(2013)of diens (rechts)opvolger. e. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet, onverminderd het bepaalde elders in de regels van dit plan, in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. f. Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a, b en/of e;
- indien het voldoen aan de bepalingen als vermeld onder a, b en/of e door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
- voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien." 5.
- De nota "Beleidsregels voor parkeerbeleid in de gemeente Landerd, parkeernormen Landerd", vastgesteld op 25 april 2012 en aangepast op 3 juli 2012, bevat parkeernormen. Voor detailhandel (non-food en food) in een wijk- of dorpscentrum geldt een parkeernorm van 3,0 respectievelijk 4,5 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. In dit parkeerbeleid geldt als uitgangspunt dat het aantal parkeerplaatsen, dat benodigd is, wordt gerealiseerd op eigen terrein. Ingeval dit niet geheel mogelijk is, zal naar andere oplossingen gezocht zal moeten worden. Hiervoor dient de initiatiefnemer een parkeerbalans op te stellen. Hierin zal, op basis van de normen en waar mogelijk met toepassing van dubbelgebruik, naar oplossingsmogelijkheden van de omgeving gekeken moeten worden. 5.
- De plantoelichting vermeldt dat ten behoeve van de beoogde ontwikkeling een parkeerbalans is opgesteld. Daarbij is bezien hoeveel parkeerplaatsen er volgens de gemeentelijke parkeernormen benodigd zijn. De toename van de parkeervraag is afgezet tegen de situatie in 2011, omdat de situatie in 2014/2015 volgens de plantoelichting een onderschatting van de parkeersituatie zou betekenen. Daarnaast is ook de toename van het aantal parkeerplaatsen beschouwd ten opzichte van de situatie in
- Voor de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in 415 parkeerplaatsen. De raad heeft hierbij de parkeernormen gehanteerd, zoals opgenomen in de nota "Beleidsregels voor parkeerbeleid in de gemeente Landerd, parkeernormen Landerd". De plantoelichting vermeldt dat dit een toename is van 103 parkeerplaatsen. Uit het bij de voorbereiding van het plan verrichte parkeeronderzoek volgt dat er op bijna alle dagen en momenten een overschot aan parkeerplekken in en rond het plangebied bestaat. Alleen op zaterdagochtend kan zich binnen het plangebied, gedurende een periode van een half uur, een tekort aan 13 tot 14 parkeerplaatsen voordoen. Uit het parkeeronderzoek volgt dat dit parkeertekort op openbare parkeerterreinen in de omgeving van het plangebied, binnen een loopafstand van 100 m, kan worden opgelost. De raad stelt dat op deze parkeerterreinen ruim voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn. De raad heeft verklaard dat uit het parkeeronderzoek blijkt dat op deze parkeerterreinen, te weten ter plaatse van Het Hofke en het Kerkplein alsook ter plaatse van de Runstraat ter hoogte van de huisnummers 9 en 11, op de zaterdagochtend op het drukste moment nog 48 openbare parkeerplaatsen beschikbaar zijn. De Afdeling betrekt daarbij dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een afstand van 100 m een acceptabele loopafstand is. Gelet op deze omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd met het gemeentelijke parkeerbeleid is vastgesteld of zal leiden tot een onaanvaardbare parkeerhinder bij de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Ter zitting heeft het college van burgemeester en wethouders verklaard dat bij het verlenen van de drie omgevingsvergunningen toepassing is gegeven aan de in artikel 8, lid 8.2.1, onder f, sub 2, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid. Daaruit volgt dat het college van burgemeester en wethouders met toepassing van een omgevingsvergunning kan afwijken van hetgeen in artikel 8, lid 8.2.1, onder a, b en/of e, van de planregels is bepaald, voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. Het college heeft bij de verlening van de omgevingsvergunningen meegewogen dat, zoals ook blijkt uit het parkeeronderzoek, in dit geval is voorzien in voldoende parkeerplaatsen op openbare parkeerterreinen in de omgeving van het plangebied, binnen een loopafstand van 100 m. Het betoog faalt. 5.
- Over de door [appellant sub 2] gestelde vrees voor extra parkeerhinder als gevolg van het houden van evenementen, overweegt de Afdeling als volgt. In de aanvullende oplegnotitie "Parkeren en verkeersaspecten" van 3 november 2016, die als bijlage 3 bij de plantoelichting is opgenomen, is ingegaan op het aspect evenementen. De oplegnotitie vermeldt dat de locaties waar evenementen, zoals bijvoorbeeld kermis en carnaval, zijn toegestaan, buiten de grenzen van het plangebied van het voorliggende plan vallen. Dit plan voorziet niet in de mogelijkheid tot het houden van evenementen binnen het plangebied. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om voor de enkele omstandigheid dat bij het houden van evenementen buiten het plangebied incidenteel extra parkeerhinder zou kunnen ontstaan bij de percelen van [appellant sub 2], een planregeling op te nemen. Het betoog faalt. Woon- en leefklimaat
- [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij wijzen in dit verband op de schaduwwerking en verminderde privacy op hun percelen als gevolg van de toegestane bouwmogelijkheden, met name het torengebouw met een maximale bouwhoogte van 18 m. Voorts wijzen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op geluidoverlast als gevolg van het gebruik van het beoogde parkeerterrein bij de nieuwe Albert Heijn supermarkt. Zij vrezen voor een onaanvaardbare toename van geluidoverlast ter plaatse vanwege aantrekkend verkeer, winkelwagens, laad- en losactiviteiten en glascontainers op het parkeerterrein. [appellant sub 1] verwijst in dit verband naar de door hem overgelegde geluidnotitie van 3 maart 2017, waarin is ingegaan op het aspect geluid, als behandeld in de zienswijzennota. Volgens [appellant sub 1] leidt de gecumuleerde geluidbelasting vanwege het beoogde parkeerterrein tot een onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat bij zijn woning. 6.
- De raad stelt dat het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat, voor zover het betreft de aspecten schaduwwerking, privacy en geluid, ter plaatse van de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. 6.
- Het plan voorziet tussen de percelen Schutsboomstraat 11 en [locatie 1] in bouwmogelijkheden in de vorm van een gebouw met een maximale bouwhoogte van 12 m. Dit gebouw mag gedeeltelijk worden verhoogd tot een maximale bouwhoogte van 18 m voor een toren met een oppervlak van 5 m bij 5 m. Het gebouw is bestemd voor commerciële ruimten op de begane grond en twee woningen op de verdieping. De toren is beoogd op een afstand van ongeveer 30 m tot de achtergevel van de woning op het perceel [locatie 1] en op ongeveer 25 m tot de bijbehorende uitbouw. De afstand van de beoogde toren tot de bebouwing op de percelen [locatie 2] en [locatie 3] is groter. Op de toren is een dakterras toegestaan met een oppervlak van 3 m bij 3 m. 6.
- De raad heeft bij de voorbereiding van het plan een bezonningsstudie laten uitvoeren. De resultaten hiervan zijn opgenomen in het rapport "Centrumplan Schaijk, Bezonningsstudie conform TNO-richtlijn" van 3 november 2016 (hierna: de bezonningsstudie). De bezonningsstudie is als bijlage 9 opgenomen bij het plan. In de bezonningsstudie is de bezonningsituatie onderzocht voor onder meer de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3]. Hierbij is uitgegaan van de worst case-scenario. De bezonningsstudie vermeldt dat, nu er geen wettelijke normen en eisen ten aanzien van bezonning voor bebouwing bestaan, de richtlijnen van het kennisinstituut TNO zijn gehanteerd. De raad heeft zich op basis van de bezonningsstudie in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot ernstige schaduwhinder op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3]. Hierbij heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat uit de bezonningsstudie volgt dat er als gevolg van het plan geen sprake is van toename van schaduwwerking op de achtergevel van de woningen ten gevolge van bebouwing in het nieuwe planologische regime. Voorts heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat uit de bezonningsstudie volgt dat, wat betreft de schaduwwerking in de tuinen, geen sprake is van een onaanvaardbare toename. Voor zover [appellant sub 1] stelt dat uit de bezonningsstudie volgt dat zijn tuin op 21 juni om vijf uur in de schaduw valt, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan slechts leidt tot enige toename van schaduw op een enkele momenten in een deel van de tuin. Daarbij heeft de raad in aanmerking kunnen nemen dat uit de bezonningsstudie blijkt dat de schaduwwerking grotendeels wordt veroorzaakt door reeds bestaande bebouwing en dat de bouwmogelijkheden van het plan slechts leiden tot een minimale toename van schaduwwerking in de tuinen op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] ten opzichte van de bouwmogelijkheden van het voorheen geldende plan. Tevens heeft de raad bij zijn belangenafweging mogen betrekken dat deze percelen in het centrum van Schaijk liggen en dat de schaduwwerking ter plaatse van deze percelen, mede gelet op hun ligging, niet onaanvaardbaar toeneemt. Het betoog faalt. 6.
- Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan, en met name de toren, leidt tot een onaanvaardbare inbreuk op hun privacy, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat daarvan evenmin sprake is. Hierbij heeft de raad mede van belang kunnen achten dat de percelen in het centrumgebied liggen. Niet kan worden ontkend dat de privacy van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zal worden aangetast door het dakterras op de toren. De raad heeft bij zijn belangenafweging mogen betrekken dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in een bebouwde omgeving wonen en dat ter bescherming van de privacy van onder meer [appellant sub 1] en [appellant sub 2] het dakterras slechts een oppervlak van 3 m bij 3 m heeft en op 2 m van de dakrand van de toren wordt aangelegd. Voorts is de toren niet voorzien aan de oostelijke zijde van het gebouw, zijnde de zijde waar de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zich bevinden. Gelet op de afstand ten opzichte van de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2], die mede door die terugliggende situering van het dakterras ontstaat, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan hun privacy niet op onaanvaardbare wijze aantast. Overigens heeft de raad er op gewezen dat het plangebied in het voorheen geldende planologische regime ook een centrumfunctie met ruime bouwmogelijkheden had. Dit betoog faalt. 6.
- Ten aanzien van de geluidbelasting heeft de raad bij de voorbereiding van het plan akoestisch onderzoek laten uitvoeren, waarbij onder meer is ingegaan op de geluidbelasting vanwege de beoogde, naar het centrum te verplaatsen supermarkt. De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn opgenomen in het rapport "Centrumplan Schaijk, Akoestische onderzoeken" van 13 juli 2015 en de aanvullende oplegnotities van 11 april 2016 voor geluidbelasting vanwege parkeerterreinen en geluidbelasting vanwege wegverkeer alsook de oplegnotitie "Akoestiek centrumplan Schaijk" van 2 november 2016 (hierna tezamen: het geluidrapport), die alle als bijlage 6 bij de plantoelichting zijn opgenomen. Het geluidrapport vermeldt dat op parkeerterreinen de Wet geluidhinder niet van toepassing is. De activiteiten op een parkeerterrein kunnen volgens het geluidrapport worden aangemerkt als indirecte hinder. Indirecte hinder wordt beoordeeld aan de hand van de circulaire de van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" (hierna: de circulaire indirecte geluidhinder). Bij het onderzoek is daarom voor de berekening van de geluidsniveaus in het kader van de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening aangesloten bij de circulaire indirecte geluidhinder. De Afdeling acht dit niet onredelijk. In de circulaire indirecte geluidhinder wordt voor het geluidniveau op de gevels van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen uitgegaan van een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en een maximale grenswaarde van 65 dB(A). Een geluidniveau binnen de bandbreedte tussen de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en de maximale grenswaarde van 65 dB(A) wordt volgens de circulaire indirecte geluidhinder acceptabel geacht. Het perceel [locatie 1] van [appellant sub 1] ligt het dichtst bij het plangebied en tussen de percelen op [locatie 2] en [locatie 3] van [appellant sub 2] en het plangebied. Uit figuur 2 van de oplegnotitie geluidbelasting vanwege parkeerterreinen volgt dat de bestaande geluidbelasting op de gevel van de woning op het perceel [locatie 1] tussen de 45 dB(A) en 51 dB(A) bedraagt. Uit figuur 6 van de oplegnotitie geluidbelasting vanwege wegverkeer volgt dat de bestaande geluidbelasting op de gevel van de woning op het perceel [locatie 1] tussen de 52 dB(A) en 55 dB(A) bedraagt. Uit figuur 3 van de oplegnotitie geluidbelasting vanwege parkeerterreinen volgt dat de naar aanleiding van het plan te verwachten geluidbelasting op de gevel van de woning op het perceel [locatie 1] tussen de 52 dB(A) en 53 dB(A) bedraagt. Uit figuur 11 van de oplegnotitie geluidbelasting vanwege wegverkeer volgt dat de naar aanleiding van het plan te verwachten geluidbelasting op de gevel van de woning op het perceel [locatie 1] tussen de 55 dB(A) en 57 dB(A) bedraagt. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan zal leiden tot een toename van het geluidniveau vanwege het parkeerterrein en wegverkeer, maar ook dat deze, gelet op de omstandigheid dat de maximale grenswaarde van 65 dB(A) niet wordt overschreden, niet onaanvaardbaar is. In de oplegnotitie "Akoestiek centrumplan Schaijk" is de geluidbelasting vanwege de bevoorrading van de supermarkt betrokken. De oplegnotitie vermeldt dat wordt voldaan aan de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering", editie 2009, van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) vermelde richtafstand van 10 m voor supermarkten. Tijdens het bevoorraden kunnen piekgeluiden optreden door het laden en lossen van vrachtwagens inclusief koelmotor. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat dergelijke piekmomenten gebruikelijk zijn bij het laden en lossen en niet tot gevolg hebben dat ter plaatse geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat bestaat. Voorts wijst de raad erop dat de dichtstbijzijnde laad- en losplaats op het parkeerterrein is beoogd op een afstand van ongeveer 50 m van de woning op het perceel [locatie 1]. Uit tabel I.2 van de oplegnotitie "Akoestiek centrumplan Schaijk" volgt dat het maximaal te verwachten geluidniveau vanwege bevoorrading van de supermarkt voor de gevel van de woning op het perceel [locatie 1] tussen de 60 dB(A) en 63 dB(A) ligt. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat het te verwachten maximale geluidniveau vanwege laad- en losactiviteiten op de gevel van de woning op het perceel [locatie 1] binnen eerdergenoemde bandbreedte valt en daarmee acceptabel is, niet onredelijk. In de oplegnotitie "Akoestiek centrumplan Schaijk" is voorts ingegaan op de geluidbelasting vanwege het parkeerterrein als gevolg van geluidpieken door dichtslaande portieren, het rijden van winkelwagens en stemgeluid. De oplegnotitie vermeldt dat uit berekening blijkt dat het geluidniveau vanwege het parkeerterrein op de gevel van de woning op het perceel [locatie 1] ten hoogste 60 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Maatgevend hierbij zijn de winkelwagens, die op korte afstand van de woning kunnen passeren. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat dit ruimschoots lager is dan de maximale grenswaarde van 65 dB(A) en aanvaardbaar is. Over het gebruik en legen van de glascontainers vermeldt de oplegnotitie "Akoestiek centrumplan Schaijk" dat deze zijn beoogd op een afstand van 20 m afstand tot de bestaande woningen. Door deze afstand wordt het maximaal piekgeluidniveau vanwege de glascontainers bij die woningen beperkt tot van 51 dB(A). De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat ook in dit verband is voldaan aan de maximale grenswaarde van 65 dB(A) en dat dit geluidniveau aanvaardbaar is. De raad wijst er voorts op dat in het akoestisch onderzoek het cumulatieve geluidniveau van het parkeerterrein, inclusief de winkelwagens, en het wegverkeerslawaai is berekend. Hieruit volgt dat het cumulatieve geluidniveau ter plaatse van de woning op het perceel [locatie 1] 62 dB(A) bedraagt. Dit is een toename ten opzichte van de bestaande situatie. De raad heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze toename aanvaardbaar is. Hierbij is mede van belang dat de maximale grenswaarde van 65 dB(A) niet wordt overschreden. Voorts heeft de raad in aanmerking kunnen nemen dat sprake is van een centrumgebied, waar de aanwezigheid van detailhandel gebruikelijk is. Gelet op het voorgaande heeft de raad in hetgeen is aangevoerd, daarbij mede begrepen de door [appellant sub 1] overgelegde geluidnotitie, in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat het plan, wat betreft het aspect geluid, leidt tot een onaanvaardbare toename van geluidoverlast ter plaatse van de woning op het perceel [locatie 1]. Omdat de woningen op de percelen [locatie 2] en [locatie 3] op grotere afstand van het plangebied af liggen, heeft de raad evenmin aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat het plan leidt tot een onaanvaardbare toename van geluidoverlast ter plaatse van die woningen. Het betoog faalt. Waardedaling
- [appellant sub 2] betoogt dat zijn percelen aanzienlijk in waarde zullen dalen als gevolg van het plan en dat daarom ten onrechte geen planschaderisicoanalyse is gedaan. 7.
- De Afdeling overweegt dat, wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de percelen [locatie 2] en [locatie 3] betreft, geen grond bestaat voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. De raad heeft verklaard dat eventuele planschade niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. [appellant sub 2] heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij vreest dat zijn percelen als gevolg van het plan onverkoopbaar worden. Hij stelt dat uitbreiding van winkelruimte als gevolg van het plan zal leiden tot waardedaling en leegstand van zijn woning. Daargelaten dat het plan niet voorziet in uitbreiding van winkelruimte, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is dat de percelen van [appellant sub 2] onverkoopbaar zullen worden als gevolg van de in het plan beoogde herontwikkeling van het centrum en concentratie van winkels in dat gebied. Het betoog faalt. Bushalte
- [appellant sub 2] betoogt dat hij onaanvaardbare overlast zal ondervinden als gevolg van het verplaatsen van de bushalte voor zijn perceel. 8.
- Dit heeft geen betrekking op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond moet derhalve buiten beschouwing blijven. Overigens heeft de raad toegelicht dat over de mogelijke verplaatsing van de bushalte een verkeersbesluit genomen zal moeten worden en dat daarbij de belangen van de omwonenden zorgvuldig zullen worden afgewogen. Conclusie en proceskosten
- Gelet op het voorgaande zijn de beroepen tegen het besluit tot de vaststelling van het bestemmingsplan en alsook tegen de besluiten, waarbij de omgevingsvergunningen zijn verleend waarmee invulling is gegeven aan het bestemmingsplan, ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart de beroepen van [appellante sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, griffier. w.g. Van Sloten w.g. Ramrattansing voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017 408.