsinvesteringsregeling Breda zoals die als bijlage 2 aan deze regels is toegevoegd voor het vergroten en/of veranderen van de vorm van de aanduiding bouwvlak, met uitzondering van de bouwvlakken ter plaatse van de aanduiding "wonen uitgesloten", met dien verstande dat de oppervlakte van een bouwvlak niet groter wordt dan 1,5 ha met uitzondering van het vergroten van bouwvlakken ten behoeve van het oprichten van permanente teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde kassen of tunnels, waar de oppervlakte van het bouwvlak maximaal 3 ha mag gaan bedragen. Ingevolge het bepaalde sub 6 geldt als voorwaarde voor uitbreiding van het bouwvlak dat deze verantwoord is vanuit natuurlijk, landschappelijk, cultuurhistorisch, water- en bodemhuishoudkundig of milieuhygiënische oogpunt. 21.
  115. Bij haar uitspraak van 2 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3150 heeft de Afdeling het besluit van de raad van 24 september 2009 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid" onder meer vernietigd voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden - landschapswaarden". Gelet hierop is het bestemmingsplan "Buitengebied Zuid" uit 1992 voor de gronden met deze bestemmingen het vorige geldende plan. In dit plan zijn geen beperkingen opgenomen voor het oprichten van permanente tov. Het thans voorliggende plan maakt het mogelijk om met gebruikmaking van een wijzigingsbevoegdheid het bouwvlak te vergroten tot maximaal 3 ha ten behoeve van permanente tov, niet zijnde kassen of tunnels. Deze mogelijkheid is voorzien in artikel 4, lid 4.6, aanhef en onder a, sub 1, van de planregels. De raad stelt dat vanuit de agrarische sector vraag is naar de mogelijkheid voor permanente tov in de vorm van containervelden of stellingen buiten het bouwvlak. In deze mogelijkheid heeft de raad met genoemde wijzigingsbevoegdheden willen voorzien. Dit acht de Afdeling op zichzelf niet onredelijk. Voorts dient bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden te worden voldaan aan de Lir en geldt ingevolge artikel en 4.6, aanhef en onder a, sub 6, van de planregels als voorwaarde dat de uitbreiding van het bouwvlak vanuit landschappelijk oogpunt verantwoord is. Over het betoog dat het bepaalde in artikel 4, lid 4.6, aanhef en onder a, sub 6, van de planregels ziet op de aanvaardbaarheid van het individuele bouwvlak, maar niet op het volledige landschap in het buitengebied overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat vanwege de vermindering van het aantal agrarische bedrijven thans nog maar een beperkt aantal bedrijven in het plangebied aanwezig is van ongeveer 30 à 40 ha groot. De raad stelt zich op het standpunt dat mede gelet hierop ook de maximale invulling van het plan in zoverre aanvaardbaar is. Dit standpunt acht de Afdeling niet onredelijk. Verder geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor de toegekende maximale bouwhoogte heeft kunnen kiezen. Voorts overweegt de Afdeling dat de plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" grotendeels liggen in de groenblauwe mantel. In paragraaf 4.2.5.1 van de plantoelichting staat dat de actuele waarden zijn beschermd in de planregels en het vergunningstelsel. Ingevolge artikel 4.6, aanhef en onder a, sub 6, van de planregels dient te worden aangetoond dat de uitbreiding van het bouwvlak onder meer verantwoord is vanuit natuurlijk, landschappelijk, water- en bodemhuishoudkundig of milieuhygiënisch oogpunt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de groenblauwe mantel in het plan in zoverre voldoende is beschermd, zoals bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening
  116. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de landschappelijke waarden binnen de gronden met de bestemming "Agrarisch - met waarden" bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4, lid 4.6, van de planregels voldoende worden beschermd. 21.
  117. Wat betreft de Structuurvisie 2030 stelt de raad zich op het standpunt dat het plan hiermee niet in strijd is, omdat deze niet alleen ziet op landschapsverbetering en verbrede landbouw, maar ook ruimte geeft aan agrarische bedrijven in het landelijk gebied. Hiermee is het plan volgens de raad niet in strijd. De vereniging en andere hebben dit niet gemotiveerd bestreden. 21.
  118. Gelet op het voorgaande faalt het betoog. [locatie 2]
  119. De vereniging en andere betogen dat het plan voor de manege aan de [locatie 2] in Breda ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om uit te breiden tot 1,5 ha. Volgens hen is niet duidelijk of wordt voldaan aan artikel 6.10, derde lid, onder a, c en d, van de Verordening
  120. Voorts is de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap volgens de vereniging en andere ten onrechte niet gewaarborgd in het plan. Zij wijzen erop dat de anterieure overeenkomst tussen het gemeentebestuur en A.J. Investments, de eigenaar van het perceel [locatie 2], over de aanleg van de landschappelijke inpassing voor derden niet afdwingbaar is. Het voorgaande is volgens de vereniging en andere voorts in strijd met artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening
  121. Voor zover voor de kwaliteitsverbetering van het landschap in de plantoelichting wordt verwezen naar de Lir, stellen zij dat dit er niet aan af doet dat de ontwikkeling aan de [locatie 2] gepaard moet gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap en dat dit moet worden gewaarborgd in het plan. De vereniging en andere wijzen op de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:
  122. 22.
  123. De raad stelt dat met A.J. Investments een anterieure overeenkomst is gesloten waarin is bepaald dat de kwaliteitsverbetering van het landschap moet worden gerealiseerd. Voorts is aan het deel van het plandeel [locatie 2] waar deze kwaliteitsverbetering moet worden gerealiseerd de bestemming "Natuur" toegekend. 22.
  124. Het plandeel aan de [locatie 2] ligt in het bij de Verordening 2014 behorende kaartmateriaal in de groenblauwe mantel. Ten tijde van de vaststelling van het besluit van 5 november 2015 gold de Verordening 2014 zoals deze is vastgesteld op 15 juli
  125. Daarbij is artikel 6.10 vernummerd. Hierna staan de bepalingen weergegeven die corresponderen met de door de vereniging en andere genoemde bepalingen. Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening 2014 bepaalt een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, bevat de toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid een verantwoording van de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd. Ingevolge het vierde lid wordt het bestemmingsplan indien een kwaliteitsverbetering als bedoeld in het eerste lid niet is verzekerd, slechts vastgesteld indien een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd en wordt over de werking van dat fonds regelmatig verslag gedaan in het regionaal ruimtelijk overleg. Ingevolge het vijfde lid kan in afwijking van het bepaalde in dit artikel de toelichting van een bestemmingsplan een verantwoording bevatten over de wijze waarop de afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap, die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg, bedoeld in artikel 37.4, onder b, worden nagekomen. Ingevolge artikel 6.10, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 6.7 tot en met artikel 6.9 mits aan de voorwaarden in die bepaling wordt voldaan. Ingevolge het derde lid kan een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid, onder a, d en i, voorzien in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie, mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat: a. de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang en/of bestaande aantallen bezoekers/overnachtingen; (…) c. de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken; d. de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de op grond van artikel 3.1 vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit. 22.
  126. Aan het plandeel aan de [locatie 2] zijn de bestemmingen "Natuur" en "Sport" en de aanduidingen "manege", "bouwvlak" en "maximum bebouwd oppervlak (m2) = 5000" toegekend. Ingevolge artikel 13, lid 13.1, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor: a. de duurzame instandhouding van natuurgebieden; b. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de aan de natuurgebieden eigen zijnde natuur- en hydrologische waarden; c. behoud of versterking van de landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden; d. ter plaatse van de aanduidingen "wro-zone - zoekgebied voor behoud en herstel van watersystemen" , "wro-zone - zoekgebied voor ecologische verbindingszone" tevens daarvoor; e. verspreid liggende legale bebouwing zoals die aanwezig is ten tijde van het als ontwerp ter inzage leggen van dit plan; f. ter plaatse van de aanduiding "ijsbaan" tevens als ijsbaan; g. extensief recreatief medegebruik Ingevolge artikel 15, lid 15.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn de voor "Sport" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "manege" uitsluitend bestemd voor manege. Ingevolge lid 15.2, aanhef en onder a, mogen op of in de tot "Sport" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat gebouwen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" mogen worden gebouwd. Ingevolge het bepaalde onder b mag ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwingspercentage" uitsluitend dat percentage van het bouwvlak bebouwd worden met gebouwen en ter plaatse van de aanduiding "maximum oppervlakte" uitsluitend de genoemde oppervlakte bebouwd mag worden. Ingevolge het bepaalde onder e mag ter plaatse van de aanduiding "manege" niet gebouwd worden ten behoeve van de uitbreiding van de aantallen dieren. 22.
  127. Met het plan is beoogd een bestaande paardenbak op het perceel [locatie 2] voor het eerst als zodanig te bestemmen en uitbreidingsruimte te bieden voor het realiseren van een nieuwe binnenbak. A.J. Investments B.V. is eigenaar van het perceel [locatie 2] en [belanghebbende E] en [belanghebbende F] exploiteren de manege op het perceel. De binnenbak is volgens hen nodig omdat de huidige capaciteit voor het binnenrijden onvoldoende is. A.J. Investments stelt dat met het realiseren van een tweede binnenbak ook tijdens groepslessen binnen gereden kan worden met pensionpaarden. Zij wenst geen uitbreiding van het aantal paarden. 22.
  128. Het bestemmingsvlak "Sport" is ongeveer 1,5 ha groot. Anders dan de vereniging en andere kennelijk veronderstellen, voorziet het plan niet in de mogelijkheid voor de manege om de bebouwing uit te breiden tot 1,5 ha. Ingevolge artikel 15, lid 15.2, aanhef en onder a, van de planregels mag namelijk alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd. De bestaande bebouwing op het perceel [locatie 2] heeft een oppervlak van 3.000 m². Omdat een maximaal bebouwingsoppervlak van 5.000 m² is opgenomen in de verbeelding en het bouwvlak ongeveer 7.500 m² is, kan bij recht binnen het bouwvlak nog 2.000 m² aan bebouwing worden opgericht. Dit betreft een uitbreiding van 66%. De Afdeling stelt vast dat in de plantoelichting geen verantwoording wordt gegeven waaruit blijkt dat deze uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de bestaande omvang en/of bestaande aantal bezoekers, de ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken en de beoogde uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit. Gelet hierop is het plandeel aan de [locatie 2] in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 6.10, derde lid, aanhef en onder a, c en d, van de Verordening
  129. Het betoog slaagt. 22.
  130. In hetgeen de vereniging en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Sport" aan de [locatie 2] is genomen in strijd met artikel 6.10, tweede lid, aanhef en onder a, c en d, van de Verordening
  131. Het beroep is gegrond, zodat het besluit van 5 november 2015 in zoverre dient te worden vernietigd. Nu hetzelfde gebrek kleeft aan het besluit van 18 december 2014 dient ook dat besluit in zoverre te worden vernietigd. 22.
  132. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb gedeeltelijk in stand kunnen worden gelaten en overweegt hiertoe dat de raad in zijn zienswijze op het deskundigenverslag is ingegaan op de voorwaarden zoals gesteld in artikel 6.10, tweede lid, aanhef en onder a, c en d, van de Verordening
  133. 22.
  134. De raad stelt zich in de zienswijze op het deskundigenverslag op het standpunt dat de ontwikkeling in verhouding staat tot de bestaande situatie, nu 2.000 m² aan bebouwing wordt toegevoegd aan de bestaande 3.000 m² en gelet op de minimale oppervlakte die een binnenbak moet hebben. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. De raad stelt voorts dat het aantal dieren niet wordt uitgebreid en de bezoekersaantallen daarom slechts marginaal zullen toenemen. Nu een uitbreiding van het aantal dieren ingevolge artikel 15, lid 15.2, aanhef en onder e, van de planregels niet is toegestaan, komt dit de Afdeling niet onwaarschijnlijk voor. Voorts stelt de raad dat de landschappelijke waarden met name bestaan uit de beekdalen van de Broekloop en Bavelse Leij en het nabijgelegen Ulvenhoutse Bos. Deze waarden worden volgens de raad beschermd met de dubbelbestemming "attentiegebied ecologische hoofdstructuur". Deze bestemming is bijna aan het volledige perceel toegekend. Ingevolge artikel 22, lid 22.2, van de planregels mag in afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen (basisbestemming) binnen deze bestemming slechts worden gebouwd indien direct of indirect door het treffen van maatregelen geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de hydrologische waarden hetgeen aangetoond dient te worden middels een watertoetsadvies van het Waterschap Brabantse Delta. Naar het oordeel van de Afdeling is de voorwaarde in artikel 22, lid 22.2, van de planregels dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de hydrologische waarden onvoldoende om te kunnen spreken van een door de Verordening 2014 voorgeschreven positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Ook anderszins is in de toelichting geen verantwoording gegeven waaruit blijkt dat de ontwikkeling aan de [locatie 2] gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken. Het betoog slaagt. 22.
  135. Over de vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit overweegt de Afdeling als volgt. Voor zover de vereniging en andere hebben gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015, overweegt de Afdeling dat in het daar aan de orde gestelde bestemmingsplan niet de Lir, maar een regionaal afsprakenkader integraal als bijlage aan de planregels was toegevoegd. Daarmee was de kwaliteitsverbetering naar het oordeel van de Afdeling niet gewaarborgd. In de plantoelichting staat dat op regionaal niveau in overleg met de provincie afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de in de Verordening 2014 vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap. Om met name de landschappelijke inpassing verder handen en voeten te geven, zo staat in de plantoelichting, is de Lir opgesteld en deze is als bijlage bij de planregels gevoegd. Hiermee bevat de plantoelichting in overeenstemming met artikel 3.2, vijfde lid, van de Verordening 2014 een verantwoording over de wijze waarop de afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg, worden nagekomen. De kwaliteitsverbetering dient ingevolge artikel 3.2, eerste lid, echter wel in het plan te zijn gewaarborgd. Dit volgt ook uit de toelichting bij het vijfde lid van deze bepaling. Hierin staat dat kan worden verwezen naar afspraken die zijn gemaakt in het kader van het regionaal overleg, maar dat het daarbij nog steeds nodig is dat conform de gemaakte afspraken de kwaliteitsverbetering bij concrete ontwikkelingen in het bestemmingsplan wordt geborgd. In de Lir wordt uitgegaan van een indeling in drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen waarbij per categorie is beschreven hoe de kwaliteit van het landschap moet worden verbeterd. Voor de ruimtelijke ontwikkeling aan de [locatie 2], waarin het plan bij recht voorziet, is in het plan echter niet gewaarborgd dat de kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld met een verwijzing in de planregels naar de Lir. Dat met A.J. Investments een anterieure overeenkomst is afgesloten is daarvoor onvoldoende. Voorts is het opnemen van de bestemming "Natuur" onvoldoende, nu met deze bestemming de landschappelijke kwaliteitsverbetering niet kan worden afgedwongen. Evenmin wordt in de planregels bij concrete ontwikkelingen verwezen naar de Lir. 22.
  136. Gelet op het voorgaande slaagt het betoog van de vereniging en andere dat geen verantwoording is gegeven waaruit blijkt dat de ontwikkeling aan de [locatie 2] gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische landschappelijke waarden en kenmerken, waardoor het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 6.10, derde lid, aanhef en onder c, van de Verordening
  137. Gelet op het voorgaande slaagt het betoog van de vereniging en andere dat de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap bij de ontwikkeling aan de [locatie 2] niet is gewaarborgd in het plan, waardoor het plan in zoverre voorts is vastgesteld in strijd met artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening
  138. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit van 5 november 2015 voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Sport" voor de [locatie 2] in stand te laten. De Afdeling ziet wel aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. [locatie 3]
  139. De vereniging en andere kunnen zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan de [locatie 3]. Het ter plaatse gevestigde dierenpension valt volgens hen onder milieucategorie 3.2, terwijl in het bestemmingsplan uitsluitend een dierenpension tot en met categorie 2 is toegestaan. Het dierenpension is volgens de vereniging en andere niet een met categorie 2 gelijk te stellen bedrijf, waardoor het plan volgens hen niet uitvoerbaar is. De vereniging en andere wijzen erop dat de oppervlakte aan bouwwerken in de planregels weliswaar is beperkt tot 400 m², maar dat het deel van het perceel waar het dierenpension is toegestaan ongeveer 3000 m² bedraagt. Uit de omgevingsvergunning van 11 april 2013 blijkt volgens de vereniging en andere niet dat een dierenpension met deze omvang is vergund. Juist het gebruik van de buitenruimten voor het dierenpension zal volgens de vereniging en andere zorgen voor overlast. Voorts is de omgevingsvergunning van 11 april 2013 verleend voor een dierenpension als nevenactiviteit en staat het plan er niet aan in de weg dat het exploiteren van een dierenpension de hoofdactiviteit wordt aan de [locatie 3]. De vereniging en andere voeren aan dat in het akoestisch onderzoek dat is verricht in het kader van de omgevingsvergunning van 11 april 2013 is uitgegaan van maximaal 113 honden, maar dat het plan er niet aan de weg staat dat meer honden worden gehouden. Voorts hebben de vereniging en andere ook in het kader van het plandeel aan de [locatie 3] aangevoerd dat de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap ten onrechte niet is gewaarborgd in het plan. 23.
  140. De raad stelt dat de omgevingsvergunning van 11 april 2013 voor het bestaande dierenpension aan de [locatie 3] met het plan als zodanig is bestemd. Uit het akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van deze omgevingsvergunning blijkt dat ter plaatse van de dichtstbijzijnde woning wordt voldaan aan de geluidsnormen die voortvloeien uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze woning staat op een afstand van 30 m. Nu deze afstand geldt voor bedrijven in milieucategorie 2 is het dierenpension volgens de raad een bedrijf in categorie 2 uit de VNG-brochure. 23.
  141. Aan het plandeel aan de [locatie 3] zijn de bestemmingen "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" en "Natuur" en de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Aan een deel van het bouwvlak is voorts de aanduiding "dierenpension" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "dierenpension" tevens bestemd voor een dierenpension. Ingevolge lid 4.2, aanhef en onder a, mogen op of in de tot "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de genoemde bestemming, met dien verstande dat alle bebouwing uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" is toegestaan, met uitzondering van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, terreinafscheidingen en voorzieningen ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik. Ingevolge het bepaalde onder g mag ter plaatse van de aanduiding "dierenpension" een dierenpension aanwezig zijn met een maximale milieucategorie
  142. Ingevolge het bepaalde onder o mag ter plaatse van de aanduiding "dierenpension" voor deze functie maximaal 400 m² bebouwing aanwezig zijn c.q. gebouwd worden. 23.
  143. De Afdeling stelt voorop dat zij in deze procedure het bestemmingsplan beoordeelt en niet de omgevingsvergunning voor de [locatie 3] of de feitelijke situatie ter plaatse. In de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) en de staat van bedrijfsactiviteiten die als bijlage bij de planregels is gevoegd, wordt een dierenpension aangemerkt als een bedrijf in categorie 3.2, waarvoor een richtafstand van 100 m geldt. Ingevolge artikel 4, lid 4.2, aanhef en onder g, mag het dierenpension aan de [locatie 3] maximaal milieucategorie 2 zijn, waarvoor in de VNG-brochure een richtafstand geldt van 30 m. De omstandigheid dat wordt voldaan aan zowel deze richtafstand als de geluidsnormen die voortvloeien uit het Activiteitenbesluit milieubeheer maken naar het oordeel van de Afdeling, anders dan de raad veronderstelt, niet dat het dierenpension aan de [locatie 3] vergelijkbaar is met een bedrijf in milieucategorie
  144. Niet is onderbouwd dat de ruimtelijke uitstraling van het bestaande dierenpension aan de [locatie 3] zodanig anders is dan die van andere dierenpensions waarvan in de VNG-brochure en de staat van bedrijfsactiviteiten is uitgegaan, dat het dierenpension aan de [locatie 3], mede gelet op het ingevolge de omgevingsvergunning aantal toegestane honden, vergelijkbaar is met een bedrijf in milieucategorie
  145. Gelet op het voorgaande heeft de raad het bestaande dierenpension aan de [locatie 3] niet als zodanig bestemd. Nu de raad dit blijkens het vaststellingsbesluit wel heeft beoogd, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is vastgesteld in strijd met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt. 23.
  146. Over de vereiste kwaliteitsverbetering overweegt de Afdeling onder verwijzing naar hetgeen hiervoor, onder 22.9, is overwogen dat voor de ruimtelijke ontwikkeling aan de [locatie 3], waarin het plan bij recht voorziet, in het plan niet is gewaarborgd dat de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld met een verwijzing in de planregels naar de Lir. Gelet hierop slaagt het betoog van de vereniging en andere dat de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap bij de ontwikkeling aan de [locatie 3] niet is gewaarborgd in het plan, waardoor het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening
  147. Het betoog slaagt. 23.
  148. In hetgeen de vereniging en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015 voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan de [locatie 3] is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en met artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening
  149. Nu dezelfde gebreken kleven aan het besluit van 18 december 2014 dient ook dat besluit in zoverre te worden vernietigd. 23.
  150. De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. [locatie 1]
  151. De raad stelt dat de vereniging en andere niet-ontvankelijk zijn in hun beroep tegen het bij besluit van 3 maart 2016 gewijzigde plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" aan de [locatie 1], omdat dit op 18 mei 2016 en daarmee buiten de daarvoor geldende termijn is ingekomen. 24.
  152. Tot en met 27 april 2016 kon beroep worden ingesteld tegen het besluit van 3 maart
  153. De Afdeling stelt vast dat het stuk van de vereniging en andere dat op 18 mei 2016 is ingekomen het aanvullend beroepschrift betreft en dat het pro forma beroepschrift van de vereniging en andere tegen het plandeel aan de [locatie 1] op 20 april 2016 en daarmee tijdig is ingekomen. Gelet hierop zijn de vereniging en andere ontvankelijk in hun beroep tegen het bij besluit van 3 maart 2016 gewijzigde plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" aan de [locatie 1]. 24.
  154. De vereniging en andere betogen dat ten onrechte niet afdeling 3.4 is gevolgd bij de gewijzigde vaststelling van het plandeel aan de [locatie 1]. Het plandeel heeft betrekking op een aantal percelen ten oosten van het bedrijventerrein Hazeldonk. De vereniging en andere stellen dat deze percelen zijn beoogd voor compensatie van de uitbreiding van het bedrijventerrein Hazeldonk. Zij wijzen op een overeenkomst over deze compensatie tussen het gemeentebestuur en de Brabantse Milieufederatie. De vereniging en andere wijzen er voorts op dat het perceel in de gemeentelijke nota "Groene Mal Breda" is aangewezen als groenblauwe mantel, hetgeen volgens hen ook blijkt uit het bestemmingsplan "Hazeldonk" uit
  155. 24.
  156. De raad stelt dat in het besluit van 18 december 2014 abusievelijk de bestemming "Natuur" is toegekend aan het plandeel aan de [locatie 1]. Gelet op het bestaande agrarische gebruik van deze gronden en de ligging van deze gronden in de groenblauwe mantel dient de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden" te worden toegekend. 24.
  157. De Afdeling stelt vast dat met het gewijzigde plan geen wezenlijk ander plan is vastgesteld. De raad was dan ook niet gehouden om afdeling 3.4 opnieuw te volgen bij de vaststelling van het besluit van 3 maart
  158. Voorts stelt de Afdeling vast dat het plandeel aan de [locatie 1] geen deel uitmaakte van het plangebied van het bestemmingsplan "Hazeldonk" uit
  159. Bovendien hebben de vereniging en andere niet onderbouwd waarom de raad vanwege de ligging van het plandeel aan de [locatie 1] in de groenblauwe mantel gehouden was de bestemming "Natuur" toe te kennen. De Afdeling is niet gebleken dat de gronden binnen het perceel aan de [locatie 1] zijn beoogd voor compensatie van de ontwikkeling van het bedrijventerrein Hazeldonk. Daarbij is van belang dat in het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Hazeldonk Fase III", dat voorzag in de ontwikkeling van het bedrijventerrein Hazeldonk, de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" was toegekend aan de betrokken gronden aan de [locatie 1]. Dit plan is op 9 februari 1999 onherroepelijk geworden. Over de overeenkomst tussen het gemeentebestuur en de Brabantse Milieufederatie die de vereniging en andere hebben overgelegd, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de vereniging en andere zelf ook hebben erkend, komen de perceelnamen die in deze overeenkomst staan genoemd niet overeen met de perceelnamen van de gronden binnen het plandeel aan de [locatie 1]. De vereniging en andere hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze verschillen, zoals zij ter zitting hebben gesteld, het gevolg zijn van een gemeentelijke herindeling. De raad heeft ter zitting gesteld dat de gemeentenamen die zijn genoemd niet zijn veranderd in het kadaster. De Afdeling ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Daarbij betrekt de Afdeling dat de gronden die in de overeenkomst worden genoemd blijkens deze overeenkomst om niet zijn overgedragen aan het Brabants Landschap ten behoeve van natuurontwikkeling, terwijl aan de [locatie 1] door [belanghebbende A] en [belanghebbende B] een bedrijf wordt geëxploiteerd. Gelet op het voorgaande faalt het betoog. Conclusie
  160. Het beroep van de vereniging en andere is gegrond. 25.
  161. De raad dient ten aanzien van het beroep van de vereniging en andere op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De beroepen van [appellant sub 3], [appellante sub 17] en de vereniging en andere
  162. [appellant sub 3], die woont aan de [locatie 4], kan zich niet verenigen met het bij besluit van 18 december 2014 vastgestelde plan met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "koel- en /of vrieshuis" ter zake van het perceel [locatie 5]. Ook de vereniging en andere kunnen zich niet met de planregeling op dit punt verenigen. 26.
  163. Bij het besluit van 5 november 2015 is aan het perceel aan de [locatie 5] de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" toegekend, met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - koel en/of vrieshuis". In verband hiermee is de bestemming "Bedrijf" die in het besluit van 18 december 2014 aan het noordelijke deel van het perceel was toegekend, verwijderd. Bij het besluit van 5 november 2015 zijn de koel- en vriesactiviteiten in plaats van in een aparte bedrijfsbestemming als nevenactiviteit bij het agrarische bedrijf aan de [locatie 5] opgenomen. [appellant sub 3] heeft beroep tegen dat besluit ingesteld. Hetgeen in het hiertegen ingediende beroepschrift naar voren is gebracht vat de Afdeling op als nadere onderbouwing van het van rechtswege ontstane beroep. Met het besluit van 5 november 2015 is de raad deels aan het beroep van de vereniging en andere tegemoet gekomen, zodat hun beroep van rechtswege in zoverre geen betrekking heeft op het besluit van 5 november
  164. 26.
  165. Door de wijziging van de planregeling voor het bedrijf op het perceel [locatie 5], dat wordt geëxploiteerd door de [appellante sub 17], is een beroep van rechtswege van de zijde van [appellante sub 17] tegen dit besluit ontstaan. [appellante sub 17] heeft tegen dit besluit geen nadere gronden of zienswijzen ingediend. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellante sub 17] ongegrond is. 26.
  166. [ appellant sub 3] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in een nieuw industrieel bedrijf met 3.750 m² aan koelcellen met een hoogte van 10 m. Hij voert aan dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht of ter plaatse wel sprake is van een reëel agrarisch bedrijf en of de koelingsactiviteiten van het bedrijf bij maximale planologische invulling als nevenactiviteiten bij dat bedrijf kunnen worden beschouwd. Volgens hem is sprake van planologische nieuwvestiging van niet-agrarische activiteiten in het buitengebied, omdat het merendeel van de aanwezige bebouwing weliswaar legaal is gebouwd, maar ten behoeve van het agrarische bedrijf en niet als koel- of vriescel. De nieuwvestiging is volgens hem ten onrechte niet getoetst aan de bepalingen van de Verordening 2014, waaronder artikel 6.10, eerste lid, onder c, d, e en h. Ook heeft de raad volgens [appellant sub 3] in strijd met artikel 3.2 van de Verordening geen toetsing verricht op het punt van de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit, zorgvuldig ruimtegebruik en kwaliteitsverbetering van het landschap. [appellant sub 3] acht voorts onvoldoende onderbouwd hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden. Hij betoogt in dat verband onder meer dat het bedrijf in milieucategorie 3 van de VNG-brochure valt en niet voldoet aan de in die brochure aangehouden richtafstanden. [appellant sub 3] voert verder aan dat de bepaling in de planregels dat niet meer dan 2500 m² van de koelcellen door derden mag worden gebruikt niet valt te handhaven en bovendien niet is onderzocht of aangetoond dat 2500 m² aan koelcellen voor eigen gebruik door [appellante sub 17] nodig is. Het plan is volgens [appellant sub 3] tevens in strijd met een in 2011 door hem met [appellante sub 17] gesloten vaststellingsovereenkomst, waarin is vastgelegd dat de verhuur van koelcellen als een nevenactiviteit van een agrarisch bedrijf diende te worden gezien en dat derhalve van verzelfstandiging van het bedrijf geen sprake zou zijn. Ook de vereniging en andere hebben aangevoerd dat in het plan niet is voorzien in kwaliteitsverbetering van het landschap en dat voorts niet is verzekerd dat is voldaan aan de eis in artikel 6.10, eerste lid, onder e, van de Verordening 2014 dat de vestiging van een niet-agrarische functie in de groenblauwe mantel niet mag leiden tot twee of meer zelfstandige bedrijven. 26.
  167. De raad heeft naar voren gebracht dat artikel 6.2 van de Verordening 2014 uitbreiding van vollegrondsteeltbedrijven in de groenblauwe mantel met een niet-agrarische nevenactiviteit uitdrukkelijk mogelijk maakt. De koel- en vriesactiviteiten ter plaatse zijn bij het besluit van 5 november 2015 niet langer geregeld met een afzonderlijke bedrijfsbestemming, maar als nevenactiviteit bij het bestaande agrarische bedrijf. In de planregels is volgens de raad gewaarborgd dat de totale omvang van het bouwperceel voor de niet-agrarische functie maximaal 5000 m² mag bedragen en dat ter plaatse twee zelfstandige bedrijven, noch grootschalige ontwikkelingen mogen ontstaan. Hiermee wordt voldaan aan de bepalingen van de Verordening 2014, aldus de raad. 26.
  168. Ter zitting heeft [appellant sub 3] medegedeeld dat hetgeen hij naar voren heeft gebracht over de gevolgde procedure met betrekking tot het nadere besluit van 5 november 2015 geen beroepsgrond is maar slechts een verzuchting. De Afdeling gaat hierop dan ook niet in. 26.
  169. In het bij besluit van 5 november 2015 vastgestelde plan is aan de gronden van [appellante sub 17] de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" toegekend, met - binnen het bouwvlak - de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - koel- en/of vrieshuis". Ingevolge artikel 4, lid 4.1, zijn gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" onder meer bestemd voor duurzaam agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - koel- en/of vrieshuis' tevens daarvoor. Ingevolge lid 4.2, aanhef en onder n, mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - koel- vrieshuis' voor de koeling door derden maximaal 2.500 m² bebouwing aanwezig zijn c.q. gebouwd en gebruikt worden. Aan een strook grond aan de noordwestkant van het bedrijf is de bestemming "Natuur" toegekend. Het bedrijf van [appellante sub 17] ligt op gronden die op de kaarten bij de Verordening 2014 zijn aangewezen als groenblauwe mantel. 26.
  170. Uit het deskundigenbericht blijkt het volgende. De agrarische activiteiten van het bedrijf van [appellante sub 17] bestaan uit het telen van asperges, witloftrek, de opslag in koelcellen van aardbeienplanten, witlofwortels en waspenen voor derden en de verkoop van asperges van eigen teelt. Op het terrein aan de [locatie 5] staan een bedrijfswoning, een werktuigenloods, een werkloods en koelcellen. Voor deze bebouwing is vanaf 2000 een drietal bouwvergunningen verleend ten behoeve van agrarische bedrijfs/opslagloodsen. In 2009 is een melding gedaan op grond van het toenmalige Besluit landbouw milieubeheer voor de vervanging van de werktuigenloods. In het kader van die melding is het bedrijf beschreven als een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondteelt en witloftrekkerij of teeltbedrijf met eetbare paddenstoelen of andere gewassen in een gebouw. 26.
  171. Ingevolge artikel 6.2, tweede lid, onder b, van de Verordening 2014 met betrekking tot (vollegronds)teeltbedrijven kan een bestemmingsplan in de groenblauwe mantel binnen het bouwperceel voorzien in een niet-agrarische functie, dit overeenkomstig - voor zover van belang - artikel 6.10 van de Verordening
  172. Ingevolge artikel 6.2, tweede lid, onder b, in onderlinge samenhang met artikel 6.10, eerste lid, van de Verordening 2014 gelden hiervoor de eisen dat: a. de totale omvang van het bouwperceel van de beoogde ontwikkeling ten hoogste 5000 m² bedraagt; b. de ontwikkeling onder toepassing van artikel 6.1, eerste lid (bescherming groenblauwe mantel), gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken; c. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger; e. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven; h. is aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling ook op langere termijn past binnen de op grond van deze verordening toegestane omvang; i. de beoogde activiteit niet leidt tot een grootschalige ontwikkeling. Ingevolge artikel 1, lid 1.59, wordt onder nieuwvestiging verstaan: vestiging op een locatie die volgens het geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een (bouwvlak op een) bestaand bouwperceel of de (af)splitsing van een (bouwvlak op een) bestaand bouwperceel. 26.
  173. De Afdeling stelt voorop dat, gelet op artikel 1, lid 1.59, van de Verordening 2014, geen grond bestaat voor het oordeel dat sprake is van nieuwvestiging in de zin van de Verordening, nu de niet-agrarische functie, de koelactiviteiten voor derden, is voorzien binnen een bestaand bouwperceel. Het betoog faalt dan ook in zoverre. 26.
  174. De Afdeling overweegt met betrekking tot de overeenkomst tussen [appellant sub 3] en [appellante sub 17] over de omvang van de koelactiviteiten aan de [locatie 5], dat, naar [appellant sub 3] ook erkent, deze de raad niet kan binden. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 3] over de rol van de gemeente bij de totstandkoming van de overeenkomst naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat de raad daaraan bij zijn belangenafweging geen overwegende betekenis zou hebben toegekend. 26.
  175. De Afdeling overweegt voorts dat geen grond kan worden gezien voor het oordeel dat het bedrijf aan de [locatie 5] niet als een reëel agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt en daarmee - anders dan [appellant sub 3] meent - de niet-agrarische activiteiten zonder meer als hoofdactiviteit zouden gaan gelden. Daartoe wordt erop gewezen dat in het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen van 5 februari 2010, waarop [appellant sub 3] wijst, staat dat de agrarische bedrijfsvoering van het bedrijf zich van 2006 heeft ontwikkeld tot de omvang van een volwaardig agrarisch bedrijf. 26.
  176. De Afdeling acht voorts niet aannemelijk gemaakt dat het plan niet voldoet aan het bepaalde onder artikel 6.10, eerste lid, onder c, nu de koelactiviteiten - naast de nieuwe bebouwing - in bestaande bebouwing zal plaatsvinden. In het raadsvoorstel is bevestigd dat bij de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen overtollige bebouwing zal ontstaan. Mitsdien is geen sprake van strijd met artikel 6.10, eerste lid, onder c, van de Verordening
  177. Het betoog faalt. 26.
  178. Met betrekking tot de overige ingeroepen leden van artikel 6.10, eerste lid, overweegt de Afdeling dat de raad, blijkens de toelichting op het besluit van 5 november 2015 en het verhandelde ter zitting, heeft beoogd om, teneinde aan die bepalingen te voldoen in het plan binnen het bestaande bouwvlak één bestemmingsvlak op te nemen, met als hoofdtak de bestaande agrarische activiteit en als neventak koeling, van maximaal 5.000 m², waarvan koelactiviteiten voor derden zijn beperkt tot 2.500 m². Met dit laatste is volgens de raad een relatief kleinschalig en aan het agrarische bedrijf ondergeschikt koel- en vriesbedrijf toegestaan, dat niet onder milieucategorie 3 "koelhuizen" valt, maar onder milieucategorie
  179. De Afdeling overweegt dat in het raadsbesluit in dit verband is opgemerkt dat de maximering van de oppervlakte van het bouwperceel voor de niet-agrarische nevenactiviteit tot 5.000 m² dient te worden verzekerd door middel van een functieaanduiding op de verbeelding. De maximering is op de planverbeelding, noch elders in het plan vastgelegd. De Afdeling ziet hierin aanleiding voor het oordeel dat het vaststellingsbesluit en het plan in onderlinge samenhang bezien zijn vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Nu de maximale oppervlakte van de niet-agrarische activiteiten niet in het plan is vastgelegd, is in zoverre tevens sprake van strijd met artikel 6.10, eerste lid, onder d en e, van de Verordening
  180. 26.
  181. Naar het oordeel van de Afdeling kan voorts niet met zekerheid worden vastgesteld dat in het plan ter plaatse van de woning van [appellant sub 3] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Daartoe wordt overwogen dat een deel van de gronden van het bedrijf, waarop het plan koelactiviteiten mogelijk maakt, op minder dan 50 m afstand ligt van de woning van [appellant sub 3]. De twee inritten van het bedrijf liggen op respectievelijk 7 m en 65 m van diens perceel. De raad heeft een akoestisch onderzoek laten verrichten naar de geluidbelasting van het bedrijf. In het hiervan opgemaakte rapport van Kraaij Akoestisch Adviesbureau van 4 november 2015 is niet onderzocht welke geluidniveaus ter plaatse van het perceel van [appellant sub 3] ten gevolge van het in werking zijn van koelcellen op het oostelijke deel van de gronden van [appellante sub 17], zullen kunnen worden veroorzaakt. Ook blijkt niet dat in dat rapport rekening is gehouden met de verkeersbewegingen met vrachtwagens bij een maximale planologische invulling van de bebouwingsmogelijkheden ten behoeve van de koelingsactiviteiten, die door het plan mogelijk worden gemaakt. Gelet hierop is het plan ook in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit in acht te nemen zorgvuldigheid. 26.
  182. Over de vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit overweegt de Afdeling als volgt. Artikel 3.2 van de Verordening 2014 luidt als volgt.
  183. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving.
  184. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording: a. van de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd; b. dat de in het eerste lid bedoelde verbetering past binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor dat gebied. (…)
  185. Indien een kwaliteitsverbetering als bedoeld in het eerste lid niet is verzekerd, wordt het bestemmingsplan slechts vastgesteld indien een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd en wordt over de werking van dat fonds regelmatig verslag gedaan in het regionaal ruimtelijk overleg.
  186. In afwijking van het bepaalde in dit artikel kan de toelichting van een bestemmingsplan een verantwoording bevatten over de wijze waarop de afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap, die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg, bedoeld in artikel 37.4, onder b, worden nagekomen. (…). 26.
  187. Zoals ook in 22.9 is weergegeven, staat in de plantoelichting dat op regionaal niveau in overleg met de provincie afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de in de Verordening 2014 vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap. Om met name de landschappelijke inpassing verder handen en voeten te geven, zo staat in de plantoelichting, is de Lir opgesteld en deze is als bijlage bij de planregels gevoegd. Hiermee bevat de plantoelichting in overeenstemming met artikel 3.2, vijfde lid, van de Verordening 2014 een verantwoording over de wijze waarop de afspraken over de kwaliteitsverbetering van het landschap die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg, worden nagekomen. De kwaliteitsverbetering dient ingevolge artikel 3.2, eerste lid, echter wel in het plan te zijn gewaarborgd. Dit volgt ook uit de toelichting bij het vijfde lid van deze bepaling. In de Lir wordt uitgegaan van een indeling in drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen waarbij per categorie is beschreven hoe de kwaliteit van het landschap moet worden verbeterd. Voor de ruimtelijke ontwikkeling aan de [locatie 5], waarin het plan bij recht voorziet, is in het plan echter niet gewaarborgd dat de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld met een verwijzing in de planregels naar de Lir. Dat met [appellant sub 17A], de eigenaar van het perceel [locatie 5], een anterieure overeenkomst is gesloten is daarvoor onvoldoende. Voor zover de raad stelt dat in de planregels wordt verwezen naar de Lir overweegt de Afdeling dat deze verwijzing alleen is opgenomen in enkele afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. Uit een en ander volgt dat het plan in zoverre tevens is vastgesteld in strijd met artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening
  188. 26.
  189. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 5 november 2015, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - koel- en/of vrieshuis" met betrekking tot het perceel [locatie 5] is genomen in strijd met artikel 3.2, eerste lid, en artikel 6.10, eerste lid, onder d en e, van de Verordening 2014, alsook met het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Ook het beroep van de vereniging en andere is gegrond. Hiermee wordt teruggevallen op het bij besluit van 18 december 2014 vastgestelde plan en herleeft het belang van [appellant sub 3] bij beoordeling van zijn beroep tegen dat plan. Nu de raad bij het besluit van 5 november 2015 te kennen heeft gegeven dat hij zich op het desbetreffende punt op een ander standpunt stelt dan hij in het besluit van 18 december 2014 heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het besluit van 18 december 2014 in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en eveneens moet worden vernietigd. 26.
  190. De Afdeling ziet, mede gelet op het voorgaande, geen aanleiding om de overige beroepsgronden van [appellant sub 3] en de vereniging en andere te bespreken. 26.
  191. De Afdeling ziet aanleiding overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb, de raad op te dragen in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. 26.
  192. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 3] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor vergoeding van de proceskosten van de vereniging en andere wordt verwezen naar 25.
  193. 26.
  194. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellante sub 17] bestaat geen aanleiding. De beroepen van [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] en de vereniging en andere
  195. [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5], die onderscheidenlijk wonen aan de [locatie 6], [locatie 7] en [locatie 8], en de vereniging en andere kunnen zich niet verenigen met de mogelijkheden die in het plan door middel van afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden worden geboden voor de huisvesting van seizoensarbeiders in het plangebied, tot een maximum van 120 personen. De beroepen van [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] richten zich in dat verband op de mogelijkheden die op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" worden geboden. Het plan zal volgens de vereniging en andere en [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] leiden tot aantasting van het landschappelijke karakter van het buitengebied door ontsiering en verstening en tot onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat in het plangebied. De vereniging en andere betogen in dit verband dat de planregeling onvoldoende waarborgen bevat voor landschappelijke inpassing van de woonunits. De vereniging en andere en [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] stellen voorts dat de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden niet of nauwelijks ruimte bieden om specifiek met de belangen van omwonenden rekening te houden. [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] betogen in dat verband dat in het plan in ieder geval de richtafstand van 50 m tot omliggende woningen had moeten worden aangehouden die in de VNG-brochure wordt gehanteerd voor campings en vakantiecentra. De bezwaren van [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] richten zich tevens meer specifiek tegen de in het plan opgenomen regeling voor de huisvesting van seizoensarbeiders op het perceel [locatie 9] van de aardbeienkwekerij van [bedrijf A] en [bedrijf B]. Zij hebben daartoe aangevoerd dat zij reeds grote overlast ondervinden van de ter plaatse vergunde tijdelijke huisvesting van 40 seizoensarbeiders, ten gevolge van het vroege transport naar het werk per bus, de verkeersbewegingen per bus of eigen auto voor het buiten werktijden doen van boodschappen en stemgeluid van mensen die op het terrein eten, drinken en recreëren. Vergroting van het aantal seizoensarbeiders tot 120 op de [locatie 9] achten zij onaanvaardbaar. [appellanten sub 5] hebben in dit verband tevens gewezen op de geuroverlast die zij ondervinden van het koken voor 120 personen, welk aantal mogelijk is gemaakt bij de omgevingsvergunning van 16 maart
  196. [appellant sub 4], [appellante sub 6A] en [appellanten sub 5] hebben verder betoogd dat de termijn voor huisvesting van de seizoensarbeiders van 6 maanden onduidelijk is, dat de termijn en de bepaling dat op een bedrijf slechts seizoensarbeiders mogen worden gehuisvest die op dat bedrijf werkzaam zijn oncontroleerbaar zijn en dat de planregeling strijdt met het gemeentelijk beleid om huisvesting van seizoensarbeiders in stedelijk gebied te laten plaatsvinden. De vereniging en andere hebben ten slotte aangevoerd dat ten onrechte geen maximale bouw- en goothoogte zijn voorgeschreven voor de units, dat de raad in de stukken ten onrechte verwijst naar een wijziging van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) en dat het plan strijdt met artikel 6.7, eerste lid, van de Verordening 2014, waarin is bepaald dat een bestemmingsplan met betrekking tot de groenblauwe mantel bepaalt dat zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen en nieuwbouw van bedrijf- of burgerwoningen is uitgesloten. Formeel relativiteitsvereiste 27.
  197. De raad heeft ter zitting naar voren geb

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.